Category Archives: Dagdagelijks

Vorstenhuizen 3

Het boek van Alexander von Schönburg is te leuk om niet met u te delen. Zijn eerste echte hoofdstuk gaat over de aanspreektitel van koningen. Boven het hoofdstuk staat het opschrift op het lievelingskussen van de Engelse prinses Margaret: ‘It’s not easy being a Princess’. Geestige stimulans tot verder lezen. Hij beschrijft een diner in Parijs op alpine hoogte van de high society. Mevrouw Chric (haar man is dan president), de zuster van Jacky Onassis, een handje vol Rothschilds, de hertog van Marlborough en een broer van de Saoedische koning. Eregast: koningin Rania van Jordanië. Een jeugdige Rothschild krijgt de instructie tegenover de koningin geen diepe buiging te maken, een handkus volstaat. Hij vraagt hoe hij haar moet aanspreken. Ten antwoord krijgt hij dat hij moet wachten tot hij aangesproken wordt. Om elke faux pas te vermijden is het eigenlijk het beste om helemaal niets te zeggen. Toch komt er een moment dat je wel een aanspreektitel moet gebruiken. Van Schönburg vertelt dat eens koningin Silvia van Zweden meedeed aan de Duitse versie van ‘Wedden dat..?’ (sic!) De presentator Thomas Gottschalk sprak haar consequent aan met ‘Hoheit’. En dat was helemaal verkeerd. Hooghied is de aanspreektitel voor leden in de periferie van een koninklijke familie. De enige juiste aanspreektitel is ‘Herr’, Heer of ‘Herrin’ oftewel Madam en dan elk in eigen taal. Madam is afgeleid van het Latijnse  mea domina oftewel mijn heerin. In Spaans nog terug te vinden als Senor en Senora. In Rusland werd de tsaar door de boeren vroeger zelfs getutoyeerd. Hun privilege was het hem aan te spreken als Tsaar en als ‘jij’. Liefkozend noemden ze hem ook ‘vadertje tsaar’. In de synagoge is het de gewoonte om waar JHWH staat Adonai te zeggen. De Naam is in al zijn nabijheid toch een mysterie waarover we niet kunnen beschikken niet in ons spreken en dus ook niet in ons doen. maar de vervangbaar is niet ‘Majesteit’ of Hoogheid, Opperwezen, maar gewoner ‘Heer’. De aanspreektitel voor een predikant is ‘dominee’, afgeleid van ‘dominus’, heer. Hij is in dienst van de Heer, van zijn spreken.VDM. (Verbi Divini Minister, dienaar van het goddelijk woord) Laat God de Koning ook maar spreken en wij zwijgen. Augustinus zei: ‘wij spreken om niet helemaal te hoeven zwijgen’. Toch werd en wordt er wat op kerkelijk erf af gekakeld, gedelibereerd, met woorden van modder gegooid, gebabbeld, geroddeld, tegen God aan gekletst, gebetweterd wie en wat Hij is en ga zo maar door. En in zijn naam en zgn. dienst kletsen dominees ook soms maar raak; ik zal me er ook aan schuldig gemaakt hebben. Zwijgen is dus goud. En toch staat de Bijbel ook vol met woorden aan God gericht. Maar dat zijn of lofzangen of roepen om ontferming, zelfs in de vorm van verwensingen, zoals bij Job. Werkelijke woorden uit het hart gegrepen, uit het barse leven geroepen mogen aan de Here God als koning zonder schroom gericht worden.

Wat geef je een koning als geschenk? Het antwoord is zonneklaar: of iets heel duurs of een schetsartikel, een onnozel kleinigheidje. Maar nooit iets daar tussen in. De grondslag voor deze cultuur is gelegd door kalief Harun Al-Rashid, wiens rijk in de 9e eeuw zich uitstrekte van de Indus tot het Atlasgebergte. Hij gaf een gezant van Karel de Grote voor zijn vorst een witte olifant cadeau. De olifant bereikte ongeschonden Aken en de keizer was zo verrukt van het geschenk dat hij de olifant op zijn tochten meenam. Dat duurde helaas maar enige jaren: de olifant stierf aan een opgelopen longontsteking. In 1540 bracht Zigismond II van Polen voor Ferdinand I van Oostenrijk een bijna twee-en een half meter lange hoorn van een eenhoorn mee. In die tijd geloofde men nog in het bestaan van het fabeldier. Feitelijk handelde het om de slagtand van een narwal, zoals de Deense natuurkundige Ole Worm in de 17e eeuw bewees. Ferdinand I liet de hoorn overigens naar Innsbruck sturen om het door de toenmalige topbeeldhouwer van het land, Silvester Lechner, te laten omwerken tot een rijk versierd pronkstuk, nog immer te bezichtigen in de Weense Hofburcht. Het is met schenken van iets waardevols wel uitkijken geblazen, want hoe duur ook, zo’n geschenk kan toch lelijk zijn en bij een tegenbezoek is het wel de bedoeling dat je zo’n geschenk laat zien. Van Schönburg noemt als voorbeeld de spuuglelijke miniversie van het Indonesische presidentieel paleis in witgoud dat koningin Elisabeth uit Jakarta meebracht. Dieren kun gebeter ook niet geven. De Engelse koningin heeft er heel wat gekregen, zeg gerust opgedrongen gekregen, die allemaal in de Londense dierentuin terecht kwamen. Het gaat hier om een witte stier (van de Zoeloe-koning), de olifant Jumbo (van de president van Kameroen), ettelijke schildpadden, drie luiaards, twee grizzlyberen, een krokodil een dwergnijlpaard. De ambtenaren proberen van te voren al met verwijzing naar de Britse quarantainevoorschriften dierengeschenken te voorkomen, maar niet altijd succesvol. De koningin neemt zelf altijd iets kleins mee, iets ‘persoonlijks’, zoals een wollen sjaal met schotse ruiten of een houten sierkastje uit het atelier van haar neef David Linley. Op grote geschenken wordt gereageerd door zelf dan juist iets kleins te geven. Zo kreeg prins Charles van de toenmalige Saoudische kroonprins Abdullah een Aston Martin van 130.000 euro cadeau. Zijn tegengeschenk: een aquarel van eigen hand. Van Imelda Marcos kreeg hij een speedboot, die hij vervolgens verkocht met de opbrengst voor een liefdadigheidsorganisatie. Met kerst geeft de Engelse koninklijke familie elkaar principieel alleen maar schetsartikelen. Zo kwam prinses Margaret aan het kussen, waarmee dit hoofdstuk opent: een kerstgeschenk van haar zuster de queen. Harry kreeg eens een G-string badpak, waarmee Sacha Baron Cohen als Borat beroemd werd. De koningin zelf de zingende vis ‘Big Mouth Billy Bass’, waarvan ze zo begeesterd raakte dat ze er 24 stuks van kocht als kerstcadeau voor uitgezochte oude vrienden. Buckingham Palace ontvangt ieder jaar trouwens acht- tot twaalfduizend geschenken van onderdanen. Die allemaal op springstof onderzocht moeten worden, gecatalogiseerd en opgeslagen worden. En bedankbrieven geschreven worden, een dagtaak voor één secretaris.  Onmiddellijk moeten we nu denken aan die geweldige conference van Wim Sonneveld als ceremoniemeester tijdens het defilé op 30 april tijdens de regeerperiode van Juliana. (krentenmikken, achter de rododendrons etc.)  Over de offercultuur in de Bijbel valt op dit punt ook nog heel wat te schrijven. Eén citaat: ‘Het offer van de goddeloze ( en dat is iemand die Tora niet doet) is een gruwel’ (Spreuken 15: 28).                  Met een fraaie anekdote sluit het hoofdstuk en ook mijn stuk af. De  Engelse koningin bezocht het naar genoemde ziekenhuis van King’s Lynn in Norfolk. Van een patiënt, Betty Hyde kreeg ze een banaan cadeau. Dat vroeg om uitleg. Welnu Betty revancheerde zich daarmee voor een banaan, die zij als vijfjarig meisje van de toen jonge prinses Elisabeth kreeg, toen deze met haar moeder in de oorlog eveneens een ziekenhuis bezocht. 

