Category Archives: Reizen

Waterliniepad 2

Bij Werkendam gebleven, bij Werkendam dus nu begonnen, aan de oostelijke kant van het dorp; het dorp waar Anton Mussert geboren werd, een naam die nu Werkendam niet meer voor komt. Werkendam is goed protestant, met een grote Hervormde kerk: Gereformeerde Bond en rechts-confessioneel en een behoorlijk forse Gereformeerde Kerk. Verder vinden mensen geestelijk onderdak bij Chr. Gereformeerden, Gereformeerde Gemeente, Oud-Gereformeerden, Hersteld Hervormden en Vrije Gereformeerden en dan is de lijst vast nog niet compleet.  Werkendam – genoemd naar het riviertje De Werken, een verdwenen zijtak van de Alm – ligt ten zuiden van de splitsing van de Boven Merwede in de Beneden en Nieuwe Merwede.  In 1641 verwoestte een brand 81 huizen en in 1812 trokken de Kozakken door het dorp. De plaatselijke voetbalclub heeft die naam als geuzennaam overgenomen: Kozakken Boys, een geduchte naam in het zaterdagvoetbal. Werkendam ligt aan de rand van de Biesbosch, waar veel Werkendammers hun kost verdienden als griend- en rietwerkers en daarvoor de hele week in de Biesbosch bleven. Aan hen dankt het dorp de naam ‘de Vrouwenhemel’. Tijdens de oorlog speelden diverse Werkendammers een rol van betekenis als ‘crosser’: onderduikers,Engelse piloten, verzetsstrijders, voedsel en medicijnen werden na het najaar van ’44 van het bezette deel van ons land overgebracht door de door de Duitsers gevreesde Biesbosch naar het al bevrijde zuiden. Werkendam is nu een dorp van schippers en weg- en waterbouwers.

Enfin, ik parkeer mijn auto bij het grote busstation. Het is de bedoeling dat ik naar Woudrichem loop en vandaar de bus neem. In een halte zit een meisje met ‘oortjes’ in. Die ze vriendelijk verwijdert als ik haar informeer naar de bus die ik terug moet nemen. Het is de bus die zij moet hebben richting het oude zalmstadje tegenover slot Loevestein. En die komt er al snel aan. Als ik verneem dat die bus steeds slechts eenmaal per uur gaat, besluit ik om nu de bus te nemen en dan vanuit Woudrichem terug te lopen. De bus blijkt overigens een streekbus en blijft tot Woudrichem slechts het meisje en ik als passagiers te vervoeren. Meisje blijft zitten, ik loop honderd meter en ben dan bij de grote Middeleeuwse kerk, waar vandaan mijn tocht begint. Maar eerst koffie op het terras van een ijssalon. Het is verrukkelijk wandelweer. Woudrichem of Woerkum, zoals ze zelf zeggen heb ik al eens uitgebreid bezocht, met zijn gevangenistoren bij de Merwede, het visserijmuseum, met veel over de vroegere zalmvangst, de genoemde  - gotische Martinikerk. (In het stadje is Dokter Tinus van SBS6 opgenomen en diverse scènes voor de film Oorlogswinter).  Ik loop de Bagijnestraat uit , klim de wal op die rond het stadje ligt, loop een houten brug over de stadsgracht over en kom op een dijk voor fietsers en wandelaars. Daar waar de Merwededijk aansluiting krijgt met een autoweg uit het stadje duik ik De Aanwas in, een buitendijks natuurgebied van weiden en bosschages. De vogels fluiten, graspiepers vliegen op, er bloeit van alles in het weelderig groen en een man met hond komt me tegemoet. Na ruim 1 km kom ik door een draaihekje op het terrein van de jachthaven van Sleeuwijk. Een dorp van ruim 5000 inwoners, met veel nieuwbouw, behorend tot de gemeente Werkendam. Het ligt aan de Boven-Merwede met een prachtig zicht op Gorinchem. Na de jachthaven komt al snel het haventje van de veerpont voor fietsers en wandelaars naar Gorcum, waaraan Sleeuwijk eeuwenlang z’n betekenis aan heeft ontleend. Voor het eerst wordt die al in 1327 genoemd. In 1811 stak keizerin Marie Louise van Oostenrijk, de vrouw van Napoleon, met dit veer de Merwede over. Dat gaf het veer de haar bijnaam: Het veer van Keizerin Marie Louise. Het werd een tijdlang aangeprezen als ‘de kortste weg naar Parijs’. Het veer verloor belang na de bouw van de Merwedebrug in 1961.  Na het veerhaventje loop ik nog een stukje over de duik en daal dan de dijk af, langs een 19e eeuwse Rijks Peilschaal, ontdekt en vrijgekomen na vrij recente dijkwerkzaamheden. Deze peilschaal, waarmee de waterstanden konden worden afgelezen. ligt in de dijk zelf. Ik wandel achter een man twee honden uit door de zgn. Groes, een buitendijks natuurgebied, waar tegen het water hooglanders grazen en het pad me langs honderdtallen letterlijk bloeiende reuze balsemienen voert. Terugbuigend naar de dijk staan in het struweel met mos begroeide brugpijlers, overblijfsels van de planning van een eerdere brug over de Merwede. Een aantal kilometers loop ik langs een vaart achter de eerste huizen van Sleeuwijk langs, kom ik aan de weg naar het dorp, Transvaal, die ik over het fietspad volg tot aan de Rijkstraatweg, steek de A27 over en dan ligt daar weer het busstation, waar mijn auto geparkeerd staat. Zo’n tien kilometer ruim gelopen. Ik eet een boterhammetje en ga op weg naar het diep in de Biesbosch gelegen Biesboschmuseum. Op de terugweg koop ik bij een als kraam ingerichte container kersen, aardbeien en pruimen. Ik ben niet de enige, er staat een aardige rij , begerig naar vers geoogst fruit.

img_1118 Woudrichem, zicht op Merwede.

img_1123 Buitendijks tussen Woudrichem en Sleeuwijk

img_1126  Rijks Peilschaal bij Sleeuwijk

img_1129 Reuze balsemien

img_1130 kerkje Ned.Gereformeerden Sleeuwijk

 

Weerzien in Cluj 4

zondag 18 juni

Na een rustige zaterdag van stad snuiven, rusten, lezen, mijmeren op  een terras achter koffie of bier, korte gesprekjes en een heerlijk avondmaal, start ik de zondag met een buiten-ontbijtje en bezoek daarna de kerkdienst in de kerk van de Twee Torens, vlak bij het Instituut. De gemeente van deze kerk kent ook twee voorgangers. De ene, Székely József, studeerde ook in Nederland en vond daar zijn vrouw, afkomstig uit Frederiksoord. Hij is een belangrijke figuur in de huidige kerk, die hamert op kerkvernieuwing en op het belang en de verbetering van de prediking. De ander heet Adorjáni Lászlo, spreekt voortreffelijk Engels, tekent geestige cartoons en is een broer van Zoltán, die studeerde toen ik aan het Instituut verbleef en is al weer jaren hoogleraar NT. Hij gaat in deze dienst voor, vooraf gegaan door een doopdienst. Na afloop laat Székely me het door hem opgerichte museum zien in een van de grote torens. Het betreft de geschiedenis van de zgn. Hochstadt , de wijk die vanaf de kerk zich richting oosten uitstrekte en tot de zeventiger jaren van de vorige eeuw bestond uit kleine boerderijen, die de binnenstad voorzag van groenten en fruit. Vanaf de zeventiger jaren begon het Ceausescu-regime de honderden (Hongaarstalige) boertjes te verdrijven, hun huizen weg te bulldozeren, hun gronden te onteigenen, zonder enige vorm van inspraak om plaats te maken voor afschuwelijk lelijke en slecht gebouwde torenflats, waarin plattelanders van Roemeense origine gedropt werden die opeens van landbouwers industriearbeiders moesten worden. De sociale gevolgen voor zowel oorspronkelijke als nieuwe bevolking waren gigantisch: ontreddering, verpaupering, ziekte, sterven, zelfmoord op grote schaal. Indrukwekkende foto’s laten zien hoe de nieuwe stad oprukt en ontredderde, angstige en verdrietige boertjes bedreigt.  De middag gebruik voor ontspannen lezen en ‘s avonds ben ik op bezoek bij Jenei Tamás, die een voortreffelijk maal tevoorschijn tovert, begeleid door prima wijnen. We halen herinneringen op van veertig jaar geleden, hij vertelt over zijn loopbaan als predikant, die begon in de Bukowina, waar hij als vrijgezel zonder auto een parochie zo groot als Nederland had te bedienen. Door de hele provincie verspreid woonden Hongaars Hervormden, enkelingen of bijeen in kleine huisgemeenten. De Ceausescu-politiek was er op gericht om de Hongaarse minderheid te versplinteren. Afgestudeerden kregen alleen een baan in Roemeenstalige gebieden en Roemenen werden zoveel mogelijk naar Hongaarstalige gebieden gestuurd. Tamás liet zich niet uit het veld slaan en probeerde zo goed en zo kwaad als het ging zijn diasporagemeente te versterken en op te bouwen. dat bleef bij de overheid niet onopgemerkt en dus werd hij daarvoor gestraft en moest een aantal maanden uit zijn werk weg om bij een bouwbedrijf te gaan werken. Na een aantal jaren werd hij naar een betere plek overgeplaatst, ontmoette zijn vrouw uit Hongarije. Deze woont met hun drie dochters al weer een tijd in haar geboorteland, omdat de Roemeense overheid weigert hen het Roemeens staatsburgerschap toe te kennen. Dus heeft Tamás besloten over drie maanden, als hij met emeritaat gaat, naar Hongarije te verhuizen, waar met graagte de overheid hem het staatsburgerschap van dat land zal geven.

