Category Archives: geschiedenis

Dr.J.F.van Hengel: markante man en zijn opmerkelijk boek

In het huis-aan-huis bezorgde blad De Naarder Courant bevindt zich wekelijks een rubriek Uitgelezen. Daarin beschrijft ene Klaas Oostrom een boek en biedt de mogelijkheid dat boek bij hem aan te schaffen, waarvan de opbrengst naar een goed doel gaat. Laatst bood hij het boek ‘Honderd jaar Heemschut’ aan. Ik had interesse en belde. Echter het boek was al verkocht. Ik raakte met hem aan de praat en vertelde hem van mijn interesse voor boeken over Het Gooi. Daarvan had hij nog wel wat in huis; ik moest maar langs komen. Dat heb ik gedaan en zo kon ik een mooi boek bemachtigen over de buitenplaatsen van ‘s Graveland. Maar hij had een nog grotere verrassing voor mij in petto. Van de zolder, waar hij tienduizend (sic !) boeken heeft opgeslagen – hij krijgt bijna dagelijks boeken aangeboden als gevolg van zijn al tien jaar bestaande rubriek – bracht hij een boek mee getiteld: ‘Geneeskundige Plaatsbeschrijving van Het Gooiland’ door dr. J.F. van Hengel, Lid van den Geneeskundige Raad voor Noord-Holland’ , zoals op de titelpagina staat vermeld. Het betreft hier een facsimile van een uitgave uit 1875. De facsimile zelf is van 1987, gedrukt in een oplage van 1000 exemplaren en voorzien van een nawoord van Johan van Minnen, wellicht de voormalige journalist van de Vara.

Dit boek is het resultaat van een initiatief van Thorbecke, die als minister van binnenlandse zaken ook volksgezondheid in zijn portefeuille had. Er was daarvoor nog geen eigen departement. In 1865 ontwierp hij voor zijn kabinet de eerste geneeskundige wetten en hij gaf aan de geneeskundige Inspecteurs de wens te kennen “dat zij de bouwstoffen moeten samenbrengen voor een aanstaande medische topografie des lands”. Thorbeckes aansporing leverde echter slechts vier van deze topgrafieen op: van Zeeland, Friesland, Overijssel en Limburg. En daarnaast dus ook Het Gooi, ” waarvan de eenmalige waarde nog eens wordt onderstreept doordat het slechts hier, en hier alleen, om de gevraagde ‘geneeskundige’ plaatsbeschrijving in medisch-geographische zin gaat”. Aldus Van Minnen. Hij voegt er aan toe: “Visie zowel als pietluttigheid doen af en toe aan Multatuli denken”.

Visie – gekoppeld aan daadkracht – kan Van Hengel ( geb.1811 in Grootebroek) inderdaad niet ontzegd worden. Hij was als medicus afgestudeerd op het terrein van besmettelijke ziekten in het algemeen en buiktyphus in het bijzonder. Op advies van zijn Utrechtse mentor Suerman vestigt hij zich in 1838 in Hilversum, het toen ook al grootste dorp van Het Gooi, met dan bijna vierduizend inwoners. Er is maar één verharde weg: die tussen ‘s Graveland en Amersfoort; de spoorweg liet nog op zich wachten. Hij wordt direct geconfronteerd met de erbarmelijke omstandigheden waarin de boeren en de arbeiders in de textielwereld, de spinnerijen en weverijen en de tapijtfabrieken zich bevinden. En hij stuit op grote weerstand van de notabelen om ziekten met vaccinatie te bestrijden en schrijft zijn leidsman: ” Nee, ik heb geen moed daar te gaan wonen. de bevolking toch is al te zeer behept met vooroordelen en verknocht aan oude traditiën. De voorgangers van de gemeente, van kindsbeen af in Hilversum, zijn geheel blind voor het verkeerde, zodat ik weinig kans heb er verbetering te kunnen aanbrengen”. Suerman blijft hem porren toch aan zijn taak te beginnen ,met het advies gebruik te maken “van de machtige hefboom van de drukpers”. En zo gaat hij toch aan de slag. Als gemeentelijk geneesheer en als pleitbezorger van betere hygiëne en dito leefomstandigheden. Hij organiseert gratis voedselverschaffing, inenting tegen de pokken en strijdt voor waterleiding ter vervanging van de veelal vervuilde, besmette openbare en private regenbakken. Als de voorjaarsschoonmaak er aan komt doet hij een oproep in de krant om kleding, speelgoed en prentenboeken niet weg te gooien, maar aan een door hem opgericht comité van dames te schenken terwille van kinderen der armen. Het gevecht om waterleiding kent Multatuliaanse trekken, omdat de weerstand van Erfgooiers groot is, die in Van Hengel een hinderlijke nieuwlichter zien. Erfgooiers voeren het gezag over de heidevelden, noodzakelijk voor de waterwinning en zij weigeren dat gezag af te staan. Pas in 1886 wordt Hilversum op de waterleiding aan gesloten. De ‘soeploods’ van de ‘Vereniging tot Uitdeling van Warme Spijzen’ houdt het vol tot 1929, waarna het met een batig saldo van tienduizend gulden  overgaat in ‘Maatschappelijk Hulpbetoon’. Van Hengel bindt ook de strijd aan tegen ontucht, liederlijkheid en drankmisbruik: ”Er is voorwaar geen grooter vijand van huiselijke welvaart dan de jenever; en de sterke drank is buiten twijfel ook één der eerste oorzaken van armoede in het Gooiland.”  Onder zijn projecten mag ook het streven genoemd worden om Hilversum te bombarderen tot ‘Hohen Luftkurort’. Het geaccidenteerd terrein tot 27 meter boven Amsterdams Peil, met volgens hem minder mist, lijkt hem uitermate geschikt voor de vestiging van een kuuroord. Echter een bron met ‘spa-water’ wordt niet gevonden en wat rest is villa ‘Trompenberg’ op de gelijknamige heuvel, de oprichting in Hilversum in 1875 van de Nederlandse Kruisvereniging en het sanatorium Heideheuvel als ‘heilzaam toevlucht voor lijders aan astma en tbc uit de minder gegoede klasse’.

Naast zijn drukke praktijk werkt Van Hengel aan een uitgebreid boek oer de geneeskundige en hygiënische toestand van heel Het Gooi. Hij kreeg daarbij hulp van een co-auteur, dr. S.Stratingh Tresling, wiens naam echter niet op het titelblad staat vermeld. Hij was een jongere collega, geboren in 1836, arts te Havelte en uiteindelijk ook de opvolger van Van Hengel in Hilversum. Hij was het die al het door Van Hengel verzamelde materiaal ordende, schiftte en drukrijp maakte. Hele stukken geschrift zijn van zijn hand, waarin hij Dr. Van Hengel als derde persoon opvoert.

Het boek begint met een uitvoerige ‘natuurkundige plaatsbeschrijving’ van Het Gooi, met als onderdelen de geografie, de hydrografie, de metereologie, de flora en de fauna, de antropologie. Er volgen bladzijden vol statistische gegevens over de bevolking van Het Gooi en van Hilversum in het bijzonder, waaronder ook sterftelijsten met oorzaken van overlijden. Hoofdstuk 3 gaat over de maatschappelijke toestand, onder verdeeld in landbouw, veeteelt, visserij van Huizen, neringen, beroepen en ambachten, fabrieken, communicatie middelen, armoede, soorten huizen, verlichting, ziekenhuizen , kroegen, gevangenis, begraafplaatsen, voedseldranken , kleding, scholen, schadelijk vuil. Hoofdstuk vier  doet uitvoerig verslag van de gezondheidstoestand; hoofdstuk vijf tenslotte heet ‘Klimatologische geneeskundige plaatsbeschrijving’ en handelt over verlossing, conceptie, menstruatie, beplanting en badinrichting. Het boek kent talrijke bijlagen vol tekeningen en lijsten, velen uitvouwbaar.  Wat Van Minnen pietluttig noemt, zou ik eerder omschrijven als nauwgezet, precies, punctueel.

In 1876 gaat Van Hengel met pensioen om vervolgens nog een poosje waar te nemen op Urk. Vandaar roept hij ‘vermogende personen van het Gooi’ op “een bijdrage te leveren ten behoeve van een tehuis waar oude vissers kunnen worden verpleegd”. Maar op Urk doet hij ook iets wat pas in 2005 wordt ontdekt. De Utrechtse hoogleraar Pieter Harting (1812 -1885) deed als o.a. bioloog en fysisch geograaf onderzoek naar de Urkers, omdat hij veronderstelde dat zij de afstammelingen zijn van de oer-Nederlander. Ten behoeve van zijn onderzoek ontvreemdde Van Hengel drie schedels uit Urkse graven ten behoeve van Hartings onderzoek. In een brief aan Harting maakt Van Hengel zelf melding van die ontvreemding èn ruil: hij verwisselde ze met drie Hilversumse schedels die hij met olieverf beschilderde om ze ouder te doen lijken. Het waren Urkers met historisch bewustzijn die in het Utrechtse universiteitsmuseum de Urker schedels hadden zien liggen en die actie zijn gaan ondernemen, hetgeen leidde tot het comité Urker schedels. Pas op 5 juni 2010 keerden de schedels op Urk terug, waar ze op 20 juli plechtig naar Urkse traditie werden herbegraven op het kerkhof van de kerk op de kop van Urk, bij het monumentale vissersmonument.