Waterliniepad 2

Bij Werkendam gebleven, bij Werkendam dus nu begonnen, aan de oostelijke kant van het dorp; het dorp waar Anton Mussert geboren werd, een naam die nu Werkendam niet meer voor komt. Werkendam is goed protestant, met een grote Hervormde kerk: Gereformeerde Bond en rechts-confessioneel en een behoorlijk forse Gereformeerde Kerk. Verder vinden mensen geestelijk onderdak bij Chr. Gereformeerden, Gereformeerde Gemeente, Oud-Gereformeerden, Hersteld Hervormden en Vrije Gereformeerden en dan is de lijst vast nog niet compleet.  Werkendam – genoemd naar het riviertje De Werken, een verdwenen zijtak van de Alm – ligt ten zuiden van de splitsing van de Boven Merwede in de Beneden en Nieuwe Merwede.  In 1641 verwoestte een brand 81 huizen en in 1812 trokken de Kozakken door het dorp. De plaatselijke voetbalclub heeft die naam als geuzennaam overgenomen: Kozakken Boys, een geduchte naam in het zaterdagvoetbal. Werkendam ligt aan de rand van de Biesbosch, waar veel Werkendammers hun kost verdienden als griend- en rietwerkers en daarvoor de hele week in de Biesbosch bleven. Aan hen dankt het dorp de naam ‘de Vrouwenhemel’. Tijdens de oorlog speelden diverse Werkendammers een rol van betekenis als ‘crosser’: onderduikers,Engelse piloten, verzetsstrijders, voedsel en medicijnen werden na het najaar van ’44 van het bezette deel van ons land overgebracht door de door de Duitsers gevreesde Biesbosch naar het al bevrijde zuiden. Werkendam is nu een dorp van schippers en weg- en waterbouwers.

Enfin, ik parkeer mijn auto bij het grote busstation. Het is de bedoeling dat ik naar Woudrichem loop en vandaar de bus neem. In een halte zit een meisje met ‘oortjes’ in. Die ze vriendelijk verwijdert als ik haar informeer naar de bus die ik terug moet nemen. Het is de bus die zij moet hebben richting het oude zalmstadje tegenover slot Loevestein. En die komt er al snel aan. Als ik verneem dat die bus steeds slechts eenmaal per uur gaat, besluit ik om nu de bus te nemen en dan vanuit Woudrichem terug te lopen. De bus blijkt overigens een streekbus en blijft tot Woudrichem slechts het meisje en ik als passagiers te vervoeren. Meisje blijft zitten, ik loop honderd meter en ben dan bij de grote Middeleeuwse kerk, waar vandaan mijn tocht begint. Maar eerst koffie op het terras van een ijssalon. Het is verrukkelijk wandelweer. Woudrichem of Woerkum, zoals ze zelf zeggen heb ik al eens uitgebreid bezocht, met zijn gevangenistoren bij de Merwede, het visserijmuseum, met veel over de vroegere zalmvangst, de genoemde  - gotische Martinikerk. (In het stadje is Dokter Tinus van SBS6 opgenomen en diverse scènes voor de film Oorlogswinter).  Ik loop de Bagijnestraat uit , klim de wal op die rond het stadje ligt, loop een houten brug over de stadsgracht over en kom op een dijk voor fietsers en wandelaars. Daar waar de Merwededijk aansluiting krijgt met een autoweg uit het stadje duik ik De Aanwas in, een buitendijks natuurgebied van weiden en bosschages. De vogels fluiten, graspiepers vliegen op, er bloeit van alles in het weelderig groen en een man met hond komt me tegemoet. Na ruim 1 km kom ik door een draaihekje op het terrein van de jachthaven van Sleeuwijk. Een dorp van ruim 5000 inwoners, met veel nieuwbouw, behorend tot de gemeente Werkendam. Het ligt aan de Boven-Merwede met een prachtig zicht op Gorinchem. Na de jachthaven komt al snel het haventje van de veerpont voor fietsers en wandelaars naar Gorcum, waaraan Sleeuwijk eeuwenlang z’n betekenis aan heeft ontleend. Voor het eerst wordt die al in 1327 genoemd. In 1811 stak keizerin Marie Louise van Oostenrijk, de vrouw van Napoleon, met dit veer de Merwede over. Dat gaf het veer de haar bijnaam: Het veer van Keizerin Marie Louise. Het werd een tijdlang aangeprezen als ‘de kortste weg naar Parijs’. Het veer verloor belang na de bouw van de Merwedebrug in 1961.  Na het veerhaventje loop ik nog een stukje over de duik en daal dan de dijk af, langs een 19e eeuwse Rijks Peilschaal, ontdekt en vrijgekomen na vrij recente dijkwerkzaamheden. Deze peilschaal, waarmee de waterstanden konden worden afgelezen. ligt in de dijk zelf. Ik wandel achter een man twee honden uit door de zgn. Groes, een buitendijks natuurgebied, waar tegen het water hooglanders grazen en het pad me langs honderdtallen letterlijk bloeiende reuze balsemienen voert. Terugbuigend naar de dijk staan in het struweel met mos begroeide brugpijlers, overblijfsels van de planning van een eerdere brug over de Merwede. Een aantal kilometers loop ik langs een vaart achter de eerste huizen van Sleeuwijk langs, kom ik aan de weg naar het dorp, Transvaal, die ik over het fietspad volg tot aan de Rijkstraatweg, steek de A27 over en dan ligt daar weer het busstation, waar mijn auto geparkeerd staat. Zo’n tien kilometer ruim gelopen. Ik eet een boterhammetje en ga op weg naar het diep in de Biesbosch gelegen Biesboschmuseum. Op de terugweg koop ik bij een als kraam ingerichte container kersen, aardbeien en pruimen. Ik ben niet de enige, er staat een aardige rij , begerig naar vers geoogst fruit.

img_1118 Woudrichem, zicht op Merwede.

img_1123 Buitendijks tussen Woudrichem en Sleeuwijk

img_1126  Rijks Peilschaal bij Sleeuwijk

img_1129 Reuze balsemien

img_1130 kerkje Ned.Gereformeerden Sleeuwijk

 