maandag 19, dinsdag 20 juni

Deze dagen geniet ik weer met volle teugen van het weer, van terrassen, van de sfeer in de stad, heb momenten dat ik lees, bezoek een boekwinkel en ga ook naar een pedicure/manicure. Verder een aantal mooie gesprekken. Met Sógor Arpád, de studentenpastor, die me vertelt dat hij een eigen pastoraal/therapeutische aanpak heeft ontwikkeld: de schaakmethode. Hij voert zijn gesprekken rond het schaakbord, waarin of met de studenten schaakt of hen dat leert. Schaken is keuzes maken en staat symbool daarin voor het leven, waarin het ook om het maken van goede keuzes gaat. De keus op het schaakbord leidt in zijn gesprekken tot de keuzen op het levensbord. Ik spreek met Csalogh Béla over de specifieke problematiek van de Hongaarse kerk: het toegenomen individualisme, gebrek aan samenwerking tussen predikanten, de moeite die studenten hebben om voor het ambt te kiezen in hun nog ouderwets gestructureerde kerk en over homoseksualiteit, een nog zeer heikel onderwerp. Met behulp en onder stimulans van de Juhász Stichting is aantal jaren geleden een pastoraal getint boek verschenen dat gratis onder studenten en predikanten verspreid wordt om zo een open gesprek er over te stimuleren. Wat in het boekje ontbreekt is een persoonlijk verhaal van iemand die uit het oude denken zich heeft bevrijd. Ik spreek met hem er over of ik op dit punt niet van dienste kan zijn. Dat leg ik ook voor aan Beke Boroká, de vrouwelijke voorzitter van de predikantenbond. Zij staat open voor een bijdrage van mijn kant, maar moet dat wel voorleggen aan haar leden. Met haar spreek ik ook over het belang van pastoraat aan de predikanten zelf, ook in ons land een ondergeschoven kind.

woensdag 21 juni

In de bibliotheek heb ik een ontmoeting met de bibliothecaris, die mijn werkstuk dat ik destijds schreef te voorschijn heeft getoverd en dat hij voor mij wil digitaliseren en zo toesturen. Het werkstuk gaat over Barths periode als predikant van Safenwil. Zelf bezit ik geen exemplaar, ook niet in de oorspronkelijk Nederlandse versie. Wellicht kan t.z.t. daar zelf voor zorgen: een een goede training voor m’n toch wat weggezakte Hongaars.     ‘s Middags voeg ik mij bij Jenei wederom om met hem in zijn handige bestelbusachtige auto naar Bonchida te rijden, zo’n 40 kilometer oostelijk van Cluj. In dat dorp bevinden zich de resten van het immense kasteelcomplex van een van de oudste en voornaamste Hongaarse adelijke geslachten, de Bánffi’s. Het werd het Versailles van Transsylvanië genoemd, het wordt bij stukken en beetjes gerestaureerd en op het immense terrein vinden nu grote cultuurfestivals plaats. Dit complex wordt ook beschreven in het prachtige boek van Jaap Scholten, Kameraad Baron. Het is ook in het Hongaars vertaald en vindt onder de Hongaren gretig aftrek. We voegen ons bij de predikant van Bonchida die tegenover het kasteel woont en ook in Nederland studeerde. Na het kasteel bekeken we zijn kerk, het van oorsprong oudste kerkje (11e eeuw) van Transsylvanië. Sporen van de grafelijke familie vinden we terug in de fraaie kansel en de avondmaalstafel. In Cluj trakteer ik Tamás op een maal op het terras van het voormalig onderkomen van de vrijmetselaars, nu een modern en prima restaurant.                                                                       De volgende ochtend spreek ik nog eenmaal met Csabá, drink nog een koffie in Big Ben en neem een taxi naar het vliegveld. Daar begint het wachten: voor de incheck, voor de bagagecontrole, voor de paspoortcontrole, voor de gate, in de bus, in het vliegtuig. Ik realiseer me dat vliegen dan wel efficiënt is, goedkoop en snel, maar dat in dat wachten en uiteindelijk snelle vertrek de sfeer van een verblijf wordt afgebroken en snel tot herinneringen worden. Een land geleidelijk naderen en binnenkomen en zo ook weer verlaten is eigenlijk veel beter. De volgende keer ga ik toch weer met de auto, want terugkom ik. Het thuisgevoel, wat ik kende, heeft dat lamlendige vliegveldverblijf en het vliegen zelf me uiteindelijk niet afgenomen.

Weerzien in Cluj 3

maandag 12 t/m donderdagmiddag 15 juni

Van maandag t/m woensdag werd er drie dagdelen gewerkt aan de verhalen van Gideon en Simson in het boek Richteren en aandacht besteed aan stukken Bijbelse Theologie van Karel Deurloo die met onderhavige verhalen te maken hebben. Klaas Spronk, O.T. icus aan de VU had de leiding, bijgestaan door zijn collega Balogh Csabá van het Instituut in Cluj. Deze nam ook een deel van het tolken voor zijn rekening, maar het leeuwendeel op dat gebeid werd geleverd door de onvermoeibare en immer goedgeluimde Sógor Géza. Teksten werden gelezen in Hongaars en Nederlands, met de Hebreeuwse grondtekst er naast. Er werd volop gediscussieerd over de betekenis. Woensdagavond werd een film bekeken over Mozes – even iets heel anders, maar toch ook gericht op interpretatie van de filmmaker van een bekende Bijbelse figuur. Donderdagochtend werd besteed aan diverse vormen van toepassing van met name het Simson-verhaal. De een kwam met preekschetsen, de ander met een voorbede, van mijn hand werden een aantal liederen gezongen, die ik destijds maakte bij de serie over Simson in ons Ossendrechts kerkje. 

donderdagmiddag 15 – vrijdag 16 juni

Na de weer voortreffelijke warme lunch – in R. wordt tweemaal warm gegeten – vertrokken acht Nederlanders in een busje van het Instituut naar de Bukowina. Ries Nieuwkoop achter het stuur. Via Dej en Bistrita reden we het prachtige landschap van de Karpaten in. De steeds hoger slingerende weg was aanmerkelijk beter dan veertig jaar geleden, dan tien jaar geleden zelfs. Nieuw asfalt en af en toe stukken om de traag voortkruipende vrachtwagens te kunnen passeren. Schilderachtige houten huizen en kerkjes, nieuwe orthodoxe kerken – na de omwenteling zijn er liefst 4000 gebouwd! – , de traditionele ovaal toelopende hooioppers, cirkelende roofvogels. We reden door het drukke stadje Viatra Dornei en doken daarna naar beneden om halt te houden in een lief dorp, waar ons pension stond voor de overnachting. We werden zeer hartelijk ontvangen; er kwam bier op tafel, we betrokken onze kamers en ‘s avonds wachtte een zeer uitgebreid rijk maal, met een huislikeur vooraf en heerlijke wijn bij de dampende spijzen. Nazit met een digestief. De volgende morgen een ontbijt van eieren, vleeswaren, kaas, tomaten, ui en vruchten. In totaal kostte de hele grap voor ons achten niet meer dan 300 euro. In dit dorp Moldovita staat het eerste klooster met zijn fraaie beschilderingen dat we die vrijdag bezochten. Een non van een mannelijk postuur en geheel in het zwart, waarbij alleen haar gezicht ontbloot was gaf in helder Duits minutieus en gedreven uitleg bij de schilderingen, wat eigenlijk één groot Grieks -orthodox bijbels theologisch verhaal bevat, wat een paar maal op de buitenmuren terugkeert. Dat geldt ook voor de hal en de binnenzijde van de kerk, in drieën gedeeld, naar de indeling van de Bijbelse tempel. We bezochten nog twee kloosters, zonder gids: in Voronets en in Humurului. Daarna ineen stadje in de buurt een prima pizza en vervolgens weer terug naar Georgheni. Daar nog een laatste avondeten en overnachting in het langgerekte op een heuvelkam gelegen dorp. Een geologische eigenaardigheid van dit dorp mag niet onvermeld blijven. In de bewerking van de grond en bij het bouwen van huizen treffen de bewoners in de leemachtige grond voortdurend geometrisch zuivere bollen in diverse grootten aan. Alsof ze door een machine rond geslepen zijn. In alle tuinen liggen wel van dat soort bollen, de meeste in de omvang van middeleeuwse stenen kogels die uit katapulten tegen stadsmuren geslingerd werden.   Enfin, Nederlandse en Hongaarse collega’s namen hartelijk afscheid. Ik zelf vertrok naar het Instituut, waar ik onderdak vond in een nieuwe eenvoudige doch aangename gastenkamer voor omgerekend 12 euro per nacht.

