Category Archives: Uncategorized

Eemnesserweg 32

De Eemnesserweg vormt het hart van wat in Huizen de Zuid heet, een buurt, gedeeltelijk  vóór WO II gebouwd. Die Eemnesserweg zal er als een karrenspoor al gelegen hebben, richting inderdaad Eemnes. Het waren eenvoudige doch degelijke woningen voor arbeiders, wat mijn grootvader ook was. Hij werkte bij de gasfabriek. Op Funda doen dit soort huizen nu zo’n drie ton. Grootvader Van der Poel werd voor de Eerste Wereldoorlog gemobiliseerd en zorgde er uiteindelijk zelf voor dat in het geval ons land betrokken zou raken, hij in elk geval niet naar het front hoefde. Bij het schoonmaken van zijn geweer ging de trekker over en ai, er zat nog een kogel in. Een armspier werd geraakt en opa kon met zijn linkerhand niet veel meer uitrichten  dan heel eenvoudige handelingen. Breien bijvoorbeeld. wat hij graag deed en hem de bijnaam van Cees de Breikous bezorgde. Daarnaast kon opa zich helemaal uitleven op kerkelijk erf. Hij was ouderling, zat in allerlei besturen, zoals van zondagsschool en mannenvereniging. Hij had dan geen krachtige linkerarm meer, zijn geestelijk gezag was groot. In het dorp zong het onder het kerkvolk rond dat als Cees van der Poel zegt dat je in de hemel komt, dan hoefde je daaraan niet te twijfelen. Het was daarom een verschrikking, een drama van Shakespeariaanse proportie toen opa als weduwnaar samen met zijn vrijgezelle broer opgepakt werd vanwege ontucht met minderjarige jongens. Opa belandde in de gevangenis en daarna in Wolfheze als tbr-patiënt. Dorp en kerk lieten hem vallen als een baksteen. Oma van der Poel heb ik niet gekend; zij overleed  toen ik nog heel jong was en wij net verhuisd waren van de Eemnesserweg naar het hart van ons dorp, in een huisje dat opa Vos had laten aanbouwen aan zijn boerderij tussen de Taanderstraat en de Melkweg. Zeker voor mijn vader was het verlaten van de Eemnesserweg een soortement uittocht uit Egypte. Later zouden wij als gezin nogmaals in de Zuid wonen. Weer tot groot verdriet van mijn vader die zodra hij genoeg geld kon lenen een huis kocht, een honderd meter van de boerderij, waar hij groot werd en decennia en nog langer de bakermat van de Vossen. In de Zuid werd de voetbalclub De Zuidvogels opgericht, al in 1928 als tegenhanger van de SV Huizen, de club van de zgn. Noorderbuurt, in feite het eigenlijke, oorspronkelijke Huizen. Huizen speelde en speelt in groen-geel, Zuidvogels in groen-rood. Ik ben altijd van de groen-gelen geweest en voel nog steeds de rivaliteit, die wellicht niet zo sterk is als die tussen IJsselmeervogels (de rooien) en Spakenburg (de blauwen), maar toch nog steeds bestaat. Op de site van de Zuidvogels lees ik dat het met 73 teams groter is dan Huizen- dat was in mijn jeugd echt anders – en dat ze een voormalig groot talent van Ajax hebben aangetrokken: Jerginho Sahawdesing. Jerginho is van de lichting Wesley Sneijder en John Heitinga en werd door toenmalig hoofd scouting van Ajax, Ton Pronk, gezien als het grootste talent na Cruijff. In die tijd maakten Rimco Haanstra en ik een docu voor VPRO’s kinderprogramma Potje Sport over de jeugdopleiding van Ajax en wij zagen met eigen ogen het verbazingwekkende technisch vermogen van dat iele joch, zijn spelinzicht, zijn  precieze trappen, zijn trucs. Met het groeien en de groeistuipen is het nooit verder gekomen dan top in de dop, in de knop. Nooit doorgebroken en dus beland in de amateurwereld, waarin hij zeker uitblinkt, nu dus bij Zuidvogels en helaas niet bij mijn cluppie.

img_1619  img_1628   Moeder en kind, oma en opa  V.D.Poel en tante Annie, Eemnesserweg 32

oude_team_foto_zuid   Eerste team van De Zuidvogels, twintiger jaren.

cid19355_542005_105958_1995872811_1999999112_sahadewsing_met_shirt_050405 Jerghinio ontvangt uit handen van toenmalig algemeen directeur Arie van Eijden het shirt waarmee zijn profcontract met Ajax wordt bezegeld en gesymboliseerd. Wat een talent, wat een nimmer ingeloste belofte!