Waterliniepad 1

In mijn jeugd was ik een fietser. Niet alleen naar school of het treinstation om vandaar per spoor naar Utrecht te gaan (kweekschool), maar ook in mijn vrije tijd: heel het Gooi door en verder, door weer en wind naar wedstrijden van mijn FC Huizen tegen Spakenburg en IJsselmeervogels; in de studententijd vanuit Utrecht grote tochten door Lopikerwaard, over de Utrechtse Heuvelrug. Wandelen deden we met vrienden op zondagmiddag en doorkruisten zo het mooie Gooi. Fietsen vind ik nu weinig meer aan. Te druk, te veel in gruwelijke pakjes gehulde hardfietsers, agressief, dictatoriaal ruimte opeisend. Ik ben meer gaan wandelen, maar sinds de nieuwe knie daarin toch een terugval. Gelukkig de draad weer opgepakt en zo wandelen met z’n drieën het Pelgrimspad, met vijf het Grootfrieslandpad en ben ik zelf vorige week vrijdag begonnen aan het Waterliniepad. Die loopt van Weesp naar Fort Steurgat ,even buiten Werkendam. Of omgekeerd, zo als ik doe. Het is een pad langs de Nieuwe Hollandse Waterlinie, een zgn. themapad derhalve. Die waterlinie beslaat een strook polderland van ongeveer 5 km breedte tussen Muiden en de Biesbosch en kon in tijden van oorlogsdreiging tot 40 à 50 cm onder water gezet worden. De linie is aangelegd tussen 1815 en 1940. Bestaande polderdijken werden er in opgenomen, inundatiedijken speciaal er voor aangelegd, er kwamen sluizen en duikers; wat niet beschermd kon worden door water kreeg bescherming vanuit en door forten en batterijen: tussen 1815 en 1885 werden er zo’n zestig aangelegd. Fort Steurgat is er zo een, tegenwoordig een wooncomplex met acht luxe appartementen en drie villa’s. Het fort ligt aan de rand van de Biesbosch, even ten zuidwesten van Werkendam. Dit fort moest de dijk langs de Merwede afsluiten en de rivier en Biesbosch onder controle houden. Het bestond uit een kruithuis, een bomvrije schuilplaats voor geschut van 30 bij 20 meter en een kazerne van 60 bij 23 meter, met elkaar verbonden door een ‘opteren’, een gewelfde tunnel. Het fort is omgeven door een ringgracht. Het werd in 1881-1882 gebouwd als sluitstuk van de linie, maar verouderde al snel, omdat het niet bestand bleek tegen brisantgranaten ondanks haar dikke muren. Het lot van de veroudering deelde het fort met tientallen andere. De brisantgranaat was een vinding van de Krupp-fabriek in Essen. In de meidagen van ’40 was een brisantgranaat overbodig vanwege de flexibelere inzet van parachutisten, de gehele waterlinie bleek een farce. De wandeling gaat vanaf het fort naar de rand van Werkendam, over een brug, langs het benzinestation van Kieboom, waar ik mijn auto heb geparkeerd, rechtsaf langs een restaurant en dan klim ik een dijk op, waarover een fiets- en wandelpad geasfalteerd is, die eerst de jachthaven rondt en vervolgens bijna 3 km me langs het Steurgat voert. Het is prachtig weer, wel veel wind en veel wolken die soms dreigen met een bui, maar nooit verder komen dan een paar spatten. Er komt me een enkele wandelaar tegemoet en soms wat fietsers die duidelijk meer moeite met de wind hebben. Die fietsers komen van het pontje Steur een overzet naar de polders richting Dordrecht. Bij het pontje zelf aanbeland wacht een groepje fietsers voor een overzet. daarvoor baseerde ik een eenzame hengelaar en een oude man in een even oude boot, met aan zijn zijde een forse herdershond. Iets voorbij het pontje steek ik het polderland in, eet een boterhammetje aan een picknicktafel onder hoge bomen en ik steek de Bruine Kil over een enigszins kronkelende vaart en daar komt een dilemma. De papieren gids zegt dat ik rechtdoor moet, maar het rood-gele marketingsteken wijst naar links een dammetje op, achter een prikkeldraadomheining langs en dan via een klaphekje een brede strook langs de genoemde vaart op. Ik volg het teken, want het kan een na het verschijnen van het boekje een wijziging zijn. Al snel stuit ik op een groep forse  grazende koeien en kalveren. Maar zij kijken me slechts lodderig aan en ik kan ze met gemak passeren. Even verder word ik opgeschrikt door fladderend lawaai en zie een buizerd vlak voor mijn ogen uit het struweel aan de rechterzijde van de strook grasland schieten. Ik had al eerder z’n pieuw-geroep gehoord. Zeker 2 km struin en soms strompel ik langs de vaart en kom dan in een bocht bij een sloot die ik per plank en ijzeren leuning over kan. Het teken wijst nu duidelijk naar rechts naar een strook langs een gemaaide akker. Die stuit op de Grote Waardweg en daar ontbreekt elk marketingsteken. Volgens het boekje loopt de route nog verder het land in, langs de Bakkerskil ( een kil is een oud woord voor kreek) en dan linksaf weer richting Werkendam. Op de plek waar ik sta is geen doorsteek naar die Bakkerskil en dus ga ik linksaf de Grote Waardweg op en zie dan weer een pad langs een akker richting die kil. Op het veld er naast is een boer aan het maaien, mij tegemoet en hij stopt, springt z’n machine uit en zegt dat ik verkeerd loop, voor de wandelroute moet ik terug. Waar ik nu loop mag ik niet lopen en bovendien loopt het ook dood. Ik weet wat me te doen staat, loop niet terug, maar over de asfaltweg nog een stuk door en sla dan rechtsaf over een asfaltweg naar de Kille, het uiteinde van het dorp Nieuwendijk, waar ik weer de markeringstekens vind. Nog even een stop met een laatste boterham en dan de dijk op, die na de laatste huizen van het dorp overgaat in een wandel- en fietspad en kom bij de Papsluis, uit 1815. Het is een ontwerp van Jan Blanken van het toen bijzonder technische waaiertype. Achter de sluis doemt Werk aan de Bakkerskil op, een fort op de Schenkeldijk, eind jaren zeventig van de 19e eeuw gebouwd om de Papsluis te beschermen. Er zit nu een uitspanning in. Ik merk dat ondanks het prachtige weer de harde wind z’n tol begint te eisen; ik raak vermoeider en wordt trager in mijn tempo. Ik besluit een kleine afsteek te maken via een lokale route, klaphekken door, langs de bakkerskil en dan weer op de Grote Waardweg naar de rand van Werkendam. Langs de Waardweg een vrij nieuw oorlogsmonument in de vorm van twee vleugels van een propeller en vliegtuigmotor. Tijdens de oorlog crashte hier een Britse Lancaster, veel bemanningsleden kwamen om. Het vliegtuig en bemanningsleden werden pas in 2014 geborgen. Door een nieuw industrieterrein wandel ik weer naar de jachthaven terug naar mijn auto. de teller op de app van mijn mobiel staat op bijna 15 km. Ik beloon me zelf met een cornetto. Heerlijk als de middag zelf.

img_1086      het Steurgat, man met hond in boot img_1088   Pontje Steur

img_1114 oorlogsmonument

Nouri en het EK Vrouwenvoetbal

Ik hoef maar even aan hem te denken en ik schiet al weer vol; ik hoef maar over hem te praten en de tranen wellen van zelf in mijn ogen, nog steeds. Uitgerekend de jongen die de belichaming was van wat voetbal zo prachtig en heerlijk maakt kan die belichaming niet meer zijn, kan zelfs eigenlijk niet meer leven. Het kan zijn dat ik Abdelhak Nouri als klein jochie in levende lijve heb zien voetballen op De Toekomst, ik herinner het me niet meer. Ik heb hem wel in de Arena gezien, maar verder vooral op tv en op filmpjes op internet. En je begrijpt meteen waarom hij liefkozend Appie werd genoemd. Het joch nam je totaal voor hem in. Door zijn weergaloos spel, door een talent, wat maar eens in de zoveel jaar zich ontbolstert. Maar ook door hoe hij was: het plezier, zijn positieve, opgewekte instelling, zijn gedrag, wars van nare trekjes en misplaatste ijdelheid. Een verfijnde jongen in spel en gedrag zonder een belegen braafheid. Een rolmodel voor de Marokkaanse jeugd. Maar ik zou dat willen uitbreiden tot een rolmodel voor iedereen en zeker voor het voetbal. 

