Kees Guijt

Op de warmste 30 maart sinds een eeuw wandelde ik maar weer eens naar e vogelkijkhut aan het Markiezaatsmeer. Over de hier en daar nog drassige weiden draafden vrolijk de wilde paarden en op het pad tussen bomen en struiken naar de hut liep ik door een concert van vinken, roodborstjes, merels, tjiftjaffen; ik hoorde en zag de eerste fitis dit voorjaar; canadezen ganzen vlogen in formatie luidkeels over; wilde eenden vlogen met geraas op en ik zag voor het eerst van mijn leven eindelijk een blauwborst. Op de bovenste tak van een struikachtige boom, aarzelend in blad gerakend zong hij zijn eigen hoogste lied. Met het blote oog kon ik hem al identificeren; de verrekijker gaf definitief uitsluitsel: blauwe keel en vossenrood aan de linker- en rechterzijde van de staart. Ik weet niet wat Edwin van der Sar gedaan heeft op deze wonderschone lentedag. Het kan maar zo zijn gedachten gingen naar zijn oom Kees Guijt, die vijf jaar geleden op 58 jarige leeftijd aan een hartstilstand overleed. Toen Edwin nog keeper was bij Ajax werd zijn oom trainer van het Voorhoutse vv Foreholte, waar Van der Sar als kind speelde. (ook keeper Rob van Dijk begon daar overigens) Kees Guijt werd geboren in Katwijk en speelde met twee broers in het eerste van vv Katwijk; hij ontwikkelde zich tot een robuuste verdediger, die in 1976 de overstap maakte naar FC Volendam; hij speelde negen seizoenen aan de dijk, waarvan er vier in de eredivisie. Hij was dus zeer vertrouwd met de Heen en Weer. In 1985 ging hij naar AZ. In 1977 stond hij nog in de belangstelling van Ajax. In zijn Volendamse tijd was hij trouwens ook nog gewoon schilder; Edwins vader werkte als verfmenger bij Histor! Begin tachtiger jaren werd Bobby Haarms bij Ajax weggestuurd en werd assistent-trainer in Volendam en leerde zo Guijt kennen. In de beginperiode van Van der Sar bij Ajax vroeg Haarms aan Guijt om zijn toen nog wat onzekere mentaal en fysiek onder handen te nemen (Haarms was door Cruijff in 1985 weer teruggehaald). Zondag a.s. zal Van der Sar wellicht de hand schudden van een andere Katwijker: Dirk Kuijt. Voor hem heeft Ajax nooit belangstelling gehad, m.i. ten onrechte. Bij Katwijk speelt overigens wederom een Guijt: Danny, zoon van Kees, die eerder bij Top Oss, RBC, Cambuur en Willem II speelde. Opmerkelijk: zowel Katwijk als Volendam spelen in oranje shirts.

The day after

Veel van wat ik voorvoelde en voorspelde is uitgekomen. De diverse peilingen gaven het ook wel aan, maar die vragen altijd om een korrel zout. Dat Baudet en Hiddema in de blauwe luxe stoelen zullen gaan plaatsnemen vreesde ik op het laatst ook. Helaas dus meer hautaine blaaskakerij in de Tweede Kamer. Gelukkig hoeven we niet te luisteren naar de meer ordinaire blaaskakerij van Roos. Denk vind ik griezelig, omdat ze het wel over verbinden hebben, maar hun gedrag is er totaal niet haar. Hoewel te voorzien was dat de PVDA klappen zou krijgen, is het verlies van 29 zetels onthutsend groot. De strijd om het leiderschap vond ik oliekoekendom en voorzitter Spekman bepaald geen reclame voor de partij, maar verklaart, dunkt me, maar ten dele deze ontluisterende deconfiture. De SP heeft er totaal niet van geprofiteerd; GroenLinks heeft zeker veel potentiële PVDA-kiezers aangetrokken en er zijn er velen die PVV hebben gestemd, zo lijkt het. Een grondige analyse is voor Asscher c.s. hard nodig, die m.i.  moet teruggaan naar de tijd van Kok, toen hij opzichtig aankondigde de partij van z’n ideologische veren te ontdoen. Gezien wat er op het spel staat- Europa, vluchtelingen, klimaatverandering – is het echt de tijd om een progressieve beweging tot stand te brengen, waarin PVDA, D66 en GroenLinks een plek gaan vinden. Mij viel op dat Buma de winst zo triomfantelijk vierde dat het leek of hij premier geworden was, terwijl de winst in feite een relatief herstel betekent, na de gigantische val die deze partij ruim vier jaar eerder maakte. Deelname aan een kabinet onder leiding van de slimme en vaardige Rutte ( met op de achtergrond zijn mogelijke en nog slimmere opvolger Dijkhof) kan maar zo leiden tot een terugval bij de volgende verkiezingen. Dat lijkt me ook het dilemma voor GroenLinks. Het is buitengewoon knap wat Klaver heeft gepresteerd. Maar in deze opgang zit de neergang al opgesloten als de partij gaat toetreden tot een kabinet, waar zeker de VVD leidend zal zijn. Hun partijprogramma is zo radicaal dat er veel ingeleverd zal moeten worden, wat door de kiezers de volgende keer genadeloos kan worden afgestraft. GroenLinks doet er goed aan nog een tijd in de oppositie te blijven. Ik denk dat Klaver de boot ook zal afhouden en dat we te maken krijgen met een kabinet van VVD,CDA en D66, aangevuld door de Christen Unie, die ik graag wat meer zetels had gegund. Eerlijkheidshalve zeg ik er bij dat ik ze ook niet geholpen heb, want zoals ik al decennia doe, heb ik D66 gestemd. Niet in alles ben ik het met m’n partij eens, maar een gezonde visie op Europa, de grote nadruk op onderwijs, wetenschap en innovatie, hervorming van de arbeidsmarkt, het echt willen aanpakken van het energievraagstuk en een liberale kijk op ethische zaken hebben mijn rode potlood gestuurd. Ik ben zelfs lid van de partij en kan ook nu wel onthullen dat ik zelfs op de kandidatenlijst stond, als nr. 59, dus negen plekken verwijderd van diegenen die op het stembiljet kwamen.

