Huizen als vissersdorp

Toen ik geboren werd was het met Huizen als vissersdorp al gedaan. Er was aan de haven nog wel een kleine afslag (veiling), waar vis geveild werd van een enkele Volendammer, Urker of Harderwijker schuit. Er was nog één Huizer botter, de Huizen 1, die in 1961 voor het laatst de haven verliet. Het was de schuit van Joost Westland, getrouwd met een zuster van mijn opoe van vaders kant. Met zijn kleindochter Hannie heb ik lagere school, Mulo en kweekschool in Utrecht doorlopen.                                                                                               Op de Gooische kust is altijd wel professioneel gevist, maar pas in de 18e eeuw neemt het in Huizen een grote vlucht, wat af te lezen is aan de groei van het aantal huizen: van 140 in 1650 tot het dubbele een eeuw later, terwijl het woningenbestand in de andere Gooise dorpen ongeveer gelijk gebleven is. Eeuwenlang werd de vis door karren aan land gebracht. De schuiten lagen voor anker, aan de zgn. Reede, zo’n 500 meter van de kust. Huize kende geen haven, mocht er ook geen, omdat het stapelrecht sinds de 14e eeuw voorbehouden was aan Naarden. Dus ook het lossen per kar was feitelijk niet toegestaan, maar de haven van Naarden verzandde. Halverwege de 18e eeuw verordende de Provinciale Staten van Noord-Holland dat de gevangen haring aangevoerd moest worden in andere watersteden. De Huizer vissers trokken zich er niet veel van aan en veel toezicht was er blijkbaar ook niet. Een verzoek aan koning Lodewijk Napoleon in 1806 om gerechtigd te zijn op de Reede te lossen werd door hem gehonoreerd. In die tijd stonden 73 bosschuiten, zoals de Huizer hun botters noemden, geregistreerd. Het aantal groeide tot zeker 100 en het maakte het lossen aan de Reede steeds moeilijker. Door ijsgang en stormen was die Reede ook geen veilige plek voor de schuiten. In 1803 werden vier schuiten door het ijs verwoest en in 1827 zonken er 16 schepen. In de winter lagen de schuiten in Muiden of in de monding van de Eem. De noodzaak van een eigen haven deed zich steeds meer gevoelen. De haven kwam gereed in 1854 en Huizen telde toen bijna 190 botters. Het bracht zeer veel nevenactiviteiten mee, zoals haringrokerijen, zgn. hangen; scheepswerven, zeilmakerijen en taanderijen. Het tanen van de netten was een nevenactiviteit van mijn opa Vos, naar wie ik vernoemd ben. De familieboekerij stond niet voor niets voor een deel aan de Taanderstraat. Ook zorgde opa voor de loden kogels die de netten verzwaarden tot vangdiepte. Ik heb twee zwaar koperen tangen in bezit, waarin het lood gegoten werd en tot kogels stolden. Er werd dus vooral gevangen op haring die tot bokkingen werden gerookt en waarvan miljoenen exemplaren werden uitgevent in ons hele land en ver daar buiten, m.n. naar Duitsland. Er was een Huizer roker die zelfs z’n vis wist te slijten in Noord-Spanje. De venters werden kruiers genoemd. Huizen kende eind 19e eeuw zeker achttien rokerijen en was zo belangrijk voor de haringvangst dat de prijs van de haring/bokking er werd vastgesteld voor de hele handel. Behalve op de Zuiderzee werd ook op de Noordzee gevist. De komst van de Afsluitdijk zorgde in Huizen voor een enorme omslag. De Huizer visserij was al over haar hoogtepunt heen, het aantal botters was al teruggelopen en het gemeentebestuur voorzag dat door de komst van de Afsluitdijk het economisch verlies nog veel groter zou worden met grote werkloosheid onder de vissers tot gevolg. Men schakelde over naar de huizenbouw en bood jonge vissers een omscholing aan tot timmerman of metselaar. Er was ook vraag naar bouwvakarbeiders in het Gooi. Nergens werd zo snel afscheid genomen va de visserij als bedrijfstak als in Huizen. Tot op de dag van vandaag telt Huizen zeer veel bouwbedrijven, relatief de meesten van ons land. 

historie-huizer-haven-3   historie-huizer-haven-2

historie-huizer-haven

 

De haven van Huizen lag vrij ver van het dorp. De Havenstraat liep en loopt vanuit het oude dorp door een dijkachtige duin als restant van de Utrechtse heuvelrug over ‘t Harde, een overgangsgebied van zand en aangeslibd klei om na een paar honderd meter pas aan de haven te komen. Langs de Havenstraat lagen de meeste rokerijen en aanverwante bedrijven. In mijn jeugd was er nog een enkele hangen (van het hangen van de vis aan de spieën).  Verder was er industrie gekomen, zoals Balatum, fabriek van linoleum, een textielfabriek, een porceleinfabriek en op de kop van de haven het bedrijf waar jaren mijn vader werkte, eerst als vrachtwagenchauffeur en later als bedrijfsleider: Bouwmaterialenhandel Gebr. Vos. 

