Category Archives: boeken

Vorstenhuizen 4

“Hoe wordt men koning?”, is de vraag die Alexander von Schönburg in het tweede hoofdstuk van zijn juweel van een boek beantwoordt. Als met het einde van de Eerste Wereldoorlog ook het Ottomaanse Rijk aan zijn eind komt, vragen in Europa meerdere tronen om nieuwe bezetting. De Albanese regering zet daartoe een opmerkelijke stap: ze plaatst een advertentie in de Evening Standard, waarin men leden van de  Engelse landadel oproept te solliciteren. Helaas komen de meeste reacties vanuit de Londense ‘grachtengordel’ en van o.a. een conservatief parlementslied en een Amerikaanse fabrikant van blikken doosjes. Met de kroon van Griekenland wordt onder alle vorstenfamilies van Europa geleurd “wie Sauerbier”. Uiteindelijk komt men uit bij prins Georg von Schleswig-Holstein, die pas toestemt om naar Athene te vertrekken als zijn oom, de koning van Denemarken, dreigt zijn maandelijkse toelage te schrappen. Bulgarije heeft nog meer moeite een passende koning te vinden. Eerst wordt Alexander von Battenberg, uit het Huis Hessen-Darmstadt, op de vers geschapen troon gezet, maar daar al na zeven jaar van verdreven. Een Russische groothertog, een Deense prins en een Roemeense vorst bedanken vervolgens feestelijk voor de eer. In wanhoop zwerven de Bulgaarse scouts van slot naar slot, tot ze in een Weens koffiehuis stuiten op prins Ferdinand von Sachsen-Coburg. Een uitstekende kandidaat, zo lijkt het. Hij is pas 26 jaar, ziet er goed uit, welvarend, enigszins ijdel, maar via zijn vader aan het Engelse koningshuis en via zijn moeder aan het Franse koningshuis verwant. De jongeman valt als een blok voor het aanbod: ” Ik beschouw het als mijn heilige plicht mijn voet zo snel mogelijk op Bulgaarse bodem te zetten”. Zijn tante, Queen Victoria, reageert op het bericht van zijn benoeming bepaald niet ‘amused’. Aan haar prime-minister, Lord Salisbury, bericht zij dat haar verwante totaal niet geschikt is. Hij is “zwak, excentriek en vrouwelijk….dit moet verhinderd worden”. Maar hij wordt het wel, wordt niet populair in Bulgarije en is de grootvader van Simeon die na de val van het communisme bij de eerste vrije verkiezingen van Bulgarije tot minister-president van het land gekozen wordt en zijn land de Europese Unie binnenleidt. Als Albanië per advertentie een koning zoekt, heeft men al een koning gehad. Het land komt al in 1912 onder het juk van het Ottomaanse Rijk vandaan en de grootmachten besluiten  in dat behoorlijk onherbergzame bergstaatje een monarchie te vestigen. Gek genoeg zijn er dan kandidaten genoeg. Een Franse en een Italiaanse markgraaf bieden zich zelf aan; koning Nicolaas van Montenegro beveelt zijn zoon Mirko aan; het Vaticaan pleit voor prins Lodewijk uit het Huis Bonaparte en uit Cairo meldt zich prins Achmed Fuad. uiteindelijk valt de keus op de in Potsdam levende vorst Wilhelm zu Wied. Hij is protestant, een denominatie die in Albanië juist niet voorkomt en juist daarom wordt hij uitverkoren om zo neutraal de in het land levende moslims, katholieken en grieks-orthodoxen te kunnen verbinden. Zijn verre neef, keizer Wilhelm II, wiens leger hij dient als cavalerie-officier, waarschuwt hem: Wie zijn geestelijke gezondheid hem lief is, gaat met met een grote boog om de Balkan heen! Von Wied is getrouwd met Sophie von Schönburg-Waldenburg – tante van de schrijver – en zij, verrukt van het perspectief koningin te kunnen worden, trekt haar man over de streep. Het loopt op een fiasco uit. De zogenaamde verwachte neutraliteit zorgt voor rumoer en volksopstanden, die de naïeve Sophie denkt te kunnen indammen door op de zee bij Tirana wat te gaan spelevaren. De Albanezen zijn totaal niet onder de indruk en het gevolg is dat een kanonneerboot van de Duitse marine Wilhelm en zijn echtgenoot in ijltempo het land uit moet brengen, nog geen zes maanden na de troonsbestijging. De zoektocht naar een nieuwe koning gaat dan weer opnieuw beginnen tot uiteindelijk een zoon van een herenboer uit het Albanese achterland, Ahmed Zogu, de macht grijpt. Deze putschist is journalist, sticht een republiek, maar eenmaal vast in het zadel roept hij zichzelf uit tot koning: koning Zog I.  Tot zover de vermarkting van tronen in Oost- en Zuidoost-Europa. De volgende aflevering van dit feuilleton over hen die als toekomstig koning geboren worden en andersoortige troonsbestijgingen.

