Category Archives: wandelen

Pelgrimspad 3 – maart 2018

We starten op vrijdag 23 maart in Voerendaal en wandelen de gemeente Nuth binnen. We passeren kasteel Puth, daterend deels uit de 16e, deels 17e en 18e eeuw. Het kasteel wordt echter al genoemd in documenten uit de 14e eeuw. In de 19e eeuw komt het in handen van de grafelijke Duitse familie Zu Stolberg-Stolberg. In 1945 wordt het met 21 andere Limburgse kastelen en landgoederen door de Nederlandse Staat als ‘vijandelijk vermogen’ geconfisqueerd. Eind 1956 wordt het ‘ontmijnd’. De laatste adelijke eigenaar wordt in 1980 bij Koninklijk Besluit opgenomen in de Nederlandse adel. Het wordt thans gerestaureerd.  We lopen door het gehucht Weustenrade ( woeste rode = woeste ontginning), al in 1420 in de annalen vermeld. Door het historisch straatbeeld loopt  de Luiperbeek die uitmondt in Geleenbeek. Dan komen we in Brommelen, een gehucht van zo’n 60 huizen. De naam is afgeleid van ‘bramen’ en wordt in de 16e eeuw al vermeld.Het ligt vrij dichtbij de A76 en de spoorlijn.Na deze vlek slaan we linksaf naar Wijnandsrade.

puth      img_1811   Kasteel van Puth

img_1815            img_1817

Wijnandsrade ontleent zijn naam aan ridder Winand Maschereil en rade/rode als oud woord voor ontginning. De ridder kreeg het in de 13e eeuw in leen, maar al een paar eeuwen ervoor vond al ontginning plaats. Tot de Franse tijd was het een vrije rijksheerlijkheid. Er ligt in het dorp nog een motte, de oorspronkelijk eerste ridderbehuizing. Aan de voet werd het uiteindelijke kasteel gebouwd, in de jaren 1554-1563. Het heeft heel wat kasteelheren gekend voordat het in 1872 een seminarie werd van de Duitse Jezuïetenorde. Eén van de Jezuïetenpaters was de Oostenrijker Erich Wasmann, die zich ontwikkelde tot groot mierenkenner en mierenverzamelaar. Hij kende een netwerk van paters in het buitenland die voor hem verzamelden. Niet alleen mieren, maar ook termieten en bewoners van mierennesten, de zgn. mierengasten, zoals kevers, vlinders, mijten, wantsen en bladluizen. De verzameling omvat ruim duizend mierensoorten, tweehonderd termietensoorten en meer dan tweeduizend mierengasten.  Wasmann kon daarvan 933 als nieuwe soort beschrijven. Zijn collectie, deels gedroogd, deels in alcohol bewaard, werd in 1964 aangekocht door het Natuurhistorisch Museum Maastricht. tegen de leer van de kerk in was Wasmann een aanhanger van Darwin en zag de evolutieleer niet als strijdig met de Roomse kerkleer. Hij was Teillhard de Jardin in zijn opvatting dus voor. Terug naar het kasteel, dat van 1928 tot 1967 onderdak bood aan een seminarie van de Minderbroeders-Conventuelen, Franciscanen die oorspronkelijk niet in hutten leefden, maar al in de 13e eeuw in stenen behuizingen, in conventen. Het kasteel is thans bezit van een stichting tot behoud van het kasteel.  In Wijnandsrade is de bekende tv-presentarice Marcia Luyten geboren, die een prachtig boek schreef over op- en ondergang van de Limburgse mijnen: ‘Het geluk van Limburg’.

260px-mottekastwijnandsrade-001     119px-exterieur_kasteelhoeve_binnenpoort_binnenplaats_-_wijnandsrade_-_20277500_-_rce                                                              Motte en St.Stefanuskerk                               kasteel Wijnandsrade

220px-erich_wasmann          266px-marcialuyten2017                            Erich Wasmann                                          Marcia Luyten

We komen tot aan de rand van Nuth, een van de 15 kerkdorpen van de gemeente Beekdaelen. Het telt zo’n 5500 inwoners en het ligt aan de N298, de weg van Brunssum naar Valkenburg. De opening van de mijnen in de 20e eeuw zorgde voor uitbreiding, zoals een wijkje voor spoorwegarbeiders die een emplacement aanlegden ten behoeve van de mijnen.  De Nijmeegse burgemeester Hubert Bruls is in 1966 in het dorp geboren. We laten Nuth rechts liggen en wandelen langs Grijzegrubben, een gehucht waar archeologen in 2002 een schuur uit de Romeinse tijd hebben blootgelegd. Een grebbe is een droogdal. De vlek bereikten we via een klimmende holleweg. Holle wegen zijn ontstaan door eeuwenlang gebruik door mens en vee; uitspoeling door regen draagt ook bij. Een stichting zorgt voor onderhoud en herstel. Op weg naar Spaubeek treffen we grindgroeven en het geologisch monument Diependaal. Ongeveer 1 miljoen jaar geleden stroomde de Maas hier, breed uitwaaierend en meanderend. Het sleet het landschap uit tot heuvels en dalen. Tijdens de laatste twee ijstijden werd op veel plaatsen in Limburg löss afgezet: fijnkorrelig zandmateriaal dat vanuit een grotendeels drooggevallen Noordzee met de overheersende NW-winden in het zuid-oosten terecht kwam.   Dicht bij Spaubeek kunnen we wat verpozen op het kleine terras van een B en B. Het ziet er rommelig uit en de eigenaar oogt ook smoezelig, maar is uitermate vriendelijk en serveert voor een habbekrats een voortreffelijk zelf gemaakte groentesoep. Zijn vrolijke hond is eveneens aangenaam gezelschap. Verkwikt laten we Spaubeek links liggen, lopen een stuk langs de A76 steken die over, als mede de overweg bij NS-station Spaubeek.

images      img_1818               Holle weg                                                                Geologisch monument Diependaal

img_1819    img_1826

img_1825   img_1827

Direct over het spoor ligt rechts de buurtschap Oude Kerk, in het dal van de Geleenbeek aan de voet van het Stammenderbos. De naam verwijst naar de Sint Annakapel, in 1865 gebouwd op de plek van een parochiekerk uit 1148. Het Stammederbos is een hellingenbos en eigendom van Natuurmonumenten. Het kent een paddenpoel, waar padden die tijdens de voorjaarstrek in emmers terecht zijn gekomen naar toegebracht worden voor de ei-afzetting. Wij houden het bos aan onze linkerhand en wandelen tot aan Huis Schinnen/Kasteel Terborgh. Wellicht heeft hier in de Romeinse tijd een ‘burgui’ of wachttoren gestaan, vandaar de naam van het kasteel. Het kasteel wordt in 1285 genoemd en kent dan een woontoren op een motte en een voorhof. Vanaf de elfde eeuw komt de groep van krijgslieden of ridders op, die gebieden toegekend krijgen in het kader van het befaamde leenstelsel. Terborgh kent in de 13e eeuw al zo’n tachtig leengoederen, grotendeels in Schinnen. ‘Eigenaar’ is Hendrik van Wijlre, heer van Schinnen, die het beheert als een leengoed van de prins-bisschop van Luik. Later komt het in handen van de graven van Gelre. Na 1403 wordt het bezit van de familie Schellart van Obbendorf, tot 1795. De voorburcht wordt verbouwd tot herenhuis en in 1625 wijdt de bisschop van Roermond de nieuwe kapel in. Halverwege de 18e eeuw fungeerde het kasteel als gevangenis en gerechtsplaats voor leden van de Bokkenrijdersbende. In 1804 erft een rijksgravin de goederen; zij huwt een baron de Weichs de Wenne, een dochter huwt baron De Loë uit Oostenrijk Diens zoon, kamerheer van de Oostenrijkse keizer huwt een gravin. Als zij overlijdt vestigt hij zich definitief in Oostenrijk en twintig jaar , tot 1918 blijft het kasteel onbewoond. Vervolgens komt het in handen van diverse kooplieden en in 1968 koopt de Gemeente Schinnen Terborgh ten behoeve van officiele ontvangsten en huwelijksvoltrekkingen. Op haar beurt verkoopt de gemeente het aan een antiekhandelaar in 1989 en momenteel is het deels vakantieappartement, deels restaurant. In Madurodam is een replica te vinden en in het parcours van het Pieterpad is de gastvrij opgenomen als rustpunt. Maar dat pad lopen we niet, dus voor de ingang van het kasteel slaan we linksaf naar het dorpje Puth.

440px-de_aw_kerkwkped2007      stammenderbos_vanuit_het_dal                                              St.Annakapel                                     Stammenderbos vanuit het Geleenbeekdal

img_1828        Op weg naar Terborgh300px-terborch        Kasteel Terborgh

Over de Panoramaweg bereiken we het 2000 inwoners tellende dorp Puth, genoemd naar in het dorp aanwezige diepe waterputten. In 1377 is al sprake van een ridder Jan van Putte. Het dorp ligt aan een voormalige Romeinse handelsweg, nu de Maastrichterweg. 

img_1829 Petrus Canisiuskerk te Puth

Na Puth langs een kapel, over een stuk holle weg, over een rustige asfaltweg, die daalt tot aan een heemtuin op de Wanenberg. Daar treffen we merkwaardig maar fascinerend houtsnijwerk aan, zeg maar gebeeldhouwde boomstammen.  Het is eindpunt van de dag.

img_1830   img_1833

img_1834

Op zaterdag 24 maart vertrekken we uit het buurtschap Windraak, waar in een verbouwde boerderij de Liedezusters van het Kostbaar Bloed hun generalaat en noviciaat van hun congregatie hebben gevestigd. Wij laten het bloed in de benen stromen, gesteund door stralend weer. En laten ook de zendmast van 53 meter hoog achter ons, tegen diens komst de bewoners in 2002  tevergeefs heftig protesteerden en hun dorp omdoopten in Zendraak. We merken dat het Limburgse Heuvelland langzaam ten einde komt, want we dalen nu steeds, met af en toe nog een klein klimmetje. Vanuit de verte zien we Sittard liggen. Er komen ons vrij veel stedelingen tegemoet die het prachtige weer benutten voor een wandeling, al dan niet met hond. Een dalende holle weg, over de Akerweg en zo komen we in de wijk Kollenberg, rand van Sittard, bij de Rosakapel en zeven kruiswegstaties. de kapel staat op het hoogste punt van Sittard, 90 m boven NAP en is gewijd aan Rosa van Lima, stadspatrones van Sittard. Rosa leefde van 1586 tot 1617 in Peru. Zij werd geboren als Isabel Flores de Olivia en trad op twintigjarige leeftijd in bij de dominicanessen. Ze leefde zeer ascetisch en stierf na een lange lijdensweg die eindigde in verlamming. Paus Clemens IX verklaarde haar zalig in 1667, vier jaar later werd ze door paus Clemens X heilig verklaard. In dat jaar, 1671, zou zij Sittard bevrijd hebben van de zwarte pest. Waarschijnlijk betrof het eerder een dysenterie-epidemie dan pest, maar vooruit.  Ze is ook patroonheilige van Peru, Noord- en Zuid-Amerika en van de Filipijnen. Ze is ook patrones van tuinmannen en bloemisten, wat wil je ook met zo’n kloosternaam. En je kunt haar aanroepen bij familieruzies en verwondingen. In onze familie gaat gelukkig alles goed en met verwondingen valt het ook mee. Ook tijdens het wandelen: zonder blaren stappen we onverdroten voort. De kapel werd gebouwd in 1675.

unknown                   img_1839                      Windraak van boven                                        Het eerste speenkruid bloeit uitbundig

266px-rosakapel       sta_rosa_de_lima_por_claudio_coello                                                     Rosakapel                                                  Rosa zelf

Sittard , vanwege de voetbalclub Fortuna het meest bekend. De naam verwijst naar een oud-Duits woord site oftewel hoogte of berghelling. Die hoogte is de Kollenberg met die Rosakapel. Sittard vindt zijn oorsprong in de Karolingische tijd, met sporen uit de Merovingische periode daarvoor. Maar in 1157 wordt Sittard voor het eerst vermeld als Sitter. Samengegroeid uit drie nederzettingen verkrijgt het in 1243 stadsrechten. De stad wordt in haar geschiedenis meerdere malen getroffen door oorlogsgeweld. Het kent zo’n 40.000 inwoners en een deel is beschermd stadsgezicht. De stad kent talrijke voornamelijk RK kerken en kloosters en een levendig centrum met aangename café’s en restaurants. De stad is geboorteplaats van een aantal bekend geworden Nederlanders, met wellicht toch als voornaamste Toon Hermans, aan wie een museum gewijd is. Verder noem ik de wielrenner Eddy Beugels (1944-2018), de fotografe Rineke Dijkstra (1959), de ‘ijsman’ Wim Hof (1959), de beroemdste scheidsrechter van ons land Leo Horn (1916-1995), de architecte Francine Houben (1955), voetballer en coach Huub Stevens (1953), de kunsthistoricus Joseph Timmers (1907-1996) en de bokser Arnold Vanderlyde (1963). We nemen wat proviand tot ons voor de rest van de tocht die dag.  Niet onvermeld mag blijven  dat ook Willy Dullens een echte Sittarder is. Geboren in 1945 bleek hij als voetballer minstens zo goed als Johan Cruijff. Cruijff zelf vond hem technisch zelfs beter. In de voorbereiding van het seizoen 1966/67 liep hij een dermate zware knieblessure op, dat hij zijn loopbaan moest staken. Ajax nam het initiatief tot een benefietwedstrijd voor hem. In een uitverkocht Olympisch Stadion speelden Ajax en Alemannia Aachen tegen elkaar. Van het geld kon de viervoudig international een kapperszaak beginnen, waar ik hem ooit heb opgezocht voor een interview. Hij is nog steeds technisch adviseur van Fortuna Sittard en de ontdekker van o.a. Mark van Bommel, die hij bij Ajax aanbeval. Deze durfde de overstap naar de grote stad A. niet aan en belandde bij PSV. De rest is geschiedenis. 

basiliek_o-l-_vrouw_van_het_heilig_hart_sittard    sittard_petruskerk                                                          19e eeuwse basiliek                14e eeuwse St.Petruskerk

266px-2016_sittard_st-michaelskerk_01      220px-sittard_044                                               St. Michaelskerk                                           Stadsmuur

We wandelen dwars door de stad tot aan het NS-station, slaan daar rechtsaf, passeren het ziekenhuis en gaan het spoor onderdoor en komen in de wijk Limbricht, steken de Westelijke Randweg over en wandelen om het dorp Limbricht heen. Dit dorp is in de Romeinse tijd al bewoond geweest. Het dorp kent een middeleeuwse kerk de Sint Salviuskerk.  We wandelen langs het kasteel, een zeldzaam voorbeeld van een mottekasteel, dus gebouwd op een kunstmatig opgeworpen heuvel. Het kent een kasteelboerderij als voorburcht. Het kent een slotkapel en een brede omgrachting. De ingangspoort vermeld het bouwjaar 1622, maar de geschiedenis gaat waarschijnlijk al terug tot de 1oe eeuw, met een houten mottetoren; er zijn restanten gevonden van een 12e eeuwse donjon, die een eeuw later werd herbouwd. Het is in bezit van de Heren van Lemberg. In de 15e eeuw komt het in handen van de familie Scheiffart van Merode. Tijdens de 80 jarige oorlog logeert de hertog van Parma op het kasteel, niet zonder plunderingen en verwoesting. In de 17e eeuw wordt Nicolaas van Breyll de eigenaar. Hij is de bouwer van het huidige slot. Vervolgens wordt in 1705 bezit van de familie Van Bentinck, die het in 1795 bij het binnenvallen van de Fransen moet prijs geven. In 1810 wordt het aangekocht door de familie Michiels van Kessenich, die het als jachtslot gaan gebruiken. In de jaren 1813 en 1814 diende het als lazaret voor duizenden zieke en gewonde Franse soldaten, die teruggekeerd waren van de volkerenslag bij Leipzig. De lokale bevolking verzorgd hen. Velen leden aan dysenterie en 687 overleefden het niet en werden begraven op het Franse kerkhof in Limbricht. In 1917 dient het kasteel als interneringskamp voor Duitse krijgsgevangenen die de Belgisch-Nederlandse grens overstaken en door onze overheid als smokkelaars werden opgepakt. Het kasteel is thans in bezit van een stichting. We komen in Limbricht over de Platz met café Salden en een een beeld ter ere van het carnaval, Maske Doel, in 2012 gestolen.