Eigenlijk

Terwijl we onze kerk een geweldige avond hadden met Nelli Cooman, speelde Ajax in Noorwegen tegen Molde, een dorp zo groot als Volendam en zevende in de Noorse competitie. Vooraf werd gezegd dat we daar ‘eigenlijk’ van moeten winnen. Het werd dus 1-1.  Thuisgekomen zag ik de commentaren van Davy Klaassen en Frank de Boer. En dan valt ook weer het woord ‘eigenlijk’. Het is een veel gehoord woord rond wedstrijden van Ajax. Eigenlijk: daar zit het woord eigen in. En dat betekent dat het van jou is: eigen-dom, zie ook lijfeigene. Het je toe-eigenen. Eigenlijk is dan dat het zo is. maar de betekenis is verschoven naar dat het zo zou moeten zijn.  En dat is met Ajax al zoveel keren het geval, dat het me m’n neus uitkomt. Het zou zo moeten zijn, maar het is niet zo. Wanneer wordt ‘eigenlijk’ weer eens wat het oorspronkelijk betekent? 

BWV 21 – Ich hatte viel Bekümmernis

Een wonderschone cantate, waarvan de oorsprong enigszins in het duister ligt. Een niet te controleren overlevering zegt dat de cantate door Bach in de Liebfrauenkirche te Halle in de herfst van 1713 werd uitgevoerd als bewijs van zijn vakmanschap bij zijn sollicitatie als organist van genoemde kerk. De complexiteit van de cantate doet echter vermoeden dat enkele delen op zich zelf ontstaan zijn.Het kan zijn dat de delen 2, 6 en 9 uitgevoerd zijn in een rouwdienst voor een weduwe van een Weimarer notabel op 8 oktober 1713. De bewaard gebleven gedachtenispreek verwijst naar bijbelteksten, die ook in de cantate zijn verwerkt. Bach vond de cantate geschikt voor willekeurige gelegenheden, gezien zijn aantekening: ‘per ongein tempore’.  Dankzij een originele notitie van de meester zelf weten we in elk geval dat de cantate in Weimar op de 3e zondag na Trinitatis is uitgevoerd. Zeker is dat hij in Leipzig werd uitgevoerd op 13 juni 1723, de derde na zijn ambtsaanvaarding. En daarna nog en aantal keren. Daarbij had hij veranderingen aangebracht, zoals de toevoeging van trombones in deel 9. In tegenstelling tot de andere cantates uit Weimar worden talrijke Bijbelteksten verwerkt: deel 2: ps.94: 19; deel 6: ps. 42:12; deel 9: ps. 116:7 en deel 11: Openbaring 5: 12 en 13. Andere delen dragen het stempel van Bachs tekstdichter in Weimar, Salomon Franck. De evangelielezing van de zondag – gelijkenis van het verloren schaap en de verloren penning – speelt nauwelijks een rol, er wordt meer verwezen naar de epistellezing , 1 Petrus 5: 7-11, wat begint met de oproep alle zorgen op God te werpen, want Hij zorgt voor U (overigens een citaat uit ps.55). De cantate is in twee delen verdeeld en opent met een ‘sinfonia’, die stilistisch zeer verwant is aan die van BWV 12, die acht weken eerder werd uitgevoerd. Deze sinfonia drukt smart uit in een dialoog tussen hobo en eerste viool. Er onder hoor je de continuo onze levensweg uitdrukken in onderbrekingen, die stappen suggereren.