Wat is er nog van Van Hengel tastbaar over? Op de Oude Begraafplaats achter het postkantoor en de Kerkbrink vindt men zijn graf: nr.11, kavel 5. Maar geen steen! Die is er wel voor zijn rechterhand dr. Tresling, fors uitgepakt ook nog. Er is wel een plaquette aangebracht aan het pand waar hij destijds aan de Kerkbrink woonde en dat later een apotheek werd. En er is een laan naar hem genoemd.

unknown-1 unknown graf van Tresling

dr-van-hengel  hengel

 

Zandbergen / Jan Tabak

Ik heb geen hekel aan winkelen, maar wat ik echt leuk vind is ‘kringloop-winkelen’. Kringloopwinkels zijn er te kust en te keur, ook in Het Gooi. Afgelopen week wandelde ik weer eens die van mijn geboortedorp Huizen binnen. De boekenafdeling krijgt immer mijn meeste aandacht. Ik zoek naar drukwerk wat met de geschiedenis van Het Gooi in het algemeen en Huizen in het bijzonder te maken heeft. Ik vond exemplaren van het tijdschrift van de stichtingen ‘Tussen Vecht en Eem’ en “Vrienden van het Gooi’., waaronder een dik nummer over Bussum, mei 1983. Daarin een uitvoerig artikel van W.G.M. Cerutti over het gebied waar ik nu woon, over de geschiedenis juist ook van Zandbergen, de naam van de serviceflat, waarin ik woon. Die geschiedenis blijkt alles te maken te hebben met die van het fameuze Hotel Jan Tabak. Sterker nog: ‘Jan Tabak’ stond ooit op de plek, waar ik nu vanaf mijn balkon uitkijk op een rotonde, kloeke beuken, een voetbalveldgroot gazon met vijver, waarin dag en nacht de kikkers kwaken en scholeksters, eenden, witte kwikstaarten, merels, lijsters en duiven naar voedsel zoeken.

Het Gooi was eeuwenlang agrarisch gebied, voor het grootste gedeelte sinds 1300 in gemeenschappelijk gebruik, waaruit het fenomeen van de erfgooiers ontstond. Het Gooi kende vanouds vijf dorpen en een heuse stad. Huizen, Blaricum, Bussum, Laren, Hilversum, min of meer ‘onderdanig’ aan grote stadsbroer Naarden.  De dorpen zijn vanouds brinkdorpen, met er omheen de engen, waarop van alles verbouwd werd, daar weer omheen heidevelden (schapen) en op lagere gronden de meenten (weiden), de grootste bij Huizen. Naarden werd in 1350 verwoest tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten, lag al kwetsbaar voor overstromingen en werd ‘hoger’ gebouwd op de huidige plek. Zeer strategisch gelegen op de smalle corridor tussen moeras en veengebied en Naardermeer aan de weg naar Amsterdam,  de Duitslandroute (Hamburglijn). In 1142 werd al bepaald dat de stad een vrij schootsveld moest hebben om de vijand geen dekking te geven. Binnen een straal van 1750 meter mochten geen bouwwerken opgetrokken worden. De Spanjaarden veroverden de stad evengoed en moordden de bevolking uit. Na dat rampjaar 1572 werden de vestingwerken gebouwd, die een eeuw later niet bleken te voldoen, want de Fransen konden in 1672 de stad zonder slag of stoot veroveren. In 1685 werden nieuwe vestingwerken voltooid, waarvan we tot op vandaag kunnen genieten. Er kwamen twee toegangspoorten: de Amsterdamse en de Utrechtse poort. In die 17e eeuw kwam de weg van A’dam naar A’foort door de stad lopen. (Voorheen ging hij om Naarden heen door Bussum) Aan die weg woon ik dus, eeuwen een belangrijke schakel tussen Amsterdam, het oosten van het land en Duitsland, m.n. Hamburg. Personen, post- en goederenvervoer deed er 88 uur over om van Amsterdam in Hamburg of omgekeerd te geraken. De straatweg liep en loopt langs Bussum. Bussum was in de 17e eeuw een gehucht van 350 personen, terwijl Naarden ruim 2000 inwoners telde en  bestuurlijk en vooral ook economisch de baas over Bussum was. Wie in Bussum iets van de grond wilde krijgen had toestemming van de stad nodig, die om eigen inwoners te beschermen daar nog al zuinigjes, met voorwaarden omgeven, mee omging. Er was één man die doorzette en van de nieuwe verkeerssituatie ruimschoots wist te profiteren. Dat was Jan Jacobsz, een zgn. ‘flessiaan’, dwz slijter/caféhouder in Bussum. Zijn bijnaam was Toebaxman. Misschien verkocht hij naast drank ook tabak, misschien verbouwde hij zelf tabak, misschien was hij zelf een verwoed roker, misschien was en deed hij het allemaal: we weten niet hoe hij aan zijn bijnaam kwam. Hoe het ook zij deze Jan Tabak richt rond de tijd dat de vestingwerken klaar zijn, dus 1685 , een verzoek aan de vroedschap van Naarden om een logement te beginnen. De vroedschap gaat akkoord en Jan verlaat café annex slijterij en bouwt een logement een paar honderd meter buiten de vesting richting Amersfoort aan de linkerkant van de weg, langs de Galgesloot, tegenover de Galgesteeg. De steeg is nu de Godelindeweg, de sloot is er nog en loopt vanaf de Thierensweg/L.Hortensiuslaan langs het voormalig diaconessenhuis en nu nieuwe appartementen. Jan’s logement werd gebouwd precies op de plek waar ik nu woon. Hj noemde zijn herberg Sandbergen of Sandberg, vermoedelijk omdat het terrein toen nog al geaccidenteerd was en niet afgevlakt. In de volksmond werd zijn logement al spoedig Jan Tabak genoemd!

Op 30 maart 1692 logeert Constantijn Huygens de Jongere, sinds 1672 secretaris van stadhouder Willem III in Jan Tabak. In zijn Journaal geen woord over verblijf en het eten, maar alleen over “een lange meydt en een lange dochter”.  De naamgever en stichter van het logement overlijdt in 1701 en wordt op 9 oktober begraven in de Naardense Grote Kerk. Een broer of neef of wellicht zoon,  Piet Tabak, volgt hem op, daarna wordt diens zoon Jan de eigenaar. Halverwege 18e eeuw, eind van die eeuw en begin 19e eeuw vinden steeds verkopen plaats. Inmiddels was het meer dan een herberg alleen. Er was een kegelbaan bij gekomen, een kolfbaan en een tuin met hoge bomen, prieeltjes en plantage met lommerrijke lanen. Daardoor was het ook een aantrekkelijke plek voor de Naardense burgers. 

30f3614140eaad5527adf779522329fdbe10534d  Jan Tabak op de plek van Zandbergen

Op 18 oktober 1813 lijdt Napoleon een zeer gevoelige nederlaag bij Leipzig. De Fransen in ons land krijgen de zenuwen en beginnen weg te trekken. Het wordt hen zo benauwd dat ze zich in sommige plaatsen terugtrekken en verschansen, zo ook in Naarden. Baron Guétard de la Porte neemt zeker 2000 man met zich mee, zo’n beetje een verdubbeling van het inwonertal.  Bussum wordt geplunderd om aan voedsel te komen. En om een vrij schootsveld te hebben en zicht op troepenbewegingen wordt de omgeving ‘geschoren’. Een troepenmacht van Pruisen, Kozakken, Amsterdamse schutterij en Gooise boeren o.l.v. kolonel Van den Bosch vormde een blokkade rond Naarden. Daarbij gebruikten ze Jan Tabak als hoofdkwartier. De Fransen merken dat op en slagen er in om op 8 december het logement in brand te steken. Overigens is genoemde Van den Bosch ook de man die Frederiksoord stichtte, minister was en gouverneur in Indië. Op 12 mei 1814 gaven de Fransen zich over. Er was enorme schade. 