limbricht_3_bearbeitet-1               kasteelimg_1850      deel voorburcht kasteel en St.Salviuskerk

img_1848      img_1847      St.Salviuskerk                                                                Maske Doel

Over de Kievitsweg bereiken we het Limbrichterbos, beheerd door Natuurmonumenten. Het is 91 hectare groot, omringd door grasland en de loofbomen zijn meer dan 75 jaar oud. In de juiste tijd van het jaar kun je bijzondere planten zoals de gevlekte aronskelk, de bosanemoon en het muskuskruid aan treffen. Wij horen er voor het eerst weer de tjiftjaf. Het schijnt dat ook de nachtegaal en zelfs de in ons land zeer zeldzame wielewaal met oog en oor gespot kan worden. Vanuit het  bos lopen we met een bocht op Born af, waarbij we de A2 oversteken. We komen aan in de Kerkstraat van dit dorp. We zijn in de ‘taille’ van de provincie. Bijna 6000 inwoners. Van 1400 tot 1815 behoorde het niet tot ons land – met Sittard en Susteren overigens – , maar tot het Heilige Roomse Rijk. Born huisvest VDL Nedcar, de grootste autoproducent van ons land. Ten oosten ligt het aan de Hondsbeek, ten westen aan het Julianakanaal. Ook hier weer een kasteel, met een gave voorburcht en het kasteel zelf  overgebleven als ruïne. Een zwarte bladzijde in de geschiedenis van het kasteel is de pogrom van 1309, waarbij 110 joden, die in het kasteel een schuilplaats hadden gevonden door een meute werden afgeslacht. Het kasteel zelf werd vervolgens in brand gestoken. In het kasteelpark bevindt zich een dierentuin met o.a. lynxen, berberapen, kamelen en flamingo’s. We hebben het niet bezocht. Onze dagtocht was ten einde en we verlangden naar verpozing en een goed maal, dat we vonden aan de Markt in Sittard. We overnachtten bij aardige mensen in Broek-Sittard. De vrouw spaart carnavalskleding, haar man Vespa’s en Lego. Ze zijn lid van Vrienden op de Fiets, Rob en Fieke ook. Fietsers en wandelaars kunnen dan voor 22,50 per nacht op zulke adressen terecht, inclusief ontbijt. En dat was overdadig. De buurt waar ze wonen is tevens de wijk waar Willy Dullens geboren werd.

220px-kasteel_born_ruine          kasteel_born_voorburcht

 

img_1856    220px-willy_dullens_voetballer_van_het_jaar_willy_dullens_m_et_het_beeldje_bestanddeelnr_919-1752                              Ons logeeradres                                                        Willy Dullens , voetballer vh jaar 1967

Zondag 25 maart is het wederom een stralende dag. We starten in Born en steken het Julianakanaal over, lopen een stuk langs dat kanaal en vervolgens naar het van oorsprong middeleeuwse dorp Papenhoven. We lopen om de Berghaven heen, waar schepen wachtten op bevrachting. Daar ontstond een gehucht, met een kerk voor schippers, vandaar de naam Schipperskerk. Er wordt de laatste jaren enorm gewerkt aan uitbreiding van havenfaciliteiten en nieuwe wegen. Hoeve de Maas staat er derhalve verlaten en troosteloos bij.

img_1862   img_1861           De Kingbeek bij Papenhoven                                  Hoeve de Maas

dan bereiken we Illikhoven, ingeklemd tussen Julianakanaal en de Maas. Tot 1839 behoorde het tot het Belgische Elen, in 1947 kreeg het een eigen kerkje. Tot de Franse tijd werd het dorpje in tweeën gedeeld door de Gulicks-Gelderse grens. De boerderijen zijn van het gesloten Maasdaltype. Een kruisbeeld herinnert aan de verdrinkingsdood van twee broertjes in 1834 in overstroomde weilanden. Op een zonovergoten terras genieten we van een koffiestop.

img_1865      img_1866

Even verderop ligt aan de Maas Visserweert, een weerde voor vissers. In 732 al beschreven als ‘Insula Piscatorum’. Het vruchtgebruik komt toe aan St-Adèle, vermeende dochter van koning Dagobert II. Deze Merovingische en later heilig verklaarde koning heerste over Austrasië : oosten van huidige Frankrijk, westen van Duitsland, België ten oosten van de Schelde en delen van ons land, met Metz als hoofdstad. Adela van Pfalzel was de zus van de echtgenote van Pepijn van Herstal. Ze wordt jong weduwe, muntte uit in gebed en naastenliefde, sticht een klooster en wordt heilig verklaard. In 1545 komt de Friese priester Menno Simons er hagenpreken houden en zo komen er mennonieten (doopsgezinden) aan de Maas te wonen. Er wonen nu zo’n 50 mensen en het is een beschermd dorpsgezicht. In 2009 werden bij het gehucht in de Maas bevers gespot en gefilmd. En een paar jaar geleden is de oude Maasarm , oostelijk van het gehucht, heropend. Bij hoogwater komt het derhalve als een eiland in het water te liggen, zoals vroeger. Onze wandeling voert ons niet door Visserweert, maar langs het Julianakanaal, met uiteindelijk links een afslag naar Roosteren.

visserweert    pelgrimspad-dag-14-2013-22  Linksonder Illikhoven, in midden Visserweert      Straatje Visserweert

visserweert-hoogwater-2019-1-915x518   img_1874              Hoogwater, achtergrond Illikhoven                       Over de tussen Oude Maas en Julianakanaal.

Vóór Rusteren de buurtschap Schettereind en een wegkapel. Roosteren is een kerkdorp van zo’n 1500 inwoners, tussen Maas en het Julianakanaal en dichtbij de A2. Het is ontstaan aan de samenvloeiing van de Roode beek en de Geleenbeek en in de 8e eeuw al ontgonnen vanuit de abdij van Susteren. Roode en Susteren heeft dan geleid tot Roosteren. Twee kastelen sieren het dorp: Ter Borch en Eijckhout. Centraal in het dorp een waterstaatskerk gewijd aan Jacobus de Meerdere.

img_1876   420px-roosteren_kerk_in_straatzicht_foto6_2011-03-20_11-17                Buurtschap Schettereind                                         Kerk Roosteren

266px-roosterborgh   roosteren_echt-susteren_kasteel_eyckholt                                           Ter Borgh                                                          Eickholt

img_1880        img_1882img_1885    img_1884

Ons laatste stuk voert ons langs het sportterrein door weidegebieden met enkele bomen en paarden naar de Maas. Aan de oostkant rust het bruggenhoofd op een deel van de stadsversterkingen van Maaseik uit 1672, de Schansberg geheten. De brug over en we zijn in België.  De brug is vernoemd naar Pater Sangers, die zich inzette voor meer samenwerking tussen Nederlands en Belgisch Limburg. De brug dateert uit 1952. De oorspronkelijke rijk met lantaarns versierde brug uit 1888 werd in  WO II vernield. Op het einde van WO I was de brug het decor van de aftocht van ruim 100.000 verslagen Duitse soldate. Bij de brug moesten ze hun wapens inleveren. Direct na de brug zien we een van onze auto’s weer terug, aan het begin van de dag daar neer gezet. We rijden naar de auto die in Born staat, nuttigen nog gezamenlijk een verfrissing en rijden ieder vervolgens huiswaarts, Rob en Fieke naar Leiden, ik zelf naar Naarden. 

img_1887   img_1894      door de weilanden naar de Maas                          konikspaarden

img_1895    img_1902  Verlaten hotel aan de oostkant Maas                    Op de brug over Maas naar Maaseik

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pelgrimspad 2 – juli 2017

De verwijdering van mijn steeds slechter functionerende rechterknie en de vervanging daarvan door een kunstknie verhinderde zeker een jaar flink wandelen. Daarna deden we andere tochten en in juli 2017 konden we het Pelgrimspad vervolgen. We starten  op vrijdag 21 juli in Schin op Geul. Het dorp is al in een oorkonde van 847 genoemd als schenking ten gunste van de abdij van St.remigius te Reims en haar proosdij te Meerssen. Na de Tachtigjarige Oorlog komt het in handen van de Spaanse Habsburgers, vanaf 1715 van de Oostenrijkers. Bij het verdrag van Fontainebleau in 1785 wordt het gebied overgedragen aan de Republiek. Het dorp werd in de jaren zestig nationaal bekend vanwege Wim Sonnvelds typetje ‘Frater Venantius uit Schin op Geul’. ‘Schin’ is waarschijnlijk een Germaanse naam voor ‘helder water’. En daarmee is dan de Geul bedoeld, waaraan het dorp lig. 

img_1041        img_1042                           St.Mauritiuskerk                                                            Beeldje van Sonneveld als Frater Venantius.

Na Schin op Geul kwamen we al snel langs de Geul te lopen. Vanwege het stralende weer een extra feest. Onderlangs de Keutenberg langs Huize Schoonzicht om het dorpje Stokhem heen. Wijlre doen we slechts aan voor een lunch. Op de Keutenberg ligt een gelijknamige buurtschap van een tiental huizen en boerderijen en de helling kent een groeve, waar de Romeinen al mergelkalk uit haalden. De Keutenberg maakt sinds 1972 deel uit van het parcours van de Amstel Gold Race. Wijlre komt van het Oud-Germaanse woord ‘willen’, hetgeen gehucht of hofstede betekent. In Wijlre staat de Brand-brouwerij, wellicht de oudste van ons land, al weer een tijd eigendom – helaas – van Heineken. Bij de Geul staat het Kasteel Wijlre.

img_1048      img_1056    Langs de Geul                                                               Zicht op Wijlre

img_1052 nogmaals zicht op Wijlre

Over de Dolsberg op Gulpen aan. Waar we onderdak vinden in een knus familiehotel. Gulpen is een van origine vroegmiddeleeuws dorp, waar de Gulp in de Geul uitmondt. Het vele water in de omgeving bracht de bedrijvigheid van leerlooiers, bierbrouwers en forellenkwekers. De Gulpener Bierbrouwerij stamt uit 1825. Op het oude kerkhof -recht tegenover ons hotel – staat een romaanse toren uit waarschijnlijk de 11e eeuw. Buiten het dorp staat het kasteel Neuburg, met al eeuwenoude papieren. In de 19e eeuw komt het in bezit van de familie De Marchant et d’Ansembourg, waarvan een aantal burgemeester waren van Gulpen.  Graaf Max de Marchant et d’Ansembourg was een bekend NSB’er, lid van de Eerste en Tweede Kamer en tijdens WO.II gouverneur van Limburg.

img_1059    img_1060  Romaanse kerktoren                                                Hotel

266px-neubourg-004       max_de_marchant_et_dansembourg                                          Kasteel Neuburg                                                  Max de Marchant et de Ansembourg

We verlaten Gulpen en passeren bovengenoemd kasteel, langs buurtschap Cartils, naar de Biesbergerweg. We steken het Miljoenenlijntje over door het Eyserbos en zien vanaf de hoogte het dorp Eys liggen. Anderhalve kilometer dalen over een landweg. Een bord waarschuwt: ‘Pas op voor de stier; betreden op eigen risico’. We stijgen weer tussen hagen door. Een paar maal links, rechts en we zijn in Eyserheide, een gehucht van zo’n 85 inwoners. De Eyserbosweg komt uit in het gehucht, ook bekend van de Amstel Gold Race.

532px-eys        eys-beeld_eyserheide                        Zicht op Eys                                                                     Monument Eyserheide

We wandelen over de Achterweg, rondom schitterende panorama’s. Het Limburgse land is een wonder voor het oog. Een volgend gehucht dient zich aan: Trintelen, boven op het Plateau van Ubachsberg, ontstaan door de erosie van omliggende rivieren en beken.Iets noordelijker ligt het gehucht Mingersberg, waar vandaan je het Droogdal van Colmont in kijkt. Een dal zonder waterloop van betekenis, vandaar de naam. Het vormt als het ware een hap als van een taartpunt uit het bovengenoemd plateau. Wij genieten ook van die punt met een echte punt taart op het terras van de Bernardushoeve, een weldadig restaurant in een 19e eeuwse Limburgse carréboerderij. De naam van het gehucht zou zijn afgeleid van Vrouwe Minnegard, die naar een legende hier zou hebben gewoond rond 800. We klimmen omhoog naar Vrouwenheide, met de hoogst gelegen windmolen van ons land: 216 meter boven NAP, gebouwd in 1858 en rijksmonument. Lang is gedacht dat Vrouwenheide het hoogste punt van Nederland was, omdat men vanaf hier over de Vaalserberg kan kijken tot aan de Eifel. Vanaf 1919 is juist genoemde berg aangewezen als hoogste plek van ons land.

img_1062      266px-vrouwenheide-002

Spoedig zijn we in Ubachsberg, een dorp met een oudste vermelding in 1234. Ubach/Ubac zou verwijzen naar ‘out’ of ‘ooi’, wat nat weiland of waterland betekent. Van welke kant je ook komt, voor dit dorp moet je klimmen. Een ‘eiland’ op het plateau, Dit eiland staat te boek als een getuigenheuvel. Het getuigt van een bijzonder aardkundig verschijnsel. In dit geval dat dit eiland gevormd is door de tussen 1-2 miljoen jaar geleden hier stromende ‘Oostmaas’ en de naar het Noorden stromende ‘Westmaas’. Het dorp kent een beroemde fanfare: St. Cecilia, vele malen nationaal kampioen en een paar maal winnaar van het prestigieuze Wereld Muziek Concours te Kerkrade. En we troffen een huis, met achter de ruit honderden eierdopjes.

520px-zicht_op_ubachsberg     img_1068

De Breedenweg voert ons bij Ubachsberg vandaan, maar al snel slaan we linksaf een landweg in. Ruim drie kilometer verder ligt Voerendaal. Onze route voert ons door Natuurreservaat Kunderberg, met bos en grasland in een kalkgebied met steile hellingen en diepe dalen. Een gebied met bijzondere planten, zoals kalkwalstro, Duitse gentiaan en wilde weit en dieren als de hamster, de ondergrondse woelmuis, das, steenmarter en kwartel. We treffen er ook het oorlogsmonument voor R.F.C.H. Le Chantre. Het gaat hier om een Belgische verzetsman die op deze plek op 9 september 1944 door de bezetter werd gefusilleerd. Op 2 september was hij met zijn verzetsmaat Parra in het Belgische Eysden gearresteerd. Parra werd in dat dorp doodgeschoten.                                                       Onder de A79 door komen we aan de rand van de bebouwde kom van Voerendaal. Dit dorp kent een kerk – Sint Laurentius – oorspronkelijk stammend uit de 11e eeuw, waarvan de Romaanse toren nog rest. De kerk werd in 1049 door Paus Leo IX geconsacreerd en daarmee de enige in ons land die door een paus is ingewijd. Wat reizen betreft was deze paus een verre voorloper van de Poolse paus uit de vorige eeuw. Na de verwoestingen die de Noormannen hadden aangericht, reisde hij heel Europa door om de bevolking opnieuw te inspireren voor het christendom te kiezen. Het huidige middenschip dateert uit 1841 en werd gebouwd met financiële steun van de landelijke overheid en is dus een waterstaatskerk. Even buiten Voerendaal ligt kasteel Cortenbach., een van de vijf in de gemeente Voerendaal. Oorspronkelijk een middeleeuwse burcht, evenals de kasteelhoeve. Het huidige kasteel, opgebouwd uit de 14e eeuwse resten stamt uit 1713 door Akense handelaar. Het kasteel is niet te bezichtigen. 

img_1065        32228052_voerendaal-monument_kunderberg_2_w800_h600                           pad naar oorlogsmonument                   oorlogsmonument

532px-voerendaal_kerk2       266px-cortenbach_21                St.Laurentiuskerk                                                          Kasteel Cortenbach

 

Pelgrimspad 1 – mei 2013

Een paar maal per jaar lopen Fieke, Rob en ik een deel van het Pelgrimspad. En wel volgens de verstandige ‘Rob-doctrine’ met de zon zoveel mogelijk in de rug om er niet in te hoeven kijken en minder heet op warme dagen. Dus van zuid naar noord. We lopen van Visé onder Maastricht naar ‘s Hertogenbosch. ‘s Hertogenbosch- Amsterdam hebben Fieke en Rob reeds samen gedaan. Dat wacht mij dus nog als we stad van de Meierij hebben bereikt. We begonnen onze 267 km lange tocht op 9 mei 2013.