Gasfabriek

11742853_484391485049254_2303352814590378776_n 11053139_484391495049253_1723896300584134073_n

11760099_484391481715921_7030198099831726663_n

 

Beelden van de gasfabriek aan de Havenstraat in Huizen uit het oorlogsjaar 1941. Op de onderste foto staat vierde van rechts staande mijn opa. Wat hij precies deed op de fabriek? Waarschijnlijk iets administratiefs, aangezien hij met z’n linkerhand nauwelijks iets kon, zijn vingers stonden naar binnen ‘geklauwd’ vanwege dat schot uit eigen geweer. Een van de grote ronde ketels staat er nog en is bestemd als De Krachtcentrale voor culturele doeleinden. Aan de Havenstraat stonden visrokerijen, en later de Balatum, waar linoleum gefabriceerd werd, een vestiging van Philips, een textielfabriek, de eerste voetbalvelden van SV Huizen, totdat je eindelijk bij de haven kwam, die in vergelijking tot andere Zuiderzeeplaatsen vrij ver van het dorp lag en pas in de 19e eeuw gegraven werd. Daarvoor werd de vis in de Zuiderzee zelf gelost in karren met hoge wielen die vanaf het strand het water inreden. Eeuwen had Huizen geen haven, maar een rede. Langs wat nu het Gooimeer heet is het prachtig wandelen, met een rijke variatie aan flora en fauna. Gisteren heb ik er met een vriend gelopen, vanaf de haven naar Oud-Naarden. Een buizerd die vanaf een paal opvloog, kramsvogels, spreeuwen, koperwieken, Vlaamse gaaien, kokmeeuwen, aalscholver, boomkruipers en boomklevers en de grote bonte specht: gevederde makkers die oog en hart stelen en strelen. Oud-Naarden was vroeger een sympathieke kleine uitspanning/speeltuin. En net vóór de speeltuin een klein openbaar strand aan wat Jac. P.Thijsse het suffe ondiepe zeetje noemt in zijn Verkadealbum Langs de Zuiderzee. Voor ons kinderen was dat ondiepe zeetje juist een weldaad: je kon heel ver het water in zonder gevaar, een enorm zwembad vol badvermaak en ‘s winters kon je er al snel op schaatsen. Daar kon geen ijsbaan tegenop. Oud Naarden bestaat niet meer; er staat nog wel een villa, maar zonder speeltuin, zonder cafeetje, terras, limonade, ijs, koffie, thee, bier. Oud-Naarden verwijst naar het vroeg-middeleeuwse Naarden, dat hier lag in dat  ’suffe ondiepe zeetje’ , maarwat als nederzetting ten onderging in de woeste golven als het weer eens stormde. De strijd er tegen gaf men op en men bouwde een nieuwe nederzetting, op hogere grond en dat werd het huidige Naarden, gelegen binnen die prachtige vesting over wiens wallen je helemaal rond wandelen kan, met steeds een ander magnifiek zicht op de Grote of St.Vituskerk, beroemd vanwege zijn gewelfschilderingen en de jaarlijkse Mattheus Passion-uitvoering. Die gewelfschilderingen zijn opgenomen in de het magnum opus van collega Piet Oussoren, zijn vertaling van de Bijbel uit de beide grondtalen en daarom Naardense Bijbel genoemd. Dat Naarden , waar ik nu – buiten de veste – woon en zeer waarschijnlijk niet geboren ben, ondanks een overgeleverd gerucht. Ik ben geboren in het huis van mijn grootouders van moeders kant, waarvan mijn opa op de gasfabriek werkte. Mijn oma was de dochter van een Friese lekenprediker uit de Friese Wouden, uit Tietjerksteradeel. Akke Venema, die ik niet heb gekend, omdat ze vrij kort na mijn geboorte overleed. Mijn oma die om haar naam gepest werd als Akke  Kakke. Daarom werd mijn zus niet haar grootmoeder vernoemd en kreeg ze de naam Paula. Nichtjes van mij werden halfhartig  naar grootmoeder vernoemd als Anke. Deze halfhartigheid zinde met name mijn vader niet. Je vernoemt helemaal en echt of helemaal niet. Enfin, een jaar na mijn geboorte verhuisden wij naar de Taanderstraat, hartje dorp en betrokken een woning die mijn opa Vos aan de boerderij had laten bouwen.

1949

Het jaar van mijn geboorte is ook dat van de geboorte van een aantal nieuwigheden, zoals het op de markt brengen van de eerste ‘single’ door RCA en de primeur van De Groene Amsterdammer met een cryptogram. Ruim twintig jaar geleden leerde een toenmalig vriendje mij de schoonheid en de opwinding van het oplossen van cryptogrammen zien. Dat was het Scrypto van de NRC en sindsdien gaat er vrijwel geen weekend voorbij of ik zet mij aan het cryptogram , eind van de zaterdagmiddag, met een Westmalle tripel binnen handbereik. Soms doe ook die van De Volkskrant nog en heel af en toe waagde ik me aan die van De Groene, de allerlastigste der cryptogrammen.  In mijn geboortejaar komt voor het eerst de Knesseth bijeen en wordt de eerste Israelische president gekozen. Het is het jaar van de eerste non-stopvlucht rond de wereld door het Vliegend Fort van de Amerikaanse luchtmacht en van het eerste nummer van Paris Match. Een maand voor mijn geboorte wordt de grondslag gelegd van de NAVO; op 4 mei komt vrijwel het gehele elftal van Torino bij een vliegramp dichtbij Turijn om het leven, onder wie de vader van Sandro Mazzola.  Drie dagen voor mijn geboorte wordt de Bondsrepubliek Duitsland opgericht met Bonn als hoofdstad en in juli presenteert Pete Felleman de eerste hitparade op de radio. En de primeurs blijven maar doorgaan dat jaar: de eerste atoombomtest door de Sovjet Unie; de eerste Telegraaf na de oorlog. De eerste onderhandelingen over de soevereiniteitsoverdracht van Indonesië vinden in augustus plaats. Pas als ik al ver in mijn puberteit ben verneem ik dat in 1949 een broer van moeder op Java het leven liet. Niet eens in een gevecht, maar in een zwembad, na het eten en een te snelle duik. Althans zo is het mijn grootouders verteld. Die ook een fotootje kregen toegestuurd van zijn begrafenis. De bevestiging van dit verhaal vond ik een paar jaar geleden in het boek van Hylke Speerstra over Friese deelnemers aan de politionele acties – Op klompen door de dessa – waarin de naam van mijn oom opeens opduikt in een gesprek, waarin een makker aan een ander vertelt dat Cees van der Poel verdronken is.  Nu we toch met rampspoed bezig zijn: niet alleen Italië wordt opgeschrikt door een vliegtuigramp, ons land vrij dicht achter elkaar door het verongelukken van twee KLM Constellation toestellen: op 23 juni de Roermond bij Bari en op 12 juli de Franeker bij Bombay. Ik had er allemaal geen weet van, evenmin van het toerisme naar de bollenstreek. Toen ik een jaar of tien was zijn wij er met ons gezin ook eens heen geweest en ik werd in de door mijn vader geleende volkswagen straal misselijk, kotste door het raampje midden in Haarlem de bloemen die de auto sierde zwaar onder. Hieronder een bollentochtje uit het bioscoopjournaal van mijn geboortejaar.