Een rolmodel die de Oranjevrouwen op het zondag geopende EK in hun eerste wedstrijd lieten zien. Hartstochtelijke inzet, aanvallend voetbal in de beste traditie van de zgn. Hollandse school en geen gemekker tegen de scheidsrechter, geen malle en gemene overtredingen, spattend spelplezier. Natuurlijk ook nog vol fouten, maar is het mannenvoetbal dan zo volmaakt? Met de waarschijnlijk grotere waarde die Nouri zou verwerven in Ajax’ eerste elftal, zou het Ajax-spel dat onder Bosz begon nog meer glans krijgen. Zeker met jongeren van zijn generatie als Van de Beek en De Jong. Het zal niet zo zijn, althans niet met Appie. Als je hem zag spelen bekroop me al de vraag of hij met dat frèle lichaam zich wel staande zou kunnen houden in het fysieke geweld waarin het voetbal zo vaak verworden is. Of hij zich daar door heen wist te dansen, zoals Cruijff. Het was wellicht de reden, waarom hij niet al jonger tot de hoofdmacht doordrong. We zullen het niet meer weten. Op zaterdag 8 juli kwam in één fatale klap een einde aan alle hooggespannen verwachtingen, aan een blij vooruitzicht, maar erger nog aan een beloftevol leven, werd in één klap een gezin in diepe rouw gedompeld en Ajax, de hele voetbalwereld een bron van plezier ontnomen. Voor zijn team en met name voor de staf een helse klus om die rouw om te buigen tot prestaties die een waar eer betoon zijn aan de bloem Nouri, in de knop gebroken. Hopelijk kan daarbij het Nederlands vrouwenteam daarvoor een inspiratiebron vormen.

Jo de Roo 80 jaar

Gisterochtend ging de telefoon. Gerard Koel aan de lijn. De voormalig Olympisch Kampioen van Tokyo 1964, sprintkanon, fameus baanwielrenner en 30 jaar achtereen als chauffeur van de NOS-radio actief in de Tour de France mag dan al weer decennia in Hoogerheide wonen, het blijft een Amsterdammer die direct ter zake komt: “Klaas, vandaag wordt Jo de Roo 80 en hij krijgt een verrassingsfeestje eind van de middag. Heb je zin om mee te gaan”?  Daar hoef ik niet lang over na te denken. Jo de Roo, één van vroege wielerhelden, van wie ik alles uitknipte en in een album plakte. (Helaas had mijn vader al mijn albums, over hem, over de Tour, over voetbal etc, etc weggegooid, toen ik op me zelf ging wonen in Utrecht. Ik kan me er nog kwaad om maken!) Jo de Roo, die ik in ons kerkje hier heb geïnterviewd; die meermalen daarna naar culturele avonden kwam, met zijn lieve (tweede) vrouw. Dus voegde ik bij Gerard en Tineke en reden we gedrieën, op de dag dat Fabiu Aru die verschrikkelijke klim naar Plateau des Belle Filles won, naar Wemeldinge. In een gloednieuw restaurant op edik, gerund door oud-renner Peter Hoonert, verzamelde zich een grote schare oud-renners uit Nederland en België en hun vrouwen om op het moment suprême zich muisstil te houden. De Roo was in de veronderstelling met z’n gezin wat te gaan eten en werd plotseling de zaal binnengevoerd, waar uit zeker honderd kelen een enthousiast Lang zal hij leven opklonk. Hij was totaal verbouwereerd en begon verlegen en bescheiden zoals hij van nature is handen te schudden,  als enige gehuld in korte broek. Er was een zangduo, de glazen gingen rond, er waren toespraken, heerlijke hapjes werd rondgedeeld en de stemming werd steeds beter. Behalve jan Janssen en zijn vrouw kende ik aanvankelijk niemand, maar dat werd spoedig anders. Ik raakte in gesprek met Theo Smit (Frisol), Cor Schuuring (Tokyo 64), Gerben Karstens, Roger Rosiers (winnaar Parijs-Roubaix 1971, met 1’26″ voorsprong op Van Springel, Basso, Janssen, Merckx, Leman, R. de Vlaeminck en Gimondi) en nog velen meer. En daar was Suske Verhaegen, een oud-renner die een uniek eigen wielermuseum heeft in Grobbendonk en de (internationale) vereniging van ex-renners heeft opgericht en bestuurt. Ik kreeg z’n kaartje en een button met de woorden: “zo nu bent ge ook lid; het kost ge niks, want ik betaal alles”. De vriendelijke Vlaming had na het wielrennen beter geboerd dan met koersen. Uiteraard werd er voluit gesproken over het uit de Tour zetten van Sagan. Geen van de oud-renners had daar begrip voor: zwaar overdreven, Cavendish wilde door een muizengat en als je al gestraft bent, kun je niet nog eens een andere, zwaardere straf krijgen, zo ging het heen en weer tussen de kenners. Sommigen vermoedden dat er druk was van Franse kant om de mare te helpen in het veroveren van de groene trui. Veel van die oud-renners zagen er trouwens nog patent uit, zoals Gerben Karstens (toch al 77), Koel (76), Smit, Schuuring en Janssen. Ze zitten dan ook nog wekelijks op de fiets, ontmoeten elkaar bij voortduur. Grote animator is de man die zijn fortuin verdiende met bidons e.d. en die dat fortuin graag deelt met zijn helden van weleer. Na afloop mochten we een bidon met beeltenis van De Roo meenemen. Natuurlijk was er ook familie van de knappe en rappe Zeeuw en nog een paar types, zoals ik : meer sportief voor de buis en  met meer liefde voor de pedaalridders dan zelf voor lange tijd in het zadel te klimmen, zoals een gepensioneerde oncoloog van het Radboudziekenhuis. Jo’s vrouw vroeg of ik ook een woordje wilde spreken en bij het weggaan nodigde ze mij bij hen thuis uit, omdat ze zo genoten hadden van de avonden in ons kerkje. Als jonge jongen zag ik Jo de Roo voorbijflitsen in de Ronde van Kortenhoef, die jaarlijks van 1960 tot 1988 door de legendarische Geurt Pos werd georganiseerd en grote winnaars heeft gekend, met Jo als eerste en nu mocht ik me wentelen in een levend plakboek. 