Vorstenhuizen 2

Terug naar het boek van Alexander von Schönburg over vorstenhuizen en koningen. Hij vraagt zich af of het wel kies is hierover te schrijven, omdat hij ook geheimen zal moeten prijsgeven. Tast dat het instituut niet aan? In 1867 merkte de Engelse staatsgeleerde Walter Bagehot op “dat het mysterie de kern uitmaakt van het koningschap: we mogen geen daglicht daarover binnenlaten”. In de huidige tijd, waarin vele prominenten dringen om de hoogste staat van beroemdheid, zijn het de alleen de ‘royals’ die dat zijn vanwege hun zijn en niet zoals al die anderen vanwege hun rijkdom, prestaties, schoonheid of misdaden.  Eind zestiger jaren van de vorige eeuw ontving de Engelse documentairemaker Richard Cawston van Buckingham Palace de opdracht een film te maken, waarin de Windsors moesten worden geportretteerd als een ‘gans normale familie’. Dit tot afschuw van de beroemde David Attenborough: “Het gehele instituut van de monarchie is gebaseerd op de mystiek van het stamhoofd in zijn stamhoofdentent. Zodra een lid van de stam toegang krijgt tot het binnenste van deze tent is het gehele systeem van het stamhoofdwegen aan verval onderhevig- en de stam zal daaraan te gronde gaan”. Diverse royals slaan steeds meer zijn dringende waarschuwing in de wind. Het lijkt er steeds meer op dat ze zo nadrukkelijk als ‘gewoon’ willen overkomen. Zo liet de Spaanse koning en zijn vrouw zich fotograferen op een gewoon strand met in aluminiumfolie gewikkelde broodjes en prins Charles en zijn zonen toonden in tijdschriften dat zij ‘gewoon’ spiegeleieren bakken en bij de supermarkt inkopen doen. In het boek een foto van de Queen die met hoed (uiteraard) en boeketje in haar gehandschoende handen een bezoek brengt aan een MCDonalds.  Hij wijst  ook op onze eigen Juliana als een koningin op de fiets. Van het prachtige boek van Jolanda Withuis over de grootmoeder van Willem Alexander weten we dat Juliana haar leven geworsteld heeft met evenwicht vinden tussen haar status en het gewoon mens zijn. De vraag is dus of de royals zelf in hun drang naar ‘gewoon zijn’ niet meewerken aan hun eigen ondergang? En is dat niet maar goed ook? Is het niet passé? Of helpt het juist de onderdanen om het mysterie draaglijk te maken en te houden? 