2. KOOR
»Ich hatte viel Bekümmernis
in meinem Herzen;
aber deine Tröstungen
erquicken meine Seele. «

De tekst is ontleend aan ps.94: 19. Het koor zet in met driemaal ‘Ich’, onderbroken door strijkers. Daarna volgt een fugatische deel op een thema dat Bach ontleend heeft aan Vivaldi’s Concert nr. 3 in d klein. In dat jaar maakte hij ook een orgeltranscriptie (BWV 596) op dat thema en het keert terug in zijn orgelfuga in G-groot (BWV 544).En aan het eind van 1714 gebruikt hij het thema nog eens twee maal: in cantate BWV 152 en het orgelwerk BWV 536a. Het tweede deel van de tekst  - de verkwikkingen van Gods troost – laat zich horen in een vrolijk ‘vivace’ , waarbij in een vrije polyfonie de stemmen paarsgewijs imiterend inzetten. Het openingskoor eindigt met een kort uitgesponnen ‘andante’. 

3. ARIA (S)
Seufzer, Tränen, Kummer, Not,
ängstlichs Sehnen, Furcht und Tod
nagen mein beklemmtes Herz,
ich empfinde Jammer, Schmerz.
Seufzer, Tränen, Kummer, Not!

In Weimar werd deze aria gezongen door de tenor, in Leipzig door de sopraan, die de gebruikelijke rol vervult van de individuele gelovige. Het is een klaaglied: zuchten, tranen, kommer en nood, angstig smachten, vrees en dood. de hobo steunt haar er in. lange pauzes onderstrepen het revoir lot. Het zuchten wordt gehoord in gebonden dalende secondes. Een aangrijpende aria.

4. RECITATIEF (T)
Wie hast du dich, mein Gott,
in meiner Not,
in meiner Furcht und Zagen
denn ganz von mir gewandt?
Ach! kennst du nicht dein Kind?
Ach! hörst du nicht das Klagen
von denen, die dir sind
mit Bund und Treu verwandt?
Du warest meine Lust
und bist mir grausam worden:
Ich suche dich an allen Orten;
ich ruf und schrei dir nach,
allein: mein Weh und Ach!
scheint itzt, als sei es dir ganz unbewußt.

Dit recitatief wordt ook in de Leipziger versie door de tenor gezongen, ofschoon ook hier de gekwelde gelovige aan het woord komt. De tenor heeft meestal de rol van boodschapper van de Bijbel. De klacht lijkt hier te worden geobjectiveerd,  het lijkt een Bijbelse psalm geworden en de tenor fungeert als psalmist. Hij wordt door strijkers begeleid. Zeven ‘verminderde septimeakkoorden ‘ komen langs en geven het een dissonante harmonie. Maar Gods ‘Bund und Treu’ krijgen een positieve klankkleur door de recht omhoog stijgende lijn van de eerste violen.

5. ARIA (T)
Bäche von gesalznen Zähren,
Fluten rauschen stets einher.
Sturm und Wellen mich versehren,
und dies trübsalsvolle Meer
will mir Geist und Leben schwächen,
Mast und Anker wollen brechen,
hier versink ich in den Grund,
dort seh in der Hölle Schlund.

In deze tenoraria worden de tranen beken. De derde regel met z’n ‘Sturm und Wellen’ worden verklankt in een inderdaad stormachtig intermezzo, waarin de eerste violen van boven naar beneden golven en de tweede  van beneden naar boven, in antwoord op elkaar. De altviolen en het continuo laten het stormen, terwijl de tenor zich nauwelijks staande kan houden. In de ene laatste regel hoor je de tenor in de grond zakken: over meer dan een octaaf daalt hij naar een lage C. In de laatste regel is de muil van de hel verklankt in zo’n dissonant verminderd septiemakkoord.