Weerzien in Cluj 2

Zaterdag 10 juni

Collega Nieuwkoop gebruikt deze dag om een vriend op te zoeken in de gevangenis van Bistrita, een stad zo’n 160 kilometer noordoostelijk van Cluj. Ik rijd met hem mee. Het is stralend zomers weer. We rijden door het dal van de Somes, langs  het oude stadje Gherla, waarvan de bevolking oorspronkelijk Armeens is en een Armeens-Orthodoxe kathedraal het centrum van het stadje domineert. We passeren Dej en buigen dan af richting de noordelijke Karpaten. In Bistrita zet Nieuwkoop mij af aan de rand van het centrum. Na een gezamenlijke uitstekende koffie gaat hij naar de gevangenis en wandel ik op mijn gemak door het rustige stadje, bezoek de eeuwenoude Luthers Kerk van de zgn Saksen die eeuwen geleden naar Transsylvanië trokken en zich vooral in het zuiden als het noorden van Transsylvanië zich vestigden. Ze bouwden burchtkerken, waarin de bevolking in tijden van vijandelijke invallen zich kon terugtrekken en bouwden een aantal dorpen tot steden, tot in totaal Sieben Burgen, waardoor Transsylvanië in het Duits nog altijd Siebenbürgen heet. Transsylvanië betekent ‘achter het woud’, de Nederlandse vertaling van het Roemeense Ardeal of Transylvania, wat feitelijk een vertaling is van het Hongaarse Erdély. De zeven steden overigens zijn Bistritz/Bistrita/Beszterce; Klausenburg/Cluj/Kolozsvár; Hermannstadt/Sibiu/Nagyszeben; Kronstadt/Brasov/Brassó; Mediasch/Medias/Medgyes; Mühlbach/Sebes/Szászsebes en Schässburg/Sigisoara/Segesvár.                                                            Achter de kerk in renovatie strekt zich een brede en lange winkelboulevard uit met een tiental aangename terrassen. Oude mannen kuieren op hun gemak. Gezinnetjes flaneren en likken ijsjes. Tweedehands kledingzaakjes, die je bij bosjes ziet in Roemenië, worden druk bezocht. Een enkeling schiet de moderne winkel van Vodafone (leidend in dit land) binnen. Parallel aan de boulevard loopt de nog drukker met winkels bezette smalle hoofdstraat, met steegjes naar afgetakelde buurten aan de rand van het centrum. Ik bezoek nog het Goldschmiedehaus, een middeleeuws pand, waar de Saksische goudsmeden hun beurs hadden. De ruimten zijn imposant, maar kaal, slechts een paar voorwerpen uit glorieuze gouden tijden zijn overgebleven. Op een kleine boerenmarkt naast de oude stadskerk koop ik een heerlijk stuk schapenkaas. Op het terras waar Ries Nieuwkoop en ik  elkaar weer ontmoeten heb ik nog net tijd voor een koele pils (het Roemeense bier is een stuk lekkerder dan het duurdere  en in zgn. betere kringen  onbegrijpelijk populaire Heineken). Aan het eind van de middag arriveren we in Georgheni/Györgyfalva, waar we eerst een bezoek brengen aan Antal József, die in 1975 in het dorp predikant werd, in Nederland studeerde als een van de laatste onder het Ceausescu-regime en wiens zoon nu de kansel in het dorp beklimt. Ries brengt verslag uit van zijn bezoek aan de gevangenis, want ook hij is een zoon van József. Samen met Wilken Veen, Adriaan Deurloo en Klaas Spronk – de eerste twee deelnemers en de laatste leider van de cursusweek – zal ik de komende nachten doorbrengen in het door hem zelf gebouwde maar vanwege zijn detentie wat verwaarloosde ruim bemeten huis van de gevangen zoon. Tegen de avond haalt Ries mijn huisgenoten  en Wout van der Spek op van het vliegveld en genieten we bij Antal jr een door zijn vrouw bereid maal aan de keukentafel van de pastorie. Wout en de overige Nederlandse en een aantal Hongaarse collega’s brengen de nachten door in Bethlen Háza, zoals het conferentieoord heet. 

zondag 11 juni

We nemen deel aan de kerkdienst van het Instituut, helaas wegens verbouwing niet gehouden in de fraaie aula, maar in een bovenzaal van het gebouw dat de eeuwenoude vleugels verbindt, ontstaan na de wending. Hoogleraren en studenten verschijnen allemaal diep in het zwart. De dienst wordt geleid door de NT’cus Visky Béla, een zeer vriendelijke vijftiger. Liturgisch verschilt de dienst niets van die van veertig jaar geleden. In de prediking kan uiteraard veel vrijer gesproken worden, ofschoon voor zover ik goed beoordelen kon deze preek nogal een hoog essayistisch gehalte had en weinig sociaal-maatschappelijk betrokken. Na afloop ontmoet ik een oude bekende van veertig jaar terug, de nog immer goedlachse Jenei Tamás. Hij was de laatste 18 jaar directeur van het Instituut voor de Catechese en woont nog een paar maanden in het huis, waar we destijds kind aan huis waren omdat daar genoemde Juhász en zijn gezin woonde en in een ander appartement het gezin van Dobri János, een strijdbare predikant, met hoofd en hart onverschrokken op de goede plek. Met Tamás spreek ik af volgende week bij hem het avondeten te gebruiken. Wij drinken koffie, eerst met de studenten en daarna in het appartement van Visky Béla, een van de hoogleraarswoningen van het Instituut. Tot slot krijgen we een rondleiding in de bibliotheek, met een groot aantal incunabelen en o.a. een van de oudste uitgaven van Calvijns Institutie. De huidige bibliothecaris heeft een kleine maar mooie expositie ingericht. De bibliotheek barst uit z’n voegen, mede door talrijke schenkingen uit het buitenland. Op de onderverdieping van het gebouw waar we de kerkdienst bijwoonden wordt hard gewerkt aan uitbreiding van de bibliotheek. In september zal die geopend worden door de Hongaarse premier Victor Orban, omdat de Hongaarse staat nog al wat geld in gebouw en bibliotheek gestoken heeft. We lunchen in Georgheni/Györgyfalva en luieren de middag door. Tegen de avond druppelen de overige deelnemers aan de cursusweek binnen. Onder hen van Hongaarse zijde Sógor Géza, zoon van een predikantenechtpaar, waar we wellicht het liefste kwamen, woonachtig zo’n 60 km ten zuiden van Cluj. Hij was openhartig, modern van denken, moedig, juist ook in zijn preken en zij was de spreekwoordelijke Hongaarse vrijheid in optima forma. Net als bij ons thuis hadden ze 5 kinderen en net als bij ons verdeeld in vier jongens en een meisje, met dit verschil dat bij ons zij de jongste was en bij hen de oudste. De oudste zoon, Csabá, is lid van het Europese parlement. Géza, de een na jongste is predikant en studeerde en woonde 5 jaar in Kampen en spreekt voortreffelijk Nederlands en zal gedurende de cursusweek als tolk fungeren. De jongste, Arpád, heb ik ook ontmoet, want hij woont op het Instituut als studentenpastor. Na het avondeten starten we de cursusweek met een uitgebreide kennismaking. Met steeds goed gevulde glazen praten we lang na in aangename avondkoelte. ‘s Nachts hoor ik de melancholieke roep van een bosuil.