Het opmerkelijke is, zo schrift hij, is dat twee honderd jaar geleden de koningshuizen er veel slechter voorstonden. Neem het jaar 1801: Frankrijk had gebroken met de oudste Europese erfmonarchie; in Engeland bracht George III zijn dagen in een dwangbuis door; in Madrid regeerde Karel IV, omdat de rechtmatige koning, zijn oudere broer Filip krankzinnig verklaard was; in Kopenhagen sloeg bij tijd en wijle Christian VII het paleisgelijke meubilair kort en klein, terwijl aan het hof in St. Petersburg tsaar Paul I zich amuseerde met het kapot smijten van borden om daarna handenwrijvend toe te zien hoe zijn lakeien zich haastten om de gebroken boel op te ruimen. Honderd jaar geleden zag het er ook niet best uit. Tsaar Alexander II werd vermoord, evenals keizerin Sissi van Oostenrijk. De 20e eeuw begint met de aanslag op Umberto I van Italië; een paar jaar later delen Karel I van Portugal en de koning van Griekenland zijn lot. Daarna volgt het drama van Sarajewo, de beginknal van WO.I en tenslotte wordt de (bijna) gehele tsarenfamilie uitgemoord. De huidige toestand is feitelijk veel rustiger, sterker nog er is hier en daar sprake van royal-manie: in ons land en heel sterk rond Diana. Er zijn weliswaar vorstenhuizen verdwenen, die Alexander neo-monarchieën noemt, omdat ze laat ontstaan zijn en geconstrueerd, zoals in Griekenland, Bulgarije, Albanië en Perzië. Maar er is in Spanje een monarchie teruggekeerd en de rest van de vorstenhuizen staan bepaald niet te wankelen. Misschien behoort wel tot het wezen van het koningsschap dat het uiteindelijk immuun is voor moderne aanvallen. Het meest verbreide misverstand onder de burgerlijke bevolking is volgens hem de aanname dat de adel een bijzondere sympathie voor koningen koestert. Hij schrijft dat het tegendeel het geval is, dat juist vijandigheid  typisch is voor de hoge adel.  In de geschiedenis is het juist de hoge adel geweest die de ergste tegenstanders waren van de koningen. Daarom namen keizers en koningen hen ook in dienst aan het hof, niet omdat zij ze vertrouwden, maar om zo hun gevaar in te dammen en met beloningen koest te houden en door vernederingen klein te houden. Von Schönburg komt met een voorbeeld uit zijn eigen familiegeschiedenis. Het gaat om vorst Michael Galitzin, die diende aan het hof in St.Petersburg. Hij had de tsarin Anna Iwanowna geërgerd door met een Italiaanse katholiek meisje te trouwen. Toen deze overleed, dwong zijn meesteres hem te huwen met een dienstmeid, die volgens de beschrijvingen ook nog eens uitgesproken lelijk was. Op last van de tsarin werd de huwelijksceremonie tot een waar spektakel opgetuigd, zoals nog niet eerder in Rusland vertoont. Het bruidspaar werd in processie door de stad geleid, aangevoerd door zwijnengeiten, honden en koeien; de hofpoëet droeg een gedicht voor met als titel: ‘Jubelzang op het idiote bruiloftspaar’. Hun huwelijksnacht moesten ze doorbrengen in gigantisch paleis van ijs en werden door de tsaren hoogst persoonlijk naar het in ijs uitgehouwen huwelijksbed gebracht. Ze overleefden de kwelling ternauwernood. “Die Zarin amüsierte sich köstlich”.                                                                                 Tot slot: Von Schönburg onthult dat Queen Elisabeth door haar neven en nichten ‘Lillibet’ wordt genoemd, terwijl haar man haar ‘causale’, ‘worstje’ noemt.

Vorsten

Eigenlijk ben ik voor een republiek. Erfopvolging is een raar ding, een antiquiteit, een reliek. Toch ben ik blij dat er vorstenhuizen zijn, vanwege de verhalen, de entourage, de zgn. paleisgeheimen, waarnaar het gissen is en uitermate geschikt als praat bij de borrel. Mits politiek gezien formeel flink achter de gouden koorden en in de gouden kooi – helaas voor hen – hou ik vooral van vorstenhuizen die niet te gewoon worden, maar opvallen in excentriciteit. In Celle vond ik vorig jaar een heerlijk boekje van de hand van Alexander von Schönburg met als titel ‘Alles über Könige – was Sie schon immer wissen wolten, amber die zu fragen wagten’.  Alexander, geboren op 15 augustus 1969 in Mogadishu (Somalië), is een royalist-journalist die zelf de titel van graaf von Schönburg-Glauchau draagt en getrouwd is met Irina, prinses van Hessen. Zijn moeder is een Hongaarse gravin uit het huis Széchenyi. Middels zijn vrouw is hij verwant aan het Britse koningshuis – zijn vrouw is achternicht van Philip en Elisabeth en samen hebben ze in John Churchill, de 1e hertog van Marlborough een gemeenschappelijke voorvader. Hij kent dus de wereld van adel en vorsten van binnenuit. 

Hij begint zijn boek met een anekdote over koningin Mary, de grootmoeder van de huidige koningin van Engeland. Zij was gewoon aan haar ( ook-adellijke) onderdanen te vragen ; ‘hoe gaat het met uw arme moeder?’ Of: ‘hoe gaat het met uw arme dochter? etc. Altijd dat adjectief ‘arm’. Hoezo? Volgens Queen Mary was iedereen arm, die niet van koninklijke bloede was. De schrijver ervoer dat zelf op de vooravond van het huwelijk van prins Edward met Sophie Rhys-Jones. Edward had afstand gedaan van de troon en dus was zijn huwelijk puur een familieaangelegenheid. August was vanwege zijn vrouw mede uitgenodigd. Dat was zijn ‘geluk’. Als journalist zou hij er nooit bij hebben kunnen zijn. Er is geen beroepsgroep die door het huis Windsor zo als minderwaardig wordt gezien als die van de journalistiek. Dat geldt met name prins Philip. Bij een bezoek aan de beroemde apenrots in Gibraltar zei deze, hard genoeg om door de journalisten gehoord te worden: ‘Welnu, wie zijn hier de apen, wie de reporters?’ En bij een staatsbezoek in Pakistan viel een fotograaf van de ladder, vanwaar hij een mooie foto in gedachten had. Philips commentaar: ‘Hopelijk heeft hij zijn nek gebroken’. 