Visé of Wezet in het Nederlands is een aardig stadje van zo’n 18.00 inwoners aan weerszijden van de Maas. Al in de prehistorie was er bewoning en in de Romeinse tijd was het een gehucht van handelaren in de buurt van een castellum (vicus). In 780 is er een kerk en in de 14e eeuw wordt de stad ommuurd; Karel de Stoute verwoest de stad in de 15e eeuw en de Fransen laten de omwalling slechten in de 17e eeuw. 

250px-vise_-_eglise_saint-martin      250px-viselorettekapel03wkped                            St.Martinuskerk                                              Loretokapel

In de 17e eeuw werden vel Loreto-kapellen gebouwd in West-Europa. De kruisvaarders namen uit Palestina talrijke relikwieën mee. Nadat ze in 1291 definitief uit het Heilige Land waren verdreven, bleef er nog één belangrijk relikwie achter: het ouderlijk huis van Maria, te zwaar om mee te nemen. De legende wil dat de Hemel ingreep ter bescherming van dit huis tegen de moslims: engelen brachten het huis met huisraad en al naar Dalmatië, maar daar was men niet bepaald enthousiast, dus de engelen namen het toen mee naar Loreto bij Ancona. Het groeide uit tot een succesvol bedevaartsoord en ‘Rome’ propageerde daarop een netwerk van kopieën. Kannuniken uit Visé , thuis gekomen na een pelgrimage naar Rome en Loreto namen het initiatief tot de bouw van zo’n kapel buiten het stadscentrum.

Onze tocht start bij het station , we lopen een stukje langs het spoor en komen al vrij spoedig op een  onverharde holle weg. We gaan steeds meer de hoogte van de heuvels in, door bosjes, over karrensporen, langs veldkruizen en zicht op het stadje Dalhem, met de resten van een 11e eeuws kasteel, schilderachtige straatjes en de St.Pancratiuskerk. In de 13e eeuw viel het onder het hertogdom Brabant. Bij de vrede van 1648 kwam het in Staatse handen, belangrijk vanwege de kolenmijnen in de buurt en als militair steunpunt.  Op het stadhuis van 1665 prijkt nog altijd het wapen van Nassau.In 1785 stonden de Staan-genraal het stadje en omgeving af aan Oostenrijk in ruil voor Oostenrijks Valkenburg. Voor de katholieke bevolking een verademing.

250px-eglise_saint-pancrace_de_dalhem         250px-wichet_de_la_rose_et_gentilhommiere_du_xixe_siecle                                St.Pancratiuskerk                                               Wichet de la Rose, herenhuis met poortgebouw

Van Dalhem gaat het noordwaarts achter het dorp Mons langs, steeds omhoog, langs oude, forse boerderijen, langs bosranden, over eilandpaadjes, onder spoor door, langs de spoorlijn en omhoog over een holle weg tot in Moelingen, een dorp in de Voerstreek. Wat de wegkruisen betreft is het ontstaan onduidelijk. Wellicht zijn het christelijke opvolgers van heidense altaren. Er zijn diverse soorten: moordkruisen op de plek waar iemand vermoord werd; ongevalskruisen; kerkkruisen, van een kist gehaald en bij het woonhuis geplaatst; grenskruisen; processiekruisen; missiekruisen, geplaatst als afsluiting van ‘missieweken’; hagelkruisen als bescherming van de gewassen. We overnachten in de Voerstreek.

dsci0001      dsci0002

dsci0003         250px-placa_i_esglesia_moelingen                         Fieke en Rob                                                                    Moelingen

Vanaf Moelingen is het niet ver meer naar de grens met Nederland. Bij grenspaal 36 is het zo ver en dan wacht ons oeroude dorpje Mesch ten zuidoosten van Eijsden, met een van de oudste kerken van ons land, gewijd aan Pancratius. Het is een zaalkerkje met in de noordwand een opvallend stuk metselwerk in een visgraat-verband, het zgn. Opus Spicatum. Een teken van de hoge ouderdom van het godshuis: vermoedelijk 10e eeuws. Het is zaterdag 10 mei. Door Mesch stroomt de Voer en in het dorp staat het eerste bevrijde café van ons land : Auberge ‘t Koffer, 12 sept.1944.

grenspaal               mesch            Grenspaal 36                                                     St.Pancratiuskerk Mesch

dsci0017 auberge ‘t Koffer

Landschappelijk blijft het wandelen een feest. We passeren dassenholen en en verorberen een pannenkoek in restaurant De Bosrand. Het regent. Een oude man met een reusachtige herdershond zit aan het ene kopje koffie. Maar de hond  blaft naar iedere bezoeker, houdt niet op; de man doet niets, de leiding van het restaurant ook niet. Ik kan het dan niet laten om de man te vragen met zijn hond naar buiten te gaan, waar hij onder een overkapping ook droog kan zitten. Tot opluchting van de vele bezoekers gehoorzaamt de man gedwee en is de rust weergekeerd. na de lunch is het droog en wandelen we het Savelsbos in, bezaaid met daslook.We stuiten op het kruis ter gedachtenis van de 12 jarige Hubert Wetzels, die op 3 november per ongeluk door een jager werd doodgeschoten. Dit hardstenen kruis vervangt sinds 1989 een hutten kruis voor deze zoon van de jachtopziener. We komen langs de toegang tot een prehistorische vuursteenmijn en passeren de Henkeput, een mysterieus 12 meter diep gat in de grond. Aan het eind van de schacht volgt een in de kalksteen uitgehakte kleine ruimte, maar het waarom blijft raadselachtig. In 1886 werd de put onderzocht door de vermaarde geoloog Casimir Ubaghs en de dan nog jonge arts en antropoloog Eugène Dubois, de latere ontdekker van de aapmens op Java. Bij het legen van de put kwamen menselijke en dierlijke resten aan het licht en restanten van Romeins aardewerk. Er werden in Meersen en Maastricht ook dergelijke putten gevonden en derhalve is een Romeins verleden aannemelijk. Het Savelsbos strekt zich over een heuvelrug  langs Rijckholt tot aan Gronsveld. Opeens klauterde een auto met een wat weelderige dame achter het stuur het bos in , ons tegemoet. Maar plotseling kwam ze vast te zitten, geen wonder want het pad was rotsig, zeer ongelijk. De vrouw wist met geen mogelijkheid verder te komen. Wij er op af. Ja, ze had een afspraak. In het bos? Erotisch rende-vous? Enfin, Fieke had de moed achter het stuur te kruipen en wist de auto met grote stuurkunst te keren, zodat de dame eieren voor haar geld kon kiezen door weer naar beneden te hobbelen. In Gronsveld regende het weer. Daar stond onze tweede auto, waarmee we naar het begin reden waar de andere auto stond. Er was nog tijd om Visé en Dalhem beter te bekijken. De andere dag, 11 mei, gingen we voor het laatste stuk dat weekeinde.

dsci0028     dsci0031   Dassenholen                                                                Gedachteniskruis voor Hubert Wetzels

dsci0036     dsci0039     Savelsbos met daslook                                              Ingang vuursteenmijn

dsci0034landschap met koolzaad                 Henkeput                                                                 Zicht vanuit Savelsbos

cadier en keer Oude boerderij Gronsveld.

Op zondag 11 mei starten we in Gronsveld door de velden over de Drrenweg door Riesenberg, een bos, wiens naam is afgeleid van Wiegersberg, een verbastering van Wijngaardsberg. In het verleden lag hier een wijngaard, zoals op meer plaatsen in Limburg. Op last van Napoleon werden deze wijngaarden gerooid vanwege concurrentie voor de Franse wijnteelt. Sinds een aantal decennia vinden we in Limburg wederom florerende wijngaarden. We komen langs diverse kalksteen groeven, zoals Groeve Koeberg en de Julianagroeve. We wandelen door Cadier en Keer, gelegen aan de N278, tussen Maastricht, Gulpen en Vaals. Een forenzendorp op het Plateau van Margraten. Cadier zou een van oorsprong Keltisch woorden kunnen zijn: kadeir betekent ‘hoogte’. Een andere theorie is dat het afstamt van het Latijnse ‘Calidarium’, hetgeen ‘plaats voor warme baden’ betekent. Dat werd Calidier en verbasterd Caidier. Toen vestigden zich Germaanstaligen zich in het gebied. In de 14e eeuw viel de -d weg en werd het Caieer en dat werd in de 16e eeuw als Keer geschreven. Uit 1736 dateert de vermelding Cadier ofte Keer. Dubbelop dus. In de 19e eeuw zijn resten opgegraven van een Romeinse ‘villa urbana’, een luxueus landhuis. Een vrijgekomen bronzen beker bevindt zich in het Rijksmuseum voor Oudheden te Leiden.

koeien            juianagroeve       Julianagroeve

vermiste pauw            rijksmuseum_van_oudheden_romeinse_schatten_uit_limburg_bronzen_beker_villa_backerbosch_cadier__keer2                                                      Opmerkelijk vermissingsbericht:pauw         bronzen Romeinse beker

Vanuit Cadier en Keer wandelen naar de Schiepersberg. We passeren het gehucht Klein Welsden en komen in Groot Welsden. Vandaar komen we op de Heerweg, waarvan de naam er op duidt dat deze al door de Romeinse legers werd gebruikt. Bij het gehucht Heerstraat met daar achter het dorpje Ijzeren staat een ‘schietwilg’. Taken en twijgen werden gebruikt op het boerenbedrijf als vluchtmateriaal voor korven, manden en fuiken. Zo had elk dorp zijn eigen mandenmaker. In het Limburgs ‘körver’. Denk aan de coaches Frans Körver en Wiel Coerver. We lopen vrijwel recht op het typische Limburgse straatdorp Scheulder af, met diverse boerderijen in mergelsteen en een kerk uit 1850, gewijd aan de Heilige Barbara. De naam is afgeleid van Schule = schuilplaats. Langs de heerbaan Maastricht-Aken-Keulen stond hier een schuilplaats voor de nacht.

zicht op scheulder  Scheulder

Van Scheulder volgen we het Gerendal, door weilanden, langs een bosrand, over een smal voetpad, een graspad, langs weilanden en akkers, over een holle bosweg naar Oud-Valkenburg, met zicht op Kasteel Genhoes. Maar we belanden bij Kasteel Schaloen, waar we in de slotgracht enorme karpers zien zwemmen en waar op de binnenplaats tijd is voor een koffiestop met versnapering. Dan weer door bos naar de op de Schaesberg gelegen Kapel de Kluis. Een ronde poort in een zeventraas gevel. Houten martelwerktuigen boven de poort verwijzen naar het Lijden van Christus aan het kruis. Het gebouw stamt uit 1688 en sindsdien gebruikt als hermitage oftewel kluis. Het was in opdracht van Graaf Hoen van Cartiels, de Heer van Schaljoen uit mergel opgetrokken. Tot 1930 is de kluizenaarswoning bewoond geweest door vrome mannen. Naast de kluis staat een kapel, waarin twee bewoners zijn begraven. Hier wordt Sint Rochus vereerd. Hij behoort tot de pestheiligen. Hij laat een beenwond zien en naast hem staat een hond die hem in quarantaine van voedsel voorziet. Thuis heb ik exact zo’n beeld staan. Verder een kruisweg van 14 Staties. Sinds 1970 wordt op de laatste zondag van juni weer een bedevaart naar kluis en kapel gehouden. In Schin op Geul eindigt ons wandelweekend.

dsci0108     kasteel genhoes          Kasteel Schaloen

dsci0111     dsci0128             Karpers                                                                         De Kluis

dsci0125           een kluizenaar  steen_haessen     Grafsteen van eerste kluizenaar Laurent Ploum

st_rochus   St.Rochus, aangeroepen bij besmettelijke ziekten van mens en dier

oud-valkenburg     zicht op Oud Valkenburg

 

 

Literaire wandeling vesting Naarden

Naarden behoort tot best bewaarde vestingsteden in Europa en toont een unieke stervorm. Karakteristiek zijn de dubbele omwalling, dubbele grachtengordel en de zes bastions. De oer-ontwerper is Adriaen Anthonisz (1541-1620) , wiskundige, vestingbouwer en burgemeester van Alkmaar. Hij heeft behalve Naarden de volgende steden voorzien van versterkingen: Alkmaar, Amersfoort, Amsterdam, Bredevoort, Bourtange, Bergen op Zoom, Coevorden, Goes, Gorinchem, Harderwijk, Harlingen, Hasselt, Heusden, Hoorn, Kampen, Muiden, Schenkenschans, Stavoren, Tiel, Utrecht, Willemstad, Wijk bij Duurstede, Woudrichem en Zwolle. 

naarden-centrum-opentopo

 

We starten onze wandeling aan de zuid-oostkant van de stad, komend over de Amersfoortsestraatweg. Wie met de auto komt kan goed parkeren vlak voor de brug over de eerste grachtengordel, links op een groot gratis parkeerterrein. We lopen over de kapitein G.A. Meijerweg langs het water van de binnenste grachtengordel met links Bastion Promers. We wandelen onder de Utrechtse Poort door de stad in. De poort dateert uit 1877, op de plek van een poort uit 1680. Het is een ontwerp van Jacobus van Lokhorst. In de torentjes bevinden zich afbeeldingen van koning Willem III en zijn eerste echtgenote Sophie van Würtemberg. De poort heeft twee vleugels. Na binnenkomst bevindt zich in de linkervleugel het VVV-kantoor.

utrechtse_poort_01             de_bilt_foto_3_jacob_olie_max_res  utrechtse_poort_03

We bevinden ons op het Dortsmanplein. Het plein is vernoemd naar Adriaan Dortsman (1635-1682) die onder stadhouder Willem III werd aangesteld als ‘Controleur der kleine Hollandse Fortificatiën’ en die hoedanigheid werd aangesteld als architect en bouwmeester van nieuw aan te leggen verdedigingswerken van Naarden. 

266px-david_van_der_plas_-_portrait_of_adriaan_dortsman     We slaan rechtsaf en komen op het Ruijsdaelplein met rechts in de hoek Bastion Oranje. Er bevonden zich in de 19e eeuw een kazerne, kanonnenbergplaatsen en een mortierkazemat. We slaan linksaf, met rechts op de Oosterwalstraat een fraai wit gepleisterd monumentaal pand. Direct links  de Gansoordstraat in. Op de hoek met de Duivensteeg treffen we het eerste van de zestien gedichten aan die in Naarden op muren zijn aangebracht. Het is van de hand van Willem van Toorn en een hommage aan de grote Bach, wiens naam al zeker een eeuw met Naarden verbonden is (Mattheus Passion, Ned. Bach Vereniging). 

img_3644img_4074-kopie Willem v. Toorn

We lopen tot de Markstraat, die dwars door het stadje loopt en passeren rechts het oude stadhuis uit 1601, met dubbele trapgevel en in Hollandse renaissancestijl. Op een bankje voor het voormalige raadhuis zitten dagelijks wat oudere mannen leven en wereld door te nemen. We slaan rechts af de Raadhuisstraat in en stuiten op de kruising met de Duivensteeg op een gedicht van Anna Enquist. Het werd op 22 september 2013 als tweede in de stad onthuld. De initialen J.P. staan voor Jeroen Paulussen, de fijnschilder die het gedicht heeft aangebracht.

img_3645       gedicht

De Raadhuisstraat eindigt in de Jan Massenstraat die naar links buigt. Op de hoek een gedicht van Tom van Deel , getiteld Glorie, in grote letters zichtbaar achter de tekst.