 

 

Weerzien in Cluj 1

Alsof ik in tropisch Afrika was geland! Toen ik afgelopen donderdag uit het vliegtuig de eerste stappen zette op de trap naar het beton trad ik de hitte van een sauna binnen. Eindhoven, vier uur ‘s middags! Twee uur vliegen van Cluj, Roemenië, waar het ook heet was voor de tijd van het jaar, maar nog altijd vijf graden minder warm. Twee weken was ik weer eens in het land waar ik veertig jaar geleden twee jaar had gewoond. Het was in meerdere opzichten een warm weerzien. Na het verblijf van ’76 tot ’78 was ik vaker terug geweest, maar dit keer bleek het anders, intenser vooral. 

Donderdag 8 juni

De dag voor mijn vertrek had Hans den Daas mij flink geholpen met het schonen van mijn voor- en achtertuin en het verwijderen van versleten tuinmeubilair. Vlak voor mijn vertrek stond hij in lichte paniek voor mijn deur: hij was zijn portemonnaie kwijt. Ik was juist bezig de mijne te ontdoen van allerlei pasjes die ik in Cluj niet nodig zou hebben. Hans kon zijn beurs noch bij mij binnen noch in de tuin vinden en vlak na hem stapte ik in mijn auto voor de rit naar Eindhoven. De benzinemeter gaf aan dat ik onderweg bij moest tanken. Toen bleek dat ik bij de herordening van mijn portemonnaie geen bankpas meegestegen te hebben. Paniek bij mij. Ik had nog wel een creditkaart bij mij, die ik nauwelijks gebruik en waarvan ik de pincode niet wist. Ik had nog tien euro op zak en dat was voldoende om P8 van het vliegveld te bereiken, waar ik mijn auto voor de komende weken zou stallen. Op het vliegveld zou ik medereizigers naar Cluj ontmoeten die net als ik zondagavond in een dorp in de buurt van Cluj zouden samenkomen voor een cursusweek over Richteren, georganiseerd door de Juhász Stichting. De organisator van de cursus, collega Ries Nieuwkoop zou ik ook treffen. Er zat niets anders op dan hem om geld te leen vragen. In afwachting van hun komst probeerde ik telefonisch de ANWB te bellen voor een nieuwe pincode van mijn bij hen verkregen creditkaart. Ik kwam er niet doorheen en intussen zag ik mijn medereizigers verschijnen. Ik beëindigde mijn vergeefse wachten op verbinding en stak mijn mobiel in mijn borstzak en toen voelde ik iets zitten, wat mijn bankpas bleek te zijn. Blijkbaar achteloos daarin gestoken toen Hans den Daas in zijn paniek voor m’n deur stond. Ik voelde me kilo’s lichter, de steen in mijn maag vergruizelde. Na een kalme vlucht landden we onder een zwaar bewolkte lucht op een fris, vernieuwd en fleurig Cluj Airport. Veertig jaar geleden oogde het aftands, grauw en grimmig. Heel het land was een somber en droevig stemmende zwart-witfoto. De meegereisde Nederlandse collega’s werden opgehaald door Roemeens-Hongaarse collega’s, waar ze het weekend zouden doorbrengen, kennis zouden maken met het leven en werk in een dorpsparochie en zelfs een in het Hongaars vertaalde preek zouden voordragen. Ries werd opgehaald door een jongen uit Georgheni/Györgyfalva, waar het conferentiehuis stond waarin de studieweek gehouden zou worden. Ik mocht meerijden en werd afgezet bij het hotel, dat ik had geboekt voor geen geen 40 euro per nacht, inclusief ontbijt. ‘s Avonds liet ik me vervoeren per taxi naar het fraaie hoofdplein van de stad met z’n talrijke aangename terrassen. Ik voelde me direct thuis. Oude herinneringen mengden zich de relaxte bevrijde atmosfeer van nu. 

De Juhász Stichting.

Deze stichting is in 1995 opgericht met als doel  ’arme’ studenten van de Protestantse Theologische Universiteit in Cluj – afkomstig uit de Hongaarssprekende Református, Lutherse en Unitarische kerken in Transsylvanie – financieel te ondersteunen alsmede de bij- en nascholing van predikanten en het theologisch-wetenschappelijk onderzoek. In dat kader worden ook al jaren studieweken georganiseerd, samen met Nederlandse collega’s, die daarvoor slechts 250 euro, inclusief verblijf en maaltijden betalen, terwijl de Hongaarse collega’s een klein bedrag bijdragen. De stichting is genoemd naar professor István Juhász (1915-1984), een internationaal in hoog aanzien staand hoogleraar kerkgeschiedenis aan het toenmalige ‘Verenigd Protestants Theologisch Instituut met universitaire graad’ van Cluj/Kolozsvár en Sibiu/Hermannstadt. Ondanks de toenmalige immense onderdrukking van staatswege lukte het hem de ontwikkeling van de theologische hogeschool en van de studenten te bevorderen, mede door het onderhouden van internationale oecumenische contacten. Voor de Nederlandse studenten die vanaf 1968 gedurende twee jaar in Cluj aan het instituut verbleven was hij een onmisbare vraagbaak en vertrouwensfiguur. Bijdragen aan de stichting zijn van harte welkom op NL95 RABO 0302707700 t.n.v.de stichting te Zwolle. De stichting heeft een ANBI-erkenning. Zie verder: www.juhasz-stichting.nl

Vrijdag 9 juni

Ries Nieuwkoop, bestuurslid van de Juhász Stichting en motor achter de studieweken en nog veel meer, haalt me op bij het hotel voor een dagje besprekingen en ontmoetingen in de stad. Onder andere bij Exit, de uitgeverij van Hongaarstalige theologische en culturele boeken. Ook drukken zij werken voor andere uitgeverijen. Ze hebben onderdak gevonden in het 18e eeuwse pand dat veertig jaar geleden het onderkomen vormde van de deken en het dekenaat van Hongaars Hervormd Cluj, zeg maar de kerkelijke ‘baas’ van een regionaal onderdeel van het bisdom. De Hongaarse kerken kennen vanouds bisdommen en dus bisschoppen, weliswaar gekozen door een synode, maar met een behoorlijke bestuurlijke macht. Transsylvanië telt twee bisdommen, globaal een Noord- en een Zuidbisdom, met zetels in resp. Oradea en Cluj. Bij Exit worden ook Nederlandse werken uitgegeven, vertaald in het Hongaars door diverse predikanten die langere tijd in Nederland studeerden en onze taal machtig zijn geworden. na de omwenteling kwam er een behoorlijke stroom op gang van jonge predikanten die hetzij in Utrecht hetzij in Kampen terecht kwamen. De Juhász Stichting  stimuleert en financiert de bovengenoemde uitgaven, die dan vaak ook weer de basis vormen van de studieweken. Hongaarse predikanten kunnen de uitgaven voor een luttel bedragje aanschaffen. Zo zijn o.a. boeken van Karel Deurloo op de (Roemeens) Hongaarse markt verschenen.  In hetzelfde pand is ook een ontwerpbureau gevestigd. Zij hebben naast de ontwerpen voor de boeken van Exit ook een geheel eigen markt gecreëerd van posters, folders, boekillustraties etc. Drijvende kracht is een man die zelf als cartoonist steeds meer bekendheid geniet.

ZWINGLI EN EEN ORANJE OP DE HUNSRÜCK

Terwijl ik de eerste slok van de bestelde koffie neem, gaat in het huis tegenover het terras waar ik zit knarsend een raam open in de bovenste verdieping. Er verschijnt het gerimpelde hoofd van een dame die haar hoge leeftijd nog wil verbloemen door haar haar te zwarten en haar lippen zwaar rood te stiften. Spiedend kijkt ze rond. Als ze haar hals zou rekken naar rechts zou ze nog net de achterkant van de imposante slotkerk van het schilderachtige stadje waar ze woont kunnen zien. Misschien is ze er wel gedoopt, misschien komt ze er nog wekelijks.  Ik kom er net vandaan.  