Enfin, op genoemde avond komt de schrijver naast de koningin te zitten. Alexander en Irina zijn niet zo lang geleden getrouwd en de queen wil duidelijk weten wie via haar achternicht de familie is binnengekomen. Een lakmoesproef. Zelfs machtige staatslieden verkrampen en beginnen te stotteren als ze oog in oog staan met de queen. Alexander heeft het gevoel voor het jongste gericht te staan, maar een paar martini-cocktails helpen hem enigszins van zijn zenuwen af. Maar dan blijkt dat Elisabeth totaal geen aandacht aan hem besteedt. Geen woord, zelfs geen blik. Halverwege de maaltijd verandert dat. Terwijl aan andere hoven je je onderhoudt met je directe disgenoten zowel ter rechter- als ter linkerzijde, gaat het bij het Engels koningshuis zo dat je eerst je onderhoudt met je buurman/buurvrouw ter rechter zijde en dan ter linkerzijde. Van het gesprek herinnert hij zich door zijn toestand van een shock niets meer. Van een gesprek met prinses Anne, de oudste dochter van de queen, bekend als mensenhater, herinnert hij zich de avond doorkwam door alleen maar over paarden te praten. Haar vader zei ooit over haar dat het enige wezen waarvoor Anne iets voor over heeft ‘hooi kauwen, vier benen hebben en winden laten’. Overigens zijn het ook de vorsten en zeker de queen die in pijnlijke situaties redding brengen. Alexander geeft het voorbeeld van de vrouw van generaal De Gaulle, samen op bezoek tegen het einde van zijn ambtsperiode. Aan tafel vraagt iemand aan mevrouw De Gaulle waar ze zich op verheugt als haar president af is. Zij antwoordt met een sterk Frans accent: Ä penis! De hele tafel valt stil, zelfs de lakeien blozen. Dan redt de dan jonge queen de situatie en zegt droogjes: ‘Ah, happiness’.               Het zijn dit soort anekdotes en wetenswaardigheden die het boek zo heerlijk maken om te lezen en waarom vorstenhuizen toch maar even moeten blijven.

 

Reve en het schrijverschap

Op de sterfdag van Reve graag nog iets van hem zelf over de waardering van boeken en het schrijverschap. In een brief aan Geert van Oorschot van 2 februari 1980 (zie Brieven van een aardappeleter) schrijft hij: ‘Het moderne proza beschrijft wel feiten en gebeurtenissen, maar die zijn nooit tevens symbolisch: de visie ontbreekt. Vandaar dat men die boeken nooit een tweede keer leest. Het persoonlijke wordt niet algemeen. De moderne schrijver heeft geen kosmos meer, en geen werkelijke, gerijpte idee over de duiding van het menselijk bestaan. Ik bedoel daarmede niet een staatkundige mening, maar een levensgevoel. De twee enige levende Nederlandse prozaïsten van belang zijn Hermans en Reve……… van de rest is ‘ het absolute afwezig. (Es fehlt das Heroische -Stefan George) …Bij bedoelde Nederlandse schrijvers lees je nooit: ‘Dit ben ik’. Je zegt bij het lezen hoogstens: ‘Misschien heeft die man wel gelijk’, maar nooit: ‘Zo is het’. Men schrijft uit ijdelheid en ambitie – net als Hermans en Reve – maar niet, daarbij en in de eerste plaats uit innerlijke noodzaak. Een sterfgeval blijft bij al die schrijvers een individueel sterfgeval, en wordt nooit de Dood zelve. Een jongetje is alleen maar dát jongetje, en niet tevens het beeld van de jeugd van iedere lezer.’  Dit is al zo goed en scherp opgemerkt dat je weet en zegt: zo is het! Er zijn heel wat boeken die je met plezier leest, goed geschreven, maar het blijft anekdotiek. Als die werken te lang zijn, dan gaat er juist bij mij de lol van af. Tenzij het karaktertrekken heeft van een thriller, een toegevoegd element die de waarde verhoogt. Goede thrillers lees ik ook graag, die houden je vast vanwege en een subliem plot en de stijl. Het nieuwste werk van de mij veel te veel bejubelde Oek de Jong blijft steken in anekdotiek en het boek is dan al snel veel te dik. Een volgens mij ook erg overschatte schrijver is A.L.Snijders. Korte verhaaltjes, zeer kort zelfs, dat zo ook heten, maar  ze pakken totaal niet. IJdeltuiterij van het gewone. Op radio 4 vind ik hem helemaal niet te pruimen. Alle dagen heerlijk om de dag mee te beginnen, maar dinsdagochtend wordt verknald door die temerige inbreng van de mij nietszeggende stukjes van die o zo gewone man. De rillingen lopen me al over de rug als ik Vroomans als tegen een dement oudje hoor vragen: hoe gaat het vandaag met U? Brrr….De man heeft ook geen humor. Zeker niet die van de grote volksschrijver. Aan het eind van z’n brief aan Van Oorschot sr. schrijft hij: ‘ Ik verneem, dat je gezondheid wederom zeer goed is, en dat het je toegestaan is, gebakken aardappelen te eten. Niet te veel drinken, dat is verstandig. Iets drinken is goed, zoals ook in de Schrift staat (Eerste Brief, 1, aan Timotheüs, 5: 23): ‘Drink niet alleen water; gebruik ook wat wijn, voor Uw maag, en voor Uw veelvuldige kwalen’.”