 

glorie-van-deel-640x494        img_3646

De Huizerpoortstraat rechts in en op nr.13 is op een witte muur een gedicht van Hanny Michaelis gefijnschilderd. Vanaf hier laat zich de omwalling in twee richtingen zien.    

HOE LIEFTALLIG                                                                                                                                             strekt de stad zich uit                                                                                                                                     in de perzikzachte gloed                                                                                                                                            van een lage zon                                                                                                                                             met tussen haar stenen plooien                                                                                                                           het blauwgrijze dons                                                                                                                                                van de zo juist geboren                                                                                                                                           avond en om zich heen                                                                                                                                             een groen, sereen heelal                                                                                                                               krimpend in haar tentakels.

              

hannie-michaelis-737x1024

Linksaf naar Bastion Katten, genoemd naar de ‘kat’, een grote aarden verhoging die diende voor de opstelling van geschut. Die verhoging was noodzakelijke vanwege hoge gronden dichtbij de stad aan de oostkant. We wandelen links de Kloosterstraat in en al snel rechts af de Zusterenstraat in, die linksaf buigend de Oude Haven wordt. Dan volgt snel  links de Jan Massenstraat, die we ingaan. Daar vinden we links het gedicht ‘Hetzelfde anders’ van Bernlef. Het is aangebracht op de zijgevel van de voormalige Weeshuiskazerne, met zijn hoofdingang aan de Kloosterstraat. Deze kazerne werd in 1986 opgeheven en was de oudste en grootste van Naarden. Vanaf 1440 was hier het Mariaconvent gevestigd, een vrouwenklooster die als een van de weinige gebouwen de door Spaanse soldaten aangestoken stadsbrand van 1572 overleefde. Na de reformatie werd het klooster een weeshuis en Latijnse school. In 1809 vestigden de Fransen er een garnizoen in en 1820 werd het definitief een kazerne.

img_3651-2

Het is zeer de moeite waard om links de Kloosterstraat in te gaan. Links treft men dan al snel de toegang tot het Comeniusmuseum, inclusief mausoleum. Deze Tsjechisch-Moravische theoloog, filosoof en pedagoog werd op 28 maart 1592 geboren en stierf in Amsterdam op 15 november 1670. Waarom hij in Naarden werd begraven is nog steeds onduidelijk. In de vorige eeuw hebben ze zijn graf kunnen traceren in de voormalige Waalse kerk, ooit de kapel van klooster annex weeshuis annex kazerne. In het museum vinden we een kapel met zijn door een moderne plaat afgedekte graf en een overzicht van zijn levenswerk en betekenis. Daarnaast is er momenteel een wisseltentoonstelling van wonderlijk goede en ontroerende tekeningen van kinderen uit voornamelijk  Oost-Europa over de grote pedagoog en zijn gedachtegoed, in veel opzichten nog immer bruikbaar en aan te bevelen. Talrijke Tsjechen weten de weg naar het museum/mausoleum te vinden. Zijn geboortedag is uitgeroepen tot Comeniusdag, inclusief een naar hem genoemde prijs en dito lezing.

220px-naarden_comenius_standbeeld_001       img_3650

We lopen terug, slaan links af – Jan Massenstraat – en direct rechts: Regenboogstraat. Op zij- en voorgevel van een voormalige stadsboerderij treffen we een gedicht van Leo Vroman: Kijk, kijk.

img_3647     img_3393-22-kopie-789x1024

We komen weer uit op de Marktstraat, slaan rechtsaf wederom de Kloosterstraat in en komen links aan de Wevershof. Op een zijgevel van Kloosterstraat 19 prijkt  een gedicht van Dick Hillenius.

dsf6772      img_3648-2

Hierna links af de Jan Massenstraat in en daarna links de Oude Haven. De naam spreekt voor zichzelf. Aan de overkant ligt Het Arsenaal, onderkomen van een restaurant en het bedrijf van Jan des Bouvrie. Deze opslagplaats voor wapens en munitie is gebouwd in 1688 en werd in 1728 uitgebreid met een extra verdieping en aan de noordoostzijde een nieuwe vleugel, het zgn. Klein Arsenaal. Tijdens WO.I was het complex onderdak voor de infanterie en hospitaalsoldaten; daarna weer opslag van munitie en wapens; in 1950 depot voor militaire landkaarten. In het najaar van 1954 brak een grote brand uit: het gebouw brandde uit, maar een groot deel van de inventaris kon worden gered. Tot 1987 was het in militair gebruik. Het complex is onderdeel van bastion Oude Molen en een rijksmonument.

266px-20100622_naarden_kooltjesbuurt_1_arsenaal_004

We gaan linksaf de Marktstraat weer in en vinden  aan de zijgevel  van nr. 64 aan de Katrepel een gedicht van Erik Menkveld. 

063_dsf5165-menkveld1      img_3652

 

Tegenover de Kloosterstraat gaan we rechtsaf de Cattenhagestraat in. Daarin bevindt zich al spoedig aan de rechterhand het voormalige Burgerweeshuis, thans archief van Naarden, Bussum, Muiden en Huizen. Het oorspronkelijk 17e eeuwse pand werd tot 1828 bewoond door de familie Heshuysen, eigenaar van de ‘Hamburger Post’, een postkoetsdienst die Hamburg en Osnabrück verbond met Naarden. Vervolgens biedt het een eeuw lang onderdak aan wezen. Het weeshuis was eerder gevestigd in de al besproken Weeshuiskazerne in de Kloosterstraat. In 1928 wordt het weeshuis opgeheven, met achterlating van een prachtig interieur en fraaie kamers. Tot de nalatenschap behoren oude schilderijen, waaronder drie grote 17e eeuwse groepsportretten van regenten van het weeshuis, de zgn.weesmeesters. Na een restauratie in 1988 is het als archief in gebruik genomen.

rm30182_naarden_cattenhagestraat_10

 

We wandelen de vrij drukke  Cattenhagestraat helemaal uit. In het laatste stuk links een onopvallend, niet al te fraai gebouw, wat de Chr. Geref. Kerk blijkt te zijn. De eerste steen is in 1958 gelegd door ds. K.Bokhorst. Aan het eind op de Westwal links af en direct weer linksaf de St.Vitusstraat in. Op nr. 16 een gedicht van  Rutger Kopland.

img_3674       2-kaartjekopland-3

De St.Vitusstraat  - St.Vitus is de patroonheilige van alle RK-kerken in het Gooi, omdat hij de patroonheilige was van de abdij van Elten, de oorspronkelijke eigenaars van dit gebied, voordat zij het schonken aan graaf Floris V – kruist de Pastoorstraat, die we rechts inslaan om op nr. 5 een kort gedicht van Lucebert te bewonderen.

img_3670    dsf4338-21-kopie-1024x682

We keren terug naar de St.Vitusstraat en vervolgen deze tot aan de Marktstraat, rechtsaf langs de Albert Heijn. We komen uit  bij de Grote Kerk met ervoor het standbeeld van Comenius. Ook deze gotische basiliek uit de 14e en 15e eeuw was oorspronkelijk gewijd aan Sint-Vitus. Deze heilige werd in de 3e eeuw geboren op Sicilië als zoon van een heidense senator. Hij zou op zijn zevende (of twaalfde vlgs sommige bronnen) zich tot het christendom hebben bekeerd. Zijn vader lukt het  niet ondanks martelingen hem daarvan af te brengen. Hij verhuist naar Rome en geneest de krankzinnig geworden zoon van keizer Diocletianus. Het helpt hem niet en hij wordt met velen slachtoffer  van de vervolgingen onder genoemde keizer. Hij wordt aangeroepen bij zenuwaandoeningen en is beschermheilige van dansers, zangers en epileptici. In deze zin past het zeer wel dat de Grote Kerk dè ‘bedevaartsplaats’ is voor liefhebbers van Bachs Mattheus Passion, met belangwekkende bezoekers, onder wie leden van het kabinet, op Goede Vrijdag. De relieken van de heilige worden sinds 836 bewaard in de Abdij van Corvey aan de Wezer bij Höxter in Noordrijn-Westfalen. De Grote Kerk is buiten alle talrijke concerten om een bezoek meer dan waard vanwege de op hout aangebrachte gewelfschilderingen uit de 16e eeuw,  met aan de ene kant belangwekkende verhalen uit het Oude Testament en verhalen uit het N.T., destijds gezien als ‘vervulde’ parallellen. 

260px-naarden-vesting_kerkzicht        260px-grote_of_st-_vituskerk

266px-vitus_cxxvr   St.Vitus   corvey_westwerk Corvey

We laten het standbeeld links liggen en slaan rechts het Kerkpad in en zien het derde in de stad aangebrachte gedicht, onthuld op 22 maart 2014 door de Tsjechische ambassadeur. Want het gedicht is van de Tsjechisch-Nederlandse dichteres Jana Beranová. Het is ook in haar moedertaal aangebracht. Jana werd op 2 mei 1932 in Plzen geboren en moest met haar ouders in 1948 het land ontvluchten en kwam in ons land terecht. Ze studeerde af als econoom, maar werd bekend vanwege haar vertalingen van o.a. Kundera en Jaroslav Seifert. Voor Amnesty International maakte zij de bekend geworden tekst: ‘Als niemand luistert naar niemand vallen er doden in plaats van woorden’.

comenius-2    unknown

We liepen,                                                                                                                                                            de bergkam had                                                                                                                                                       gaten in zijn tanden en het kind                                                                                                                   vleugels op haar rug:                                                                                                                                             schooltasje, foto van de klas.

De mens is een bundel                                                                                                                                          verzwegen verhalen, klaar om                                                                                                                            op te stijgen, uit te varen,                                                                                                                               verstoppertje te spelen, alleen                                                                                                                     tijdelijk in een haven.

Over het Kerkpad ronden we een groot deel van de kerk tot we bij de Bussumerstraat komen. Direct rechts op nummer twee is op een prachtig trapgevelpand het eerste gedicht van het project door Jeroen Paulussen gefijnschilderd. Vanwege een felle maartse kou werd het een helse klus. Verkleumde handen deden het werk steeds onderbreken en in plaats van twee dagen werd het karwei pas in een week geklaard.         Het gedicht is van Willem Jan Otten ‘Na de Mattheuspassion’ en werd op Goede Vrijdag 28 maart 2013 door burgemeester Sylvester onthuld.

willemjan       img_3672-2

We lopen de Bussumerstraat helemaal af tot aan de Westwalstraat, slaan linksaf en lopen langs de Rehobothschool. Een oudercommissie van de school nam het initiatief tot deelname aan het project  ( voorjaar 2014), hetgeen leidde tot een gedicht van klas acht: ‘De kracht van groep acht’. Het is aangebracht op een bakstenen zijmuur aan de St.Annastraat. 

img_3669      dsf6762

We wandelen verder over de St.Annastraat en kruisen de Peperstraat, waar we op nr.14 een gedicht aantreffen van Ida Gerhardt. Het is aangebracht op de zijgevel die aan de St.Annastraat staat. 

dsf6766     dsf6766

We lopen weer tot aan de Marktstraat, slaan rechtsaf en dan weer rechtsaf de Turfpoortstraat in. Aan onze linkerhand de huidige RK Vituskerk en even daarna het Spaanse Huis, een van de overgebleven middeleeuwse gebouwen. Waarschijnlijk was het ooit een gasthuis of een kapel daarvan. Tijdens het beleg en de verovering van de Spanjaarden diende het als stadhuis. In de voorgevel herinneren gevelstenen aan het bloedbad dat de Spanjaarden aanrichtten. Het gebouw dient nu als onderkomen van het Weegschaalmuseum, na dienst gedaan te hebben als waag, militaire bakkerij en Comeniusmuseum.

260px-gevelsteen_spaanse_moord

Op nr 26 van de Turfpoortstraat bevindt zich de praktijk van huisarts Galavazi. Op de muur prijkt het tiende gedicht van het project ; ‘Elk paradijs’ van Marjoleine de Vos, uit mei 2015.

dsf6043        img_3668-2

De Turfpoortstraat uitlopend stuit je van zelf op het Nederlands Vestingmuseum, gevestigd in Bastion Turfpoort over een oppervlakte van 2 hectare, met een openluchtdeel en een ondergronds deel. Het museum is er al sinds 1955 en kent een prachtige en hoogwaardige collectie op het gebied van vestingartillerie, de geschiedenis van Naarden en de waterlinies.

26195615_1723960214345430_8271863570101711079_n       43199577_2148106095264171_5086010958078279680_n

We slaan linksaf en daarna weer linksaf de Beijert in. Drieentwintig jaar woonde Willem Jan Otten in deze straat. Op tientallen meters daar vandaan is de laatste tekst onlangs op een zijmuur van Beijert 18 aangebracht, de laatste drie regels van een gedicht dat met vele andere gedichten Otten in zijn werkkamer schreef.

beijert      beijert

Doorlopend komen we weer op het Dortsmanplein, parkeerterrein en zaterdagmorgen vol marktkramen met bloemen, groente en fruit, kaas, vis, brood e.d. Het witte gebouw, een voormalige militaire kantine, herbergt theater De Mess.

De wandeling is ten einde met dank aan Vereniging Stad Naarden. Een boekje met alle zestien gedichten, inclusief foto’s –  waarvan ik er velen heb overgenomen – van Uitgeverij Comenius is verkrijgbaar bij de VVV en bij boekhandels in de omgeving. De laatste foto met Jeroen Paulussen aan het werk voor het eerste muurgedicht komt eveneens van de site van genoemde vereniging. 

dichterbijdestad_cover_lr-1

Tot slot: in Naarden – in en buiten de vesting – zijn talrijke BN’ers geboren en overleden. Voor een volledige lijst zie Wikipedia Naarden. Omdat het hier om een literaire wandeling gaat ( en als extra aandacht voor markante gebouwen) noem ik zelf hier de geboortes van Cornelis Johannes Kneppelhout (31 dec.1778 – Leiden 1 nov.1818), Willem Arondeus (22 aug.1894 – Haarlem, 1 juli 1943), Belcampo (H.P.Schönfeld Wichers – 21 juli 1902 – Groningen, 2 jan.1990) en Hans Lodeizen (20 juli 1924 – Lausanne, 26 juli 1950).           Marianne Philips overlijdt in Naarden op 13 mei 1951; zij was geboren in Amsterdam op 18 maart 1886.

 

 

 

Literaire wandeling door Bussum – 2

We waren gebleven bij de Kom van Biegel en lopen nu verder over de Nieuwe ‘s Gravelandseweg. Op nummer 66 woonde Herman Gorter. In 1890 trouwt hij met Louise Cnoop-Koopmans, voor wie hij in ‘Mei’ al zijn liefde had bezongen. In 1893 komen ze in Bussum wonen. Berlage heeft een kleine villa ontworpen en de vader van Jan Veth helpt bij de bouw. Jan biedt de Gorters tijdens de bouw onderdak. Aan Albert Verwey schrijft Gorter:

‘Beste Albert!  Wij komen in Bussum te wonen. Dit is nu wel niet geheel en al het plezierigste, maar het heeft toch vóór dat ik eens met een verstandig mensch kan spreken, er komt daar nog al eens iemand. Dicht bij Amsterdam. Dicht bij Hilversum, om de lessen. Er wordt een huis voor ons gezet. Wie doet het? De ouwe heer van Jan Piet (Veth), die hij er om gevraagd heeft voor mij. Vindt je dit niet aardig.’

