BWV 85 – Ich bin ein guter Hirt

Deze cantate componeerde Bach voor 15 april 1725, zondag ‘Misercordias Domini’, de tweede zondag na Pasen. Deze titel is het begin van ps. 89 in de Latijnse vertaling. De tekstdichter is onbekend. De cantate is de laatste van vier, waarin Bach afwijkt van wat zo kenmerkend is voor zijn tweede jaargang: cantates gebaseerd op kerkliederen, de zgn. koraalcantates, waarin hij “bijna systematische verschillende manieren van koraalbewerkingen voor koor onderzoekt”. (Wolff) Met Pasen kwam er een plotseling einde aan deze opzet. Het is nog steeds onduidelijk waarom. We weten ook niet wie de auteur is geweest tot dan toe van de koraalcantates. Of waren het er meerderen? Er is wel verondersteld dat dat Andreas Stübel is geweest, geboren in1653 in Dresden, en conrector van de Thomasschool, die na een ziekbed van drie dagen op 31 januari 1725 overleed. Maar ook daarna zijn nog koraalcantates geschreven. Hoe dan ook Bach maakte een nieuwe start om vervolgens vanaf zondag Jubilate tot en met Trinitatis gebruik te maken van teksten van de Leipziger dichteres Christiane Mariane von Ziegler.

BWV 85 heeft een heldere zesdelige structuur: evangelietekst – de verkondiging er van – een antwoordend koraal – een belerend recitatief – een belijdenis – een concluderend koraal. De cantate volgt de evangelielezing van de zondag: Johannes 10: 12- 16, Jezus als de goede herder. De bezetting is vrij eenvoudig: twee hobo’s, strijkers en continuo, met in het tweede deel een violoncello piccolo als voorgeschreven (obligaat) begeleidingsinstrument. Deze wordt ook wel de viola pomposa genoemd, een forse altviool, die zowel tegen de schouder – da spalla -, als tussen de benen – da gamba – wordt bespeeld. Anders dan de cello beschikt dit instrument met een hoge e-snaar over vijf i.p.v. vier snaren. Naast tien cantates schrijft Bach dit instrument ook voor voor de zesde cellosuite. Volgens Forkel (1782) heeft Bach zelf dit instrument ontwikkeld, omdat hij voor sommige stukken de begeleiding door cello te laag en door viool te hoog vond. Het is de vraag of dit klopt, wellicht bestond het instrument al.

1. ARIA (B)
»Ich bin ein guter Hirt,
ein guter Hirt läßt sein Leben für die Schafe.«

Uiteraard wordt Jezus’ eigen woord gezongen door de bas, die bij Bach de Vox Christi is. In die zin is het ook geen aria in de gebruikelijke zin van het woord. Wel merkwaardig is dat de tekst spreekt van ‘ein’ i.p.v. het strikt Bijbelse ‘de’ goede herder. De twee unisono spelende hobo’s beginnen met een hoog inzettende en vervolgens dalende lijn een eigen thema tegenover het continuo, dat een thema speelt, waarop de bas de hoofdtekst zal zingen, een contrapuntisch stuk derhalve. De tekst komt tweemaal langs en wordt omlijst door een instrumenteel refrein. Het roept voor mij niet het beeld op van de pastorale idylle- de grazige weiden -, maar meer de andere kant van het herderswerk: de waakzaamheid van de goede herder, want gevaar dreigt er altijd voor de schapen. Die hobo’s klinken voor mij als de begeleidende waarschuwingssignalen, zeg maar de muzikale ‘stok en staf’, genoemd in ps. 23. Het ‘vertroosten’ van die herdersattributen moet uitgelegd worden als ‘het bij de kudde houden’, de ‘kudde verdedigen’ en niet een troosten met een zakdoekje, zalfje of doekje voor het bloeden.

2. ARIA (A)
Jesus ist ein guter Hirt,
denn er hat bereits sein Leben
für die Schafe hingegeben,
die ihm niemand rauben wird.
Jesus ist ein guter Hirt.