Eemnesserweg 32

De Eemnesserweg vormt het hart van wat in Huizen de Zuid heet, een buurt, gedeeltelijk  vóór WO II gebouwd. Die Eemnesserweg zal er als een karrenspoor al gelegen hebben, richting inderdaad Eemnes. Het waren eenvoudige doch degelijke woningen voor arbeiders, wat mijn grootvader ook was. Hij werkte bij de gasfabriek. Op Funda doen dit soort huizen nu zo’n drie ton. Grootvader Van der Poel werd voor de Eerste Wereldoorlog gemobiliseerd en zorgde er uiteindelijk zelf voor dat in het geval ons land betrokken zou raken, hij in elk geval niet naar het front hoefde. Bij het schoonmaken van zijn geweer ging de trekker over en ai, er zat nog een kogel in. Een armspier werd geraakt en opa kon met zijn linkerhand niet veel meer uitrichten  dan heel eenvoudige handelingen. Breien bijvoorbeeld. wat hij graag deed en hem de bijnaam van Cees de Breikous bezorgde. Daarnaast kon opa zich helemaal uitleven op kerkelijk erf. Hij was ouderling, zat in allerlei besturen, zoals van zondagsschool en mannenvereniging. Hij had dan geen krachtige linkerarm meer, zijn geestelijk gezag was groot. In het dorp zong het onder het kerkvolk rond dat als Cees van der Poel zegt dat je in de hemel komt, dan hoefde je daaraan niet te twijfelen. Het was daarom een verschrikking, een drama van Shakespeariaanse proportie toen opa als weduwnaar samen met zijn vrijgezelle broer opgepakt werd vanwege ontucht met minderjarige jongens. Opa belandde in de gevangenis en daarna in Wolfheze als tbr-patiënt. Dorp en kerk lieten hem vallen als een baksteen. Oma van der Poel heb ik niet gekend; zij overleed  toen ik nog heel jong was en wij net verhuisd waren van de Eemnesserweg naar het hart van ons dorp, in een huisje dat opa Vos had laten aanbouwen aan zijn boerderij tussen de Taanderstraat en de Melkweg. Zeker voor mijn vader was het verlaten van de Eemnesserweg een soortement uittocht uit Egypte. Later zouden wij als gezin nogmaals in de Zuid wonen. Weer tot groot verdriet van mijn vader die zodra hij genoeg geld kon lenen een huis kocht, een honderd meter van de boerderij, waar hij groot werd en decennia en nog langer de bakermat van de Vossen. In de Zuid werd de voetbalclub De Zuidvogels opgericht, al in 1928 als tegenhanger van de SV Huizen, de club van de zgn. Noorderbuurt, in feite het eigenlijke, oorspronkelijke Huizen. Huizen speelde en speelt in groen-geel, Zuidvogels in groen-rood. Ik ben altijd van de groen-gelen geweest en voel nog steeds de rivaliteit, die wellicht niet zo sterk is als die tussen IJsselmeervogels (de rooien) en Spakenburg (de blauwen), maar toch nog steeds bestaat. Op de site van de Zuidvogels lees ik dat het met 73 teams groter is dan Huizen- dat was in mijn jeugd echt anders – en dat ze een voormalig groot talent van Ajax hebben aangetrokken: Jerginho Sahawdesing. Jerginho is van de lichting Wesley Sneijder en John Heitinga en werd door toenmalig hoofd scouting van Ajax, Ton Pronk, gezien als het grootste talent na Cruijff. In die tijd maakten Rimco Haanstra en ik een docu voor VPRO’s kinderprogramma Potje Sport over de jeugdopleiding van Ajax en wij zagen met eigen ogen het verbazingwekkende technisch vermogen van dat iele joch, zijn spelinzicht, zijn  precieze trappen, zijn trucs. Met het groeien en de groeistuipen is het nooit verder gekomen dan top in de dop, in de knop. Nooit doorgebroken en dus beland in de amateurwereld, waarin hij zeker uitblinkt, nu dus bij Zuidvogels en helaas niet bij mijn cluppie.

img_1619  img_1628   Moeder en kind, oma en opa  V.D.Poel en tante Annie, Eemnesserweg 32

oude_team_foto_zuid   Eerste team van De Zuidvogels, twintiger jaren.

cid19355_542005_105958_1995872811_1999999112_sahadewsing_met_shirt_050405 Jerghinio ontvangt uit handen van toenmalig algemeen directeur Arie van Eijden het shirt waarmee zijn profcontract met Ajax wordt bezegeld en gesymboliseerd. Wat een talent, wat een nimmer ingeloste belofte!