Onder de vrienden behoren naast Veth Antoon der Kinderen en Van Eeden. Van Deysel komt in 1893 in Baarn wonen. Voor de sportieve Gorter geen grote afstand. Hij fietst en wandelt graag.  Samen met zijn Wies trekt hij er op uit op een tandem. Met Van Eeden wordt gezwommen, getennist en geschaakt. Gorter is een goed cricketer. Hij speelt in de eerste klasse en haalt tienmaal het Nederlands elftal. In de vriendschappen komt een verandering als Gorter zich tegen het eind van de 19e eeuw aansluit (samen met Henriette Roland Holst) bij de SDAP. Hij richt een afdeling daarvan op in Bussum, waarvan hij ook voorzitter is; hij geeft cursussen en lezingen en stelt zich kandidaat voor de gemeenteraad. In zijn dagboek schrijft Van Eeden al op 11 februari 1896:

‘Ik kan niet helpen me gekrenkt te voelen door Hermans gedrag, die hier eenvoudig niet aan huis komt. Al weken niet. Ik ben driemalen bij hem geweest het laatst. En hij bij Veth en Thijm. Hij doet altijd of niets is, maar het is onhartelijk en stug. Ik wilde dat hij er niet meer woonde. Ik houd mij in, maar het grieft me’.

Van Eeden zelf is omgekeerd ook niet meer zo geliefd, ook bij anderen niet. Aegidius Timmerman (1858-1941), classicus en schrijver, noteert:

Van Eeden, die in de buurt woonde, werd op een afstand gehouden. Wat dikwijls moeite kostte. Want hij liet zich niet makkelijk afschrikken. Vooral Veth was weinig op zijn bezoeken gesteld,     zoo weinig dat hij eens voor hem in de wc gevlucht, daar anderhalf uur heeft moeten wachten, en nog wel doodstil, omdat van Eeden al dien tijd in zijn atelier pijpen bleef zitten rooken. Het was niet om het pillow-pak en de klompen waarmede hij op zijn groentewagen arbeiderstje speelde, maar omdat hij altijd aai-poesje-lief tegen ons deed en, in het denkbeeld dat hij veel hooger stond dan wij allen te samen, nederbuigend vriendelijk was.

De Gorters en Van Eedens vierden samen Sinterklaas, maar begin 20e eeuw was dat verleden tijd. Gorters vriendschappen met Verwey en Van Deysel verwateren, maar met Van Eeden botst het echt. Gorter uit harde kritiek op Van Eedens Walden-project. Gorter kwalificeert zich zelf als een zuivere marxist en typeert Van Eeden als een kleinburgerlijke utopist. Gorter splitst zich met zijn getrouwen af van de Bussumse SDAP.

gorterwitsen1892                     img_3467  Gorter in 1892                                                            Gorters villa in Bussum

De Nieuwe ‘s Gravelandseweg vervolgend – naar links en dan naar rechts buigend – komen we in het gebied, waar Van Eeden Walden stichtte. De drukte van zijn bestaan als schrijver-psychiater, altijd maar vrienden over de vloer, de kwelling van een platonische liefde en een weinig bevredigend huwelijk  maken hem ongelukkig. Hij wil afstand nemen en een nieuw begin in een kolonie van gelijkgestemden terwille van een sociaal idee. Met financiële hulp van zijn moeder koopt hij in april 1898 een stuk land rechts van de weg waarover we wandelen. De grond behoort tot het landgoed Cruysbergen, waarop verder weg twee villa’s staan: Groot en Klein Cruysbergen. Op den duur zal bijna het hele landgoed toebehoren aan wat hij Walden noemt, ontleent aan de Amerikaanse schrijver Henry David Thoreau die in 1854 zijn tweejarig verblijf in een hut bij de vijver Walden (Concord, Massachusetts) neerlegt in ‘Walden, or life in the wood’. Willem Bauer, een patiënt van Frederik, ontwerpt voor hem een schrijvershut. Voor zich zelf bouwt Bauer ook een hut en later komen er hutten bij voor Carry van Hoogstraten en voor haar latere echtgenoot Nico van Suchtelen. De villa’s worden ook aangekocht. In Groot-Cruysbergen komen de meeste kolonisten wonen. In opdracht van Van Eeden ontwerpt Bauer ook een landhuis, in Engelse country-stijl. Dat wordt villa De Lelie, bij nr. 86 in de verte nog zichtbaar. In dit huis had Van Eeden een bibliotheek-studeerkamer. Zijn schrijfhut, waarin hij in 1900 ‘Van de koele meren des doods’ voltooit, lag daar in de buurt, een meter onder het maaiveld, met stro en plaggen bedekt. Na het faillissement van Walden wordt de hut verplaatst naar een plek bij het huisje van zijn tweede vrouw Truida Everts, achter villa Groot Cruysbergen. De hut van Bauer, die in 1904 zelfmoord pleegt, staat waarschijnlijk als groen geschilderd tuinhuisje nog immer bij De Lelie.

eede003wald01ill05            eede003wald01ill06        Van Eeden op Walden                                          schrijvershut

eede003wald01ill09      Bauer      eede003wald01ill07 schetsen

In De Lelie komen in februari 1899 Martha en de kinderen wonen. Het huis heeft een gevelsteen met een lelie, vaak ook gebruikt als vignet op veel van zijn boeken. Een verwijzing naar een van zijn beroemdste en mooiste gedichten.

De Waterlelie.

Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zoo blank is en zoo stil haar kroon

uitplooit in ‘t licht.

Rijzend uit donker-koelen vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.

Nu rust zij peinzend op het watervlak

en wenscht niet meer . . . .

Van Goghs ‘De zaaier’ hangt boven de haard. Na het failliet in 1919 trekt Martha bij haar zoon in, in Noordwijk. Van Eeden zelf is in 1907 al uit De Lelie vertrokken naar het huisje van Truida Everts. Vanaf 1909 wonen ze samen op Groot Cruysbergen.                                             De witte woning op nummer 88 is ook door Bauer gebouwd, in 1900 betrokken door Willem van Riet, de timmerman van Walden en vanaf 1902 tot 1907 de woning van de leider van de bakkersgroep van Walden, Gerrit de Haer. Aan de overkant, op nr.77, De Maerle ( = de merel), door Bauer gebouwd voor Betsy van Hoogstraten. Het staat niet op Walden en de relatie met Frederik is zo bekoeld, dat ze samen een groot deel van hun correspondentie ritueel verbranden.

img_3469   nr.88               exterieur_voorgevel_-_bussum_-_20284728_-_rce De Maerle

We wandelen verder en kunnen bij nummer 96 tussen de bomen door de hut van Carry van Hoogstraten (1876-1956) zien liggen. Zij is een dochter van Betsy, de amant van Frederik. Zij heeft een zuster Mary en een broer Sam. Van Eeden kent ze uit de tijd dat hij Betsy bezoekt in Hilversum. Carry bezorgt Van Eeden de brieven van Betsy. Op Walden zijn Carry en Mary een van de eerste kolonisten. Mary verlaat Walden na haar huwelijk met Richard Mauve en Carry neemt de administratietaken op Walden van haar over. Nico van Suchtelen (1878 – 1949) maakt Carry het hof en wint haar voor zich. Ook zij verlaten dan Walden en vestigen zich in Bloemendaal, in een luxere variant van de Waldenhut. Van Suchtelen schrijft een op Walden gebaseerde roman, Quia absurdum (1906) en klimt vanaf 1913 tot in 1930 op in de top van de Wereldbibliotheek. Hij is vertaler van o.a. Dante, Goethe, Spinoza, Freud en Shakespeare en publiceert nog meer romans en gedichten. Hij heeft zijn hut, een grote met drie kamers en een keuken, achter Klein Cruysbergen, dat op de plek stond van de villa met in de tuin het bord Oud Cruysbergen, Franse Kampweg 6. We zijn dus rechtsaf geslagen. De huidige villa is gebouwd in 1921 naar een ontwerp van Jaap Londen, een makker van Van Eeden op gebied van het spiritisme en navenante seances. De oorspronkelijke villa werd door Van Eedens moeder gekocht van effectenmakelaar Broekman, die een deel van de grond in bezit hield en derhalve was Walden gesplitst in Oost-Walden (de eerste hutten) en West-Walden.

img_3471    eede003wald01ill04 Van Eedens moeder.                         hutje helemaal achterin van Carry

nico_van_suchtelen_1913         img_3472                                  Nico van Suchtelen                               Oud- Cruysbergen

Lopend richting ‘s Graveland, met aan de overkant het Spanderswoud, zien we rechts de Gamma en de Hocras. Daarvoor stond er de golfkartonfabriek van Van Meurs, waarvan het hoofdkantoor gevestigd was in het koloniehuis Groot Cruysbergen oftewel Walden, waar de meeste kolonisten woonden. In 1970 brandde dat totaal af. Tussen de Gamma en Hocras doorlopend zie je achter een hoge muur nog het dak van het huis van Truida Everts. In 1907 gaat Walden failliet en komt de schrijvershut dus bij  Groot Cruysbergen te staan. Twee jaar later verhuist Frederik naar het huis waarop dan nog steeds de naam Walden prijkt. Hij blijft er wonen tot zijn dood in 1932.  Van Eeden heeft eigenlijk geen geld om die villa aan te schaffen. Een oud-patiënte, Bertha Zimmerman, koopt het van eigenaar G.J.Dop, eveneens oud-patiënt, voor dertigduizend gulden om het vervolgens aan Van Eeden te schenken. Dat blijkt later nog al ver boven de taxatiewaarde, zeker omdat de grond onvruchtbaar is en een dermate schrale oogst oplevert, dat mede daardoor Walden mislukt. Komt nog bij dat Dop een jaar lang weigert de villa te verlaten. De familie van Zimmerman is fel gekant tegen de schenking, dus blijft het in handen van Bertha die in 1902 met Arthur van Schendel trouwt. Van Eeden neemt het huis over, waarbij Betsy van Hoogstraten de helft van het bedrag betaat, de andere helft is een schuld aan Zimmerman. Op gegeven moment kan Van Eeden niet voldoen aan schuldaflossing. Enfin, ook dat is medeoorzaak van het einde van Walden. De doodsteek is echter het vertrek van de bakkerij en de cacaofabriek, naar resp. Bussum en Amersfoort. Zij waren de enige vormen van bedrijvigheid die rendeerden.De verkoop van zelfgebouwde groente levert weinig op, evenals de honing uit eigen bijenstallen.

Op Walden wonen 38 personen, waarvan 16 in het grote huis, waaronder 7 kinderen. Er wonen arbeiders, intellectuelen en patiënten van Van Eeden. In 1900 meldt zich J.H.F.Grönloh bij Walden, maar hij wordt afgewezen omdat Van Eeden ‘arbeidskrachtige menschen noodig heeft met een gezond zenuwleven, die goed weten wat ze willen’. Als Nescio schrijft de afgewezene in Titaantjes:

In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen gaan, maar toen we op een Zondag er heen waren gelopen, vier uur gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds, in innige aanraking met de natuur, zoals dat toen genoemd werd, en z’n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet verder en liepen weer naar Amsterdam terug.

Boogaart en De Rooij schrijven: ‘Met het oog op de literaire reputatie van Walden kunnen we alleen maar verzuchten: had Van Eeden in 1900 Nescio maar wel toegelaten’. Nescio begint later met vrinden bij Huizen de kolonie Tames, wat ook geen succes werd.

Als we een glimp hebben opgevangen van het voormalige huis van Truida Everts, waar aan een wapperende vlag te oordelen een lid van een ‘heksenbeweging’ woont, lopen we terug naar de Franse Kampweg en zien rechts een tankstation. Vlak er voor loopt een landweg naar rechts, die al snel over een sloot voert. Die sloot komt uit de richting van ‘s Graveland en loopt helemaal door achter het voormalige Walden en de villa’s aan de Nieuwe ‘s Gravelandseweg. In deze sloot zwommen de Waldenbewoners, maar ook Herman Gorter. Vandaar ‘ ‘t luie gat’ als naam voor die sloot. Tegenover het tankstation bevindt zich de ingang van het landgoed Bantam, waar Van Eeden graag wandelde.  We lopen terug over de Franse Kampweg langs Spanderswoud, waar Van Eeden ook graag kwam en door heen fietste op weg naar Hilversum, naar zijn geliefde Betsy. Voorbij de afslag naar de Nieuwe ‘s Gravelandseweg doemt links de Franse Kampheide op. In 1672 sloegen Franse troepen van zo’n drieduizend man hier hun tenten op voor het beleg van Naarden. Rechts van de weg ligt al sinds 1932 een kampeerterrein voor minvermogende Amsterdammers; het was gekocht van de Erfgooiers. Wij steken de hei schuin over, komen op de Struikheiweg en gaan rechtsaf. Even later staan we weer voor station Bussum-Zuid.

eede003wald01ill13    img_3473  Groot – Cruysbergen                                                  De Gamma

img_3478        img_3658                     ’t luie gat                                                      plattegrond van Walden.

 

 

Literaire wandeling Bussum – deel 1

In 2011 kwam bij Uitgevrij Bas Lubberhuizen  het boek uit ‘Het beste mijner paradijzen’ van de hand van Ronny Boogaart en Eric de Rooij. Het boek bevat een drietal  literaire wandelingen door het Gooi. De eerste wandeling gaat door Bussum met Frederik van Eeden als uitgangspunt. Van Eeden woonde van 1886 tot zijn dood in 1932 in dit Gooise villadorp. In 1886 trouwde hij met Martha van Vloten, bij wie hij twee zoons kreeg: Paul en Hans. Ik maak dankbaar gebruik van dit boek, volg hun route en verslind hun informatie.

De wandeling start op de Oude RK Begraafplaats achter het station Bussum-Zuid. Vrij direct na de ingang zien we al het graf van Van Eeden, die over zijn eigen einde c.q.  uitvaart al in 1886 – hij is dan 26 – schrijft:

Spel mijner wereld!  - nu is het genoeg.                                                                                                               Wel zijn zij mooi, – de bonte dromen-reien,                                                                                                           de kleuren, en geluiden – en het licht-                                                                                                         doch laat het stil zijn, – want nu wil ik schreien…..                                                                                     Maar eer het eeuwig zwart gordijn zal vallen                                                                                             groet ik de levende gestalten allen                                                                                                                          die speelden voor mijn aangezicht.

(uit: Van de passieloze lelie)

Deze doodspoëzie is typerend voor de Tachtigers en voor Van Eeden zelf. Vanaf 1918 lijdt de man van Walden al aan een specifieke vorm van Alzheimer, de ziekte van Binswanger, waarbij de hersenen door verandering in de vaten worden aangetast. Symptomen zijn depressies en persoonlijkheidsverandering. Van Eeden typeert het zelf als een gevecht tegen demonen. Hij is dan al katholiek geworden vindt in pastoor Egbert Beumer zijn biechtvader, die dan ook de uitvaartmis leidt op 20 juni 1932 in de Bussumse St.Vituskerk.

Uit zijn dagboek:

Oover mijn zonden tob ik niet meer. God laat zich niet oovertreffen in eedelmoedigheid, zei pastoor Beumer. Ik zal strijden tot het einde – maar verwacht dan ook de kalme en gelukkige vreugde, die het heerlijkste was van mijn leeven. In al mijn groote zonde is toch de liefde de hoofdzaak. En mij zal veel vergeeven worden.

img_3442-2

 

We verlaten de begraafplaats en slaan de Nieuwe Hilversumseweg in. Al spoedig verschijnt aan de linkerkant de ingang tot de Algemene Begraafplaats, waar Van Eedens zoon Paul begraven ligt. Hij stierf in 1913 aan tuberculose, slechts 24 jaar oud. Een mooie lommerrijke begraafplaats, maar ondanks de routeaanwijzingen in het boek heb ik zijn graf niet kunnen vinden. Van Eeden wijdde een hele bundel aan Paul: ‘Paul’s ontwaken’ (1913). De laatste regel van het volgende gedicht is op de zerk ‘geschreven’. 

‘Slaap in! Nu komt de rust!’ zoo sprak mijn bang verstand                                                                     toen hij den Roep des Eeuw’gen wachtte aan’s Leevens rand.                                                               Maar hij sloot de ogen niet – hij oopende ze wijd                                                                                                   en hield zijn laatste kracht voor oovergang bereid                                                                                            de machtelooze vingren vouwend in gebed                                                                                                        totdat zijn blijde ziel verlost was en gered.                                                                                                            Zoo werd door hem mijn ijdel woord te schand gemaakt:                                                                              Hij is niet ingeslapen – maar in ‘t Licht ontwaakt.