Hieronder het interview van Adriaan van Dis met Reve uit 1985.

Lezen in bed

In één van de laatste afleveringen van Downton Abbey zegt butler Carson tegen de uit de gevangenis ontslagen mr. Bates: ‘stay in bed and read’!. Voor personeel op de grote landgoederen was het bed de enige plek om eens rustig zich te ontspannen met een boek. Eerder kwam je er niet aan toe. Het is al een heel ding dat de butler lezen ter sprake brengt. In de hele serie heb ik nog nooit een personeelslid zien lezen, maar iemand van de heersende , werkgevende familie ook niet. Voor een tv-serie is lezen ook niet echt opwindend en te saai om een plek te geven. De opmerking van Carson prikkelde me tot reflectie over lezen -in-bed. Ik lees zelf veel in bed. Het is mijn slaapmiddel bij uitstek. Het is elke avond weer afwachten hoe lang het duurt dat de ogen zo zwaar worden dat ik het licht uitknip, maar ik lees altijd. Momenteel ligt Stoner van John Williams op m’n nachtkastje. Het gebeurt ook nog wel eens dat ik midden in de nacht klaar wakker word en dan knip het licht aan en lees verder. Op de twee w.c.’s in huis liggen ook boeken en beneden in de woonkamer  ligt ook altijd een boek die nodigt tot verder lezen. dat is momenteel ’1913′. Ik lees dus vier boeken door elkaar heen. De twee boeken van slaap- en woonkamer gaan het snelst. Aan de ontbijttafel lees ik elke ochtend Trouw, maar ook daar staat in een standaard als reserve een boek. Welnu, genoeg geschreven, ik ga naar bed. Stoner wacht en wenkt.