Terug naar/bij af

Ik woon nu ruim twee maanden in een appartement van een coöperatieve serviceflat. Ik kijk uit op een schitterende tuin met drie oeroude beuken en op een drukke rotonde, waar met grote regelmaat een politiewagen met loeiende sirene op af vliegt. Het appartementencomplex – Zandbergen geheten – ligt schuin tegenover waar eens het Diaconessenziekenhuis stond. Verzorgingshuis Naarderheem en een prikpost van het ziekenhuis Ter Gooi herinneren enigszins nog daaraan. Volgens familieoverlevering ben ik in dat ziekenhuis geboren. Of dat waar is staat te bezien, want op officiële documenten staat Huizen als mijn geboorteplaats vermeld. Wel zeker is dat ik in genoemd ziekenhuis op m’n tiende aan een blinde darm ben geopereerd en op m’n achttiende lag ik er vanwege een meniscus-operatie. Mocht de overlevering aangaande de plaats van mijn geboorte toch juist zijn – ik hoop dit nog te kunnen uitzoeken, dan ben ik als het ware terug bij af en in elk geval terug naar af. Terug bij 26 mei 1949.  Ik hou van mijn geboortedag: van het getal, van de maand, van de combinatie. Mei is de mooiste maand, vanwege de lentebloei op haar hoogtepunt. Bloeiende bermen en bomen, vogels die vrolijk hun eieren leggen, de vele tinten groei die je doen tintelen. Echter de 26e mei van het jaar van mijn geboorte was een nare uitzondering. Het was ijskoud: hoogste gemeten waarde 10 graden, maar een groot deel van de dag kwam het kwik niet hoger dan zeven graden.  En dat 2 weken na de zgn. IJsheiligen. Het was ook nog hemelvaartsdag. Mooie dag om geboren te worden, van de hemel gegeven, voor de hemel bestemd. De feitelijke dag was dus bar en boos en beloofde alles behalve een ‘hemels’ bestaan. Mijn grootvader boog zich in z’n winterse duffelse jas boven het wiegje van zijn eerste kleinzoon. Een op z’n minst dubbel-zinnig  bestaan  als je naar de sterren kijkt en daarin gelooft: Tweeling. Als je naar de getallen kijkt minder dubbelzinnig en juist weer kleurend naar ongeluk en noodlot, zoals het weer van die dag. Twee plus zes plus vijf (mei) = 13.  Geboortejaar: vier en negen: 13.  Dubbel dertien: zie daar maar eens tegen in te leven! Met mij wordt het tweede kind van Jan Wolkers geboren: ‘Evaatje’. Ze wordt als Eva Maria ingeschreven, maar op de dag van haar geboorte is haar vader de hort op met een andere vrouw. Dat zal mijn vader niet gedaan hebben, ofschoon het de vraag is of hij ondubbelzinnig blij is met mijn geboorte. Daarover later meer. Als ik ter wereld kom, zijn er diverse zaken en ook levende wezens die verweesd achter gebleven zijn in het gemeentelijke hok van de gevonden voorwerpen. De Huizer Courant vermeldt: “portemonnee met inhoud; vier witte boorden; een paar handschoenen; drie vulpennen; een voetbal; zilveren kettinkje met dito hangertje; dames regenmantel; badkostuum; hondenriem; een paar wanten; twee honden, waarvan een soort jachthond; kinderkousje; zakmes.” Intrigerend is dat badkostuum. In Huizen was er volgens mij nog geen zwembad. Pas later werd zwembad Sijsjesberg aangelegd, toen en nu nog steeds een van de mooist gelegen zwembaden van ons land. Een verloren badkostuum in mei in een dorp zonder bad. 

nh_8674   Zwembad , zoals ik dat ken uit mijn jeugd. Sijsjesberg was een zgn. tafelberg, een opgeworpen heuvel, afgevlakt tot heidense offerplaats (tafel). Er zijn veel van die tafelbergen, zoals de gelijknamige bij Blaricum, maar ook de Woensberg, de Trappetjesberg, Eikenberg.

Hieronder een aantal afbeeldingen van het Diakonessenhuis. 

unknownimages

scannen001420_m

Enfin, of ik er geboren werd of niet, het eerste jaar van mijn leven woonde ik met mijn ouders in bij mijn grootouders van moeders kant, op Eemnesserweg 32. Bij Cees van der Poel en Akke van der Poel- Venema. 

 