Dat gevaar wat de kudde kan treffen – het geroofd worden – komt in deze verkondigingsaria voor alt duidelijk tot uitdrukking en dat de essentie van Jezus als goede herder is dat hij zelf zijn leven in de waagschaal heeft gelegd voor zijn kudde. Daarom is hij een goede herder. Daarbij hoort de klank van de genoemde ‘violoncello piccolo’, door Bach tussen Pasen en Pinksteren in 1725 vijf keer voorgeschreven. Zijn warme sfeer roept de die offerende bescherming op. Met het continuo is sprake van een triosonate. De alt zingt de tekst drie keer – Bijbels scheepsrecht, dus beslissend – in zijn geheel, met er voor en erna en eenmaal onderbroken een instrumentaal ritornel en aan het eind de herhaling van het motto. Op ‘rauzen’ vallen melisma’s.

3. KORAAL (S)
Der Herr ist mein getreuer Hirt,
dem ich mich ganz vertraue,
zur Weid er mich, sein Schäflein, führt
auf schöner, grünen Aue,
zum frischen Wasser leit er mich,
mein Seel zu laben kräftiglich
durchs selig Wort der Gnaden.

De verkondiging wordt persoonlijk gemaakt in dit koraal, door Cornelius Becker in 1598 geschreven en gebaseerd op ps. 23. Dit solo gezongen koraal heeft de melodie van ‘Alleein Gott in der Höh sei Ehr’ van Nicolaus Decius uit 1523. De sopraan zingt deze versierd. De twee hobo’s en het continuo voegen zich erbij in een triosonate. Van Hengel veronderstelt een fagot in de continuogroep, waardoor een pastorale sfeer van de grazige weiden opgeroepen wordt. Vrolijke huppelfiguurtjes zijn in alle stemmen te horen. En Van Hengel vergelijkt de vorm met die van een (orgel)koraalvoorspel. De ‘cantus firmus’ van de sopraan ligt ‘verstopt’ in een fraai weefsel van de instrumenten en in haar eigen versieringen.

4. RECITATIEF (T)
Wann die Mietlinge schlafen,
da wachet dieser Hirt bei seinen Schafen,
so daß ein jedes in gewünschter Ruh
die Trift und Weide kann genießen,
in welcher Lebensströme fließen.
Denn,
sucht der Höllenwolf gleich einzudringen,
die Schafe zu verschlingen,
so hält ihm dieser Hirt
doch seinen Rachen zu.

De tenor vergelijkt de goede herder met huurlingen, die eigenlijk niets om de kudde geven en slapen terwijl gevaar dreigt. De goede herder waakt daarentegen, zodat de ‘Höllenwolf’ geen kans van slagen krijgt binnen te dringen. Hij klapt diens muil (Rachen) dicht. Strijkers begeleiden de tenor. Op ‘wachten’ stijgen ze driestemmig omhoog; op ‘Lebensströme’ horen we een dalend stromen; op ‘Höllenwolf’ een dissonante harmonie.

5. ARIA (T)
Seht, was die Liebe tut.
Mein Jesus hält in guter Hut
die Seinen feste eingeschlossen
und hat am Kreuzesstamm vergossen
für sie sein teures Blut.

Die liefde voor de kudde kost Jezus zelf zijn kop, zijn leven. Hij wordt begeleid door unisono spelende strijkers, met de altviolen in een laag register. De tenor komt er daardoor vaak bovenuit. We worden overgoten met warme, intieme klanken, een echt herderlijk stuk, in een wiegend ritme van een 9/8 maatsoort; de melodieën klinken lieflijk, waarin het kalme stromen van een verkoelende beek te horen is. Driekeer zet de tenor in met ‘Seht’: hoog als een roep om aandacht, hij zingt bezield, vol expressie, vooral  op de zin over de kruisstam en het blut, waarin over 1 1/2 octaaf een meiska laat horen en tot de hoge ‘b’ geraakt. ‘Der Satz gehört zu den eindrucksvollsten Arien des an Schönheiten gewiss nicht armen Bachs Kantatenwerks’, zo concludeert Dürr niet ten onrechte. De aria kent overigens een complete da-capostructuur.

6. KORAAL
Ist Gott mein Schutz und treuer Hirt,
kein Unglück mich berühren wird.
Weicht, alle meine Feinde,
die ihr mir stiftet Angst und Pein,
es wird zu eurem Schaden sein,
ich habe Gott zum Freunde.

Het vierde couplet van ‘Ist Gott mein Schild und Helfersmann’ van Ernst Christoph Homburg uit 1658 geeft een samenvattende conclusie. Het is een tamelijk onbekend kerklied, die Bach harmonieert in de toonsoort van het begin  e-klein, met wel aan het eind van de regels een stevig majeur-akkoord.