Pier en oceaan

Wanneer besluit je een boek te kopen?  Welnu: je hoort er velen over praten, wat nieuwsgierig maakt. Ik ben dan altijd wat wantrouwig: de smaak van de goegemeente is vaak juist niet mijn smaak. Op televisie wordt het aanbevolen. Als dat te vaak gebeurd, word ik ook achterdochtig. Speciaal als bepaalde lieden het aanbevelen. Ik weet nog goed, dat Hanneke Groenteman het werk van Voskuil, Het Bureau, aanbeval. Maar Hanneke vond eigenlijk alles mooi, nu ja, wie in haar programma kwam, werd nimmer kritisch benaderd. Nadat Voskuil al zeker vier delen had laten publiceren, kon ik de van de vele kanten gehoorde lofzang niet weerstaan en kocht deel 1. Het greep me direct, zodat ik ook de delen 2 t/m 4 aanschafte. Het volgende deel liet wat lang op zich wachten, maar voor mij geen punt. Toen ik deel 4 uit had, lag deel 5 in de winkel en kon ik aansluiten. Dan heb je aanbeveling van recensenten, wat ook riskant is. Als meerdere recensenten een zelfde oordeel geven, heeft dat meer invloed op me. Het oordeel van mijn vaste boekhandelaar telt zwaarder. Maar dan bedoel ik de baas. In dit geval Ad Quist, de eminente eigenaar van de gelijknamige boekhandel in Bergen op Zoom, waar ik kind aan huis ben. Met zijn medewerkers moet je wat hun oordeel betreft al voorzichtiger zijn, is mijn ervaring. Dat zijn reuze bekwame jongens en behulpzaam en verlezend, maar golflengten qua leeftijd, achtergrond verschillen en dat kan uitmaken. Een goed criterium is voor mij ook het lezen van de eerste bladzijde. Als ik direct bij de lurven gegrepen word dan is een koop snel beslecht. Toch kan het dan toch misgaan. Zo als met het alom geprezen werk van Oek de Jong, Pier en oceaan. Een medewerker van mijn boekhandel had het aanbevolen, de boekhandelaar wilde het gaan lezen, en de eerste pagina beviel mij ook, maar na 500 bladzijden ben ik het zat. Wat een gezeur, eigenlijk. Evocatie van een verloren tijd, wordt het genoemd. Het zal best, maar een zich verstaan met die tijd, karakterontwikkeling? Teveel woorden, niet durven schrappen, herhalingen. De stijl is beter dan een streekroman, maar inhoudelijk komt het er niet boven uit. Ik had het kunnen weten Cirkels in het gras en die Opwaaiende zomerjurken konden me destijds ook niet bekoren. Weet niet eens meer waar het over gaat. Het is literatuur zonder noodzaak. Het klinkt hard, maar niet geschreven hadden we niets gemist. Of ben ik nu te streng?

 

Reve

Het heeft even geduurd, maar ook het derde deel van Nop Maas’ biografie van Gerard Reve kan de kast in. Meer dan tweeduizend bladzijden dundruk hebben uren leesplezier gegeven en een vracht aan feiten over het leven van een van de beste en belangrijkste schrijvers van ons land. De vele ruzies, conflicten, de verhouding met Schafthuizen bezorgden soms koude rillingen, de geleidelijke neergang tot in de krochten van het ergste geheugenverlies was aangrijpend om te lezen. Frits Abrahams schreef een mooi column over de vriendschap tussen Reve en Rudy Kousbroek. Twee totaal tegengestelde figuren, maar beiden , denk ik, psychisch gehavende mannen, met sterke neiging tot depressie. Gaandeweg hun vriendschap voel je al dat dat een keer moet misgaan en tot scheuring moest leiden. Gezien de grilligheid en wispelturigheid van Reve inzake vriendschappen en relaties en de totale ongevoeligheid en weerstand van kousbroek jegens elke vorm van religie, lag een breuk voor de hand. Had zelf verwacht dat in dit geval Kousbroek als de eerste de handdoek zou werpen, maar het was toch (weer) Reve die een vriend naar de schroothoop verwijst. Een gemis bij Nop Maas vind ik wel dat  hij geen analyse geeft van Reve’s werk, de ontwikkeling ervan, de motieven, de stijl, het er in vervatte gedachtengoed, de relatie leven en werk , de plaats en betekenis van sado-masochisme, van religie etc. Voor een inhoudelijk wegen en doorgronden van de grote volksschrijver ligt er nog heel wat terrein braak.

 

Praagse winter

Madeleine Albright was niet alleen een fantastische minister van Buitenlandse Zaken, ze kan ook schrijven. Heb zo juist de laatste bladzijde van haar Praagse Winter omgeslagen. Het is een boeiend, goed geschreven verslag van de eerste tien jaar van haar leven, wat samenvalt met de spannendste periode uit de 20e eeuwse geschiedenis van Tsjechoslowakije, nl. die van 1938 tot en met 1948. De figuren van president Benes, de held van alle Tsjechen Tomas Masaryk en diens zoon Jan komen prachtig uit de verf. Je begrijpt veel meer van de positie van het geboorteland van Albright, wiens meisjesnaam eigenlijk Korbel is , binnen Europa.

Voor de schrijfster was het een schock te ontdekken dat ze een Joodse achtergrond  heeft en dat het merendeel van haar familie om die reden de gruweldood onder de nazi’s vond. Dit boek vormt met HhHh van Binet en Mendelssohn op het dak van Jiri Weil een goed trio over een ingrijpende episode in de geschiedenis van m.n. Praag.