Verhuizing

In augustus werd de teerling geworpen: ik verlaat Ossendrecht. En nu zit ik tussen de dozen. Per 1 december ben ik inwoner van Naarden en bewoner van een appartement in een serviceflat. Bijna negen jaar woon ik op de zogeheten Brabantse Wal. Daar wilde ik eigenlijk ook niet heen, maar ik kon de roep van de Protestantse Gemeente van Woensdrecht uiteindelijk niet weerstaan. Begin van dit jaar achtte ik dat beantwoording en invulling van die roep genoeg was geweest en met ingang van 1 juli was ik predikant af hier. Na het besluit te stoppen volgde een lang nadenken over hoe nu verder en vooral ook waar. Het liefst terug naar het midden van het land, het allerliefst naar Amsterdam, waar ik 25 jaar met overwegend plezier gewoond had. Maar de wet en dus het bezwaar van een weinig gevulde bankrekening en verwachte inkomsten stond dat behoorlijk in de weg. Via internet ondernam ik een zoektocht naar geschikte woonplekken buiten de Randstad. Tot ik in andere uithoeken van ons land terecht kwam. Maar dan kon ik net zo goed op de Brabantse Wal blijven, waar ik per slot in die negen jaar vriendschappen had opgebouwd, het landschap mij dierbaar was geworden en waar ik contacten had opgebouwd die mij konden helpen een bevredigende wending te geven in mijn arbeidzaam bestaan. Maar er kwam intussen werk op mijn pad in het midden van het land, zoals het leiden van een Bijbelgroep van de vrijzinnige gemeente Vrijburg in Amsterdam. Familie en oudere vrienden wonen er. Ik ging regelmatig naar Ajax. De afstand van globaal 140 kilometer ging me steeds meer tegenstaan. Hoevaak had ik niet leuke bijeenkomsten, zoals verjaardagen, moeten laten lopen vanwege die afstand, de tijd die er mee gemoeid was. Ik voelde de pijn van het afscheid als predikant in contacten, goede contacten, die ik nog had met gemeenteleden. Los laten, geen bemoeienis meer, gemeente moet zonder mij een eigen weg vinden etc. Ik overwoog in Transsylvanië te gaan wonen, waar ik veertig jaar geleden had gewoond en waar ik de laatste jaren weer vaker was geweest en me thuis voelde, geprikkeld door de transitie waarin het land verkeert, aangestoken door het elan van een jonge generatie. Even flikkerde het idee op bij een vriend te wonen in zijn prachtige grote landhuis in Zuid-Frankrijk. En zo werd ik heen en weer geslingerd. Totdat in genoemd schitterend onderkomen in de Gers het besluit viel vol te gaan voor een appartement in een Naardense serviceflat, een mogelijkheid al eerder door een van mijn broers geopperd. Mijn vriend bedacht een actie, waardoor het mogelijk was dat appartement aan te kopen. Een actie die slaagde en dus zit ik nu tussen de dozen. De laatste dozen met boeken die ik opruim en schenk aan de tweedehands boekenmarkt van mijn voormalige gemeente. Het initiatief tot zo’n driemaandelijkse boekenmarkt ,waarvan de opbrengst naar een goed doel gaat, had ik zelf nog genomen zo’n acht jaar geleden. Ik moet wel opruimen, want ik ga kleiner wonen.  Dat opruimen gaat niet zonder pijn. Niet alleen, omdat het wegdoen van boeken me aan m’n hart gaat, maar ook omdat ik elke doos me doet beseffen, dat het hier voorbij is. Zoals bij elke verhuizing eerder in mijn leven – en dat zijn er nog al wat geweest – doet het me zeer. Het meest, omdat ik mensen zal missen, die nog steeds hier mijn leven draaglijk maken, me opheffen uit het alleen-zijn, helpen in het gevecht tegen eenzaamheid. Die zal ik daar ook vinden, die zijn er als familie in Huizen, mijn geboorteplaats en waar ik ben opgegroeid; als vrienden in Amsterdam, Utrecht, Nederhorst den Berg, Vreeland. Maar toch….

Een vrolijke dag

Op de vraag waarom hij op het bordes onder zijn blauwe pak witte puntschoenen met bloemmotieven droeg, antwoordde de kersverse minister van Volksgezondheid, Hugo de Jonge: ” omdat het vandaag een vrolijke dag is”.  Het was ons al vooruitgesneld – en dus al voor de beëdiging van het nieuwe kabinet onderwerp van gesprek – dat de voormalige CDA-wethouder graag zijn voeten schoeide met opvallende stappers. Als hij gisteren daarvan was afgeweken, dan zou het journaille ogenblikkelijk gevraagd hebben, waarom hij voor degelijk schoeisel gekozen had. Nu heb ik zelf deze nieuwkomer van 40 gekend toen hij nog hele kleine schoentjes droeg aan zijn peutervoetjes. De kleur er van herinner ik me niet meer. Hugo de Jonge is namelijk de zoon van de jongste zuster van mijn ex-vrouw. Zijn vader is een collega, die als predikant op de kansels stond van Hervormd Bruinisse, Alphen aan de Rijn en Zaamslag. Hij studeerde in Leiden, waar mijn schoonfamilie woonde en ik herinner hem  als vrolijk, maar degelijk confessioneel en politiek gezien een hartstochtelijk aanhanger van de CHU, de stroming waar ook Buma uit voortkomt. Een oom van de nieuwe minister en broer van zijn vader was hoogleraar Nieuwe Testament, eerst in Leiden en later in Amsterdam of omgekeerd. De kleine Hugo was een jaar of vier toen ik scheidde en hij dus buiten mijn gezichtsveld raakte. En nu is hij aangetreden met schoenen die passen bij een vrolijke dag. Toen Plasterk voor het eerst minister werd, tooide hij zich met een opvallende hoed. Het werd zijn kenmerk, terug te vinden in menig cartoon. In het afgelopen kabinet heb ik hem nooit meer met die hoed gezien. Ben dus benieuwd hoe lang De Jonge het volhoudt met opvallend schoeisel in de Tweede Kamer te verschijnen, het journaille tegemoet te treden of bij een andere gelegenheid zich aan de buitenwereld te vertonen, nadat hij eerst zijn kinderen heeft uitgezwaaid als ze naar school gaan. Dat laatste vertelde hij bij Pauw, die besefte dat je op zo’n vrolijke dag als de installatie van een nieuw kabinet een gesprek vooral wat luchtig moet houden en niet al direct moet belasten met hevig kritische vragen waarop de nieuwe bewindslieden – in zijn geval de drie vice-premiers – in feite nog geen antwoord kunnen geven. Een verademing vergeleken met het lange programma van de NOS, waarin door ene Albert Bos  en Nynke de Zoete  nieuwe ministers aan een kruisverhoor werden onderworpen. Kritisch vragen wordt verward met drammerigheid en scoringsdrift, een veel voorkomend euvel m.i. in Den Haag. Vragen waarop nooit het antwoord komt wat de scoringsgeile journalist wil horen, waarbij het dus altijd blijft bij schieten naast het doel of hooguit tegen paal of lat.