Aan het einde van de 18e eeuw kwamen op afgezande gronden kwekerijen op. Een zekere Jacob Bolten begon als eerste in Het Gooi met een bescheiden zaak iets voorbij Zandbergen, maar dan aan de andere kant van de Amersfoortsestraatweg. Dit Kweeklust lag waar nu de Brediusflats staan. Een boomkwekerij bezat deze Bolten op het huidige Rembrandtkwartier, gelegen tussen Amersfoortsestraatweg, Godelindeweg, Hortensiuslaan, Brinklaan en Brediusweg, een prachtige buurt van ruime huizen, vaarten en bomen. Nog steeds vinden we vrij veel kwekerijen langs de Naarderstraat vanaf de vesting tot aan waar nu oude gebouwen van de Chemische Fabriek worden afgebroken. Daar ook nog een kloek gebouw dat herinnert aan de in 1889 opgerichte Koninklijke Beetwortelzaadcultuur Kuhn en Co. De oprichter was een nazaat van de dochter van .J.P. van Rossum die in 1815 het terrein van Zandbergen na de verwoesting had gekocht. Hij was getrouwd in 1808 met een dochter van de eigenaar van het buiten Valkeveen. Het echtpaar kreeg tien kinderen, van wie de oudste dochter trouwde met een Dudok van Heel, een nog immer bekende familie in deze contreien. Van Rossum bouwt op het terrein van Zandbergen een buitenverblijf, verwerft nog meer gronden en gebouwen in de buurt, zoals Berghuis, een prachtig hoog huis schuin tegenover de vroegere Chemische fabriek. Zandbergen en Berghuis vormden een mooi aaneengesloten geheel,  onherstelbaar van elkaar gescheiden en verminkt door de aanleg van Rijksweg 1 om Naarden heen.  Het huidige Berghuis werd in 1913 gebouwd door de familie Dudok van Heel.

Van Rossum was een energieke duizendpoot, die naast de handel in suiker en tabak actief was in de bestrijding van de aardappelziekte door het invoeren van Amerikaanse soorten en zich manifesteerde in de aanschaf van grote gebieden ten oosten van Naarden, die hij liet verfraaien door de aanleg van tuinen, parken, panorama’s, lanen, maar ook benutte voor afgravingen.  Hij en zijn kinderen waren de eigenaars van buitens als Gravenveld, Venusberg, Oud- en Nieuw-Valkeveen, Flevorama, Berghuis, Schoonzicht en Kommerrust. Op de plek van het oude Jan Tabak bouwt Van Rossum villa Zandbergen. Later komt op die plek villa De Bongerd, bewoond door de familie Dudok van Heel, die ca 1960 wordt afgebroken en dan volgt dus de bouw van de serviceflat, ook weer Zandbergen geheten.

In 1826 bouwt de artillerie-commandant van Naarden, majoor P.F.de Seyff, een paar honderd meter van het oude Jan Tabak aan de andere zijde van de Amersfoortsestraatweg een nieuwe herberg, die hij Zandhoeve noemt. Hij krijgt concurrentie van een zekere J.W.Leenders die in 1829 grond koopt naast de Zandhoeve en daar een logement op  bouwt dat hij Nieuw Jan Tabak noemt. In 1835 brandt dit af en koopt majoor De Seyff, de geblakerde restanten van leenders, koopt nog wat extra grond er bij, in 1844 nog weer een stuk en zo ontstaat een behoorlijk terrein voor een nog groter logement. De Seyff geraakt in financiële moeilijkheden , moet de boel verkopen en in 1851 komt het logement in handen van A.Bredius, de eigenaar van buskruitmolen De Krijgsman bij Muiden en inmiddels ook al eigenaar van landgoed Oud-Bussum, in de 16e eeuw eigendom van Paulus van Loo, baljuw van Gooiland en drost van Muiden en daarna van de familie Hinlopen, bij wie Vondel regelmatig logeerde. Nog steeds zien we op gebouwen van het landgoed een hinde, een verwijzing naar die familie. Bredius koestert en verfraait zijn bezit. Een deel staat nog immer bekend als het Bosch van Bredius. De Brediusweg is nog steeds de belangrijkste weg vanuit Huizen het dorp Bussum in. Overigens werd vanaf het begin van het logement niet van Zandhoeve gesproken, maar altijd van Jan Tabak. Zandhoeve brandt af in 1858. Bredius bouwt op dezelfde plek een buitenplaats, dat hij in 1866 verlaat en als hotel Zandhoeve oftewel Jan Tabak verpacht. Met wat uitbreidingen en vernieuwingen is dat het hotel dat we tot in de zeventiger jaren van de vorige eeuw hebben gekend. In 1882 kwam de Gooische stoomtram (Gooische moordenaar genoemd, omdat er nog al wat mensen onder haar wielen verongelukten) langs Jan Tabak te lopen, wat de uitspanning nog geliefder maakte. In 1895 verkocht de kleinzoon van Bredius het gehele familiebezit aan Henry Tindal, die het al weer in 1901 van de hand moest doen. Het omvatte alle gronden ten noorden van de A’foortsestraatweg, vanaf het Beethovenpark tot en met het terrein van het Blindeninstituut en wat daar achter ligt tot en met Bikbergen, het IJzeren Veld en Tames tot aan de Sijsjesberg. Het kwam in handen van Van Woensel Kooy. Hij liet op het terrein van de oude hoeve Oud -Bussum door de bekende architect K.P.C. de Bazel de Hofstede of Melkerij Oud-Bussum bouwen, voltooid in 1906. Een modelboerderij, waarvan Floris Vos, volgens overlevering een voorvader van me, mede-directeur was. Van Woensel Kooy overleed echter al op 25 jarige leeftijd, in 1903. Het ging al snel bergafwaarts en in 1908 wordt het gehele bezit gesplitst  geveild, waarbij Oud-Bussum in handen komt van een Exploitatie Mij. En Jan Tabak eigendom werd van J.C.A van Aken. Deze laat het restaureren en het koetshuis afbreken. In 1918 komt het in handen van het echtpaar Van Buuren-Oostermeijer, die de accommodatie verbetert en ook tennisbanen laat aanleggen. Gedurende de oorlog vorderen de Duitsers het hotel. Op 30 maart 1945 raakt het ernstig beschadigd door een Engelse beschieting. Op 27 oktober 1945 kan Jan Tabak heropend worden, inmiddels in handen van het echtpaar Speerstra. Er vonden nog  meer renovaties plaats tot de exploitatie gestopt werd in 1977. In 1981 werd het afgebroken, maar op de plek verrees een Golden Tulip met dezelfde naam en nu is het een NH Hotel, met de officiële naam Jan Tabak. 

bht30_1h2t

 

 

Huizen als vissersdorp

Toen ik geboren werd was het met Huizen als vissersdorp al gedaan. Er was aan de haven nog wel een kleine afslag (veiling), waar vis geveild werd van een enkele Volendammer, Urker of Harderwijker schuit. Er was nog één Huizer botter, de Huizen 1, die in 1961 voor het laatst de haven verliet. Het was de schuit van Joost Westland, getrouwd met een zuster van mijn opoe van vaders kant. Met zijn kleindochter Hannie heb ik lagere school, Mulo en kweekschool in Utrecht doorlopen.                                                                                               Op de Gooische kust is altijd wel professioneel gevist, maar pas in de 18e eeuw neemt het in Huizen een grote vlucht, wat af te lezen is aan de groei van het aantal huizen: van 140 in 1650 tot het dubbele een eeuw later, terwijl het woningenbestand in de andere Gooise dorpen ongeveer gelijk gebleven is. Eeuwenlang werd de vis door karren aan land gebracht. De schuiten lagen voor anker, aan de zgn. Reede, zo’n 500 meter van de kust. Huize kende geen haven, mocht er ook geen, omdat het stapelrecht sinds de 14e eeuw voorbehouden was aan Naarden. Dus ook het lossen per kar was feitelijk niet toegestaan, maar de haven van Naarden verzandde. Halverwege de 18e eeuw verordende de Provinciale Staten van Noord-Holland dat de gevangen haring aangevoerd moest worden in andere watersteden. De Huizer vissers trokken zich er niet veel van aan en veel toezicht was er blijkbaar ook niet. Een verzoek aan koning Lodewijk Napoleon in 1806 om gerechtigd te zijn op de Reede te lossen werd door hem gehonoreerd. In die tijd stonden 73 bosschuiten, zoals de Huizer hun botters noemden, geregistreerd. Het aantal groeide tot zeker 100 en het maakte het lossen aan de Reede steeds moeilijker. Door ijsgang en stormen was die Reede ook geen veilige plek voor de schuiten. In 1803 werden vier schuiten door het ijs verwoest en in 1827 zonken er 16 schepen. In de winter lagen de schuiten in Muiden of in de monding van de Eem. De noodzaak van een eigen haven deed zich steeds meer gevoelen. De haven kwam gereed in 1854 en Huizen telde toen bijna 190 botters. Het bracht zeer veel nevenactiviteiten mee, zoals haringrokerijen, zgn. hangen; scheepswerven, zeilmakerijen en taanderijen. Het tanen van de netten was een nevenactiviteit van mijn opa Vos, naar wie ik vernoemd ben. De familieboekerij stond niet voor niets voor een deel aan de Taanderstraat. Ook zorgde opa voor de loden kogels die de netten verzwaarden tot vangdiepte. Ik heb twee zwaar koperen tangen in bezit, waarin het lood gegoten werd en tot kogels stolden. Er werd dus vooral gevangen op haring die tot bokkingen werden gerookt en waarvan miljoenen exemplaren werden uitgevent in ons hele land en ver daar buiten, m.n. naar Duitsland. Er was een Huizer roker die zelfs z’n vis wist te slijten in Noord-Spanje. De venters werden kruiers genoemd. Huizen kende eind 19e eeuw zeker achttien rokerijen en was zo belangrijk voor de haringvangst dat de prijs van de haring/bokking er werd vastgesteld voor de hele handel. Behalve op de Zuiderzee werd ook op de Noordzee gevist. De komst van de Afsluitdijk zorgde in Huizen voor een enorme omslag. De Huizer visserij was al over haar hoogtepunt heen, het aantal botters was al teruggelopen en het gemeentebestuur voorzag dat door de komst van de Afsluitdijk het economisch verlies nog veel groter zou worden met grote werkloosheid onder de vissers tot gevolg. Men schakelde over naar de huizenbouw en bood jonge vissers een omscholing aan tot timmerman of metselaar. Er was ook vraag naar bouwvakarbeiders in het Gooi. Nergens werd zo snel afscheid genomen va de visserij als bedrijfstak als in Huizen. Tot op de dag van vandaag telt Huizen zeer veel bouwbedrijven, relatief de meesten van ons land. 