6. KOOR
»Was betrübst du dich, meine Seele,
und bist so unruhig in mir?
Harre auf Gott!
Denn ich werde ihm noch danken,
daß er meines Angesichtes
Hülfe und mein Gott ist.«

Dit slotstuk van het deel vóór de preek contrasteert met het openingskoor. Er wordt hoop uitgedrukt. de tekst is ontleed aan ps.42: 6 en de muzikale stijl is die van een motet, waarbij elke regel z’n eigen melodie krijgt. De eerste drie regels klinken homofoon en het eindigt met een fuga. Het koor begint a capella. De tweede regel krijgt een hoger tempo naar de aanwijzing ‘spirituoso’. Het heeft een canonstructuur, waarbij al snel de instrumenten de vocalisten verdubbelen. Het ‘Harre af Gott’ wordt onderstreept door lange noten, de regel er na wordt stevig neergezet. Van 3/4 wordt overgegaan naar 4/4 maat en dan gaat op ‘dass er meines Angesichtes’ een zeer systematisch geordende fuga van start: elke twee maten een thema inzet, elke stem zingt het zelfde thema en de tegenthema’s die er op volgen als contrapunten. Deze zgn. permutatiefuga opent vocaal en wordt gevolgd door door de hobo, viool 1, viool 2 en altviool in een zelfde vorm, dan komt de continuobus, waarbij de vocale bas zich aansluit en dan laten zangers en instrumenten zich samen horen, bekroond door de hobo. De laatste woorden ‘ und mei Gott ist’ wordt verklankt in brede akkoorden.

7. RECITATIEF (S, B)
(S) Ach Jesu, meine Ruh,
mein Licht, wo bleibest du?
(B) O Seele, sieh! ich bin bei dir.
(S) Bei mir? Hier ist ja lauter Nacht.
(B) Ich bin dein treuer Freund,
der auch im Dunkeln wacht,
wo lauter Schalken seind.
(S) Brich doch mit deinem Glanz
und Licht des Trostes ein!
(B) Die Stunde kömmet schon,
da deines Kampfes Kron
dir wird ein süßes Labsal sein.

Na de preek horen we een dialoog tussen de gelovige (sopraan) en Christus (bas). Strijkers begeleiden hen. In de eerste maten klimt de eerste viool over de toonladder naar een vol octaaf. Zo laat hij het licht stralen. Maar als de sopraan haar ongeloof uitdrukt zakt hij weer naar anderhalf octaaf. Op ‘ lauter Nacht’ maakt de sopraan een septiemsprong naar beneden, maar de bas antwoord op ‘Dunkeln wacht’ met een stijgende lijn. Dit ontroerend recitatief met opera-trekken roept associaties op met het Hooglied. Later zou Bach in zijn M.P. nadrukkelijker verwijzen naar dit bijbelboek. Zeker in die tijd gelezen als allegorie van de relatie tussen Christus de bruidegom en de gelovige/gemeente als de bruid. 

8. ARIA / DUET (S, B)

(S, Seele)
Komm, mein Jesu, und erquicke
und erfreu mit deinem Blicke!
Diese Seele,
Die soll sterben
und nicht leben,
und in ihrer Unglückshöhle
ganz verderben.
Ich muß stets in Kummer schweben,
ja, ach ja, ich bin verloren,
nein, ach nein, du hassest mich.
Ach, Jesu,
durchsüße mir Seele und Herze!


(B, Jesus)
  Ja, ich komme und erquicke
  dich mit meinem Gnadenblicke.
  Deine Seele,
  Die soll leben
  und nicht sterben,
  hier aus dieser Wunden Höhle
  sollt du erben
  Heil durch diesen Saft der Reben,
nein, ach nein, du bist erkoren,
  ja, ach ja, ich liebe dich.
  Entweichet, ihr Sorgen,
verschwinde, du Schmerze!                        

De aangeboden hulp van Christus roept bij de gelovige een hartstochtelijk verlangen op om haar snel te hulp te komen, want ze verkeert in doodsnood. Verzoek en antwoord worden op verwante noten gezongen, in achtste noten kalm begeleid door de continuobas. Ze praten/zingen wel door elkaar heen, ze laten elkaar niet uitspreken. In het ‘Ach nein – Ach ja’ staan ze recht tegenover elkaar, het is het middendeel van de duet-aria, dan verzoenen ze zich luchtig in een 3/4 maat. Daarna wordt het begin herhaald.