Vorstenhuizen 10

‘Waarom zit een koning op een troon’?, is de titel van het vijfde hoofdstuk van Von Schönburgs boek. De schrijver stelt zich voor dat hij opnieuw geboren wordt als huisleraar aan een koninklijk hof. Wat zal hij de troonopvolger dan leren over die troon? Hij zal hem vertellen dat bij de Egyptenaren de troon zelf als een godheid werd vereerd. Dat bij de Romeinen de legen keizermeel op munten werd afgebeeld en dat juist door dat hij leeg was er ee enorme suggestieve macht vanuit ging. Hij zou hem vertellen dat in Byzantium de keizer op gewone dagen op de rechter helft van de troon plaats nam en op feestdagen op de linker helft, omdat hij dan wijken moest voor God zelf, die onzichtbaar plaats nam op de rechter helft. Hij zou hem vertellen dat de Germaanse koningen geen troon kenden en dat in de Middeleeuwen tronen niet van goud waren, maar eenvoudig van hout of steen. Hij zou hem vertellen dat Karel de Grote rond 800 een kapel liet bouwen in Aken, op een plek die voor de oude Germanen als cultusplaats gold en dat hij daarin een troon liet bouwen van stenen, die uit de tempel van Jeruzalem kwamen. Meer dan dertig keizers lieten zich vervolgens op deze troon kronen, omdat zij het als een heilige plek beschouwden. Hij zou hem vertellen dat zelfs Napoleon de aantrekkingskracht van die troon niet kon weerstaan en dat zijn vrouw Joséphine de Beauharnais er op stond ook een ogenblik op die troon wilde plaats nemen, waardoor ze volgens Victor Hugo een hardnekkige blaasontsteking opliep. Hij zou hem bovenal vertellen dat de legendarische Stone of Scone zelf in staat was onderscheid te maken tussen een rechtmatige en een onrechtmatige heerser! Deze troon was de troon van de Schotten, voor hen een magische steen, het midden van de wereld, waarop Jacob had gerust in de woestijn, toen hij de droom van de ladder kreeg. Op zijn sterfbed profeteert de aartsvader aan zijn zonen dat God het volk der joden op een dag het Beloofde Land zal binnen leiden en dat alle koningen van Israël gezalfd zullen worden op de steen die zijn hoofdkussen was.  En zo geschiedde. De Babyloniërs veroverden Jeruzalem, verwoestten de tempel, alleen de steen kan gered worden door de hand van Jeremia, die vervolgens met de steen en de dochter van de koning wegvlucht en na lange omzwervingen op het eiland rand belandt. De koningsdochter, door de Ieren Tamar Tephi genoemd, huwt met Eochaidh Heremon, een van de machtigste Ierse vorsten. de dochter schenkt hem de stee, waarop voortaan de Ierse koningen worden gekroond. Ze noemen de steen Lia Zal, in Gaelic ‘steen van het lot’.  In oude geschriften van Ierse monniken heet het dat de steen zelf beslist wie koning zal zijn. Bij de koningskeuze door de stamoudsten moet een kandidaat zijn voet op de steen plaatsen. Als de steen dan een donker, diep geluid voortbracht, als een roep uit een andere wereld, dan was er sprake van de juiste kandidaat; zweeg de steen dan moest opnieuw gekozen worden. Maar zeggen de getuigenissen van de monniken: sinds Christus’ dood aan het kruis, roept de steen niet meer tijdens de koningsverkiezing, want niet de steen, maar het kruis is het middelpunt van de wereld. Toch bleven de Ieren de steen als troon voor hun koningen gebruiken. Vele eeuwen later maakte de Ierse koning Fergus zich op om de onbewoonde westkust van de Schotse Hooglanden aan zijn rijk toe te voegen en dus ook daar koning te zijn. maar zonder steen ging dat niet en die ging dus mee. Vijfhonderd jaar lang werden de Schotse koningen op de Steen gekroond. Het was Edward I van Engeland die de strijd aanbond met de Schotten en hen in 1296 onderwierp en de  Stone of Scone –  naam die de Schotten gaven – en dus de troon meenam naar London en daar een houten troon omheen liet bouwen.  Op een dag, zo staat geschreven, zal de steen weer terugkeren in Schotland en zal het weer een eigen koning hebben.  Tot zover de legende die Von Schönburg aan de kroonprins zou vertellen als een verhaaltje voor het slapen gaan. “Inzwischen wird mein jonger Kronprinz sicher eingeschlafen sein und davon traümen  selbst einmal auf diesem Stein zu sitzen”.    Hij vervolgt dat sinds de 13e eeuw alle Engelse koningen bij hun kroning op genoemde steen plaats hebben genomen, tot en met Elisabeth II. Met dit ritueel wordt symbolisch een verbinding gelegd met Jeruzalem en het Davidisch koningschap. (De Fransen deden dat met de zalving). David geldt als het oerbeeld van de juiste, Gode welgevallige koning, de door God zelf geroepen koning, met de belofte dat zijn huis tot het einde der tijden zal regeren. Genealogen aan het Engelse hof zijn sinds tijden in de weer om bewijzen en aanwijzingen te vinden van de directe afstamming van het koningshuis van prinses Tamar Tephi. Alles is er opgericht om te staven dat het Engelse koningshuis het ‘nieuwe huis van David’ is, wiens heerschappij geen einde zal kennen. Maar dat alleen onder de voorwaarde dat ook toekomstige koningen op de Stone of Scone gekroond zal worden. Echter: deze troon staat sinds 1996 niet meer in de Westminster Abbey! Tony Blair liet de steen op 15 november 1996 als teken van verzoening in een feestelijke ceremonie naar Edinburgh brengen. Voor traditiebewuste Engelsen werd hij daarmee een verrader, voor de Schotten versterkte hij de droom om zich eenmaal van Engeland te kunnen afscheiden. De houten troon is leeg: een nachtmerrie voor Engelse monarchisten. Voor Engelse en Schotten beide is het egaal of de geschiedenis van de Steen historisch is of een legende. Maatgevend is niet wat werkelijk geschied is, maar wat eeuwen gedacht is. ‘Die innere Wahrheit der Legenden ist  mächtiger als die äussere der Geschichtlichkeit”. Zo sluit Von Schönburg dit hoofdstuk af.