We vervolgen de Nieuwe Hilversumseweg en slaan de tweede zijstraat rechts in, de Gooibergstraat, die over het spoor leidt. Links stond Villa Rosa, buitenhuis van Eduard Alberdinck Thijm en Rosalie Cuipers, dochter van de beroemde architect, die in Bussum, behalve de Villa ( afgebroken) de St.Vituskerk ontwierp. Beiden waren neef en nicht van Lodewijk van Deyssel. In de villa kwam ‘s winters de leesclub ‘De Vioolstruik’ bijeen, met Van Deysel als secretaris.

We steken de Brinklaan over en gaan rechtsaf de Prinsenstraat in. Op nummer 8 woonde de Vlaamse balling René De Clerq, een gast van Van Eeden op Walden.  Hij opent er een kunsthandel , De Blauwvoet, met werken van landgenoten. Het is de tweede keer dat de man “met die geweldige wapperende baard” (Victor van Vriesland) zijn toevlucht in Bussum zoekt. De eerste keer vlucht hij in september met een miljoen andere Belgen onze grens over na de Duitse inval van september 1914. De Clerq wordt de spreekbuis van een vrij Vlaanderen, vrij niet alleen van de Duitse bezetter, maar ook van Franse invloeden. Hij is de spil van de herdenking van de Guldensporenslag van 1302 in het Bussumse  Bos van Bredius. Er worden telegrammen gestuurd naar zowel Wilhelmina als naar koning Albert, maar de koning acht het telegram met de oproep van Vlaamse onafhankelijkheid ongepast. De Clerq, teleurgesteld in zijn reactie, wordt een radicale activist, wat tot ontslag leidt als docent aan de school voor Belgische vluchtelingen in Amsterdam.  Hij keert terug naar Vlaanderen, maar moet – omdat de activisten samenwerking met de Duitse bezetter niet schuwen – na de Duitse capitulatie wederom de wijk nemen en vindt dus onderdak in de Prinsenstraat. Hij overlijdt in het zelfde jaar als Van Eeden en wordt begraven in Maartensdijk en in 1982 herbegraven in zijn geboorteplaats Deerlijk, waarbij blijkt dat zijn baard nog ‘intact’ is.

img_3446 Prinsenstraat 8

Aan het eind van de Prinsenstraat gaan we linksaf de Sint-Vitusstraat in en lopen langs de genoemde kerk, al een tijdje in gebruik als appartementencomplex. Van Eeden is in 1922 katholiek geworden. Hij is dan al weer 15 jaar getrouwd met Truida Everts (1873-1952), die twee jaar eerder al overging tot het katholieke geloof. Hun beider zonen Hugo en Evert worden in dat jaar gedoopt. Milos Seiffert (1887 – 1941), Van Eedens Tsjechische vertaler en bewonderaar is in 1921 op bezoek en gaat op Goede Vrijdag – met grote weerzin, omdat hij zich juist van de RK-kerk had afgekeerd – met de Van Eedens mee naar de Sint-Vitus. Hij schrijft:

‘De streek baadde nog in de ochtendnevel, alleen de hei bij onze voeten kleurde bruin en achter de groene gordel van het lage dennenhout verhief zich de katholieke kerk, waar het ochtendfrisse, zo bijzondere echtpaar Van Eeden zich met flukse tred heen spoedde’.

img_3447  

We lopen een stukje terug en gaan linksaf de Kapelstraat in. Op de Kerkstraat rechtsaf en op de rotonde links de Landstraat in. In deze straat woonde van 1890 tot 1893 de journalist-schrijver P.L.Tak, die tot het ontvangstcomité behoorde van Paul Verlaine, als deze in 1892 ons land bezoekt.  We gaan linksaf de Havenstraat in en lopen tot de Brinklaan. Op Havenstraat 34 werd in januari 1903 een winkel geopend van de G.G.B., de vereniging Gemeenschappelijk Grond Bezit, waarvan de bakkers en de cacao-bewerkers van Walden lid waren. In deze winkel werd ‘Waldens Bruin- en Witbrood’ en ‘sportbeschuit’ verkocht” (Boogaart/De Rooij, blz.35)    Rijk de Goojier vertelde me ooit dat zijn vader als bakker begonnen was op Walden en later in Utrecht een eigen bakkerij begon.  We gaan rechtsaf de Brinklaan op en zien al snel rechts het gemeentehuis van Bussum. In de hal het bronzen beeld van ‘De kleine Johannes’, Van Eedens beroemdste schepping. Het is van de hand van beeldhouwster Margot Huding-Heldring en stond lang in een kalkstenen uitvoering in de Kom van Biegel in de buurt van Van Eedens villa Dennekamp. Helaas was het regelmatig doelwit van bekladding en vernieling.  

img_3450-2             img_3451

Voorbij het gemeentehuis linksaf de Nieuwe Englaan in, een mooie straat met aantrekkelijke huizen. De straat loopt tot aan het spoor, waar we rechts afslaan, Vlietlaan. Links het spoor over en dan vrij snel rechtsaf de Slochterenlaan, langs de Action en dan linksaf de Graaf Wichmanlaan in. Rechtsaf de Koningslaan in. Op nummer 4 staat Villa Helma. In deze villa woonde de weduwe van Theo van Gogh, Vincents broer. Johanna Bonger (1862-1925) en Theo waren op 17 april 1889 getrouwd. In 1890 wordt hun zoon Vincent Willem geboren, in het zelfde jaar sterft de beroemde schilder en een half jaar later haar echtgenoot. Met haar nog piepjonge zoontje verhuist Johanna naar Bussum. In haar dagboek schrijft ze:

‘Om hem (het kind) gezonde frisse lucht te geven, ben ik hier in Bussum gaan wonen, om de kost te verdienen voor ons beiden ben ik een pension begonnen. Nu moet ik zorgen dat ik door al die huishoudelijke beslommeringen niet verlaagd word tot een huishoudmachine, maar ik moet mijn geest wakker houden’.

Bij de inboedel behoren alle schilderijen, tekeningen en brieven van Vincent. Ze probeert naast het pension inkomsten te verwerven met de verkoop van werk van Vincent, maar dat bleek aanvankelijk een moeizaam karwei. Maar dan ontvangt ze steun van de kunstenaars die bij de Tachtigers behoren, onder wie Jan Veth en Frederik van Eeden. De laatste introduceert Vincent in De Nieuwe Gids. Van Eeden kende Van Goghs werk door een bezoek in het najaar 1890 aan de zieke Theo in Parijs. ‘De zaaier’ hing bij Frederik en zijn eerste vrouw tot hun scheiding bij hen aan de muur. Uiteindelijk lukt het Johanna Bonger  tot 1923  247 schilderijen en tekeningen te verkopen. In 1903 verhuist ze met haar nieuwe echtgenoot Johan Cohen Gosschalk naar Amsterdam. Als deze in 1912 overlijdt, verhuist ze met haar zoon naar New York om in 1919 weer naar ons land terug te keren. Intussen maakt ze ook in twee delen de brieven van Vincent van Gogh persklaar. 

img_3457  Villa Helma

We vervolgen de Koningslaan tot de Meerweg en dan linksaf, rechtsaf de Parklaan in. Op nummer 35 treffen we villa Op den Akker, waar Jan Veth woonde. Tussen de echtparen Veth en Van Eeden- Van Vlooten bloeit een hechte vriendschap op. Veth portretteerde Frederiks echtgenote en ontwierp de boekband van ‘De kleine Johannes’.

img_3458      img_3459

Terug naar de Meerweg rechtsaf komen we op een rotonde. Links aan de overkant waar nu een villa staat met rieten dak stond de eerste villa van Van Eeden en Van Vloten na hun huwelijk, villa Beukenoord. Ze wonen er van 1886 tot 1893. Hun beide zoons worden er geboren. Behalve kippen en een hond hoort ook het aapje Priem tot hun menagerie. Als ‘Kees’ speelt het dier nog een rol in De Kleine Johannes. Van Eeden is huisarts in die tijd, wat hem maar matig bevalt: ‘Twee jaar verbeuzeld in een dorpspraktijk waarvoor ik niet deugde’. Daarnaast heeft hij een psychiatrische praktijk in Amsterdam, wat hem ook zwaar valt. Zijn huwelijk verloopt eveneens stroef. Hij wordt in 1889 al verliefd op de getrouwde Betsy van Hoogstraten, met wie hij tien jaar een platonische verhouding onderhoudt. In 1907 gaan hij en Martha uit elkaar. Creatief verkeert hij ook in een impasse. Zijn inspiratie komt enigszins terug als Willem Kloos bij hem onderduikt. Die ziet in de verloving van zijn voor hem zeer dierbare Albert Verwey met Kitty van Vloten z’n leven instorten, overweegt zelfmoord, maar kiest voor onderduik. Bij de Van Eedens schrijft hij in twee dagen tien sonnetten. In zijn dagboek schrijft Frederik:

‘Kloos heeft hier verzen gemaakt. Een heel boek vol verzen er plotseling uitgeworpen in twee dagen. Het was heel prettig voor mij, – ik was er in en ‘t was me alsof ik er deel aan had (…) Wat een wonderbaarlijk maaksel is Kloos. Hoe heeft God het omhulsel ruw en slordig afgewerkt om daar binnen in met al zijn scheppingskracht een wonder te kunnen maken van teederbevend, doorzichtig-lichtend schoon. Ik ben in den laatsten tijd veel gelukkiger’.

Hij komt pas weer goed op gang na zijn afscheid van de Amsterdamse kliniek om volledig van de pen te gaan leven, waarbij hij financiële steun krijgt van zijn moeder. Van Beukenoord wordt er verhuisd naar villa Dennekamp.

eede003wald01ill03         img_3634                                                     Martha                                                        Van Eeden met zijn zoontjes Paul en Hans

Vanaf de Meerweg nemen we de Nieuwe ‘s-Gravelandseweg, langs de Spieghelkerk (PKN), waar ik zelf regelmatig voorga en het Willem de Zwijgercollege. Aan de linkerkant komen we de H.J.Schimmellaan tegen. Waar nu het lyceum staat, stond Anna’s Hoeve, het huis dat de schrijver Hendrik-Jan Schimmel (1823-1906) liet bouwen in 1878, genoemd naar zijn eerste overleden vrouw. Hij betrekt de villa met haar zuster, met wie hij trouwt. Schimmel dicht over de villa:

Er zweeft een lieve tooverfee                                                                                                                                   Op Anna’s Hoeve rond.                                                                                                                                              Ze neemt steeds stof en vezel mee                                                                                                                      Van weide- en heidegrond;                                                                                                                                     Beleid en zorg in d’eene hand                                                                                                                              In de andre een vruchtbare straal                                                                                                                        Roept zij de knoppen aan de plant                                                                                                                      En spreekt der bloementaal

Schimmel schrijft historische romans die Van Eeden in zijn jeugd verslindt. In 1885 komt hij bij Schimmel aan huis en mag in zijn omvangrijke boekerij over spiritisme rondsnuffelen. Het begin van zijn belangstelling voor het occulte. Schimmels graf op de Algemene Begraafplaats, die we eerder bezochten is helaas in 1974 geruimd. De H.J.Schimmellaan heette eerst Majoor Franslaan, omdat het toenmalige gemeentebestuur dacht dat dat een werk van Schimmel was. Tien jaar later wordt de vergissing ingezien en sinds 1917 draagt de laan de naam van de schrijver zelf. In Anna’s Hoeve vond later uitgeverij Van Dishoeck er onderdak, de uitgever van Vlaamse exil-auteurs en van Nederlandse schrijvers als Annie Salomons, P.C.Boutens en Theo Thijssen. Op de plek van het huis staat nu de aula van Het Willem de Zwijger.

img_3463             Spiegelkerk       img_3464           Willem de Zwijger

De Nieuwe ‘s-Gravelandseweg buigt verderop opeens naar rechts en kruist bij het begin van de Kom van Biegel de Parklaan. Als we die inlopen naar rechts zien we op nummer 4 het pand waarin destijds pension Parkzicht  was gevestigd. Willem Kloos neemt er op 1 oktober 1896 zijn intrek. Daarvoor had hij vanaf 8 mei wederom onderdak gevonden bij de Van Eedens. Frederik had er tegenop gezien, want Kloos was tegen de zin van zijn toeziend houdende arts Samson ontslagen uit het Utrechtse Krankzinnigen Gesticht. Uiteindelijk valt het mee. Het pension wordt bestierd door de weduwe Linn, met een zoon van 21 en een dochter van 18. Met de zoon speelt Kloos vaak een schaakpartijtje; het pianospel van de dochter kan hij niet verdragen. Van de Nieuwe Gids ontvangt hij maandelijks vijftig gulden, precies de prijs van de kost en inwoning.  Van Eeden en Kloos zien elkaar slechts eenmaal in de drie maanden voor een partijtje schaak. Op 5 april 1899 vertrekt Kloos uit Parkzicht naar Den Haag. Hij heeft Jeanne Reyneke van Stuwe leren kennen, trouwt met haar in 1900 en zij blijven bij elkaar tot zijn dood in 1938. Van Eeden en Kloos zijn gebrouilleerd geraakt, schrijven verzen tegen elkaar. Kloos zelfs tot na Frederiks dood. Toch kan Van Eeden soms ook een toon van vergevingsgezindheid aan slaan, zoals in een 1926 gepubliceerd vers:

Laat mij nog eenmaal u met zachtheid noemen                                                                                                  mijn vrind van jaren her, eens zo nabij.

(……)

Hoe hebben wij gedoold, geliefd, geleeden!                                                                                                      Nu staan wij beiden aan des grafkuils rand.                                                                                                    Vergeef wat U mijn woorden lijden deeden                                                                                                      tot weerzien dan – in ‘t beetje Vaderland.

Terug naar de Nieuwe ‘s-Gravelandseweg, naar ‘de Kom van Biegel’. De vijver ontstond in 1880 toen de Amsterdamse koopman J.H.Biegel het weggraven zand gebruikt voor een heuvel, waarop hij de villa Solitudine liet bouwen. In de twintiger jaren dreigde op die plek meer bebouwing, tegen het zin van bezorgde burgers. De gemeente kocht de grond in 1929 van de toenmalige eigenaar, de heer Brünot. Het was zwaar verwaarloosd en werd opgeknapt. Bij het parkje stond tot 1958 Van Eedens villa Dennekamp, een ontwerp van Berlage. Daarvoor in de plaats kwam het huidige lange flatgebouw. Er waren nog al wat mensen die in de vijver zelfmoord pleegden, in 1915, 1921 en in 1935. Hier stond ook het zandstenen monument De kleine Johannes, vaak beklad, onthoofd en in 1974 aan gort geslagen. Tegenover de Kom stond ook het huis van Dirk Witte wiens liedjes vertolkt werden door o.a. Jean Louis Pisuisse. Hij was later bewoner van ‘t Hooge Nest bij Huizen, waarover recent het prachtige gelijknamige boek van Roxane van Iperen verscheen. Het huis was in de oorlog  voor een paar jaar onderduikadres van Joden en broeinest van Joods verzet.

img_3465          Pension Parkzichtimg_3466          Kom van Biegel

De aard van Gooiland 6

We verkennen andere grond van Naarden. Wandelen wederom richting de vesting en slaan na de brug linksaf over de Korte Bedekte weg – het geasfalteerde fietspad – of over de wal zelf en bij een kinderboerderij dalen we af en steken de Burgemeester M.P. van Wettumweg over. Deze burgemeester (1867-1936) trad aan in december 1922 nadat een beoogde fusie met Bussum werd afgeblazen, tot grote vreugde van de Naarders. Enfin, met ingang van 2016 hoort Naarden met Bussum (en Muiden en Muiderberg) tot Gooise Meren.Marinus Pieter van Wettum ligt begraven op de oude begraafplaats aan de Amersfoortsestraatweg en was Ridder in de Orde van den Witte Leeuw van Tsjecho Slowakije. Naarden is de stad van de grote Tsjech Jan Amos Comenius. We vervolgen de wal, steken de Amsterdamsestraatweg over, vervolgen de tocht rond de vesting over al  de Admiraal Helfrichlaan die links af loopt naar Fort Ronduit. Conrad Emile Lambert Helfrich (1886-1962) was tijdens WO II de commandant van de Zeemacht in Nederlands Indië en daarna bevelhebber van de Zeestrijdkrachten. Fort Ronduit maakt deel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.  Wikipedia:

Fort Ronduit is een polygonaal fort in Naarden gebouwd in de periode 1873-1875 op de restanten van een eerder verdedigingswerk. Het fort diende ter bestrijking van de buitendijkse gronden ten noorden van de vesting van Naarden.