Meisenheim, dat is het stadje , waarin de hoger gelegen slotkerk domineert. Meisenheim am Glan, waarvan het water , bruin van het meegevoerde zand van de heuvels, na de hevige regenval, hoog tegen de kaden klotst. Meisenheim in de Hunsrück, waar die schitterende serie van Edgar Reitz, Heimat, zich afspeelt en ook opgenomen is. Voor de regisseur refereert de titel niet alleen naar zijn eigen geboortegrond, maar staat het voor een andere wereld, waarin we ons als mensen ‘thuis’ voelen en weten, waarnaar we verlangen. Het staat voor ‘ deze wereld Anders’, naar wat de Bijbel het Koninkrijk Gods noemt.  En zijn kerken niet de plekken, waar dat zondag aan zondag verkondigd mag en moet worden?  En is dat ook niet eeuwen gebeurd, tot de dag van vandaag, in alle toonaarden, met alle misslagen, zoekend en tastend, gebrekkig en gebroken in die laatgotische slotkerk, waarvan de bouw begon in 1479 en in 1504 voleindigd werd?

Om het plateau waarop de kerk ligt loopt de Glan, die al in de 10e eeuw rond een voorganger van de kerk stroomde en rond het er naast gelegen kasteel van de Graven zu Veldenz, die er tot halverwege de 15e eeuw resideerden, waarna tot eind 18e eeuw de Hertogen van Pfalz-Zweibrücken er de scepter zwaaiden. Zij gebruikten het slot achtereenvolgens als residentie, nevenresidentie en als weduwenverblijf. Het slot ligt nog immer naast de kerk in de vorm , zoals de dochter van de Engelse koning Georg III, gehuwd met de landgraaf van Hessen-Homburg, dan eigenaar van Meisenheim, het in de 19e eeuw tot zomerresidentie liet ombouwen. Tegen het plateau van kerk en burcht is het stadje opgebouwd, met nog talrijke stokoude huizen, diversen van voornaam niveau, in soms prachtige kleuren en in het fameuze vakwerk, een adequate term, want dat is het ook als het de eeuwen trotseert.  Aan de oever van de Glan werd al gewoond in de keltische en romeinse tijd. Dat geldt voor de hele Hunsrück, een laaggebergte met weidse uitzichten, begrensd door de Rijn in het oosten, de Moezel in het noorden, de Nahe in het zuiden en de Saar in het westen. Een vulkanisch gebied, waar edelstenen werden gewonnen en tot 1950 vooral leisteen. Waar – vaak steil omhoog – ettelijke wijngaarden bloeien en o.a. de Spätburgunder leveren. Waardoorheen van Saarburg tot Koblenz de Hunsrückhöhenstrasse loopt en van Trier tot Bingen (Hildegard!) de zogeheten Via Ausonius, een Romeinse heerweg, liep.

De torenklokken slaan luid het elfde uur over het dromerige stadje, terwijl twee inwoonsters elkaar ontmoeten, de een op de fiets, de ander te voet. Ze voeren gesprek in gebarentaal.

 In 1523 wordt in de slotkerk de RK liturgie vervangen door de Lutherse.  Een vroege overgang. Dat heeft alles te maken met  het gebied waartoe Meisenheim politiek behoort, de Pfalz.  In die tijd was Heidelberg daarvan de hoofdstad, waar de keurvorst zetelt in een machtig en voor die tijd modern kasteel. In 1518 bezocht Luther de stad al om zijn 95 stellingen te verdedigen. Hij ontmoet er studenten die zelf bekende hervormers werden, zoals Martin Bucer. De toenmalige keurvorst Lodewijk V bleef zelf weliswaar katholiek, maar legde de reformatie geen strobreed in de weg, ook niet na de Rijksdag van Worms, waar Luther in de ban werd gedaan. Zodoende kon het lutheranisme zich gestaag verbreiden onder de bevolking.  Dat tolerante beleid wordt nog actiever voortgezet onder Lodewijks opvolger Frederik II die zelf zich in 1545 bekeert tot de nieuwe leer. Na zijn dood in 1556 wordt hij als keurvorst opgevolgd door zijn neef Otto Hendrik, die drie jaar later  al ook zijn laatste adem uitblaast  en in zijn plaats bestijgt de keurvorstelijke troon de man aan wie we de Heidelberger Cathechismus te danken hebben. In de discussie tussen lutheranen en calvinisten kiest hij partij voor laatstgenoemden.  Zijn tweede echtgenote is een Nederlandse, Amalia van Nieuwenaar-Alpen, eerder gehuwd met Hendrik van Brederode, een van de edelen die in 1566 het beroemde Smeekschrift aanbood aan Margaretha van Parma.

Terwijl ik deze kennis opduikel uit verworven materiaal, is mijn kop koffie leeg en heeft het kleurrijke oudje zich weer teruggetrokken in haar bovenwoning. Ik bestel nog een koffie en bekijk de foto’s die ik in de slotkerk heb gemaakt. Het is een hallenkerk met drie schepen en een machtige, rijk versierde toren, breed van onderen en in geledingen taps de hoogte in stuwend. Stervormige ribgewelven, een rococo-kansel en een Stumm-orgel uit de 18e eeuw. Ruim en intiem tegelijk voel je er direct thuis. In de kerk liggen diverse hertogelijke en grafelijke vorsten begraven. Uitgebreide stambomen zijn op een plaquette te lezen. Zorgvuldig lezend ontdek ik dat er een Oranje tussen zit! En wel een dochter van Willem van Oranje, uit zijn huwelijk met Charlotte de Bourbon. Ze staat als Amalia van Nassau vermeld,  maar googelend vis ik uit dat ze officieel Emilia heet, met als toevoeging Secunda (de Tweede) Antwerpiana, ter onderscheid van haar oudere halfzuster met dezelfde naam en omdat ze in Antwerpen geboren werd, 9 december 1581. Ze wordt opgevoed door de vierde echtgenote van Willem de Zwijger, Louise de Coligny en trekt met haar oudere zuster Luise Juliana mee naar Heidelberg , nadat deze gehuwd was met keurvorst Frederik IV. Daar ontmoet ze Friedrich Kasimir, paltsgraaf van Zweibrücken-Landsberg, die ze op 4 juli 1616 haar ja-woord geeft. Deze paltsgravenfamilie was een aftakking van de hertogen van Pfalz-Zweibrücken, op hun beurt weer een zijtak van het beroemde Beierse Huis Wittelsbach.  Of overigens Emilia Secunda in de kerk begraven ligt is me niet helemaal duidelijk.  Zij stierf op 28 september 1657 op al heel lang tot een ruïne vervallen slot Landsberg.

 

Bij het verlaten van de kerk valt me een grote langwerpige bronzen plaquette op met de beeltenis van Ulrich Zwingli. Eronder een tekst die door duisternis in het portaal moeilijk te lezen is. Gewend aan het schaarse licht verneem ik dat van 21 tot 23 september 1529 de Zwitserse kerkhervormer (1484-1531) op het slot verbleef. Vandaar reisde hij af naar Marburg voor een gesprek met Maarten Luther en nog acht andere hervormers.  Op 3 oktober 1529 ondertekenden de tien gespreksdeelnemers de Marburger Artikel “welche den Auspunkt für Beratungen bildeten die zur gemeinsamen evangelischen Bekenntnisgrundlage führten mit dem Ziel die Einheit der Christen zu verkündigen”.

Het staat er mooi en hoopvol geformuleerd, op deze plaquette, aangebracht tijdens het Reformatiefeest van 1979. Het was landgraaf Philip van Hessen die de twee kerkhervormers bij elkaar bracht om vooral hun diepgaand meningsverschil aangaande de betekenis van het Avondmaal bij te leggen. Luther komt met 15 artikelen, waarvan de laatste die over het gewraakte leerstuk. En dat formuleert nu juist dat ze het eens zijn dat ze het oneens zijn hierover. Alle veertien andere artikelen geven geen problemen. Ofschoon die ook  na het uiteengaan van de tien deelnemers verschillend worden geïnterpreteerd. Philips hoop op eenheid, ook als grondslag voor een politiek bondgenootschap, slaat de bodem in; de artikelen krijgen nooit officiële geldigheid. Het blijft hangen in hoop, tot de dag van vandaag.

Meer dan hoopvol is de inzet van de huidige ‘Evangelische’ kerkgemeenschap voor de vooral in Duitsland toegestroomde vluchtelingen. Merkels adagium – wir schaffen das – wordt serieus genomen. De hele week door organiseert de kerk bijeenkomsten voor vluchtelingen, voor mannen en vrouwen gezamenlijk en apart, voor kinderen en jongeren. Er zijn taal- en inburgeringscursussen, er is sociale hulp, er worden maaltijden georganiseerd en alles wordt gecommuniceerd in het Duits en het Arabisch.

Meisenheim, rijk aan verleden, maar ook rijk aan inzet en oog en oor voor noden in het heden.