 

Vorstenhuizen 9

Voor leden van nog functionerende koningshuizen is een zekere wereldvreemdheid geen manco, aldus Alexander von Schönburg. Het wordt pas onaangenaam voor deze hoogheden als zij in het ‘voorgeborchte’ tussen koninklijk verleden en burgerlijke existentie verkeren. Alexanders eigen echtgenote bijvoorbeeld telt bijna alleen koningen en keizerinnen onder haar voorgeslacht, onder wie de heilige Elisabeth van Thüringen en koningin Victoria en ze is in een familie groot geworden die sinds zo’n duizend jaar daarop geconditioneerd is om in een paleis te wonen, waarbij derhalve alle dagelijkse beslommeringen van hen afgenomen worden door hulpvaardige lieden. Sinds twee generaties echter moet haar familie zich staande houden in een burgerlijke wereld, waarvoor ze niet gepredisponeerd is. Het erfelijk gebrek aan aandacht en bekommernis voor de banale details van het dagelijks leven. Deze handicap leidt er bijvoorbeeld toe dat men in een trein stapt naar Frankfurt an der Oder, terwijl men naar Frankrijk am Main wil. 

We hadden het eerder over de degeneratie van koningen vanwege inteelt. Het was koningin Victoria die dat gevaar al zag voor de ontdekking van de gentechnologie. In een brief aan haar oudste dochter Vicky, de moeder van keizer Wilhelm II en betbetovergrootmoeder van Von Schönburg vrouw, schrijft ze dat het haar uitdrukkelijke wens is dat er donkerogige prinsen en prinsessen voor haar kinderen gevonden worden. In navolging van haar echtgenoot zegt ze dat alleen maar blonde haren en blauwe ogen het bloed lymfatisch maken. “We hebben een beetje sterk bloed nodig”. Een precieze voorstelling van wat er mis was met het bloed van de Engelse koninklijke familie zal Victoria niet gehad hebben. Het huidige onderzoek is daarin veel verder. In de zestiger jaren van de vorige eeuw verscheen ‘George III and the Mad-Business’ van Richard Hunter en Ida Macalpine. Hun these luidt dat George III (1738-1820), die als voorvader van Victoria as krankzinnig de geschiedenis is ingegaan,, niet leed aan schizofrenie of aan een psychose, maar aan een aan inteelt gerelateerde stofwisselingsstoornis leed, genaamd porphyria. Een van de verschijnselen van de ziekte is manische aanvallen. De Britse historicus John C.G.Röhl ondernam een poging om te bewijzen dat het gehele nageslacht van Victoria leed aan een neiging tot porphyria. Maar daarvoor had hij ontlasting nodig, omdat de ziekte alleen vast te stellen is aan een enzym die aan ontlasting vast te stellen is. Aangezien Queen Victoria negen kinderen had, die zelf ook zich flink hebben voortgeplant, zijn er thans zo’n achthonderd nakomelingen, onder wie ook de kinderen van Von Schönburg. Vrijwel niemand was bereid Röhl zijn of haar excrementen te verstrekken. Droogkomisch schrijft Von Schönburg : “Leider werden wie wohl nie wissenschaftliche Gewissheit darüber erlangen, warum Prinz Charles mit Blumen spricht”.  

De eerste Engelse koning uit het Huis Hannover, George I (1660-1727), sprak geen Engels en was gewend in Hannover zonder ‘storend’ parlement te regeren. In Engeland kon hij het parlement moeilijk afschaffen en dus besloot hij überhaupt niet te regeren en zich elke avond te bezatten met meegebracht bier uit Hannover. Zijn opvolgers zo schrijft Von Schönburg waren bijna allemaal of enigszins krankzinnig, een beetje zwakzinnig of allebei tegelijk. George II (1683-1760) haatte alles wat maar naar ontwikkeling en wetenschap rook. Zijn vrouw, Caroline von Ansbach, moest stiekem lezen. Als de koning haar betrapte op dit heimelijke genoegen, barstte hij uit in een woedeaanval. De opvolger van ‘Mad King George’, George IV (1762- 1830) ging de geschiedenis in als de grootste hypochonder van zijn tijd, op de voet gevolgd door zijn nicht Queen Victoria, die ook nog onder zware depressies leed. Haar zoon ‘Bertie’, de latere Edward VII (1841-1910) gold als kind als opvallend als ‘lernfaul’ (te lui om te leren), later ontwikkelde hij een enorme vraatzucht en diverse tics. Zo kende hij de gewoonte om van al zijn gasten hun exacte gewicht te documenteren. Berti’s oudste zoon Albert Victor, bijgenaamd Eddie, gold zelfs in de ogen van zijn ouders als een uitgesproken ‘Schwachkopf’. Zij deden hun uiterste best om hem vooruit te helpen, huurden de beste leraren van het land in om hem klaar te stomen voor een studie in Cambridge. Allemaal tevergeefs, blijkens een door zijn ouders zelf uitgebracht bulletin, waarin vermeld staat dat ” Zijne Koninklijke Hoogheid moeite heeft te begrijpen, wat met het begrip ‘lezen’ bedoeld wordt”. Eddie overleed noch eerder dan zijn vader en dus werd deze opgevolgd door George V (1865-1936) De grootvader van de huidige koningin was totaal niet geïnteresseerd in geestelijke zaken. Zijn totale onwetendheid op het gebeid van politiek, wetenschap en cultuur koesterde hij als een ereteken. Zijn oudste zoon, Edward, beschouwde het als z’n eerste plicht het wilde leven van de twintiger jaren voluit te benutten, terwijl zijn jongere broer Henry zijn dagen hoofdzakelijk doorbracht met het kijken naar tekenfilms. Koning Olaf van Noorwegen liet hij eenmaal een uur wachten, omdat hij zich niet kon losmaken van een Popeye the Sailor -film.  Edward was overigens maar kort koning, vanwege zijn huwelijk met de al tweemaal gescheiden Amerikaanse Willis Simpson. Zijn broer Albert volgde hem als George VI  (1895-1952) op. Deze stotterde, maar de vader van Elisabeth bleek een gelukstreffer en bleek de meest ‘normale’ van alle Hannovers inmiddels Windsors. Met zoveel zonderlingen is het eigenlijk verrassend, aldus Von Schönburg, dat onder deze vaak weinig competente vorsten Groot Brittannië kon uitgroeien tot een machtig wereldrijk en heden ten dage over een monarchie beschikt die waarschijnlijk tot de stabielste van allen behoort. Waarschijnlijk ligt het geheim van een functionerende monarchie juist niet in de wijsheid van de man of vrouw op de troon, maar daarin dat het ambt van koning zo groot is, dat de persoon van de vorst daarachter verdwijnt. “Entscheidend für einen König ist schlicht dass er da ist, das man ihn sieht, so wie den Kirchturm über der Stadt”. Volgens Max Weber ligt het beslissende voordeel van een constitutionele monarchie boven een republiek juist in het feit dat zijn betekenis symbolisch van aard is. Hij begrenst het machtsstreven  van politici formeel daardoor, dat de hoogste positie in de staat eens voor al bezet is. Deze functie is politiek gezien “die praktisch wichtigste”.