historie-huizer-haven-3   historie-huizer-haven-2

historie-huizer-haven

 

De haven van Huizen lag vrij ver van het dorp. De Havenstraat liep en loopt vanuit het oude dorp door een dijkachtige duin als restant van de Utrechtse heuvelrug over ‘t Harde, een overgangsgebied van zand en aangeslibd klei om na een paar honderd meter pas aan de haven te komen. Langs de Havenstraat lagen de meeste rokerijen en aanverwante bedrijven. In mijn jeugd was er nog een enkele hangen (van het hangen van de vis aan de spieën).  Verder was er industrie gekomen, zoals Balatum, fabriek van linoleum, een textielfabriek, een porceleinfabriek en op de kop van de haven het bedrijf waar jaren mijn vader werkte, eerst als vrachtwagenchauffeur en later als bedrijfsleider: Bouwmaterialenhandel Gebr. Vos. 

Eemnesserweg 32

De Eemnesserweg vormt het hart van wat in Huizen de Zuid heet, een buurt, gedeeltelijk  vóór WO II gebouwd. Die Eemnesserweg zal er als een karrenspoor al gelegen hebben, richting inderdaad Eemnes. Het waren eenvoudige doch degelijke woningen voor arbeiders, wat mijn grootvader ook was. Hij werkte bij de gasfabriek. Op Funda doen dit soort huizen nu zo’n drie ton. Grootvader Van der Poel werd voor de Eerste Wereldoorlog gemobiliseerd en zorgde er uiteindelijk zelf voor dat in het geval ons land betrokken zou raken, hij in elk geval niet naar het front hoefde. Bij het schoonmaken van zijn geweer ging de trekker over en ai, er zat nog een kogel in. Een armspier werd geraakt en opa kon met zijn linkerhand niet veel meer uitrichten  dan heel eenvoudige handelingen. Breien bijvoorbeeld. wat hij graag deed en hem de bijnaam van Cees de Breikous bezorgde. Daarnaast kon opa zich helemaal uitleven op kerkelijk erf. Hij was ouderling, zat in allerlei besturen, zoals van zondagsschool en mannenvereniging. Hij had dan geen krachtige linkerarm meer, zijn geestelijk gezag was groot. In het dorp zong het onder het kerkvolk rond dat als Cees van der Poel zegt dat je in de hemel komt, dan hoefde je daaraan niet te twijfelen. Het was daarom een verschrikking, een drama van Shakespeariaanse proportie toen opa als weduwnaar samen met zijn vrijgezelle broer opgepakt werd vanwege ontucht met minderjarige jongens. Opa belandde in de gevangenis en daarna in Wolfheze als tbr-patiënt. Dorp en kerk lieten hem vallen als een baksteen. Oma van der Poel heb ik niet gekend; zij overleed  toen ik nog heel jong was en wij net verhuisd waren van de Eemnesserweg naar het hart van ons dorp, in een huisje dat opa Vos had laten aanbouwen aan zijn boerderij tussen de Taanderstraat en de Melkweg. Zeker voor mijn vader was het verlaten van de Eemnesserweg een soortement uittocht uit Egypte. Later zouden wij als gezin nogmaals in de Zuid wonen. Weer tot groot verdriet van mijn vader die zodra hij genoeg geld kon lenen een huis kocht, een honderd meter van de boerderij, waar hij groot werd en decennia en nog langer de bakermat van de Vossen. In de Zuid werd de voetbalclub De Zuidvogels opgericht, al in 1928 als tegenhanger van de SV Huizen, de club van de zgn. Noorderbuurt, in feite het eigenlijke, oorspronkelijke Huizen. Huizen speelde en speelt in groen-geel, Zuidvogels in groen-rood. Ik ben altijd van de groen-gelen geweest en voel nog steeds de rivaliteit, die wellicht niet zo sterk is als die tussen IJsselmeervogels (de rooien) en Spakenburg (de blauwen), maar toch nog steeds bestaat. Op de site van de Zuidvogels lees ik dat het met 73 teams groter is dan Huizen- dat was in mijn jeugd echt anders – en dat ze een voormalig groot talent van Ajax hebben aangetrokken: Jerginho Sahawdesing. Jerginho is van de lichting Wesley Sneijder en John Heitinga en werd door toenmalig hoofd scouting van Ajax, Ton Pronk, gezien als het grootste talent na Cruijff. In die tijd maakten Rimco Haanstra en ik een docu voor VPRO’s kinderprogramma Potje Sport over de jeugdopleiding van Ajax en wij zagen met eigen ogen het verbazingwekkende technisch vermogen van dat iele joch, zijn spelinzicht, zijn  precieze trappen, zijn trucs. Met het groeien en de groeistuipen is het nooit verder gekomen dan top in de dop, in de knop. Nooit doorgebroken en dus beland in de amateurwereld, waarin hij zeker uitblinkt, nu dus bij Zuidvogels en helaas niet bij mijn cluppie.

img_1619  img_1628   Moeder en kind, oma en opa  V.D.Poel en tante Annie, Eemnesserweg 32

oude_team_foto_zuid   Eerste team van De Zuidvogels, twintiger jaren.

cid19355_542005_105958_1995872811_1999999112_sahadewsing_met_shirt_050405 Jerghinio ontvangt uit handen van toenmalig algemeen directeur Arie van Eijden het shirt waarmee zijn profcontract met Ajax wordt bezegeld en gesymboliseerd. Wat een talent, wat een nimmer ingeloste belofte!