Het fort ligt ten noorden van de vesting van Naarden en ten zuiden van de toenmalige Zuiderzee. In de 17e eeuw lag op deze plaats al een schans ter bescherming van de haven van Naarden en in 1873-1875 werd het bestaande fort gebouwd.[1] Tussen het fort en de vesting ligt een verbindingswal zodat troepen ongezien door de vijand zich konden verplaatsen.

Het fort is voorzien van een wachthuis bij de ingang en een centraal gelegen bomvrije kazerne. In de bakstenen kazerne waren lokalen voor de manschappen, het verblijf voor de commandant en de officieren en de keuken.[2] In het midden waren magazijnen voor de opslag van munitie. Helemaal links en rechts van het gebouw zijn twee ruimten voor de stalling van het geschut.[2] Het gebouw is aan de frontzijde afgedekt met zand. In de frontmuur van de kazerne en de zandafdekking zijn twee gangen met deuren zodat de manschappen snel de kanonnen in de frontwal konden bereiken.[2] Het fortterrein wordt omgeven door een 25-35 meter brede natte gracht en verbonden met het land door een kraanbrug. Om de gebouwen ligt een hoge aarden wal met plaatsen voor het geschut.

In 1926 werd het fort, tegelijk met de vesting Naarden als vestingwerk opgeheven.[1] Het werd nog gebruikt als opslagplaats voor munitie.[1] In 1986 zijn de gebouwen gerestaureerd.

unknown-6 In het midden burgemeester Van Wettum.

800px-fort_ronduit_-_naarden_-_20533093_-_rce Fort Ronduit.

We wandelen terug en nemen in een bocht het Zuiderzeepad langs een naamloze kleine polder , waar ik eens in het ene weiland een enorme zwerm brandganzen zag, in een tweede weiland een zelfde zwerm grauwe ganzen en in een derde een grote troep Canadese ganzen. Het pad loopt onder de A1 door en brengt ons in een nieuwe deftige woonwijk bij de Naarder jachthaven, Naarderwoonbos geheten.. Langs deze sjieke woonwijk naar de weg die rechts naar het Naarder Bos zelf voert. Jarenlang een eidorade voor struinen, strandjes, kattenkwaad, cruisen, fietsen en wandelen, maar al weer een tijdje sjiek bebouwd en voorzien van een golfbaan. Bij de bocht rond de jachthaven kun je links nog wel de zgn. Westdijk op met links zicht op een groot deel van de Binnendijksche- Overscheensche- Berger- en Meentpolder en doorlopend kom je onder de A6 al spoedig in Muiderberg.

De aard van Gooiland 5

Bij het vakantiehuis AZ25 gaat de Oud Huizerweg door naar de kust van het Gooimeer. Van de voormalige speeltuin Oud Naarden is alleen een woonhuis over gebleven. Het Gooimeer is hier zeer ondiep, tot ver uit de kust is het nog slechts 1 meter. Dat was al zo toen het nog Zuiderzee heette. Jan P.Thijsse heeft het over “een suf, ondiep zeetje”. Al zeker vijftig jaar ligt er een prachtig fietspad naar de Huizer haven. We bevinden ons nog steeds op Naarder grondgebied, officieel Gooise Meren, waartoe Naarden, met Bussum, Muiden en Muiderberg toebehoort. Na het Magdalenabosch wordt het Huizer grondgebied. Naar welke Magdalena dit bos is genoemd? Geen idee. In Huizen is er ook nog een Magdalenaweg. De nabijgelegen Aalberg is ook naar een vrouw vernoemd, evenals de Sijsjesberg: een verbastering van Sijtjesberg. Enfin, we willen nog binnen Naarder grondgebied blijven en volgen de houtwal zuidwaarts tot we op de Bestevaer komen. De hockeyvelden behoren ook nog tot de Gooise Meren. De Bestevaer kruist met de Driftweg, waar langs de grens weer westwaarts loopt. We steken de Bestevaer echter niet over, maar slaan rechts af tot we bij een onverharde weg komen richting kust, de Zeeweg geheten, vroeger ook wel Lage Zeeweg genoemd. Het is feitelijk een verlenging van de Zeeweg in de bebouwde kom van Huizen. Langs deze weg gingen voor dat Huizen een eigen haven had (midden 19e eeuw) de karren met hoge wielen naar de kust en vervolgens het ondiepe water in tot aan de vissersboten die er voor anker lagen. Zij namen de gevangen buit over om die vervolgens aan land te brengen. De onverharde Zeeweg voert langs kleinschalige akkers, onderbroken door bescherming biedende houtwallen. Vroeger werd er boekweit op verbouwd en in mijn kindertijd ook aardappels en rogge. Na schooltijd gingen we in de zomer als de aardappels gebloed hadden naar die aardappelvelden om de tot vrucht uitgegroeide bloesem te plukken. Ze zagen er uit als tomaten, waren diepgroen en uiterst giftig. Net als de tomaat behoort de aardappel tot de familie van de nachtschade, maar anders dan bij een tomaat beetje de knollen onder de grond en niet de vruchten boven de grond. In het Huizer dialect heten die vruchten ‘papeklooien’. Ze stak ze op stokken van takken gemaakt en waaraan een punt gesneden was. De stokken werden gebruikt om de ‘pageklooien’ naar elkaar te slingeren. ‘Gé je mie  pageklooien zeuken op de nenge”, was ons onderling startsein tot een aardig vertier. “Nenge’ is Huizers voor eng, een oude benaming voor een akker. Via de Zeeweg kom je bij en op de Aalberg. De heuvel is 9 meter hoog en biedt een prachtig uitzicht op Gooimeer en Almere -haven. In het gebied rond de Aalberg zijn sporen gevonden van een Neanderthaler cultuur. Van de Aalberg kunnen we door bos – met grote kans op grote bonte spechten – naar de Eukenberg, ruim 14 meter hoog en waarschijnlijk ook een zgn. tafelberg, bestemd voor offerdiensten in heidense tijden. In de Gouden Eeuw bevondt zich op de heuvel een theekoepel en wellicht ook een baken/vuurtoren. Vanaf de Eukenberg komen we zuidwaarts op de Hoge Zeeweg, ook onverhard die een vormsplitsing vormt met de Oude Naarderweg die door bosgebied wederom richting kust voert. Direct na akkerland?eng links af en al spoedig zijn we bij Café Bos en Hei, al honderd jaar een begrip in de regio. Uitgebreid terras alle dagen het hele jaar door open, binnen een bruin cafeetje. Prima  dranken en spijzen tegen schappelijke prijzen. We lopen van het café zuidwaarts richting de Driftweg, een pad naar rechts door bos brengt ons bij het thans beroemdste huis van Het Gooi, wellicht van heel ons land, nl. ‘t Hoogenest. Onlangs verscheen over dat hoog oprijzende huis een buitengewoon boek van de hand van de huidige bewoonster Roxanne van Iperen. Bizarre oorlogsgeschiedenis, van onderduik, verzet van joodse zijde en verraad. We lopen weer terug en vervolgens vanaf het café  westwaarts langs een reusachtige villa De Twaalf Schepels. Een schepel is een oude inhoudsmaat voor m.n. droge waren als graan en meel; het betreft eentiende deel van een hectoliter. We komen wederom op de Oude Huizerweg, zie links een toegang tot Flevo Oord, een vakantiehuis en opvang van visueel gehandicapte kinderen. We wandelen terug tot Oud Valkeveen, slaan links af  en gaan de Valkeveense laan af. Halverwege kunnen we rechts af het Vogellaantje in die uitkomt bij de Meentweg bij een boerderij waar Ferry Hoogendijk (1933-1914) – oud Elsevier, oud LPF – woonde. Links ligt het landgoed Drafna. Hier informatie die Wikipedia geeft:

Vanaf de jaren zestig nam het aantal kinderen af en namen de kosten toe. In 1986 werd ook de subsidie van de gemeente Amsterdam stopgezet en noodgedwongen moesten er drie huizen worden verkocht. Sinds 1988 is het “Gustav Brieglebhuis” het enige huis dat het VKF in exploitatie heeft. Door grote inzet van een aantal vrijwilligers is het mogelijk om de kosten voor de exploitatie zo laag te houden dat de verhuurprijzen voor schoolkinderen laagdrempelig kunnen blijven. Want nog steeds komen heel veel kinderen hier met veel plezier en voor vertier.
Meer dan 100 jaar later is er nog steeds behoefte aan spelen in de buitenlucht! En ook zijn schoolkampen een ideale manier om elkaar beter te leren kennen. Het VKF blijft zich dan ook inzetten om deze unieke plek te behouden en te verbeteren. Samen met de vrijwilligers èn met behulp van incidentele bijdragen van symphatisanten. Wij willen dat er, net als 100 jaar geleden, kinderen kunnen komen logeren middenin de bossen van hun Valkeveen.

2015_huizen_copyright-pixelpolder_02032015_0d43168-nef_0037-300x199  Eukenberg.unknown-4 Drafna 1880

 

De aard van Gooiland 4

We blijven nog eve stilstaan bij het pretpark Oud Valkeveen. Inmiddels meer informatie er over vergaard: in 1645 kocht de rijke koopman Gerard Reynst een stuk grond tussen Naarden en Huizen en liet daarop een boerderij bouwen, die hij noemde naar dat stuk waar de boerderij op gebouwd werd. Reynst (1599-1658) was de zoon van een  gouverneur-generaal van Nederlands-Indië en woonde  aan Keizersgracht 290 in huize De Hoop. Hij was een verwoed kunstverzamelaar, met o.a. meesterwerken van Raphael, Titiaan en Tintoretto. Amalia van Solms, de echtgenote van Frederik Hendrik behoorde tot de voorname bezoekers van zijn collectie. In zijn hectisch bestaan had Reijnst behoefte aan een buitenplaats en dat werd dus op het grotere landgoed Oud Naarden (Oud) Valkeveen. Samen met die van zijn broer Jan behoorde zijn collectie tot de grootste van ons land. Jan had een groot deel van zijn collectie gekocht van de weduwe van de Venetiaan Andrea Vendramin. Een deel van die collectie kwam na Jans dood in bezit van zijn broer en werd derhalve van Venetië verscheept naar Amsterdam. Na de dood van Gerard verkocht diens weduwe zijn collectie aan diverse kopers; een deel werd aangekocht door de Republiek. Verder wandelend richting Huizen zien we links nog de restanten van een renbaan voor paarden en motoren in de dertiger jaren aangelegd als onderdeel van het pretpark en in de zeventiger jaren afgebroken. Rechts lopen we langs het kerkhof. In mijn kindertijd lag daar ook een zomercamping met huisjes en tenten. Links voert een breed pad – Zuiderzeeweg geheten – naar het Gooimeer en mooie verborgen strandjes. Even verder op het Roelofslaantje, die met een bocht weer uitkomt op onze wandelroute en na een bult Oud Huizerweg heet. Aan het laantje – genoemd naar de al eerder vermelde Amsterdamse wijnhandelaar uit de 17e eeuw – liggen een paar fraaie huizen. Ik weet dat ooit Willem Jan Otten en Vonne van der Meer er woonden. Tevens vinden we er Kindervakantiehuis Valkeveen, ook wel Gustav Brieglebhuis genoemd.  Van de website van dit vakantiehuis:

In 1905 nam een groep Amsterdamse onderwijzers het initiatief om met 2000 kinderen van de basisschool een dagje buiten de stad door te brengen. Amsterdamse bleekneusjes die niet met vakantie gingen omdat hun ouders daar niet de middelen voor hadden, kwamen hiervoor in aanmerking. Eén dagje konden de kinderen weg uit de armoede, weg van hun werk òf van de zorg voor hun broertje of zusje. Ze mochten één heerlijke lange dag alleen maar spelen in de frisse lucht. De onderwijzers organiseerden zich in de stichting Vakantie Kinder Feest (VKF), want het was een zodanig succes dat het navolging kreeg. Vanaf toen gingen elk jaar duizenden kinderen één dag naar buiten in de vrije natuur. ‘s Morgens 7 uur vertrokken ze naar het Centraal station van Amsterdam. Uitgezwaaid door wel 8 muziekcorpsen en natuurlijk hun familie. In extra lange treinen werden de kinderen vervoerd naar o.a. Bussum, Valkeveen, Hilversum, Baarn, Haarlem, IJmuiden, Wijk aan Zee, Bloemendaal, Zandvoort en Castricum. Het was een ongekende belevenis.

Het “Gustav Brieglebhuis” is geschonken door de Heer O.W.G. Briegleb, directeur van de Ripolin verffabrieken. Hij en zijn vrouw sponsorden het VKF al vanaf 1912. Zij genoten zo van de kinderfeesten dat zij graag zagen dat het feest ook na hun dood door zou gaan. Door hun legaat kon dit huis worden gebouwd. De vereniging “Voor de jeugd” zag zich in dezelfde tijd genoodzaakt hun bijeenkomsten te stoppen en zij besloten hun prachtige kampeerterrein van bijna 6 hectare (geschenk van wijlen Mevrouw A.M. den Tex-Boissevain) af te staan aan het VKF. De ligging midden in de bossen en de grote speelweide maken het vakantiehuis de ideale plek voor schoolreisjes. Het oorspronkelijke Kindervakantiehuis is inmiddels aangepast aan de wensen van mensen van deze tijd, maar wel met behoud van de traditionele sfeer.

Vanaf de jaren zestig nam het aantal kinderen af en namen de kosten toe. In 1986 werd ook de subsidie van de gemeente Amsterdam stopgezet en noodgedwongen moesten er drie huizen worden verkocht. Sinds 1988 is het “Gustav Brieglebhuis” het enige huis dat het VKF in exploitatie heeft. Door grote inzet van een aantal vrijwilligers is het mogelijk om de kosten voor de exploitatie zo laag te houden dat de verhuurprijzen voor schoolkinderen laagdrempelig kunnen blijven. Want nog steeds komen heel veel kinderen hier met veel plezier en voor vertier.
Meer dan 100 jaar later is er nog steeds behoefte aan spelen in de buitenlucht! En ook zijn schoolkampen een ideale manier om elkaar beter te leren kennen. Het VKF blijft zich dan ook inzetten om deze unieke plek te behouden en te verbeteren. Samen met de vrijwilligers èn met behulp van incidentele bijdragen van symphatisanten. Wij willen dat er, net als 100 jaar geleden, kinderen kunnen komen logeren middenin de bossen van hun Valkeveen.