 

Zwingli en een Oranje op de Hunsrück

Terwijl ik de eerste slok van de bestelde koffie neem, gaat in het huis tegenover het terras waar ik zit knarsend een raam open in de bovenste verdieping. Er verschijnt het gerimpelde hoofd van een dame die haar hoge leeftijd nog wil verbloemen door haar haar te zwarten en haar lippen zwaar rood te stiften. Spiedend kijkt ze rond. Als ze haar hals zou rekken naar rechts zou ze nog net de achterkant van de imposante slotkerk van het schilderachtige stadje waar ze woont kunnen zien. Misschien is ze er wel gedoopt, misschien komt ze er nog wekelijks.  Ik kom er net vandaan.  

DSC07579

Meisenheim, dat is het stadje , waarin de hoger gelegen slotkerk domineert. Meisenheim am Glan, waarvan het water , bruin van het meegevoerde zand van de heuvels, na de hevige regenval, hoog tegen de kaden klotst. Meisenheim in de Hunsrück, waar die schitterende serie van Edgar Reitz, Heimat, zich afspeelt en ook opgenomen is. Voor de regisseur refereert de titel niet alleen naar zijn eigen geboortegrond, maar staat het voor een andere wereld, waarin we ons als mensen ‘thuis’ voelen en weten, waarnaar we verlangen. Het staat voor ‘ deze wereld Anders’, naar wat de Bijbel het Koninkrijk Gods noemt.  En zijn kerken niet de plekken, waar dat zondag aan zondag verkondigt mag en moet worden?  En is dat ook niet eeuwen gebeurd, tot de dag van vandaag, in alle toonaarden, met alle misslagen, zoekend en tastend, gebrekkig en gebroken in die laatgotische slotkerk, waarvan de bouw begon in 1479 en in 1504 voleindigd werd?

Om het plateau waarop de kerk ligt loopt de Glan, die al in de 10e eeuw rond een voorganger van de kerk stroomde en rond het er naast gelegen kasteel van de Graven zu Veldenz, die er tot halverwege de 15e eeuw resideerden, waarna tot eind 18e eeuw de Hertogen van Pfalz-Zweibrücken er de scepter zwaaiden. Zij gebruikten het slot achtereenvolgens als residentie, nevenresidentie en als weduwenverblijf. Het slot ligt nog immer naast de kerk in de vorm , zoals de dochter van de Engelse koning Georg III, gehuwd met de landgraaf van Hessen-Homburg, dan eigenaar van Meisenheim, het in de 19e eeuw tot zomerresidentie liet ombouwen. Tegen het plateau van kerk en burcht is het stadje opgebouwd, met nog talrijke stokoude huizen, diversen van voornaam niveau, in soms prachtige kleuren en in het fameuze vakwerk, een adequate term, want dat is het ook als het de eeuwen trotseert.  Aan de oever van de Glan werd al gewoond in de keltische en romeinse tijd. Dat geldt voor de hele Hunsrück, een laaggebergte met weidse uitzichten, begrensd door de Rijn in het oosten, de Moezel in het noorden, de Nahe in het zuiden en de Saar in het westen. Een vulkanisch gebied, waar edelstenen werden gewonnen en tot 1950 vooral leisteen. Waar – vaak steil omhoog – ettelijke wijngaarden bloeien en o.a. de Spätburgunder leveren. Waardoorheen van Saarburg tot Koblenz de Hunsrückhöhenstrasse loopt en van Trier tot Bingen (Hildegard!) de zogeheten Via Ausonius, een Romeinse heerweg, liep.

DSC07577

De torenklokken slaan luid het elfde uur over het dromerige stadje, terwijl tegenover me twee inwoonsters elkaar ontmoeten, de een op de fiets, de ander te voet. Ze voeren gesprek in gebarentaal.

In 1523 wordt in de slotkerk de RK liturgie vervangen door de Lutherse.  Een vroege overgang. Dat heeft alles te maken met  het gebied waartoe Meisenheim politiek behoort, de Pfalz.  In die tijd was Heidelberg daarvan de hoofdstad, waar de keurvorst zetelt in een machtig en voor die tijd modern kasteel. In 1518 bezocht Luther de stad al om zijn 95 stellingen te verdedigen. Hij ontmoet er studenten die zelf bekende hervormers werden, zoals Martin Bucer. De toenmalige keurvorst Lodewijk V bleef zelf weliswaar katholiek, maar legde de reformatie geen strobreed in de weg, ook niet na de Rijksdag van Worms, waar Luther in de ban werd gedaan. Zodoende kon het lutheranisme zich gestaag verbreiden onder de bevolking.  Dat tolerante beleid wordt nog actiever voortgezet onder Lodewijks opvolger Frederik II die zelf zich in 1545 bekeert tot de nieuwe leer. Na zijn dood in 1556 wordt hij als keurvorst opgevolgd door zijn neef Otto Hendrik, die drie jaar later  al ook zijn laatste adem uitblaast  en in zijn plaats bestijgt de keurvorstelijke troon de man aan wie we de Heidelberger Cathechismus te danken hebben. In de discussie tussen lutheranen en calvinisten kiest hij partij voor laatstgenoemden.  Zijn tweede echtgenote is een Nederlandse, Amalia van Nieuwenaar-Alpen, eerder gehuwd met Hendrik van Brederode, een van de edelen die in 1566 het beroemde Smeekschrift aanbood aan Margaretha van Parma.

Terwijl ik deze kennis opduikel uit verworven materiaal, is mijn kop koffie leeg en heeft het kleurrijke oudje zich weer teruggetrokken in haar bovenwoning. Ik bestel nog een koffie en bekijk de foto’s die ik in de slotkerk heb gemaakt. Het is een hallenkerk met drie schepen en een machtige, rijk versierde toren, breed van onderen en in geledingen taps de hoogte in stuwend. Stervormige ribgewelven, een rococo-kansel en een Stumm-orgel uit de 18e eeuw. Ruim en intiem tegelijk voel je er direct thuis. In de kerk liggen diverse hertogelijke en grafelijke vorsten begraven. Uitgebreide stambomen zijn op een plaquette te lezen. Zorgvuldig lezend ontdek ik dat er een Oranje tussen zit! En wel een dochter van Willem van Oranje, uit zijn huwelijk met Charlotte de Bourbon. Ze staat als Amalia van Nassau vermeld,  maar googelend vis ik uit dat ze officieel Emilia heet, met als toevoeging Secunda (de Tweede) Antwerpiana, ter onderscheid van haar oudere halfzuster met dezelfde naam en omdat ze in Antwerpen geboren werd, 9 december 1581. Ze wordt opgevoed door de vierde echtgenote van Willem de Zwijger, Louise de Coligny en trekt met haar oudere zuster Luise Juliana mee naar Heidelberg , nadat deze gehuwd was met keurvorst Frederik IV. Daar ontmoet ze Friedrich Kasimir, paltsgraaf van Zweibrücken-Landsberg, die ze op 4 juli 1616 haar ja-woord geeft. Deze paltsgravenfamilie was een aftakking van de hertogen van Pfalz-Zweibrücken, op hun beurt weer een zijtak van het beroemde Beierse Huis Wittelsbach.  Of overigens Emilia Secunda in de kerk begraven ligt is me niet helemaal duidelijk.  Zij stierf op 28 september 1657 op al heel lang tot een ruïne vervallen slot Landsberg.

DSC07567

Bij het verlaten van de kerk valt me een grote langwerpige bronzen plaquette op met de beeltenis van Ulrich Zwingli. Eronder een tekst die door duisternis in het portaal moeilijk te lezen is. Gewend aan het schaarse licht verneem ik dat van 21 tot 23 september 1529 de Zwitserse kerkhervormer (1484-1531) op het slot verbleef. Vandaar reisde hij af naar Marburg voor een gesprek met Maarten Luther en nog acht andere hervormers.  Op 3 oktober 1529 ondertekenden de tien gespreksdeelnemers de Marburger Artikel “welche den Auspunkt für Beratungen bildeten die zur gemeinsamen evangelischen Bekenntnisgrundlage führten mit dem Ziel die Einheit der Christen zu verkündigen”.

DSC07573

Het staat er mooi en hoopvol geformuleerd, op deze plaquette, aangebracht tijdens het Reformatiefeest van 1979. Het was landgraaf Philip van Hessen die de twee kerkhervormers bij elkaar bracht om vooral hun diepgaand meningsverschil aangaande de betekenis van het Avondmaal bij te leggen. Luther komt met 15 artikelen, waarvan de laatste die over het gewraakte leerstuk. En dat formuleert nu juist dat ze het eens zijn dat ze het oneens zijn hierover. Alle veertien andere artikelen geven geen problemen. Ofschoon die ook  na het uiteengaan van de tien deelnemers verschillend worden geïnterpreteerd. Philips hoop op eenheid, ook als grondslag voor een politiek bondgenootschap, slaat de bodem in; de artikelen krijgen nooit officiële geldigheid. Het blijft hangen in hoop, tot de dag van vandaag.