Vorstenhuizen 10

‘Waarom zit een koning op een troon’?, is de titel van het vijfde hoofdstuk van Von Schönburgs boek. De schrijver stelt zich voor dat hij opnieuw geboren wordt als huisleraar aan een koninklijk hof. Wat zal hij de troonopvolger dan leren over die troon? Hij zal hem vertellen dat bij de Egyptenaren de troon zelf als een godheid werd vereerd. Dat bij de Romeinen de legen keizermeel op munten werd afgebeeld en dat juist door dat hij leeg was er ee enorme suggestieve macht vanuit ging. Hij zou hem vertellen dat in Byzantium de keizer op gewone dagen op de rechter helft van de troon plaats nam en op feestdagen op de linker helft, omdat hij dan wijken moest voor God zelf, die onzichtbaar plaats nam op de rechter helft. Hij zou hem vertellen dat de Germaanse koningen geen troon kenden en dat in de Middeleeuwen tronen niet van goud waren, maar eenvoudig van hout of steen. Hij zou hem vertellen dat Karel de Grote rond 800 een kapel liet bouwen in Aken, op een plek die voor de oude Germanen als cultusplaats gold en dat hij daarin een troon liet bouwen van stenen, die uit de tempel van Jeruzalem kwamen. Meer dan dertig keizers lieten zich vervolgens op deze troon kronen, omdat zij het als een heilige plek beschouwden. Hij zou hem vertellen dat zelfs Napoleon de aantrekkingskracht van die troon niet kon weerstaan en dat zijn vrouw Joséphine de Beauharnais er op stond ook een ogenblik op die troon wilde plaats nemen, waardoor ze volgens Victor Hugo een hardnekkige blaasontsteking opliep. Hij zou hem bovenal vertellen dat de legendarische Stone of Scone zelf in staat was onderscheid te maken tussen een rechtmatige en een onrechtmatige heerser! Deze troon was de troon van de Schotten, voor hen een magische steen, het midden van de wereld, waarop Jacob had gerust in de woestijn, toen hij de droom van de ladder kreeg. Op zijn sterfbed profeteert de aartsvader aan zijn zonen dat God het volk der joden op een dag het Beloofde Land zal binnen leiden en dat alle koningen van Israël gezalfd zullen worden op de steen die zijn hoofdkussen was.  En zo geschiedde. De Babyloniërs veroverden Jeruzalem, verwoestten de tempel, alleen de steen kan gered worden door de hand van Jeremia, die vervolgens met de steen en de dochter van de koning wegvlucht en na lange omzwervingen op het eiland rand belandt. De koningsdochter, door de Ieren Tamar Tephi genoemd, huwt met Eochaidh Heremon, een van de machtigste Ierse vorsten. de dochter schenkt hem de stee, waarop voortaan de Ierse koningen worden gekroond. Ze noemen de steen Lia Zal, in Gaelic ‘steen van het lot’.  In oude geschriften van Ierse monniken heet het dat de steen zelf beslist wie koning zal zijn. Bij de koningskeuze door de stamoudsten moet een kandidaat zijn voet op de steen plaatsen. Als de steen dan een donker, diep geluid voortbracht, als een roep uit een andere wereld, dan was er sprake van de juiste kandidaat; zweeg de steen dan moest opnieuw gekozen worden. Maar zeggen de getuigenissen van de monniken: sinds Christus’ dood aan het kruis, roept de steen niet meer tijdens de koningsverkiezing, want niet de steen, maar het kruis is het middelpunt van de wereld. Toch bleven de Ieren de steen als troon voor hun koningen gebruiken. Vele eeuwen later maakte de Ierse koning Fergus zich op om de onbewoonde westkust van de Schotse Hooglanden aan zijn rijk toe te voegen en dus ook daar koning te zijn. maar zonder steen ging dat niet en die ging dus mee. Vijfhonderd jaar lang werden de Schotse koningen op de Steen gekroond. Het was Edward I van Engeland die de strijd aanbond met de Schotten en hen in 1296 onderwierp en de  Stone of Scone –  naam die de Schotten gaven – en dus de troon meenam naar London en daar een houten troon omheen liet bouwen.  Op een dag, zo staat geschreven, zal de steen weer terugkeren in Schotland en zal het weer een eigen koning hebben.  Tot zover de legende die Von Schönburg aan de kroonprins zou vertellen als een verhaaltje voor het slapen gaan. “Inzwischen wird mein jonger Kronprinz sicher eingeschlafen sein und davon traümen  selbst einmal auf diesem Stein zu sitzen”.    Hij vervolgt dat sinds de 13e eeuw alle Engelse koningen bij hun kroning op genoemde steen plaats hebben genomen, tot en met Elisabeth II. Met dit ritueel wordt symbolisch een verbinding gelegd met Jeruzalem en het Davidisch koningschap. (De Fransen deden dat met de zalving). David geldt als het oerbeeld van de juiste, Gode welgevallige koning, de door God zelf geroepen koning, met de belofte dat zijn huis tot het einde der tijden zal regeren. Genealogen aan het Engelse hof zijn sinds tijden in de weer om bewijzen en aanwijzingen te vinden van de directe afstamming van het koningshuis van prinses Tamar Tephi. Alles is er opgericht om te staven dat het Engelse koningshuis het ‘nieuwe huis van David’ is, wiens heerschappij geen einde zal kennen. Maar dat alleen onder de voorwaarde dat ook toekomstige koningen op de Stone of Scone gekroond zal worden. Echter: deze troon staat sinds 1996 niet meer in de Westminster Abbey! Tony Blair liet de steen op 15 november 1996 als teken van verzoening in een feestelijke ceremonie naar Edinburgh brengen. Voor traditiebewuste Engelsen werd hij daarmee een verrader, voor de Schotten versterkte hij de droom om zich eenmaal van Engeland te kunnen afscheiden. De houten troon is leeg: een nachtmerrie voor Engelse monarchisten. Voor Engelse en Schotten beide is het egaal of de geschiedenis van de Steen historisch is of een legende. Maatgevend is niet wat werkelijk geschied is, maar wat eeuwen gedacht is. ‘Die innere Wahrheit der Legenden ist  mächtiger als die äussere der Geschichtlichkeit”. Zo sluit Von Schönburg dit hoofdstuk af.

 

Vorstenhuizen 9

Voor leden van nog functionerende koningshuizen is een zekere wereldvreemdheid geen manco, aldus Alexander von Schönburg. Het wordt pas onaangenaam voor deze hoogheden als zij in het ‘voorgeborchte’ tussen koninklijk verleden en burgerlijke existentie verkeren. Alexanders eigen echtgenote bijvoorbeeld telt bijna alleen koningen en keizerinnen onder haar voorgeslacht, onder wie de heilige Elisabeth van Thüringen en koningin Victoria en ze is in een familie groot geworden die sinds zo’n duizend jaar daarop geconditioneerd is om in een paleis te wonen, waarbij derhalve alle dagelijkse beslommeringen van hen afgenomen worden door hulpvaardige lieden. Sinds twee generaties echter moet haar familie zich staande houden in een burgerlijke wereld, waarvoor ze niet gepredisponeerd is. Het erfelijk gebrek aan aandacht en bekommernis voor de banale details van het dagelijks leven. Deze handicap leidt er bijvoorbeeld toe dat men in een trein stapt naar Frankfurt an der Oder, terwijl men naar Frankrijk am Main wil. 

We hadden het eerder over de degeneratie van koningen vanwege inteelt. Het was koningin Victoria die dat gevaar al zag voor de ontdekking van de gentechnologie. In een brief aan haar oudste dochter Vicky, de moeder van keizer Wilhelm II en betbetovergrootmoeder van Von Schönburg vrouw, schrijft ze dat het haar uitdrukkelijke wens is dat er donkerogige prinsen en prinsessen voor haar kinderen gevonden worden. In navolging van haar echtgenoot zegt ze dat alleen maar blonde haren en blauwe ogen het bloed lymfatisch maken. “We hebben een beetje sterk bloed nodig”. Een precieze voorstelling van wat er mis was met het bloed van de Engelse koninklijke familie zal Victoria niet gehad hebben. Het huidige onderzoek is daarin veel verder. In de zestiger jaren van de vorige eeuw verscheen ‘George III and the Mad-Business’ van Richard Hunter en Ida Macalpine. Hun these luidt dat George III (1738-1820), die als voorvader van Victoria as krankzinnig de geschiedenis is ingegaan,, niet leed aan schizofrenie of aan een psychose, maar aan een aan inteelt gerelateerde stofwisselingsstoornis leed, genaamd porphyria. Een van de verschijnselen van de ziekte is manische aanvallen. De Britse historicus John C.G.Röhl ondernam een poging om te bewijzen dat het gehele nageslacht van Victoria leed aan een neiging tot porphyria. Maar daarvoor had hij ontlasting nodig, omdat de ziekte alleen vast te stellen is aan een enzym die aan ontlasting vast te stellen is. Aangezien Queen Victoria negen kinderen had, die zelf ook zich flink hebben voortgeplant, zijn er thans zo’n achthonderd nakomelingen, onder wie ook de kinderen van Von Schönburg. Vrijwel niemand was bereid Röhl zijn of haar excrementen te verstrekken. Droogkomisch schrijft Von Schönburg : “Leider werden wie wohl nie wissenschaftliche Gewissheit darüber erlangen, warum Prinz Charles mit Blumen spricht”.  