9. KOOR
»Sei nun wieder zufrieden, meine Seele«
(T) Was helfen uns die schweren Sorgen,
was hilft uns unser Weh und Ach?
Was hilft es, daß wir alle Morgen
beseufzen unser Ungemach?
Wir machen unser Kreuz und Leid
nur größer durch die Traurigkeit.
»Sei nun wieder zufrieden, meine Seele,
denn der Herr tut dir Guts.«
(S) Denk nicht in deiner Drangsalshitze,
daß du von Gott verlassen seist,
und daß Gott der im Schoße sitze,
der sich mit stetem Glücke speist.
Die folgend Zeit verändert viel
und setzet jeglichem sein Ziel.

In dit van de zesdelige oorspronkelijke cantate slotkoor combineert Bach een tekst uit ps. 116: 7 met de coupletten 2 en 5 van het kerklied uit 1641 van Georg Neumark: ‘Wer nur den lieben Gott lässt wallen’. Hier vinden we een sterke verwijzing naar de epistellezing. Bach kiest voor een koraalmotet, waarin instrumenten eventueel mee kunnen spelen, maar de basis is een a capella koorwerk. Het kent twee delen ,de twee genoemde strofen van het kerklied, die elk door de tekst uit ps.116 wordt vooraf gegaan. In het eerste deel is het de tenor die in lange noten de melodie zingt, in het tweede deel de sopraan. De andere stemmen slingeren daar polyfoon omheen. Ze imiteren elkaar en variëren op het hoofdthema: ‘Sei nun wieder zufrieden’ , waarbij over de toonladder wordt opgekomen en neergedaald. In het tweede deel komt er een motief polyfoon bij op de woorden ‘ denn der Herr tut dir Guts’.  Het eerste couplet wordt begeleid door continuo, het tweede door alle instrumenten, wat er op duidt dat het eerste couplet door een koor met van elke stem 1 zanger, het tweede door meerdere zangers voor elke stem werd uitgevoerd. In Leipzig voegt Bach er vier trombones aan toe, de gebruikelijke begeleiders van a cappelawerk. 

10. ARIA (T)
Erfreue dich, Seele, erfreue dich, Herze,
entweiche nun, Kummer,
verschwinde, du Schmerze!
Verwandle dich, Weinen, in lauteren Wein!
Es wird nun mein Ächzen
ein Jauchzen mir sein.
Es brennet und flammet die reineste Kerze
der Liebe, des Trostes in Seele und Brust,
weil Jesus mich tröstet mit himmlischer Lust.

Deze tenoraria drukt de vreugde uit in een 3/8 dansmaat. Het verdwijnen van ‘Kummer en Schmerz’ krijgt vorm in een herhaalde basfiguur. Er is sprake van een echte da capo-aria, waarbij de eerste twee regels herhaald worden.

11. KOOR
»Das Lamm, das erwürget ist,
ist würdig zu nehmen Kraft
und Reichtum und Weisheit
und Stärke und Ehre
und Preis und Lob.
Lob und Ehre und Preis und Gewalt
sei unserm Gott von Ewigkeit zu Ewigkeit,
amen, alleluja!
Amen, alleluja, Lob! Amen, alleluja!«

De tekst van het slotkoor is ontleend aan Openbaring 5: 12 en 13. Het kent de structuur van een preludium plus fuga. Het eerste vers wordt ‘Grave’ gescandeerd “doorsneden met triomfantelijke fanfares van trompetten en pauken (die hier voor het eerst in actie komen) en de violen die dat imiteren”. (Van de Hengel) Het tweede vers kent de vorm van de al genoemde permutatiefuga: eerst de vier concertzangers in de volgorde bas, tenor,alt, sopraan, begeleid door continuo, vervolgens in de zelfde volgorde met steunzangers en zelfstandig opererende instrumenten. Het ordelijk fugapatroon wordt doorbroken door drie thema inzetten: driestemmig trompettenkoor, strijkersensemble en vierstemmig vocaal koor. Dat alles ingebed in drukke verklankingen van de woorden ‘Amen’ en ‘Alleluja’. Plotseling is het afgelopen, met een terloops slotakkoord. We hebben te maken met een meesterwerk, waarin Bach laat zien dat hij ook een voortreffelijk operacomponist had kunnen zijn. Aldus Maarten ‘t Hart, die in zijn Lachboek verzucht: ‘Waarom zou hij, terwijl hij graag naar de opera’s van Hasse ging luisteren (in Dresden, KV), noot de aanvechting hebben gehad om een opera te componeren? Of had men hem gewoon een opdracht moeten geven?’  Je zou kunnen zeggen dat hij het wel gedaan heeft, maAr dan ‘kerkelijk’ verwerkt, zie bij voorbeeld zijn M.P.