Weerzien in Cluj 4

zondag 18 juni

Na een rustige zaterdag van stad snuiven, rusten, lezen, mijmeren op  een terras achter koffie of bier, korte gesprekjes en een heerlijk avondmaal, start ik de zondag met een buiten-ontbijtje en bezoek daarna de kerkdienst in de kerk van de Twee Torens, vlak bij het Instituut. De gemeente van deze kerk kent ook twee voorgangers. De ene, Székely József, studeerde ook in Nederland en vond daar zijn vrouw, afkomstig uit Frederiksoord. Hij is een belangrijke figuur in de huidige kerk, die hamert op kerkvernieuwing en op het belang en de verbetering van de prediking. De ander heet Adorjáni Lászlo, spreekt voortreffelijk Engels, tekent geestige cartoons en is een broer van Zoltán, die studeerde toen ik aan het Instituut verbleef en is al weer jaren hoogleraar NT. Hij gaat in deze dienst voor, vooraf gegaan door een doopdienst. Na afloop laat Székely me het door hem opgerichte museum zien in een van de grote torens. Het betreft de geschiedenis van de zgn. Hochstadt , de wijk die vanaf de kerk zich richting oosten uitstrekte en tot de zeventiger jaren van de vorige eeuw bestond uit kleine boerderijen, die de binnenstad voorzag van groenten en fruit. Vanaf de zeventiger jaren begon het Ceausescu-regime de honderden (Hongaarstalige) boertjes te verdrijven, hun huizen weg te bulldozeren, hun gronden te onteigenen, zonder enige vorm van inspraak om plaats te maken voor afschuwelijk lelijke en slecht gebouwde torenflats, waarin plattelanders van Roemeense origine gedropt werden die opeens van landbouwers industriearbeiders moesten worden. De sociale gevolgen voor zowel oorspronkelijke als nieuwe bevolking waren gigantisch: ontreddering, verpaupering, ziekte, sterven, zelfmoord op grote schaal. Indrukwekkende foto’s laten zien hoe de nieuwe stad oprukt en ontredderde, angstige en verdrietige boertjes bedreigt.  De middag gebruik voor ontspannen lezen en ‘s avonds ben ik op bezoek bij Jenei Tamás, die een voortreffelijk maal tevoorschijn tovert, begeleid door prima wijnen. We halen herinneringen op van veertig jaar geleden, hij vertelt over zijn loopbaan als predikant, die begon in de Bukowina, waar hij als vrijgezel zonder auto een parochie zo groot als Nederland had te bedienen. Door de hele provincie verspreid woonden Hongaars Hervormden, enkelingen of bijeen in kleine huisgemeenten. De Ceausescu-politiek was er op gericht om de Hongaarse minderheid te versplinteren. Afgestudeerden kregen alleen een baan in Roemeenstalige gebieden en Roemenen werden zoveel mogelijk naar Hongaarstalige gebieden gestuurd. Tamás liet zich niet uit het veld slaan en probeerde zo goed en zo kwaad als het ging zijn diasporagemeente te versterken en op te bouwen. dat bleef bij de overheid niet onopgemerkt en dus werd hij daarvoor gestraft en moest een aantal maanden uit zijn werk weg om bij een bouwbedrijf te gaan werken. Na een aantal jaren werd hij naar een betere plek overgeplaatst, ontmoette zijn vrouw uit Hongarije. Deze woont met hun drie dochters al weer een tijd in haar geboorteland, omdat de Roemeense overheid weigert hen het Roemeens staatsburgerschap toe te kennen. Dus heeft Tamás besloten over drie maanden, als hij met emeritaat gaat, naar Hongarije te verhuizen, waar met graagte de overheid hem het staatsburgerschap van dat land zal geven.

maandag 19, dinsdag 20 juni

Deze dagen geniet ik weer met volle teugen van het weer, van terrassen, van de sfeer in de stad, heb momenten dat ik lees, bezoek een boekwinkel en ga ook naar een pedicure/manicure. Verder een aantal mooie gesprekken. Met Sógor Arpád, de studentenpastor, die me vertelt dat hij een eigen pastoraal/therapeutische aanpak heeft ontwikkeld: de schaakmethode. Hij voert zijn gesprekken rond het schaakbord, waarin of met de studenten schaakt of hen dat leert. Schaken is keuzes maken en staat symbool daarin voor het leven, waarin het ook om het maken van goede keuzes gaat. De keus op het schaakbord leidt in zijn gesprekken tot de keuzen op het levensbord. Ik spreek met Csalogh Béla over de specifieke problematiek van de Hongaarse kerk: het toegenomen individualisme, gebrek aan samenwerking tussen predikanten, de moeite die studenten hebben om voor het ambt te kiezen in hun nog ouderwets gestructureerde kerk en over homoseksualiteit, een nog zeer heikel onderwerp. Met behulp en onder stimulans van de Juhász Stichting is aantal jaren geleden een pastoraal getint boek verschenen dat gratis onder studenten en predikanten verspreid wordt om zo een open gesprek er over te stimuleren. Wat in het boekje ontbreekt is een persoonlijk verhaal van iemand die uit het oude denken zich heeft bevrijd. Ik spreek met hem er over of ik op dit punt niet van dienste kan zijn. Dat leg ik ook voor aan Beke Boroká, de vrouwelijke voorzitter van de predikantenbond. Zij staat open voor een bijdrage van mijn kant, maar moet dat wel voorleggen aan haar leden. Met haar spreek ik ook over het belang van pastoraat aan de predikanten zelf, ook in ons land een ondergeschoven kind.

woensdag 21 juni

In de bibliotheek heb ik een ontmoeting met de bibliothecaris, die mijn werkstuk dat ik destijds schreef te voorschijn heeft getoverd en dat hij voor mij wil digitaliseren en zo toesturen. Het werkstuk gaat over Barths periode als predikant van Safenwil. Zelf bezit ik geen exemplaar, ook niet in de oorspronkelijk Nederlandse versie. Wellicht kan t.z.t. daar zelf voor zorgen: een een goede training voor m’n toch wat weggezakte Hongaars.     ‘s Middags voeg ik mij bij Jenei wederom om met hem in zijn handige bestelbusachtige auto naar Bonchida te rijden, zo’n 40 kilometer oostelijk van Cluj. In dat dorp bevinden zich de resten van het immense kasteelcomplex van een van de oudste en voornaamste Hongaarse adelijke geslachten, de Bánffi’s. Het werd het Versailles van Transsylvanië genoemd, het wordt bij stukken en beetjes gerestaureerd en op het immense terrein vinden nu grote cultuurfestivals plaats. Dit complex wordt ook beschreven in het prachtige boek van Jaap Scholten, Kameraad Baron. Het is ook in het Hongaars vertaald en vindt onder de Hongaren gretig aftrek. We voegen ons bij de predikant van Bonchida die tegenover het kasteel woont en ook in Nederland studeerde. Na het kasteel bekeken we zijn kerk, het van oorsprong oudste kerkje (11e eeuw) van Transsylvanië. Sporen van de grafelijke familie vinden we terug in de fraaie kansel en de avondmaalstafel. In Cluj trakteer ik Tamás op een maal op het terras van het voormalig onderkomen van de vrijmetselaars, nu een modern en prima restaurant.                                                                       De volgende ochtend spreek ik nog eenmaal met Csabá, drink nog een koffie in Big Ben en neem een taxi naar het vliegveld. Daar begint het wachten: voor de incheck, voor de bagagecontrole, voor de paspoortcontrole, voor de gate, in de bus, in het vliegtuig. Ik realiseer me dat vliegen dan wel efficiënt is, goedkoop en snel, maar dat in dat wachten en uiteindelijk snelle vertrek de sfeer van een verblijf wordt afgebroken en snel tot herinneringen worden. Een land geleidelijk naderen en binnenkomen en zo ook weer verlaten is eigenlijk veel beter. De volgende keer ga ik toch weer met de auto, want terugkom ik. Het thuisgevoel, wat ik kende, heeft dat lamlendige vliegveldverblijf en het vliegen zelf me uiteindelijk niet afgenomen.