 

Vorstenhuizen 8

‘Waarom mag een koning niet al te intelligent zijn?’ is de titel van het vierde hoofdstuk uit het boek van Alexander von Schönburg. Bij mij riep die titel direct de persconferentie uit het geheugen, waarop Maxima Willem Alexander als ‘een beetje dom’ kwalificeerde. Alexander begint zijn hoofdstuk met de aanbeveling van zijn inmiddels gestorven zwager, vorst Johannes von Thurn und Taxi, met de Zweedse koning Carl Gustaf uitsluitend te praten over auto’s. De schrijver dacht dat zijn zwager overdreef, tot hij de koning zelf ontmoette in het huis van een Duitse neef van de koning aan het Starnberger Meer. Voor de deur stond een nagelnieuwe Maserati. De koning was nogal zwijgzaam. Wat hij zei was slechts dit: “Morgen rijden we over de Tauern-autobaan richting Italië, brrrrm,brrrm!”. Iedereen knikte vriendelijk en ging vervolgens verder met hun gesprek. Enkele minuten later hoorden ze de koning opnieuw opgewekt mededelen: “En overmorgen rijden we via Milaan naar Florence, brrrmm,brrmm, brrmmmmm!”.                           Volgende anekdote: Het Deense kroonprinsenpaar Frederik en Mary brachten een bezoek aan de EU-commissie in Brussel. Na afloop stelt de Deense pers wat banale vragen. Maar, schrijft Von Schönburg, prins Frederik verstaat de kunst die banaliteit in zijn antwoorden te overtreffen. ‘Wat heeft het bezoek u gebracht’? ‘Wij hadden heel veel….eh .. aan het bezoek; we hebben in ieder geval een …eh …een idee gekregen, ook op lichamelijke aard en wijze. Wij hebben ook de , hoe heten ze ook al weer, oh ja, de commissarissen ontmoet. Heel aardig. Spannend! Ik bedoel  om ze te horen als we bijeenwaren bij spijs en drank, zoals men zegt’. Von Schönburg voegt er fijntjes aan toe dat de onnozelheid van de Deense kroonprins – als men bedenkt hoe intelligent en ontwikkeld zijn moeder is – enigermate verrassend is, zeker ook omdat zijn vader helemaal niet uit zo’n oude familie afkomstig is, dat hij het recht heeft gedegenereerd te zijn. 

Ontwikkeling – Bildung met een goed Duits woord – genoot volgens de schrijver alleen aan het Franse hof enige achting. Aan de andere hoven werd daar met minachting op neer gekeken als ordinair. Typisch voor de meeste Europese hoven was veeleer figuren zoals de laatste koning van Saksen, Friedrich August III, die, die toen hij bij zijn bezoek aan de tentoonstelling van de ‘Blaue Reiter’ in Dresden aan Franz Marc werd voorgesteld aan deze vroeg: ” Waarom heeft U de paarden blauw geschilderd?”. Toen de kunstenaar antwoordde : ” Zo zie ik dat, majesteit”, zei de vorst:  ” Och, arme man, heeft u dat al lang?”  Ander voorbeeld: Keizer Ferdinand I van Oostenrijk – de ‘Goedmoedige’ genoemd – schoot tijdens een jachtpartij een arend uit de lucht. Toen men hem het dier presenteerde, was hij bitter teleurgesteld dat de vogel maar één kop had, op zijn familiewapen had hij er toch twee! Van deze goedmoedige Ferdinand is in de literatuur slechts één samenhangende zin te vinden: “Ich bin der Kaiser, und ich will Knödel!”

Ter verontschuldiging moet wel aangevoerd worden dat vanwege de dynastieke huwelijkspolitiek , die eeuwen lang min of meer op een systematische incest uitliep, nauwelijks grote geesten voortgebracht konden worden. de in 1914 in Sarajevo vermoorde kroonprins Franz Ferdinand heeft zich daar eens over uitgelaten: “Wanneer iemand van ons een huwelijkskandidaat op het og had, werd er in haar of zijn stamboom altijd wel een kleinigheidje gevonden, die een huwelijk verbood en zo komt het dat bij ons man en vrouw zeker twintig keer aan elkaar verwant zijn. “Das Resultat ist, das von den Kindern die Hälfte Trottel ( sukkels) und Epileptiker sind”. De kroonprins zelf doorbrak die politiek door onder zijn stand te huwen met een eenvoudige gravin, de oergroottante van Von Schönburg.