 

 

Namen

Schuin voor mijn huis wappert halfstok de vlag van mijn buurman. Vijf voor vier heb ik samen met een kerkrentmeester de klok geluid van onze kerk en we gingen gelijk op met die van de RK Gertrudiskerk, onze buurkerk schuin tegenover. Op de TV keek ik niet alleen naar een enerverende Touretappe, maar ook -lang leve de Ipad – naar de aankomst van de eerste kisten op vliegveld Eindhoven. Identieke kisten, gedragen door identiek geklede dragers. Alle slachtoffers aan elkaar gelijk, zoals de doos een gelijkteken is. Die bijna 300 waren ook aan elkaar gelijk toen het wrede lot hen trof. Toch zijn ze in hun gelijkheid ook weer uniek. Het kabinet plaatste in alle kranten een lijst met de namen van alle slachtoffers. Niet onderverdeeld naar land van herkomst, maar in alfabetische volgorde. Terecht, want zij deelden een zelfde (nood)lot. Toch is het belangrijk dat hun namen vermeld werden. Namen, waarachter unieke levensverhalen schuil gaan. Namen die persoonlijke geschiedenissen vertegenwoordigen, van korte of langere duur. Namen die geroepen werden, al dan niet ook bij hun doop. Namen, waarop ze antwoordden: ‘hier ben ik’. Mensen zijn geen nummers, maar worden het wel, waar de menselijkheid verwoest wordt, geschonden en vertrapt. Dan gaat het over hoeveel er neer geschoten zijn, hoeveel op de vlucht, hoeveel gevangen gemaakt. Deze mensen nu in anonieme kisten weer thuis gekomen, waren namen: voor de incheckbalie, voor het thuisfront, met het oog op het doel van hun reis, voor hen zelf. Plots werden werden zij ‘dankzij’ bloeddorstigen voor wie namen en dus levens niet tellen tot nummers, tot een groep van bijna 300. Maar ze waren namen en zullen dat weer worden. Herinnerd in zeeën van verdriet, geborgen in treurende harten, in de verhalen waaruit ze opgebouwd waren.