 

BWV 102 – Herr, deine Augen sehen nach den Glauben

Het is de derde cantate die ons is overgeleverd voor de 10e zondag na trinitatis. De andere twee – BWV 46 en BWV 101 – kwamen ten gehore in resp. 1723 en 1724. Deze is uit 1726. Na een paar jaar enorm productief te zijn geweest voor de zondagse eredienst komt er in het voorjaar van 1726 wat eigen cantates betreft de klad in. In die periode voert Bach 18 cantates uit van zijn achterneef Johann Ludwig Bach uit Meiningen. De teksten zijn waarschijnlijk van diens broodheer, de graaf van Saksen-Meiningen. Medio 1726 gaat de Leipziger Bach zelf weer aan de slag, maar wel met gebruikmaking van teksten uit de Meininger bundel. Zo dus ook BWV 102. Kenmerkend voor dit soort cantates is dat ze uit twee delen bestaan en zo worden uitgevoerd , met de preek als verbinding. Het eerste deel begint met een tekst uit het OT, het tweede met een NT’sche tekst. In BWV 102 volgt de preek -afwijkend – na de de tekst uit het NT, waarschijnlijk op verzoek va de toen dienstdoende predikant. De evangelielezing is het verhaal van Lucas 19 (41-48), waarin Jezus de verwoesting van Jeruzalem aankondigt en de geldwisselaars uit de tempel ranselt. In het grafelijk libretto staat de oorzaak van de verwoesting centraal: het zondig gedrag van het volk Israël (OT) en hun ongeloof in Jezus als Gods zoon (NT). Maar dat gedrag en ongeloof geldt in de cantate alle ongelovigen. In het eerste deel horen we een vermaning, in het tweede deel een oproep tot boetvaardigheid. De cantate kent een streng en grimmig karakter, een verwijzing naar bevrijding in Christus is er nauwelijks. De sopraan, vertegenwoordiger vaak van de zich vrolijk overgevende gelovige, verschijnt niet ten tonele. Bach verwerkt later geschikte delen in één van zijn zgn. Lutherse missen, wat hij ook doet met de cantates BWV 79, 179 en 187. Zijn zoon Carl Philipp Emanuel voert BWV 102 aangepast een paar maal uit in Hamburg (1776/7 en 1781). En de cantate behoort met de nrs. 100 en 101 tot de eerste drie in 1830 gepubliceerde cantates, dus ver voordat het Bachgesellschaft in 1850 aan haar grote project begon.