De eerste Engelse koning uit het Huis Hannover, George I (1660-1727), sprak geen Engels en was gewend in Hannover zonder ‘storend’ parlement te regeren. In Engeland kon hij het parlement moeilijk afschaffen en dus besloot hij überhaupt niet te regeren en zich elke avond te bezatten met meegebracht bier uit Hannover. Zijn opvolgers zo schrijft Von Schönburg waren bijna allemaal of enigszins krankzinnig, een beetje zwakzinnig of allebei tegelijk. George II (1683-1760) haatte alles wat maar naar ontwikkeling en wetenschap rook. Zijn vrouw, Caroline von Ansbach, moest stiekem lezen. Als de koning haar betrapte op dit heimelijke genoegen, barstte hij uit in een woedeaanval. De opvolger van ‘Mad King George’, George IV (1762- 1830) ging de geschiedenis in als de grootste hypochonder van zijn tijd, op de voet gevolgd door zijn nicht Queen Victoria, die ook nog onder zware depressies leed. Haar zoon ‘Bertie’, de latere Edward VII (1841-1910) gold als kind als opvallend als ‘lernfaul’ (te lui om te leren), later ontwikkelde hij een enorme vraatzucht en diverse tics. Zo kende hij de gewoonte om van al zijn gasten hun exacte gewicht te documenteren. Berti’s oudste zoon Albert Victor, bijgenaamd Eddie, gold zelfs in de ogen van zijn ouders als een uitgesproken ‘Schwachkopf’. Zij deden hun uiterste best om hem vooruit te helpen, huurden de beste leraren van het land in om hem klaar te stomen voor een studie in Cambridge. Allemaal tevergeefs, blijkens een door zijn ouders zelf uitgebracht bulletin, waarin vermeld staat dat ” Zijne Koninklijke Hoogheid moeite heeft te begrijpen, wat met het begrip ‘lezen’ bedoeld wordt”. Eddie overleed noch eerder dan zijn vader en dus werd deze opgevolgd door George V (1865-1936) De grootvader van de huidige koningin was totaal niet geïnteresseerd in geestelijke zaken. Zijn totale onwetendheid op het gebeid van politiek, wetenschap en cultuur koesterde hij als een ereteken. Zijn oudste zoon, Edward, beschouwde het als z’n eerste plicht het wilde leven van de twintiger jaren voluit te benutten, terwijl zijn jongere broer Henry zijn dagen hoofdzakelijk doorbracht met het kijken naar tekenfilms. Koning Olaf van Noorwegen liet hij eenmaal een uur wachten, omdat hij zich niet kon losmaken van een Popeye the Sailor -film.  Edward was overigens maar kort koning, vanwege zijn huwelijk met de al tweemaal gescheiden Amerikaanse Willis Simpson. Zijn broer Albert volgde hem als George VI  (1895-1952) op. Deze stotterde, maar de vader van Elisabeth bleek een gelukstreffer en bleek de meest ‘normale’ van alle Hannovers inmiddels Windsors. Met zoveel zonderlingen is het eigenlijk verrassend, aldus Von Schönburg, dat onder deze vaak weinig competente vorsten Groot Brittannië kon uitgroeien tot een machtig wereldrijk en heden ten dage over een monarchie beschikt die waarschijnlijk tot de stabielste van allen behoort. Waarschijnlijk ligt het geheim van een functionerende monarchie juist niet in de wijsheid van de man of vrouw op de troon, maar daarin dat het ambt van koning zo groot is, dat de persoon van de vorst daarachter verdwijnt. “Entscheidend für einen König ist schlicht dass er da ist, das man ihn sieht, so wie den Kirchturm über der Stadt”. Volgens Max Weber ligt het beslissende voordeel van een constitutionele monarchie boven een republiek juist in het feit dat zijn betekenis symbolisch van aard is. Hij begrenst het machtsstreven  van politici formeel daardoor, dat de hoogste positie in de staat eens voor al bezet is. Deze functie is politiek gezien “die praktisch wichtigste”.

 

Vorstenhuizen 8

‘Waarom mag een koning niet al te intelligent zijn?’ is de titel van het vierde hoofdstuk uit het boek van Alexander von Schönburg. Bij mij riep die titel direct de persconferentie uit het geheugen, waarop Maxima Willem Alexander als ‘een beetje dom’ kwalificeerde. Alexander begint zijn hoofdstuk met de aanbeveling van zijn inmiddels gestorven zwager, vorst Johannes von Thurn und Taxi, met de Zweedse koning Carl Gustaf uitsluitend te praten over auto’s. De schrijver dacht dat zijn zwager overdreef, tot hij de koning zelf ontmoette in het huis van een Duitse neef van de koning aan het Starnberger Meer. Voor de deur stond een nagelnieuwe Maserati. De koning was nogal zwijgzaam. Wat hij zei was slechts dit: “Morgen rijden we over de Tauern-autobaan richting Italië, brrrrm,brrrm!”. Iedereen knikte vriendelijk en ging vervolgens verder met hun gesprek. Enkele minuten later hoorden ze de koning opnieuw opgewekt mededelen: “En overmorgen rijden we via Milaan naar Florence, brrrmm,brrmm, brrmmmmm!”.                           Volgende anekdote: Het Deense kroonprinsenpaar Frederik en Mary brachten een bezoek aan de EU-commissie in Brussel. Na afloop stelt de Deense pers wat banale vragen. Maar, schrijft Von Schönburg, prins Frederik verstaat de kunst die banaliteit in zijn antwoorden te overtreffen. ‘Wat heeft het bezoek u gebracht’? ‘Wij hadden heel veel….eh .. aan het bezoek; we hebben in ieder geval een …eh …een idee gekregen, ook op lichamelijke aard en wijze. Wij hebben ook de , hoe heten ze ook al weer, oh ja, de commissarissen ontmoet. Heel aardig. Spannend! Ik bedoel  om ze te horen als we bijeenwaren bij spijs en drank, zoals men zegt’. Von Schönburg voegt er fijntjes aan toe dat de onnozelheid van de Deense kroonprins – als men bedenkt hoe intelligent en ontwikkeld zijn moeder is – enigermate verrassend is, zeker ook omdat zijn vader helemaal niet uit zo’n oude familie afkomstig is, dat hij het recht heeft gedegenereerd te zijn. 

Ontwikkeling – Bildung met een goed Duits woord – genoot volgens de schrijver alleen aan het Franse hof enige achting. Aan de andere hoven werd daar met minachting op neer gekeken als ordinair. Typisch voor de meeste Europese hoven was veeleer figuren zoals de laatste koning van Saksen, Friedrich August III, die, die toen hij bij zijn bezoek aan de tentoonstelling van de ‘Blaue Reiter’ in Dresden aan Franz Marc werd voorgesteld aan deze vroeg: ” Waarom heeft U de paarden blauw geschilderd?”. Toen de kunstenaar antwoordde : ” Zo zie ik dat, majesteit”, zei de vorst:  ” Och, arme man, heeft u dat al lang?”  Ander voorbeeld: Keizer Ferdinand I van Oostenrijk – de ‘Goedmoedige’ genoemd – schoot tijdens een jachtpartij een arend uit de lucht. Toen men hem het dier presenteerde, was hij bitter teleurgesteld dat de vogel maar één kop had, op zijn familiewapen had hij er toch twee! Van deze goedmoedige Ferdinand is in de literatuur slechts één samenhangende zin te vinden: “Ich bin der Kaiser, und ich will Knödel!”

Ter verontschuldiging moet wel aangevoerd worden dat vanwege de dynastieke huwelijkspolitiek , die eeuwen lang min of meer op een systematische incest uitliep, nauwelijks grote geesten voortgebracht konden worden. de in 1914 in Sarajevo vermoorde kroonprins Franz Ferdinand heeft zich daar eens over uitgelaten: “Wanneer iemand van ons een huwelijkskandidaat op het og had, werd er in haar of zijn stamboom altijd wel een kleinigheidje gevonden, die een huwelijk verbood en zo komt het dat bij ons man en vrouw zeker twintig keer aan elkaar verwant zijn. “Das Resultat ist, das von den Kindern die Hälfte Trottel ( sukkels) und Epileptiker sind”. De kroonprins zelf doorbrak die politiek door onder zijn stand te huwen met een eenvoudige gravin, de oergroottante van Von Schönburg.

Vorstenhuizen 7

We vervolgen onze gang door het nog immer fascinerende boek van Alexander von Schönburg  over koningen en vorstenhuizen. In hoofdstuk drie stelt hij de vraag hoe koningen opgroeien. De Hertog van Saint-Smon, die de schrijver typeert als de voorvader van de moderne roddeljournalistiek en aan het hof van Lodewijk IV opereerde, was de mening toegedaan dat de grootste bedreiging voor koningskinderen ‘het afschuwelijke gif van de aartsslijmerij’ is. Dat daar zit veel in, aldus Van Schönburg. Van de opvoeder van Lodewijk IV is bekend dat hij niet zelden al ‘ja’ zei, voordat zijn leerling een vraag stelde. Het slijmen en vleien kwam vooral tot grote blok aan het Habsburgse hof in Wenen. Het was een permanente bron van vermaak in de Weense Kaffeehaus-Society.  Alfred Polgar, een Oostenrijks-Joodse journalist, die zijn land in 1938 ontvluchtte, bedacht een beroemd geworden spel voor in genoemd café: ‘Der Erzherzog wird geprüft’. Een speler nam de rol op zich van examinerende geschiedenisprofessor, een ander de rol van aartshertog. De professor moest voor de hertog een vraag bedenken, die onmogelijk fout beantwoord kon worden. De hertog wint als hij toch in staat is een fout antwoord te geven, de professor als hij in staat is het foute antwoord zo te interpreteren dat deze toch juist was. Von Schönburg geeft het volgende voorbeeld: “Keizerlijke hoogheid, hoe langt duurde de dertigjarige oorlog?”. “Zeven jaar”. “Helemaal goed, keizerlijke hoogheid! Want toen werd er niet ‘s nachts gevochten, waarmee de helft van de oorlogstijd al wegvalt. Ook op zon- en feestdagen werd niet gevochten en wanneer we ook nog de historisch vastgelegde gevechtspauzes er af trekken, komen we precies op zeven jaar. Gefeliciteerd, keizerlijke hoogheid”!