Eurofiel

Wat Europa betreft kan ik Bas Heijne steeds minder volgen. In zijn wekelijkse column in de NRC onderschrijft hij Wilders’ uitspraak dat het verlies van de PVV niet betekent dat Nederland eurofieler is geworden. Even schoot door m’n hoofd of het wel kan: eurofieler. Kun je ook heterofieler of homofieler worden? Enfin, laten we zeggen dat het kan, dat je meer of minder van de euro gaat houden. Maar dan toch: wat betekent dat in de praktijk? Minder eurofiel: in minder landen de euro? Of alleen tussen banken en niet in het gewone geldverkeer? Het kan dus niet. je bent voor de euro of niet. Of is euro hier een afkorting van Europa?  Hoe het zij: hoezo heeft Wilders gelijk? Weet hij – en Heijne met hem – waarom mensen zijn weggebleven bij de stembureaus? Er kunnen zoveel motieven zijn om niet te stemmen. Paul Witteman gaf blijk van een geheel eigen motief om geen vakje rood te kleuren. Zo aan het eind van de acht jaar P. en W. wel een merkwaardige bekentenis. Jean Paul Geelen gispt hem er terecht om vandaag in De Volkskrant. Heijne kwalificeert D’66 in zijn stuk als een partij die blind voor Europa was en nu daar wat op terug zou gekomen zijn. Wat mij tegenstaat is dat massieve gebruik van het woord Europa. De EU, de Europese eenwording is altijd een levend organisme, die verandert, die moet veranderen, zonder dat je het fundamentele belang er van ontkent. D’66 kiest voor dat fundamentele belang om heel goede redenen. Dat heeft niets met blindheid te maken. Wat het proces van de eenwording betreft kun je en moet je durven veranderen, het is geen heilstaat. Dat proces gaat door en leidt wellicht tot een Verenigde Staten van Europa. Wat dan nog?! Al die mensen die daar zo huiverig voor zijn, reizen gaarne naar de V.S. Verkiezingen voor een president worden bijkans nog grootser verslagen dan van ons eigen parlement. En terecht. Maar de V.S. is ook een land met veel onderlinge verschillen, de ene staat is de andere niet. het maakt het land zo boeiend. dat kan toch ook in Europa. Sterker nog, ik denk dat meer eenwording juist nationaal het versterken van eigenheid oproept. Het zijn communicerende vaten.  En wat de euro betreft: al die PVV-stemmers die massaal naar Spanje of andere warme oorden trekken in de zomer zullen kwaad worden als ze opeens weer in peseta’s moeten gaan betalen, denk ik. En trouwens Bas Heijne, vrees ik ook.

Bert Wagendorp slaat m.i. de spijker in zijn column vandaag in De Volkskrant meer op z’n kop, waar hij stelt dat de PVV juist verloren heeft en geen kiezers naar de stembureaus trok vanwege de morele grensoverschrijdingen van Wilders en Bosma, vanwege het gedoe binnen z’n partij en het willen aanhaken bij abjecte buitenlandse partijen. En dat is alleen al winst. 

Honden en andere dieren

Een vrolijke, jonge vrouw opent de poort die naar de zoveelste burchtkerk leidt – we krijgen er geen genoeg van, want elke kerk is verrassing – . Een nog vrolijker hond springt ons tegemoet en tegen ons op. Hij heeft een olijke snuit, is zwart – wit, laat zich graag strelen en begeleidt ons tot voor de deur van de kerk. We zien veel honden: hofhonden, honden met een baasje, bazinnetje, maar merendeel straathonden, echte vuilnisbakhonden,groot, geel, vaal, soms mooi zwart, grauw, vuil. Ze steken altijd onverwachts over, ze horen schijnbaar bij niemand, ze worden regelmatig doodgereden. Katten zien we vooral ook zwerven. Wild laat zich nauwelijks zien, terwijl het land er van moet barsten, maar er is zoveel ruimte zonder menselijke aanwezigheid. Rond Brasov en nog ver het land in zijn beren en wolven. De boeren merken het aan schapen die aangevallen, geroofd worden. Door het hele land stofferen zich de groene dalen met ettelijke kuddes schapen, met weer andersoortige honden. Minder in aantal, maar toch ook met grote regelmaat te bewonderen grote kudden koeien, gehoed door oude herders, jochies, families. Soms ook kleine kudden geiten. Zelfs op de grote doorgaande wegen doemen karren  met paarden op, gemend door meestal twee besnorde mannen. In dorpen grazen koeien alleen in de berm. Op de schoorstenen ooievaarsnesten, nu bevolkt met jonkies. Ooievaars zweven ook over het land, majestueus , statig, betoverend. Dat ze in de sprookjes en mythen de brengers van baby’s zijn, laat zich goed voorstellen. Vandaag zagen we ettelijke gele kwikstaarten op een mesthoop, als mede bonte kraaien. Tapuiten heb ik gezien, een valk in (territorium?) gevecht met een sperwer, mussen die elkaar vrolijk achterna zitten of een stofbad namen. Kraaien en eksters in overvloed, een enkele keer slechts wat reeën. Van alle dieren kwam die hond van de kerk het dichtst bij in mijn ziel. Qua ras geen herdershond, maar qua aandacht meer dan. Hij was mij een herder.