De bult over, maar rechts nog op die bult Tussen de bomen, een plek voor diners en kleine conferenties, gelegen op het oorspronkelijke terrein van landgoed Leeuwenberg. Daarna rechts prachtig zicht op een oorspronkelijke zandafgraving en nu dus een idyllisch weidegebied met vaarten en kleine boompartijen en zomers vee. Links bos – met wandelmogelijkheden – van het landgoed Oud Naarden en al spoedig de entree tot een kloeke oude boerenhoeve. Al zes eeuwen wordt op het landgoed geboerd. Te beginnen met twee monniken van de Orde van Sint Paulus uit Amsterdam die omstreeks 1420 door dit gebied trokken en langs de kust een weide vonden waaraan ze twee hutten bouwden, een kleine kapel bouwden en vee begonnen te houden. De plek lag ter hoogte van de puinhopen van het in 1350 verwoeste Naarden. Andere monniken legden zich bij hen en er ontstond een kloostergemeenschap: ‘Convent van Oud Naarden’. Dit klooster groeide uit tot een vermogend boerenbedrijf. In 1579 toen de Staten van Holland besloten kloostergemeenschappen verbeurd te verklaren bracht de prior het convent onder bij het stadsbestuur van Naarden onder de voorwaarde dat de opbrengst bestemd zou zijn voor het stichten van een weeshuis. Een jaar ervoor werd het (gemengde)boerderijbedrijf al verpacht aan Elbert Egbertsz uit Hilversum. Naast een bedrag in geld werd de pacht vooral in natura betaald, wat voor honderden jaren heeft gegolden. Ook de huidige boeren pachten het en wel van de familie Dudok van Heel. De Zuiderzee is altijd een woelig zeetje geweest die veel kustland wegsloeg, ook van het landgoed. Het klooster viel ook ten prooi en in 1825 leek de boerderij aan het woeste water ten onder te gaan. De toenmalige eigenaresse, weduwe Alida Elisabeth Bredius-de Lalane de Duthay (1744-1827) besloot de boerderij acte breken en verder landinwaarts weer op te bouwen en daar ligt het nu nog steeds. Na een honderd meter komen we op een splitsing. Rechts de Zanderij, de laatste afgraving vóór Huizen. Links voert een onverharde weg naar de voormalige speeltuin Oud Naarden, waar ik als kind regelmatig kwam voor glijbaan, klimrek en limonade en voor het aardige strand. Meestal betrokken we het strandje rechts naast de uitspanning, want gratis. Op de hoek het AZ25 vakantiehuis. Dat bestaat al sinds 1925 en was een initiatief van Henk Lucassen, woningbouwbestuurder in Amsterdam. Hij verwierf een directiekeet en verplaatste dat naar een stukje aangekochte grond bij landgoed Oud Naarden. eerder had hij al het initiatief genomen tot een speeltuin voor kinderen van arbeiders van de Zuidergasfabriek aan de Amstel in de Duivendrechtse polder. Tot het uitbreken van WO II hebben duizenden Amsterdamse speeltuinkinderen ge genoten van natuur en strand. Na de oorlog konden scholen hun werkweken in het huis houden. Op 18 juli 1957 bracht koningin Juliana een bezoek aan de door haar uniek genoemde kinderspeelplek. Vanaf de zeventiger jaren vonden naast jeugdorganisaties en scholen ook particulieren vertier in deze oase. In de 80er jaren is het drastisch gerenoveerd.

De aard van Gooiland 3

We lopen een alternatieve route naar Oud Valkeveen. In plaats van vanaf de dijk rechts het Oostdijkpad te volgen, dalen we dijk links af  en nemen de onverharde weg – nog steeds Oostdijk geheten – naar de Meentweg en slaan daar links af. Ter linker zijde staan een aantal prachtige landhuizen en villa’s, waarvan hun achtertuinen grenzen aan het polderland. Op een uitgebreide kaart kunnen we lezen dat deze aan de waterkant wordt afgesloten door de Zanddijk. In mijn jeugd, toen de huidige A1 daar nog niet liep, kwam ik er wel vanwege kleine rustige strandjes. Ik herinner me nog goed dat eenmaal daar ook een oudere man zich had geposteerd en toen ik langs kwam opende hij zijn jas en keek ik op zijn geslacht, waarvan in mijn herinnering zijn ballen het formaat hadden van een grapefruit. Een heuse potloodventer. Hij was niet de enige die in Het Gooi actief was. Je hoort nooit meer van dit soort exposanten.                                                                                                 Enfin, wie geld genoeg heeft en fraai wil wonen: een drietal villa’s staan te koop, variërend van 1 1/2 miljoen tot zo’n 2 1/2 miljoen euro. Ter rechterzijde van de Meentweg passeren we de toegang tot het Internationaal Theosofisch Centrum St.Michaël. Op dit terrein ook een kerk , gewijd aan de heilige Michaël en alle engelen. Ze noemen zich een Vrij-Katholieke kerk, volledig los van de RK kerk, met een “Christelijke leer, geïnspireerd vanuit theosofie en gnosis”. Ik neem over van hun website:

De Vrij-Katholieke Kerk vindt dat iedereen volkomen vrij moet zijn om een eigen zienswijze te vormen. Ieder mens draagt daar zelf de verantwoordelijkheid voor. Alleen in zo´n klimaat kan de mens zich verder geestelijk ontwikkelen. In haar naam staat vrij daarom, naast onafhankelijkheid, ook voor vrijheid bij het uitleggen en begrijpen van de bijbel en andere oorspronkelijke geschriften en bij het interpreteren van de de vrij-katholieke opvattingen.  In haar naam duidt katholiek er verder op dat deze kerk in haar oorspronkelijke betekenis universeel is en deel uitmaakt van Christus´ onzichtbare Kerk, waarvan de zichtbare kerken slechts afspiegelingen zijn

Hierin lijkt de kerk sterk op de Vrijmetselaars, ofschoon die zich niet specifiek christelijk noemt en ook geen kerk wenst te zijn. Theosofie is een wijsheidsreligie (Grieks: Theos= god; sophia = wijsheid) die er vanuit gaat dat elke religie een deel van de waarheid in zich heeft, dat die waarheden zich laten kennen door middel van ons verstand om die te ‘ontsluieren’ en niet door ‘openbaring’. De bekendste naam die hierbij hoort is Helena Blavatsky (1831-1891). Gnosis is het Oudgriekse woord voor ‘kennis’. Het is het verwerven van inzicht in de oorsprong, huidige situatie en bestemming van de mens, zoals het wordt verwoord in een Wikipedia-lemma. Gnosis komt als concept in diverse religieuze tradities voor. In het vroeg christendom was het een voorname stroming, waartegen ook veel verzet kwam. Volgens aanhangers moet het Johannes-evangelie als een gnostisch geschrift gelezen worden. Tijdens mijn theologiestudie kreeg ik o.a. college van Gillis Quispel (1916-2006) die geschiedenis van het vroege christendom doceerde en een groot kenner en kritisch aanhanger van de gnostiek. Wikipedia over Quispel:

 In 1945 werden de Nag Hammadigeschriften gevonden, een verzameling teksten uit de begintijd van het christendom. Al die geschriften waren Koptischevertalingen van teksten die oorspronkelijk in het Grieks geschreven zijn. Het handelde om dertien codices die in totaal tweeënvijftig – voor het grootste deel gnostische – geschriften bevatten. Die vondst betekende een grote stimulans voor nader onderzoek van de gnosis. Quispel hoorde in 1948 van een Franse collega, Jean Doresse, van de vondsten. Quispel trachtte net als meerdere Europese geleerden toegang te krijgen tot de gevonden codices. Doresse was de eerste die van een deel van het materiaal foto’s had weten te maken. Hij was ook de eerste die tot de conclusie kwam dat een Evangelie van Thomas tot de manuscripten behoorde. In een later stadium zou Doresse in de concurrentiestrijd om tot de eersten te behoren die over de teksten kon publiceren door zijn collega’s buitenspel gezet worden. Quispel bleef wel nauw samenwerken met een andere Franse collega, Henri-Charles Puech.

Quispel nam contact op met Carl Gustav Jung. Twaalf van de dertien codices waren inmiddels in handen van het Koptisch museum in Caïro. Quispel wist in 1952 de laatste codex nog niet in het bezit van het museum voor een bedrag van 35.000 Zwitserse francs aan te kopen voor het Jung- Instituut. Deze codex, de huidige codex I, wordt dan ook wel de Jung-codex genoemd. Op basis van een overeenkomst met de verkoper werd de aankoop van de codex anderhalf jaar geheim gehouden. Het bleek echter dat van deze codex ongeveer veertig pagina’s ontbreken, waarvan het vermoeden was dat deze wel in een koffer in het Koptisch museum waren.

Quispel wilde eind 1953 daarom naar Egypte reizen. Dat werd volgens hem verhinderd door reacties in de Nederlandse pers na de bekendmaking van de aankoop. In een artikel in de Groene Amsterdammer had de hoogleraar theologie C.W. Mönnich Quispel verweten argumenten in artikelen te gebruiken die ontleend waren aan de Jung-codex terwijl zijn opponenten niet over die tekst konden beschikken. Quispel reageerde pas enige tijd later in een artikel in het Algemeen Handelsbladmet de opmerking De heer Mönnich is mij persoonlijk onbekend. Ik moet hem echter verzekeren, zich niet in het gesprek van serieuze mensen te mengen. Het voorval was voor de theoloog Jan Buskes aanleiding om In de Waagschaal zijn gedicht Quispel-door te publiceren.

Bijeenkomsten op Het Loo en Soestdijk brachten Quispel in contact met koningin Juliana, die grote interesse voor de geschriften had. Zij verzoekt Johan Willem Beyen, de minister van Buitenlandse Zaken, de ambassade in Caïro in te schakelen voor het assisteren van Quispel. Naast de nog vermiste veertig bladzijden van de Jung-codex ging het Quispel vooral om de toegang tot de tekst van het Evangelie van Thomas. In deze fase speelde een andere hoogleraar in Utrecht, Willem van Unnik, een belangrijke rol bij die inspanningen. In 1955 bracht Quispel wel een bezoek aan Caïro. Daarbij werd uiteindelijk de betreffende koffer geopend waarin inderdaad de nog ontbrekende veertig bladzijden zaten. In dat jaar publiceerden Quispel, Puech en van Unnik gezamenlijk een uitgave met drie studies over de Jung-codex.

In 1956 werd tijdens een bijeenkomst in Caïro afgesproken dat de Jung-codex na de wetenschappelijke vertaling in bezit zou komen van Egypte en een internationaal comité van experts alle Nag Hammadigeschriften zou publiceren die door Brill zouden worden uitgegeven. Alleen leden van het comité zouden toegang hebben tot de manuscripten. Quispel kon vertrekken met fotokopieën van de volledige tekst van het Evangelie van Thomas.

Pahor Labib, de directeur van het Koptisch museum, hield zich echter niet aan een van de afspraken en publiceerde kort daarna een editie met onder meer de tekst van de veertig bladzijden die vermist waren en het Evangelie van Thomas. Die teksten waren vanaf dat moment voor iedereen toegankelijk. Duitse onderzoekers waren tot dat moment geheel niet betrokken geweest bij de ontwikkelingen. Die grepen nu hun kans. In Duitsland verschenen al snel wat Quispel als piraten editiesbenoemde. De Duitse theoloog Johannes Leipoldt is de eerste Europese onderzoeker die in 1958 een volledige vertaling van het Evangelie van Thomas publiceerde. De vertaling van Quispel verscheen in 1959.

Al kort na de aankoop van de Jung-codex in 1952 werden Puech en Quispel belast met het vertalen van de vijf traktaten die deze bevatte. Iets later werd Michel Malinine aan dit team toegevoegd. De laatste was een egyptoloog en koptoloog. Hij moest de niet optimale kennis van het Koptisch van Quispel en vooral bij Puech aanvullen. Het oorspronkelijke plan was geweest om in ieder geval een vertaling van het Evangelie der Waarheid uit te kunnen brengen bij de bekendmaking van de aankoop in november 1953. Dat bleek onhaalbaar. Een tweede dead-line, de 80ste verjaardag van Jung op 26 juli 1955, werd ook niet gehaald. De eerste – Duitse – vertaling dateert van begin 1957.

Het Jung-instituut en met name zijn directeur Meier had grote zorgen over het trage tempo van de vertalingen. Belangrijke oorzaken waren de niet optimale kennis van het Koptisch bij Puech en Quispel en het feit dat Malinine die deze kennis wel had naar het oordeel van Quispel en Puech weer onvoldoende benul had van gnostiek. De verhoudingen binnen het team konden ook gespannen zijn. In 1958 probeerde Meier dan ook de drie te vervangen door de koptoloog Walter Till die wel voldoende kennis had van de gnostiek. Dit ging uiteindelijk niet door. Till werd wel toegevoegd aan het team en zorgde ook voor een zekere versnelling van het vertaalproces. Ook anderen werden, vooral na het overlijden van Till in 1963, onder hevige oppositie van Quispel als assistent of als co-auteur aan het team toegevoegd. De Verhandeling over de Opstanding was in 1963 gereed, het Geheime boek van Jacobus in 1968, het eerste deel van de lange tekst van de Verhandeling in drie delen in 1973, het tweede deel van de verhandeling en het Gebed van de apostel Paulus in 1975. Pas in dat jaar werd de codex overgebracht naar het museum in Caïro.

Quispel is in veel artikelen en interviews op deze gebeurtenissen ingegaan. Na zijn overlijden is nieuw materiaal over die jaren beschikbaar gekomen. Onderzoek op basis daarvan heeft tot nuancering van de opinies van Quispel daaromtrent geleid. De essentie daarvan is dat Quispel een belangrijke rol heeft gespeeld, maar dat hij de rol van enkele anderen onderbelicht heeft. Dat geldt voor zijn collega Van Unnik en met name voor die van het Jung-instituut en zijn directeur Meier. Het idee om de Jung-codex aan Egypte te schenken in ruil voor toegang tot alle teksten was afkomstig van Meier. Het instituut had bij de onderhandelingen duidelijk de leidende rol en was verreweg de belangrijkste speler. De rol die koningin Juliana heeft gespeeld werd door Quispel echter sterk overbelicht. Quispel heeft die geformuleerd in termen dat zonder haar ingrijpen hij in 1955 niet naar Cairo had kunnen reizen. Nog in 2003 meldde hij dat als Juliana er niet was geweest de Nag Hammadigeschriften, inclusief het Thomasevangelie nu nog in de koffer lagen van het Koptisch museum.[1]

Tijdens de bijeenkomsten op Het Loo en Soestdijk was ook steeds Greet Hofmans aanwezig, een gebedsgenezer en adviseur van koningin Juliana. Hofmans kwam ook bij Quispel thuis. Haar aanwezigheid aan het hof leidde tot de “Greet Hofmans-affaire” en tot de verwijdering van Greet Hofmans uit de omgeving van de koningin. Quispel heeft later altijd de invloed van Hofmans op een politieke stellingname van Juliana weersproken en bestreed dat Juliana in de ban zou zijn van Hofmans. Hij noemde Hofmans een bijzondere vrouw met een hoogstaand karakter. Een profetes in de oerchristelijke betekenis van het woord, een vrouw die door de Geest geïnspireerd wordt om iets nieuws aan de Openbaring toe te voegen. Quispel vergeleek de acties tegen haar met de kruistochten tegen de katharen en herhaalde vele malen dat Hofmans als een zondebok werd gebruikt.[2][3]

We wandelen verder tot aan een hek, waar vandaan we een mooi zicht hebben op weiland en Gooimeer; ooit liepen hier ook koeien van een broer van mijn vader, oom Tijmen. We slaan rechts af, waar de Meentweg een onverharde weg wordt met fietspad er langs. Spoedig zien we links al het attractiepark Oud Valkeveen. Oorspronkelijk was het een boerderij die een rijke Amsterdammer liet bouwen op zijn landgoed Oud Naarden. Eind 18e eeuw is het landgoed in bezit van de familie Hugues, de schoonfamilie van de al eerder genoemde Van Rossum. Deze kocht het in 1823 van de erven Hugues, maar een jaar later verkoopt hij het al weer door aan de Amsterdamse wijnhandelaar Otto Roelofs. Een deel van de Valkeveense laan heette vroeger het Roelofslaantje.  De stoomtramverbinding tussen Amsterdam en het Gooi (Gooische moordenaar, vanwege diverse ongevallen met dodelijke afloop) gaf na 1880 de mogelijkheid voor een uitje naar het mooie strand van Oud Valkeveen, waar velen gebruik van maakten. De eigenaren van de boerderij zagen hun kans schoon en zorgden voor een natje en een droogje en zo ontwikkelde zich een pannenkoekenboerderij. In 1930 kwam er een speeltuin bij. In 1980 werd circusdirecteur Toni Boltini eigenaar/exploitant. Vandaar dat hij ook op Nieuw Valkeveen begraven ligt. De huidige eigenaar dreigde het park vorig jaar te sluiten vanwege een prettaks die de gemeente wilde invoeren. Op Valentijnsdag draaide de gemeenteraad het besluit terug.

unknown-6 Blavatsky   gilles-quispel  Quispel

images-1      images