Weerzien in Cluj 3

maandag 12 t/m donderdagmiddag 15 juni

Van maandag t/m woensdag werd er drie dagdelen gewerkt aan de verhalen van Gideon en Simson in het boek Richteren en aandacht besteed aan stukken Bijbelse Theologie van Karel Deurloo die met onderhavige verhalen te maken hebben. Klaas Spronk, O.T. icus aan de VU had de leiding, bijgestaan door zijn collega Balogh Csabá van het Instituut in Cluj. Deze nam ook een deel van het tolken voor zijn rekening, maar het leeuwendeel op dat gebeid werd geleverd door de onvermoeibare en immer goedgeluimde Sógor Géza. Teksten werden gelezen in Hongaars en Nederlands, met de Hebreeuwse grondtekst er naast. Er werd volop gediscussieerd over de betekenis. Woensdagavond werd een film bekeken over Mozes – even iets heel anders, maar toch ook gericht op interpretatie van de filmmaker van een bekende Bijbelse figuur. Donderdagochtend werd besteed aan diverse vormen van toepassing van met name het Simson-verhaal. De een kwam met preekschetsen, de ander met een voorbede, van mijn hand werden een aantal liederen gezongen, die ik destijds maakte bij de serie over Simson in ons Ossendrechts kerkje. 

donderdagmiddag 15 – vrijdag 16 juni

Na de weer voortreffelijke warme lunch – in R. wordt tweemaal warm gegeten – vertrokken acht Nederlanders in een busje van het Instituut naar de Bukowina. Ries Nieuwkoop achter het stuur. Via Dej en Bistrita reden we het prachtige landschap van de Karpaten in. De steeds hoger slingerende weg was aanmerkelijk beter dan veertig jaar geleden, dan tien jaar geleden zelfs. Nieuw asfalt en af en toe stukken om de traag voortkruipende vrachtwagens te kunnen passeren. Schilderachtige houten huizen en kerkjes, nieuwe orthodoxe kerken – na de omwenteling zijn er liefst 4000 gebouwd! – , de traditionele ovaal toelopende hooioppers, cirkelende roofvogels. We reden door het drukke stadje Viatra Dornei en doken daarna naar beneden om halt te houden in een lief dorp, waar ons pension stond voor de overnachting. We werden zeer hartelijk ontvangen; er kwam bier op tafel, we betrokken onze kamers en ‘s avonds wachtte een zeer uitgebreid rijk maal, met een huislikeur vooraf en heerlijke wijn bij de dampende spijzen. Nazit met een digestief. De volgende morgen een ontbijt van eieren, vleeswaren, kaas, tomaten, ui en vruchten. In totaal kostte de hele grap voor ons achten niet meer dan 300 euro. In dit dorp Moldovita staat het eerste klooster met zijn fraaie beschilderingen dat we die vrijdag bezochten. Een non van een mannelijk postuur en geheel in het zwart, waarbij alleen haar gezicht ontbloot was gaf in helder Duits minutieus en gedreven uitleg bij de schilderingen, wat eigenlijk één groot Grieks -orthodox bijbels theologisch verhaal bevat, wat een paar maal op de buitenmuren terugkeert. Dat geldt ook voor de hal en de binnenzijde van de kerk, in drieën gedeeld, naar de indeling van de Bijbelse tempel. We bezochten nog twee kloosters, zonder gids: in Voronets en in Humurului. Daarna ineen stadje in de buurt een prima pizza en vervolgens weer terug naar Georgheni. Daar nog een laatste avondeten en overnachting in het langgerekte op een heuvelkam gelegen dorp. Een geologische eigenaardigheid van dit dorp mag niet onvermeld blijven. In de bewerking van de grond en bij het bouwen van huizen treffen de bewoners in de leemachtige grond voortdurend geometrisch zuivere bollen in diverse grootten aan. Alsof ze door een machine rond geslepen zijn. In alle tuinen liggen wel van dat soort bollen, de meeste in de omvang van middeleeuwse stenen kogels die uit katapulten tegen stadsmuren geslingerd werden.   Enfin, Nederlandse en Hongaarse collega’s namen hartelijk afscheid. Ik zelf vertrok naar het Instituut, waar ik onderdak vond in een nieuwe eenvoudige doch aangename gastenkamer voor omgerekend 12 euro per nacht.

Weerzien in Cluj 2

Zaterdag 10 juni

Collega Nieuwkoop gebruikt deze dag om een vriend op te zoeken in de gevangenis van Bistrita, een stad zo’n 160 kilometer noordoostelijk van Cluj. Ik rijd met hem mee. Het is stralend zomers weer. We rijden door het dal van de Somes, langs  het oude stadje Gherla, waarvan de bevolking oorspronkelijk Armeens is en een Armeens-Orthodoxe kathedraal het centrum van het stadje domineert. We passeren Dej en buigen dan af richting de noordelijke Karpaten. In Bistrita zet Nieuwkoop mij af aan de rand van het centrum. Na een gezamenlijke uitstekende koffie gaat hij naar de gevangenis en wandel ik op mijn gemak door het rustige stadje, bezoek de eeuwenoude Luthers Kerk van de zgn Saksen die eeuwen geleden naar Transsylvanië trokken en zich vooral in het zuiden als het noorden van Transsylvanië zich vestigden. Ze bouwden burchtkerken, waarin de bevolking in tijden van vijandelijke invallen zich kon terugtrekken en bouwden een aantal dorpen tot steden, tot in totaal Sieben Burgen, waardoor Transsylvanië in het Duits nog altijd Siebenbürgen heet. Transsylvanië betekent ‘achter het woud’, de Nederlandse vertaling van het Roemeense Ardeal of Transylvania, wat feitelijk een vertaling is van het Hongaarse Erdély. De zeven steden overigens zijn Bistritz/Bistrita/Beszterce; Klausenburg/Cluj/Kolozsvár; Hermannstadt/Sibiu/Nagyszeben; Kronstadt/Brasov/Brassó; Mediasch/Medias/Medgyes; Mühlbach/Sebes/Szászsebes en Schässburg/Sigisoara/Segesvár.                                                            Achter de kerk in renovatie strekt zich een brede en lange winkelboulevard uit met een tiental aangename terrassen. Oude mannen kuieren op hun gemak. Gezinnetjes flaneren en likken ijsjes. Tweedehands kledingzaakjes, die je bij bosjes ziet in Roemenië, worden druk bezocht. Een enkeling schiet de moderne winkel van Vodafone (leidend in dit land) binnen. Parallel aan de boulevard loopt de nog drukker met winkels bezette smalle hoofdstraat, met steegjes naar afgetakelde buurten aan de rand van het centrum. Ik bezoek nog het Goldschmiedehaus, een middeleeuws pand, waar de Saksische goudsmeden hun beurs hadden. De ruimten zijn imposant, maar kaal, slechts een paar voorwerpen uit glorieuze gouden tijden zijn overgebleven. Op een kleine boerenmarkt naast de oude stadskerk koop ik een heerlijk stuk schapenkaas. Op het terras waar Ries Nieuwkoop en ik  elkaar weer ontmoeten heb ik nog net tijd voor een koele pils (het Roemeense bier is een stuk lekkerder dan het duurdere  en in zgn. betere kringen  onbegrijpelijk populaire Heineken). Aan het eind van de middag arriveren we in Georgheni/Györgyfalva, waar we eerst een bezoek brengen aan Antal József, die in 1975 in het dorp predikant werd, in Nederland studeerde als een van de laatste onder het Ceausescu-regime en wiens zoon nu de kansel in het dorp beklimt. Ries brengt verslag uit van zijn bezoek aan de gevangenis, want ook hij is een zoon van József. Samen met Wilken Veen, Adriaan Deurloo en Klaas Spronk – de eerste twee deelnemers en de laatste leider van de cursusweek – zal ik de komende nachten doorbrengen in het door hem zelf gebouwde maar vanwege zijn detentie wat verwaarloosde ruim bemeten huis van de gevangen zoon. Tegen de avond haalt Ries mijn huisgenoten  en Wout van der Spek op van het vliegveld en genieten we bij Antal jr een door zijn vrouw bereid maal aan de keukentafel van de pastorie. Wout en de overige Nederlandse en een aantal Hongaarse collega’s brengen de nachten door in Bethlen Háza, zoals het conferentieoord heet. 