Meer dan hoopvol is de inzet van de huidige ‘Evangelische’ kerkgemeenschap voor de vooral in Duitsland toegestroomde vluchtelingen. Merkels adagium – wir schaffen das – wordt serieus genomen. De hele week door organiseert de kerk bijeenkomsten voor vluchtelingen, voor mannen en vrouwen gezamenlijk en apart, voor kinderen en jongeren. Er zijn taal- en inburgeringscursussen, er is sociale hulp, er worden maaltijden georganiseerd en alles wordt gecommuniceerd in het Duits en het Arabisch.

Meisenheim, rijk aan verleden, maar ook rijk aan inzet en oog en oor voor noden in het heden.

Schelde

Een aantal jaren geleden begonnen we met een vast vriendengroepje aan de GR5a, de Ronde van Vlaanderen voor de benenwagen. Te beginnen aan de linkeroever van de Schelde in Antwerpen, slingerend langs de grens met Zeeuws Vlaanderen, door Brugge, langs de kust naar De Panne, langs de grens met Frankrijk, door de Vlaamse Ardennen, via Geraardsbergen noordwaarts naar Aalst, van Aalst naar Dendermonde. Afgelopen week vertrokken we van Dendermonde, op de Grote Markt. Aanvankelijk viel er gure natte sneeuw, maar toen we eenmaal op pad waren werd het droog, wandelden we langs de Schelde (In Dendermonde komt de Dender in haar uit, vandaar de naam) naar Vlassenbroek, een schilderachtig dorp in een nat gebied, waar eind 19e en begin 20e eeuw veel kunstenaars naar toetrokken. Het dorp kent een bijna 150 jaar oude herberg en de fraaie St.Gertrudiskerk tegen de Scheldedijk.

220px-Vlassenbroek_-_Sint-Gertrudiskerk_1

 

De bewolking werd dunner, het was bladstil en de geur van lente drong zich al op toen we  Baasrode binnenwandelden aan de rand er van. Baasrode was vanouds een scheepsbouwersdorp en kent als herinnering daaraan een scheepvaartmuseum en het ligt aan de toeristische stoomspoorlijn Dendermonde-Puurs. In 1556 werd het dorp getekend door niemand minder dan Pieter Bruegel de Oude. Toen wij er liepen kwam een vrachtwagen uit Groot- Ammers levende paling afleveren bij een van de twee visgroothandels van het dorp.

250px-Baasrodebreughel

 

We bleven de loop van de hier sterk meanderende Schelde volgen om bij Kastel per voetveer naar de overkant te gaan. Een middelbare scholier stond al te wachten en vertelde dat de pont over vijf minuten zou vertrekken en inderdaad kwam om half vier de pontbaas met de fiets aangereden. De oversteek is gratis, een fooi kan in een bakje gedaan worden. Informatieborden geven aan dat de bever is teruggekeerd in de Schelde. Tegen het eind van de middag bereikten we de Kasteellaan, aan de rand van Moerzeke, een dorp met een mooi plein, aardige horeca en de classicistische Sint-Martinuskerk uit 1768, met ervoor een buste van de in 1999 zalig verklaarde Priester Poppe. Hij stierf al op 33-jarige leeftijd, was in Moerzeke rector van het klooster, stichtte een klooster in Leopoldsburg en richtte zich op armen en jongeren.

Moerzeke_-_Sint-Martinuskerk_2

 

De eerste dag zat er op, 12 km gewandeld en op naar St.Niklaas, geboorteplaats van oud-Ajaxspeler Jan Vertonghen, waar we onderdak hadden in het Ibishotel in het centrum. Een trappist, wat wijn, goed gegeten en daarna een heerlijke nachtrust.

De volgende dag was het weer nog beter, met luiken tussen de wolken, waardoor de zon over ons heen kon vallen. Alvorens op pad te gaan eerst nog een koffie aan het plein in Moerzeke. Door lieflijk afwisselend landelijk gebied weer op de Schelde af die steeds breder begint te kronkelen tot aan een voet-en fietsveer tegenover Mariekerke. We hebben nog een half uur voor de overtocht. Maar de vriendelijke buikronde veerbaas nodigt ons uit om al vast plaats te nemen. We nuttigen de in het hotel gesmeerde en belegde broodjes. Ondertussen vertelt de schipper veel wetenswaardigs over streek en stroom. Zo is bij St.Amands, een dorp stroomopwaarts, dat we in de verte zien liggen, onderzoek gedaan naar de visstand in de Schelde en daaruit is gebleken dat wel 34 soorten vis het vroeger sterk vervuilde water hebben gevonden. Nog weer vroeger werd er volop paling gevangen. Daaraan herinnert in Mariekerke nog steeds het jaarlijkse palingfestival met Pinksteren. En eind juni is er het Vis- en Folklore festival. Voor vanavond hebben we wel zin in gebakken paling en de veerbaas gaat voor ons per mobiel informeren waar in St.Niklaas we dat uitstekend kunnen eten. Hij vertelt ook dat paling in ‘t groen traditioneel koud gegeten dient te worden en dat dat groen geen dille is, maar het zgn. palingkruid, dat eenmaal in je tuin  razendsnel gaat woekeren. Klokslag 13.00.u varen we over, wederom gratis en meren aan in het genoemde dorp en zijn we beland in de provincie Antwerpen. Een mooie kerk tegen de dijk, een lief dorp, dat vijfjaarlijks het passiespel ‘Christus aan de Schelde’ kent, laatste editie vorig jaar. 300px-Mariekerke

We lopen weer langs de Schelde door oud stuifzandgebied, vroeger bezaaid met zgn. aspergebermen, naar het gehucht Branst. Onder de bewoners waart de mythe rond van ‘de vliegende geit’. Na de oorlog dachten de Branstenaren dat er een geit in de schorren zat. ‘Van wie was die geit?’ was de hamvraag in ellenlange discussies. Toen ze een kijkje gingen nemen vloog de geit weg. Het bleek om een watersnip te gaan, wiens gekwetter vaak lijkt op het gemekker van een geit. Zo werd de mythe geboren. We lopen achter het gehucht langs over een zeer modderig pad van zeker 1 1/2 kilometer en wandelen dan in een grote bocht langs een dode arm van de Schelde, waaraan talloze huisjes voor hengelaars staan, privé-terreintjes en dus gemarkeerd met even zo vele bordjes ‘verboden toegang’. Dan doemt links door de bomen het kasteel van Bornem op. Officieel Kasteel Marnix de Sainte-Aldegonde geheten. Het is een 19e eeuws neo-renaissance bouwwerk op de fundamenten van een burcht uit de 10e of 11e eeuw. In de oude burcht woonde ooit de veronderstelde dichter van het Wilhelmus Filips van Marnix van Sint-Aldegonde. We geraken tot aan de oprijlaan, waar een bord nodigt tot bezichtiging op afspraak tijdens vier zondagen in augustus en september. De oprijlaan verlengt zich tot de rand van Bornem, waar direct het ziekenhuis staat. We laten het dorp liggen en wandelen langs de de dode zijarm van de Schelde tot de brug over de Schelde zelf die naar Temse voert.

266px-Kasteel_Marnix_de_Sainte-Aldegonde7

Deze brug is de langste van België (365 meter) en Temse telt bijna 30.000 inwoners. Het is al een heel oude plaats. In het Oud-germaans is een ‘tem’ een doorwaadbaar water en ‘se’ een plaats/vestiging. Vergelijkbaar met de Engelse rivier Thames. In de 18e eeuw stond Temse bekend om zijn vele azijnbrouwerijen en de spotnaam voor de inwoners is dan ook ‘azijnzekers’ (zeikers). Wij gaan Temse niet in, maar lopen een stukje langs de kaai, onder de brug door en vervolgen de tocht over de Scheldedijk, langs een waterzuiveringsinstallatie tot waar de auto staat op een tegen de dijk lopend weggetje door een bos, naast een visvijver.

250px-Temse_kaai

Terug naar het basiskamp in St. Niklaas- met een reusachtig St. Niklaas-standbeeld voor het stadhuis – en eten in het door de veerbaas aanbevolen Park en Laan. Inderdaad verrukkelijke gebakken paling en ook paardenbiefstuk. 