Prins William studeerde op Eton en daarvan is bekend dat eenmaal een van zijn schilderingen, gemaakt tijdens het kunstonderricht, in de bibliotheek werd tentoongesteld. Zijn leraren loofden hem als een begaafd schilder, te vergelijken met Mark Rothko. William was zelf geschokt: hij was nimmer van plan om abstract te schilderen, hij wilde een huis schilderen, waartoe hij niet in staat was. Dit gedrag van zijn leraren correspondeerde ook niet met wat hij en Harry van hun moeder leerden, namelijk een zo normaal mogelijk leven en behandeling. Het gedrag past ook eigenlijk niet bij Eton, waar weliswaar kinderen uit rijke aristocratische families en die van buitenlandse heersers studeerden, maar waar onderling geen rangonderscheid wordt gemaakt. Williams grootmoeder kreeg nog privéles, zijn vader werd naar het bitter strenge ver in Schotland gelegen Gordonstoun gestuurd, William genoot bescherming in het op loopafstand van Windsor Castle gelegen Eton, waar pubers omgeschoold werden tot jong volwassenen. Zijn universitaire studie voltrok zich niet in Cambridge of Oxford, maar in het Schotse St.Andrew’s, publicitair gezien veel meer in de luwte. Met een paar vrienden, onder wie Kate Middleton – een dochter van een zakenman, met wie William op 29 april 2011 in het huwelijk trad, wat haar de titel Hertogin van Cambridge opleverde – huurde William een klein studentenkot en profileerde zich als kok van spaghetti met tomatensaus.  De pers liet hem behoorlijk met rust. Wel verschenen om de paar maanden foto’s, tot plezier van heel Engeland, waarop we o.a. zien dat de prins in de supermarkt familiepakken chips en sixpacks bier- ‘also den Grundnahrungsmitteln des durchschnittlichen Engländers’ – , inslaat, die hij , zoals de pers gretig noteerde, ‘met kleingeld uit eigen zak betaalt’. William is een enorme motorliefhebber. Op een Dayton 600 of een Honda Blackbird raast hij graag door het land en wordt daarbij ook wel eens vanwege snelheidsovertreding aangehouden. Niets liever heeft hij dan ‘normaal’ behandeld te worden en dus gewoon een boete te krijgen. Hij is teleurgesteld als de politieman als e prins zijn helm heeft afgezet salueert en hem onbestraft verder laat rijden, wat in de regel het geval is.

Het hoofddoel van koninklijke opvoeding ligt volgens Von Schönburg van ouds niet op het overdragen van de meest omvattende ‘Bildung’. Het zich ‘in de salon’ gedragen en opstellen vormt de hoofdmaart, behoort tot kern van de ‘koningsdiscipline’. Altijd goed gemutst zijn, nooit chagrijnig, een geïnteresseerde indruk maken, ook wanneer een gesprek dodelijk saai is. Aan het Deense hof heeft men een efficiënte trainingsmethode ontwikkelt om ongeïnspireerde gesprekken op niveau te houden. Er wordt geoefend met leren fauteuils, waaraan een kaart bevestigd is met opschriften als “de Engelse ambassadeur’, ‘de bisschop van X’, ‘de president van het gerechtshof’ etc. Wie het voor elkaar krijgt om met een meubelstuk te spreken, is voor het leven in de salon goed toegerust. De huidige Deense koningin Margarete leerde als jong meisje, met haar zusters en andere verwanten in de koningsloge van de opera de indruk te wekken van een gezelschap met levendige gedachtenuitwisseling. Zij wenden zich aan fluisterend tot honderd te tellen. “1,2,3,4,5,6″, fluisterde de kroonprinses. “7,8,9,10,11″, antwoordde haar jongere zuster. “12,13,14″, zei haar jongste zus. Enzovoort. Het werkte voortreffelijk, het publiek was verrukt over de koningskinderen: ‘wat onderhouden ze zich onderling goed’!

Tsaar Nicolaas I  vatte onbedoeld komisch zijn opvoeding als volgt samen: “Eigenlijk zijn wij opgegroeid als elk ander kind, afgezien natuurlijk daarvan, dat elk van ons vanaf de geboorte de beschikking had over een kindermeisje, twee dienstmeiden, vier kameniers, een ziekenzuster, twee butlers, acht dienaren, twee persoonlijke gardisten en acht chauffeurs”. Het kindermeisje of nanny is een verschijnsel van de 19e eeuw,  door Catharina de Grote geïntroduceerd. Zij had een sterke voorliefde voor kindermeisjes uit Engeland.  Daarna werd het mode, wereldwijd. De Engelse nanny had volgens de schrijver een obsessie met frisse lucht, havermout en thee en veroverde daarmee de kinderkamer. Nanny’s stamden – in tegenstelling tot de gevreesde gouvernantes – meestal uit arbeidersmilieus en zorgden met hun resolute aard voor opruiming in de weinig kindgerichte praal en pronk van het hof. Ethel Howard, een legendarische nanny aan het Pruisische hof en later in Japan, zag het als haar voornaamste taak voor heilzame onrust te zorgen in de kinderkamer. Als ze er achter komt dat de aan haar toevertrouwde prins nog nooit sneeuw in zijn handen heeft gehad, liet ze hem, terwijl het hem niet was toegestaan, in de vrieskou naar buiten gaan voor een paar emmers sneeuw en die naar de bovenste etage van het Neue Paleis in Potsdam te dragen voor een opwindend sneeuwballengevecht in de kinderkamer.                                                            

Nanny’s waren geliefd, gouvernantes gehaat. Zij stamden hoofdzakelijk uit verarmde adel, wat hen een diepgeworteld ressentiment gaf tegenover hun broodheren. En dat leefden ze uit op hun kinderen, samen met de eveneens gehate huisleraren. Ze voelden zich ook verheven boven de nanny’s. Vanaf hun zevende kwamen de kinderen onder hun schrikbewind, waaruit de prinsen ontsnapten als ze oud genoeg waren voor de cadettenschool; de prinsessen moesten hun kwellingen veel langer ondergaan en doorstaan. Midden 20e eeuw begonnen de vorstenhuizen hun jongens naar internaten, hun meisjes naar pensionaten te sturen, de meeste gouvernantes werden overbodig. Nanny’s functioneren nog tot op de dag van vandaag.

Vorstenhuizen 6

Een regeringsvorm gebaseerd op erfopvolging heeft behoefte aan legitimatie daarvan. De vooraanstaande antropoloog sir James George Frazer heeft aangetoond dat vanouds over heel de wereld het koningsschap gezien werd als een heerschappij van goddelijke oorsprong. Deze voorstelling is zo oud als de mensheid zelf. De vroege Germaanse vorsten waren er van overtuigd zelf van goden af te stammen. Die goddelijke status van vorsten gaf ze ook de rol van middelaar tussen god en mens. De vorst was altijd tegelijk een magiër, een priester. Zo’n bevoorrechte positie is of lijkt benijdenswaardig, maar is tegelijk zeer precair. Het volk verwacht dat de vorst garant staat voor zon en regen op de goede tijden in verband met een goede oogst; voor gezondheid zorg draagt. Zo niet, dan kan dat voor hem onaangename gevolgen hebben. Het koningsschap is zodoende wellicht vaker een last dan een lust. De vorst leeft in een gouden kooi en in een rituele dwangbuis. De Japanse Mikado’s hadden daar al vroeg wat op gevonden door de last van het keizerschap op de hals te leggen van hun nog onmondige kinderen en de uitvoering van de macht in de handen te leggen van de shogun. In West-Afrika is het nog steeds zo, schrijft Alexander von Schönburg, wiens boek we nog immer volgen, dat als een koning sterft een familieberaad wordt gehouden voor het aanwijzen van de opvolger. Die gekozen wordt wordt vervolgens vast gepakt, geboeid en in een hut geworpen, waar hij gevangen gehouden wordt totdat hij instemt met zijn verkiezing. Van prins William is bekend dat hij een behoorlijke aversie had en wellicht nog heeft tegen zijn voorbestemming. Het schijnt dat hij eens in familiekring die aversie kenbaar maakte en dat zijn jongere broer Harry toen gezegd heeft: ‘If you won’t do it, I will’.  Von Schönburg refereert vervolgens dan aan een uitspraak van Erasmus over het koningschap: ‘wie zich zelf geschikt acht daarvoor, is juist het minst geschikt’. Dat brengt mij op een interview die ik met VPRO-collega Ger Jochems jaren geleden had met kardinaal Daneels in het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen. In die tijd was Johannes Paulus II dermate ernstig ziek, dat het kwestie van tijd was dat gezocht moest worden naar een opvolger. De speculaties in de media daarover waren al vol aan de gang. Eén van de gedoodverfde kandidaten was de beminnelijke Daneels. Hij was zogezegd ‘papibele’. Nu luidt het gezegde ‘wie als paus het conclaaf binnen gaat, komt er als kardinaal weer uit’. Wij vroegen Daneels wat die geruchten met hem deden, hoe hij er mee omging. Hij sprak toen de onsterfelijke woorden: ‘wie paus wil worden is of te seniel of te jong en ambitieus om te beseffen wat het inhoudt; de lieve Heer zelf zou niet eens het willen zijn’. Het priesterlijke koningschap van de Germaanse volken is door de komst van het christendom een zware slag toegebracht, zo schrijft Van Schönburg. Een heidense dwaalleer, die ooit helemaal verdwenen is, maar vooral in het volksbewustzijn zijn rol bleef spelen. Denk ten onzent aan het nog immer bij velen levende drievoudig snoer God, Nederland en Oranje. De hele Bijbel kun je lezen als verzetsliteratuur tegen een goddelijk gesanctioneerde ongebreidelde macht.  De machtsvraag speelt vanaf het begin: wie heeft het voor het zeggen en wat heeft hij te zeggen, met het oog waarop en op wie. Denk alleen al aan de Jozefgeschiedenis en aan de strijd met Farao. De God wiens Naam inhoudt er te zijn voor zijn volk, voor mensen, is de ware Koning. ‘School voor koningen’ heet terecht het boek van F.O. van Gennep over de Samuël-boeken. Het volk wil zijn als de andere volkeren en willen een echte koning van eigen vlees en bloed, hebben niet maar genoeg aan de Naam als hun koning. Die koning krijgen ze, maar de eerste de beste, Saul, blijkt niet te voldoen aan hoe de Ene het koningschap ingevuld wil zien. Dan volgt David, de minst geschikte. Jezus, als ultieme zoon van David, beantwoordt ook niet aan ons natuurlijk beeld van een koning. Een schertsfiguur eigenlijk, met een kribbe als wieg, een executiepaal als troon en daartussen een zwervend bestaan zonder vast woonadres, laat staan een Huis ten Bosch, Buckingham Palace, een Vaticaan. 