zondag 11 juni

We nemen deel aan de kerkdienst van het Instituut, helaas wegens verbouwing niet gehouden in de fraaie aula, maar in een bovenzaal van het gebouw dat de eeuwenoude vleugels verbindt, ontstaan na de wending. Hoogleraren en studenten verschijnen allemaal diep in het zwart. De dienst wordt geleid door de NT’cus Visky Béla, een zeer vriendelijke vijftiger. Liturgisch verschilt de dienst niets van die van veertig jaar geleden. In de prediking kan uiteraard veel vrijer gesproken worden, ofschoon voor zover ik goed beoordelen kon deze preek nogal een hoog essayistisch gehalte had en weinig sociaal-maatschappelijk betrokken. Na afloop ontmoet ik een oude bekende van veertig jaar terug, de nog immer goedlachse Jenei Tamás. Hij was de laatste 18 jaar directeur van het Instituut voor de Catechese en woont nog een paar maanden in het huis, waar we destijds kind aan huis waren omdat daar genoemde Juhász en zijn gezin woonde en in een ander appartement het gezin van Dobri János, een strijdbare predikant, met hoofd en hart onverschrokken op de goede plek. Met Tamás spreek ik af volgende week bij hem het avondeten te gebruiken. Wij drinken koffie, eerst met de studenten en daarna in het appartement van Visky Béla, een van de hoogleraarswoningen van het Instituut. Tot slot krijgen we een rondleiding in de bibliotheek, met een groot aantal incunabelen en o.a. een van de oudste uitgaven van Calvijns Institutie. De huidige bibliothecaris heeft een kleine maar mooie expositie ingericht. De bibliotheek barst uit z’n voegen, mede door talrijke schenkingen uit het buitenland. Op de onderverdieping van het gebouw waar we de kerkdienst bijwoonden wordt hard gewerkt aan uitbreiding van de bibliotheek. In september zal die geopend worden door de Hongaarse premier Victor Orban, omdat de Hongaarse staat nog al wat geld in gebouw en bibliotheek gestoken heeft. We lunchen in Georgheni/Györgyfalva en luieren de middag door. Tegen de avond druppelen de overige deelnemers aan de cursusweek binnen. Onder hen van Hongaarse zijde Sógor Géza, zoon van een predikantenechtpaar, waar we wellicht het liefste kwamen, woonachtig zo’n 60 km ten zuiden van Cluj. Hij was openhartig, modern van denken, moedig, juist ook in zijn preken en zij was de spreekwoordelijke Hongaarse vrijheid in optima forma. Net als bij ons thuis hadden ze 5 kinderen en net als bij ons verdeeld in vier jongens en een meisje, met dit verschil dat bij ons zij de jongste was en bij hen de oudste. De oudste zoon, Csabá, is lid van het Europese parlement. Géza, de een na jongste is predikant en studeerde en woonde 5 jaar in Kampen en spreekt voortreffelijk Nederlands en zal gedurende de cursusweek als tolk fungeren. De jongste, Arpád, heb ik ook ontmoet, want hij woont op het Instituut als studentenpastor. Na het avondeten starten we de cursusweek met een uitgebreide kennismaking. Met steeds goed gevulde glazen praten we lang na in aangename avondkoelte. ‘s Nachts hoor ik de melancholieke roep van een bosuil.

 

 

Weerzien in Cluj 1

Alsof ik in tropisch Afrika was geland! Toen ik afgelopen donderdag uit het vliegtuig de eerste stappen zette op de trap naar het beton trad ik de hitte van een sauna binnen. Eindhoven, vier uur ‘s middags! Twee uur vliegen van Cluj, Roemenië, waar het ook heet was voor de tijd van het jaar, maar nog altijd vijf graden minder warm. Twee weken was ik weer eens in het land waar ik veertig jaar geleden twee jaar had gewoond. Het was in meerdere opzichten een warm weerzien. Na het verblijf van ’76 tot ’78 was ik vaker terug geweest, maar dit keer bleek het anders, intenser vooral. 