Gisteren wandelden we 18 km, de laatste dag nog 10. Het is stralend weer. Over de dijk naar Steendorp, met een steenbakkerij en een drooggevallen haventje, waar kleine bootjes aan het slib gekleefd rusten. De Schelde is tot ver in het land een getijrivier, met vijf uur vloed en zeven uur eb. In een groot restaurant met schitterend uitzicht op de rivier doen we ons tegoed aan heerlijk warme appeltaart, met vers fruit en slagroom en prima koffie. Op de kaart zien we o.a. schorseneren en gebakken hondshaai staan. Steendorp gaat al snel over in Rupelmonde. de naam zegt het al: het ligt aan de Schelde, maar bij de monding van de rivier de Rupel. Een prachtig plaatsje, met de Graventoren, een restant van een kasteel; de grootste getijdenmolen van Europa en oudste van België, de 18e eeuwse grote Onze-Lieve-Vrouwenkerk met ervoor het standbeeld van Gerardus Mercator, de beroemde cartograaf, die in Rupelmonde geboren werd als Gerard de Kremer. (Hij speelt een hoofdrol in het Suske & Wiske album ‘De mollige melis’, dat zich afspeelt in het 16e eeuwse Rupelmonde). 

220px-Gerardus_Mercator_statue

In de uitloop van het dorp bevindt zich een ‘snoepwinkel’ voor elke hengelliefhebber. Vriend R. is er zo een en dus maakt hij dankbaar gebruik van dit eldorado, terwijl wij heerlijk rusten op buiten uitgestalde visfauteuils. Verder weer, door een villabuurt, over een 1 kilometer lange laan achter voorname huizen en langs een bos. Talrijke wilde eenden in de vaart, die elkaar het hof beginnen te maken. We komen aan bij kasteel Wissekerke, met grote vijver vol knobbelzwanen en Canadese ganzen. Het kasteel met een rijke geschiedenis, waarschijnlijk op de plek van een waterburcht uit de 9e eeuw, ligt aan de rand van Bazel, uitgeroepen tot een van de mooiste dorpen van Vlaanderen. En het is prachtig, met de kleine oude kern rond de St.Pieter. Een plek om terug te keren. En dat doen we ook, want vanuit dit idyllische dorp zullen we vertrekken  voor de laatste 15 km van onze Ronde, dit voorjaar nog. En dan hebben we 560 km met de benenwagen afgelegd.

Bazel 13

 

 

Cordoba -slot

Voor een spotprijs van 59 euro, inclusief ontbijt, logeerden we in een zeer fraai hotel, recht tegenover een van de ingangen naar de hof van de Mesquita. Uitstekende kamers, met heerlijk bed en goed geoutilleerde badkamer en een uitgebreid ontbijtbuffet. Auto in eigen parkeergarage. De ochtend gescheiden doorgebracht. Heb zelf door de stad gewandeld, een niet al te opwindend museum voor schone kunsten bezocht, een krant gekocht en met een koffie er bij gelezen op het plein dat een kleinere kopie is van het Plaza Mayor in Madrid. Om twaalf uur de motor gestart en richting vliegveld van Malaga gereden. Onderweg nog een stop voor een extra noodzakelijke koffie. Dichter bij de kust breekt het wolkendek open. We laten het vliegveld nog even liggen en rijden naar Torremolinos. Ooit was ik er een winter gastheer namens de OAD. Het is er stralend en warm voorjaarsweer. Op een terras aan het strand nog eens me tegoed gedaan aan boquerones en friet. Ik ben dol op die gefrituurde ansjovisjes. Heerlijk zo nog een paar uur in de zon en toen toch echt naar het vliegveld. Auto volgetankt en afgeleverd bij Herz, die na niet al te grondige inspectie, het huurpapier aftekende. Daar hadden we wel wat zenuwen over, omdat tijdens de vakantie een kras getrokken was over de hele zij kant. waarschijnlijk door een schoolkind, met een muntje. Er doen ook een aantal wilde verhalen de ronde, dat mensen dat doen in opdracht van het verhuurbedrijf om zo het eigen risicogeld te kunnen opstrijken. Ik blijf het een wildwestverhaal vinden, maar zo’n kras is wel vervelend. Maar zoals gezegd, het werd niet op gemerkt of niet als belangrijk gezien. We waren ruim op tijd op het vliegveld. Eindelijk inchecken, waarbij wij geheel achterin kwamen te zitten, waar de zitruimte op z’n smalst is. Een vrolijke kapitein van een bulkschip kwam voor ons zitten, een jongen uit Goes, met wie ik direct een goed contact had. Wellicht kan ik deze zomer als passagier gratis meevaren naar Noorwegen, Zweden. Het eerste half uur van de vlucht verliep zeer turbulent. We werden als in botsauto’s op de kermis heen en weer geschud. De stewardessen moesten hun  ronde met drank en spijzen staken. De gezagvoerder stelde ons gerust: na Madrid zou het rustig worden en zo geschiedde. De landing op Rotterdam verliep geruisloos. Een heerlijk vliegveld om van te vertrekken en op te landen. Nooit lang wachten op de bagage. Vriend W. en de 41 jarige zeekapitein heb ik afgezet bij metrostation Blijdorp, waar de zeekapitein de metro nam naar een vriend in Spijkenisse en waar vriend W. in de buurt woont. Er was geen neerslag, de wegen waren niet bevroren en dus kon ik vlot doorstomen naar Ossendrecht. Om half een in de nacht opende ik m’n voordeur, waar achter een berg post en vooral kranten wachten. Met een glas port en wat krentenbrood, dat nog goed bewaard was gebleven de aflevering Andere Tijden Sport over Ria Stalman gekeken en toen naar bed.

Cordoba

Vanochtend op tijd op. Inpakken, ontbijten, kuisen waar nodig en weg wezen. Onze boodschap aan Maria: dank voor goede zorgen en wat wij niet meer konden verorberen, zoals kaas, seranoham, fruit, koffie, olijfolie. We kunnen het haar persoonlijk overhandigen. Een gesprek op de valreep c. q. drempel, zoals ook zo vaak in het pastoraat. Tien jaar geleden hebben haar man en zij dit huis gebouwd en laten bouwen. En in een dorp verderop een weekendhuis. Haar man heeft in Perania een meubelzaak, die jaren goed gelopen heeft, maar nu in het geheel niet. Maria werkt in een andere winkel. Het is stralend weer als we de tocht van 165 km naar Cordoba aanvaarden. Onderweg tanken van benzine en koffie. Dichterbij Cordoba betrekt de lucht, in de stad een grijze lucht, die het koud maakt. In de zomer is het de heetste stad van heel Spanje, bijkans 40 graden. Nu misstaan trui, jas en sjaal niet. We hebben een viersterren hotel geboekt, direct tegenover de Mesquita, de kerk ingebouwd in een moskee, de culturele, architectonische trekpleister van de stad. Door een reusachtige korting betalen we slechts 50 euro per nacht, exclusief ontbijt, dat wel. Maar het is een voornaam ingericht hotel, met luxe kamers, een ruim 2 persoonsbed voor alleen dat grote lijf van me. We lunchen en daarna bezoek aan de Mesquita: zeer indrukwekkend, nooit zo iets bijzonders gezien, kerk in de een na grootste ( voormalige) moskee ter wereld. Al die roodkleurige bogen, die de immense ruimte als bij een schaakbord in symmetrische driedimensionale vlakken verdelen en voor intimiteit zorg dragen. In het hart de kerkruimte, met altaar, bisschopszetel, kansels, koor met koorbanken. Tegen alle muren kapellen voor ettelijke heiligen, die zich aaneen rijgen. Een grote hof binnen de buitenmuren van het complex met een aantal monumentale toegangspoorten. Afgepeigerd naar m’n kamer voor een middagdut, de lunch valt zwaar op maag en andere ingewanden. Om een uur of vijf een wandeling; vriend W. is op jacht naar broek en shirts. Zelf ga ik voor een tochtje door de oude stad in een moderne riksja, electronisch aangestuurd. EEn uiterst vriendelijke jongen van 21 vertelt gretig, enthousiast , in goed Engels, zich zelf aangeleerd en opgepikt van toeristen. Ik betaalde voor een half uur, maar hij heeft me een kwartier extra. Om zeven uur treffen we W. en ik elkaar in de lobby van het hotel en delen elkaars belevenissen. We genieten van tapas en wijn in een nabij gelegen heerlijk warme en vriendelijke bar.