Vorstenhuizen 5

Je kan dan wel als toekomstig koning geboren zijn, het is nog geen garantie dat je het wordt , zekere niet waneer. Prins Charles lijkt te moeten wachten tot hij een ons weegt. Als zijn moeder zo oud wordt als haar moeder dan is hij over de tachtig als hij eindelijk gekroond kan worden. Als hij er dan nog zin in heeft en zijn beurt aan ‘Fikkie’ geeft, aan zijn oudste zoon derhalve. Ik heb de indruk dat Charles zich wel vermaakt, maar al decennia is zijn leven wat de troon betreft gelijk een stationair draaiende auto: tot een echte rit komt het niet. Een tragisch voorbeeld, zo schrijft Alexander von Schönburg, wiens boek we nog steeds volgen, kent Charles in Friederich III van Pruisen, gehuwd met de oudste dochter van Koningin Victoria. Die stond z’n hele leven te trappelen van ongeduld om zijn vader te mogen opvolgen en plannen ontwierp om in tegenstelling tot zijn vader van Duitsland een liberale, constitutionele monarchie te maken naar Engels model. Als dan zijn vader eindelijk de laatste adem uitblies en hij z’n droom kon verwezenlijken, kreeg hij al spoedig kanker en stierf na een ambtsperiode van slechts 99 dagen. En zo kwam zijn zoon Wilhelm II voor decennia op de Duitse troon.                                        De huidige queen is zelf ook een goed voorbeeld van de ironie van de geschiedenis. Haar oom Edward was als oudste voorbestemd voor de troon, besteeg die ook als Edward VIII in 1936, maar moest daar een jaar later weer vanaf dalen vanwege zijn voorgenomen huwelijk met de al tweemaal gescheiden Amerikaanse Wallis Simpson. En zo was het de beurt aan Elisabeths vader Albert, de stotteraar, die als George VI tot aan zijn dood in 1952 Buckingham Palace bewoonde. Tot verdriet van zijn vrouw, ook een Elisabeth, die Edward z’n escapade haar leven lang kwalijk heeft genomen. Deze ironie der geschiedenis, die vaker voorkwam, wordt passend bij zo iets als een koningschap gezien als een ‘ingrijpen van hogerhand’. Een oeroude gedachte, substantieel onderdeel van de mythologie en ook te vinden in de Bijbel, in de figuur van David, die juist als jongste tot koning geroepen en gezalfd wordt.  Het oudst bekende historische document  ( 4000 voor Christus), waarin het woord ‘koning’ voorkomt, een Sumerische koningslijst, begint met de woorden: “Wanneer het koningschap eenmaal vanuit de hemel is neergedaald …”.           Deze kern van het koningschap illustreert Van Schönburg aan de hand van de ontluisterende geschiedenis van de Franse revolutie op dit punt. In de herfst van dat jaar rammen soldaten met rode mutsen de deuren kapot van de basiliek van St.Denis, waar sinds eeuwen de Franse koningen hun laatste rustplaats vinden. Ze worden gevolgd door een hysterische mensenmassa, die zich stort op de graven, ze openbreken om die te plunderen. Er valt echter niet veel te halen, want de koningen werden slechts in een eenvoudige lijnwaad begraven. De eerste vroegere ‘tiran’ die het moet ontgelden is Henry IV ( Hugenoot geworden, die weer katholiek werd – Parijs is mij wel een mis waard, kundig koning, tolerant:Edict van Nantes). Toen de eikenhouten deksel van zijn kist opensprong bleek zijn lijk na 180 jaar nog in opmerkelijk goede conditie. Hij werd als een pop tegen een pilaar gezet, waar op een aantal dagen het gepeupel zijn woede kon botvieren. Wat er toen nog van over was werd in een drie meter diep graf naast de kerk gesmeten. Lodewijk XIII was als volgende aan de beurt, maar die moet zo gestonken hebben, dat men hem met rust liet. Bij Lodewijk XIV werd zijn buik opengereten en een soldaat trok hem een zwart geworden tand uit om die als een trofee de opgewonden massa te tonen.  En zo ging men door, van de ene vorst naar de andere.  Bijna alle symbolen van het meer dan duizend jarige koninkrijk werden vernield, maar als men niet dat ene attribuut zou bemachtigen en vernietigen zou de revolutie onvoltooid blijven. Dat attribuut betrof een flesje.  Een glazen flesje van een paar centimeter, gevuld met een roodachtige substantie. Volgens de overlevering bevatte dit flesje de olie, waarmee de Merovinger koning Clovis I eind vijfde eeuw gezalfd werd na zijn doop tot christen. De legende wil dat deze olie door de Heilige Geest in de vorm van een duif aan de dopende bisschop geschonken was. Alle koningen na Clovis werden met de zelfde olie tot koning gezalfd. Een zalving, waarmee het Franse koningshuis zich verbonden wist met het Bijbelse davidische koningsschap. Von Schönburg schrijft dat weliswaar de Franse geschiedschrijving sinds de Verlichting de historiciteit van de mythe van het koningsschap belachelijk had gemaakt, echter de bezetenheid waarmee jacht gemaakt werd op de ampul toont aan dat de kracht van de mythe ook onder sceptici nog hardnekkig voortleefde en dat het voortbestaan van dat kleine flesje  een gevaar voor de republiek zou blijven. Dat flesje bevond zich niet in St.Denis, maar in Reims. Op 16 september 1793 wordt per decreet besloten een voormalige protestantse predikant, ene Ruhl, een Duitse Elzasser, de opdracht te geven naar reims af te reizen om de ampul zeker te stellen en te vernietigen. Op 7 oktober van dat jaar werd de bevolking van Reims samengeroepen op het voormalige Place Royale om de vernietiging bij te wonen. Ruhl beklimt onder tromgeroffel de sokkel van het voormalige ruiterstandbeeld van Lodewijk XV, toont de joelende menigte de ampul, die hij betitelt als ‘heilige rammelaar van een nar’, houdt een vlammend betoog, laat zich door de burgemeester een hamer aanreiken en slaat vervolgens de ampul in stukken. Echter: er waren een paar veel minder radicale revolutionairen, die voor Ruhls komst zoveel mogelijk balsem uit het flesje hebben gehaald en overgegoten in een nog kleiner flesje en die hebben verstopt tot het einde van de revolutie. Tot 1970 bevond dat flesje zich in de schatkamer van de aartsbisschop van Reims, sinds 1970 kan men het achter pantserglas bewonderen in het stadsmuseum van de stad. Conclusie van Von Schönburg: ” Erst durch diepe Musealisierung hat man der Ampulle ihren Zauber geraubt. Die Revolutionäre damals haben ihn durch ihre Jagd verstärkt”.