Donderdag 8 juni

De dag voor mijn vertrek had Hans den Daas mij flink geholpen met het schonen van mijn voor- en achtertuin en het verwijderen van versleten tuinmeubilair. Vlak voor mijn vertrek stond hij in lichte paniek voor mijn deur: hij was zijn portemonnaie kwijt. Ik was juist bezig de mijne te ontdoen van allerlei pasjes die ik in Cluj niet nodig zou hebben. Hans kon zijn beurs noch bij mij binnen noch in de tuin vinden en vlak na hem stapte ik in mijn auto voor de rit naar Eindhoven. De benzinemeter gaf aan dat ik onderweg bij moest tanken. Toen bleek dat ik bij de herordening van mijn portemonnaie geen bankpas meegestegen te hebben. Paniek bij mij. Ik had nog wel een creditkaart bij mij, die ik nauwelijks gebruik en waarvan ik de pincode niet wist. Ik had nog tien euro op zak en dat was voldoende om P8 van het vliegveld te bereiken, waar ik mijn auto voor de komende weken zou stallen. Op het vliegveld zou ik medereizigers naar Cluj ontmoeten die net als ik zondagavond in een dorp in de buurt van Cluj zouden samenkomen voor een cursusweek over Richteren, georganiseerd door de Juhász Stichting. De organisator van de cursus, collega Ries Nieuwkoop zou ik ook treffen. Er zat niets anders op dan hem om geld te leen vragen. In afwachting van hun komst probeerde ik telefonisch de ANWB te bellen voor een nieuwe pincode van mijn bij hen verkregen creditkaart. Ik kwam er niet doorheen en intussen zag ik mijn medereizigers verschijnen. Ik beëindigde mijn vergeefse wachten op verbinding en stak mijn mobiel in mijn borstzak en toen voelde ik iets zitten, wat mijn bankpas bleek te zijn. Blijkbaar achteloos daarin gestoken toen Hans den Daas in zijn paniek voor m’n deur stond. Ik voelde me kilo’s lichter, de steen in mijn maag vergruizelde. Na een kalme vlucht landden we onder een zwaar bewolkte lucht op een fris, vernieuwd en fleurig Cluj Airport. Veertig jaar geleden oogde het aftands, grauw en grimmig. Heel het land was een somber en droevig stemmende zwart-witfoto. De meegereisde Nederlandse collega’s werden opgehaald door Roemeens-Hongaarse collega’s, waar ze het weekend zouden doorbrengen, kennis zouden maken met het leven en werk in een dorpsparochie en zelfs een in het Hongaars vertaalde preek zouden voordragen. Ries werd opgehaald door een jongen uit Georgheni/Györgyfalva, waar het conferentiehuis stond waarin de studieweek gehouden zou worden. Ik mocht meerijden en werd afgezet bij het hotel, dat ik had geboekt voor geen geen 40 euro per nacht, inclusief ontbijt. ‘s Avonds liet ik me vervoeren per taxi naar het fraaie hoofdplein van de stad met z’n talrijke aangename terrassen. Ik voelde me direct thuis. Oude herinneringen mengden zich de relaxte bevrijde atmosfeer van nu. 

De Juhász Stichting.

Deze stichting is in 1995 opgericht met als doel  ’arme’ studenten van de Protestantse Theologische Universiteit in Cluj – afkomstig uit de Hongaarssprekende Református, Lutherse en Unitarische kerken in Transsylvanie – financieel te ondersteunen alsmede de bij- en nascholing van predikanten en het theologisch-wetenschappelijk onderzoek. In dat kader worden ook al jaren studieweken georganiseerd, samen met Nederlandse collega’s, die daarvoor slechts 250 euro, inclusief verblijf en maaltijden betalen, terwijl de Hongaarse collega’s een klein bedrag bijdragen. De stichting is genoemd naar professor István Juhász (1915-1984), een internationaal in hoog aanzien staand hoogleraar kerkgeschiedenis aan het toenmalige ‘Verenigd Protestants Theologisch Instituut met universitaire graad’ van Cluj/Kolozsvár en Sibiu/Hermannstadt. Ondanks de toenmalige immense onderdrukking van staatswege lukte het hem de ontwikkeling van de theologische hogeschool en van de studenten te bevorderen, mede door het onderhouden van internationale oecumenische contacten. Voor de Nederlandse studenten die vanaf 1968 gedurende twee jaar in Cluj aan het instituut verbleven was hij een onmisbare vraagbaak en vertrouwensfiguur. Bijdragen aan de stichting zijn van harte welkom op NL95 RABO 0302707700 t.n.v.de stichting te Zwolle. De stichting heeft een ANBI-erkenning. Zie verder: www.juhasz-stichting.nl

Vrijdag 9 juni

Ries Nieuwkoop, bestuurslid van de Juhász Stichting en motor achter de studieweken en nog veel meer, haalt me op bij het hotel voor een dagje besprekingen en ontmoetingen in de stad. Onder andere bij Exit, de uitgeverij van Hongaarstalige theologische en culturele boeken. Ook drukken zij werken voor andere uitgeverijen. Ze hebben onderdak gevonden in het 18e eeuwse pand dat veertig jaar geleden het onderkomen vormde van de deken en het dekenaat van Hongaars Hervormd Cluj, zeg maar de kerkelijke ‘baas’ van een regionaal onderdeel van het bisdom. De Hongaarse kerken kennen vanouds bisdommen en dus bisschoppen, weliswaar gekozen door een synode, maar met een behoorlijke bestuurlijke macht. Transsylvanië telt twee bisdommen, globaal een Noord- en een Zuidbisdom, met zetels in resp. Oradea en Cluj. Bij Exit worden ook Nederlandse werken uitgegeven, vertaald in het Hongaars door diverse predikanten die langere tijd in Nederland studeerden en onze taal machtig zijn geworden. na de omwenteling kwam er een behoorlijke stroom op gang van jonge predikanten die hetzij in Utrecht hetzij in Kampen terecht kwamen. De Juhász Stichting  stimuleert en financiert de bovengenoemde uitgaven, die dan vaak ook weer de basis vormen van de studieweken. Hongaarse predikanten kunnen de uitgaven voor een luttel bedragje aanschaffen. Zo zijn o.a. boeken van Karel Deurloo op de (Roemeens) Hongaarse markt verschenen.  In hetzelfde pand is ook een ontwerpbureau gevestigd. Zij hebben naast de ontwerpen voor de boeken van Exit ook een geheel eigen markt gecreëerd van posters, folders, boekillustraties etc. Drijvende kracht is een man die zelf als cartoonist steeds meer bekendheid geniet.

Het altijd boeiende en broeiende Ajax

Niemand had het zien aankomen, zeker ook de naar verluid goed ingevoerde journalisten van V.I., Telegraaf, AD niet. Maar nu de kruitdampen wat opgetrokken zijn volgens mij een paar conclusies te trekken.  Peter Bosz blijkt een ware leerling te zijn van Ronald Koeman, die op een zelfde leeftijd na een jaar PSV ook een financieel aantrekkelijke trein zag langs komen en daar gulzig bij in stapte. Clubliefde bestaat niet, bij spelers niet, bij trainers niet, althans de meeste niet. Des temeer respect voor Frank de Boer die in tijden waarin het nog meer broeide bij Ajax doorging net zo lang (of wellicht te lang) tot de sportieve grens bereikt was onder zijn leiding.  Natuurlijk zal er ook nu onenigheid geweest zijn, Van der Sar was er zelf duidelijk in. Maar ik vrees dat bepaalde media, vooral De Telegraaf,  handenwrijvend het strontje tot een enorme koeienvlaai hebben opgeblazen. Wat niet wegneemt dat de structuur van Ajax op z’n minst vreemd en onhelder is. Dennis Bergkamp als lid van het alles bepalende technisch Hart is de baas over de trainer, onder wie hij juist ondergeschikt is als assistent. Dat is vragen om botsingen. En ik blijf zeggen dat wat steeds het Plan Cruijff genoemd wordt is in feite altijd leidend geweest voor Ajax: vooral zelf spelers opleiden, aantrekkelijk en winnend voetbal spelen en spelers aantrekken die je niet in huis hebt – want hoe goed je ook opleidt, er zijn altijd mindere lichtingen – ‘ hetzij als talent hetzij als routinier van toegevoegde waarde. En ook dat gaat regelmatig mis, omdat Ajax,  hoe groot de naam als opleidingsinstituut wereldwijd ook is, niet het voetbalparadijs is, maar een club die altijd boeit en waarin het vooral altijd broeit. De geest van JC blijft altijd hangen, ook na zijn dood, ten goede, maar ook soms ten kwade.