1. KOOR
»Herr, deine Augen sehen nach dem Glauben!
Du schlägest sie, aber sie fühlens nicht;
du plagest sie, aber sie bessern sich nicht. Sie haben ein härter Angesicht denn ein Fels und wollen sich nicht bekehren.«

Jeremia 5: 3 wordt uitgewerkt in een omvangrijk en complex openingskoor, voorafgegaan door een instrumentale inleiding (Sinfonia) van twee hobo’s, strijkers en continuo), waar het koor zich  met de eerste tekstzin bij invoegt. Dan volgen twee fuga’s op de 2e en 3e tekstzin, ingebed in homofone koorblokken, waarbij de 1e zin als hoofdzin domineert in herhaalde terugkeer, op de melodie waarmee de instrumenten in maat 1 al beginnen. De gehele tekst wordt tenslotte als geheel ingebouwd in de Sinfonia herhaald. Het is wederom een enorm staaltje van Bachs kunnen, door Dürr terecht beschouwd als één van de “grossen Leistungen des reifen Bachs”. Dit stuk verwerkt  Bach zonder scherpe kantjes in het Kyrie van de Mis in g (BWV 235).

2. RECITATIEF (B) 
Wo ist das Ebenbild, das Gott uns eingepräget,
Wenn der verkehrte Will sich ihm zuwiderleget?
Wo ist die Kraft von seinem Wort,
Wenn alle Besserung
weicht aus dem Herzen fort?
Der Höchste suchet uns
durch Sanftmut zwar zu zähmen,
Ob der verirrte Geist
sich wollte noch bequemen;
Doch, fährt er fort in dem verstockten Sinn,
So gibt er ihn ins Herzens Dünkel hin.

3. ARIA (A)
Weh der Seele,
die den Schaden  nicht mehr kennt
Und, die Straf auf sich zu laden,
Störrig rennt,
Ja von ihres Gottes Gnaden
Selbst sich trennt.

In het recitatief bezingt de bas dat de naar Gods ‘Ebenbild’ geschapen mens vervallen is tot zijn tegendeel, daar niet aan beantwoord. Van Bes-groot gaat het dan ook naar bes-klein. In de aria gaat de alt een dialoog aan met de hobo in een waarschuwende aanklacht. De hobo opent met een dissonante Des, die de alt in het ‘Weh’ overneemt.. Dissonanten blijven terugkeren, en vreemde sprongen: het schrijnt en maakt ongemakkelijk , je schuift er a.h.w. van op je stoel.                                                                           “In de Mis in F (BWV 233) keert de muziek van deze aria terug als Qui tollis, met een verwant ‘negatief’ affekt: een bezinning op ‘s mensen zondigheid i.p.v. de ontkenning ervan. De muziek is een toon omhoog getransponeerd, een sopraan vervangt de alt, de hobopartij is strakker en bijvoorbeeld de dissonante inzet is milder gemaakt” (Van Hengel)

4. ARIOSO (B) 
»Verachtest du den Reichtum seiner Gnade, Geduld und Langmütigkeit?
Weißest du nicht, daß dich Gottes Güte zur Buße locket?
Du aber nach deinem verstockten
und unbußfertigen Herzen häufest dir selbst den Zorn auf den Tag des Zorns und der Offenbarung des gerechten Gerichts Gottes.
«

De tekst is nu Romeinen 2: 4-5 en de bas fungeert als de Vox Christi. Hij wordt begeleid door een strijkkwartetten de maatsoort 3/8 geeft het een Vivace- karakter (levendig). Dat in tegenstelling tot de stevige  vingerpriemende vragen van de tekst. Zo’n contrast tussen tekst en muziek komen veel vaker bij Bach tegen. Is dat hier een vorm van wegkijken van de tekst, zoals Van Hengel oppert? Een soort ontwijken van de scherpte of verzachten, zodat het toch niet zo hard aankomt? Of komen de vragen dan juist beter aan?                      ”De ‘verstokt’-heid wordt drastisch geïllustreerd door het geheel tot stilstand komen van de muziek (m.80vv), met een – tegen alle compositieregels in – viervoudige herhaling van drie noten op verschillende woorden.
In de continuocello, overigens in rustige achtsten en kwarten voortstappend, horen we - tot 21 maal toe – een figuurtje dat door de bas wordt voorzien van de tekst Langmütigkeit, het kernbegrip van het stuk. Zelf illustreert bas dit woord met een vier of vijf maten lange noot; het vraagteken verklankt Bach zoals gebruikelijk met een afsluiting op de kwint (dominant) in plaats van de grondtoon (tonica). Wanneer dat voor het eerst gebeurt (m.52) zelfs gevolgd door een veelzeggende maat stilte (generale pauze).
Het woord locket wordt (m.72vv) verbeeld met een enkele malen herhaalde, uitnodigende rust op de eerste tel” (Van Hengel)

DEEL II

5. ARIA (T) 
Erschrecke doch, 
Du allzu sichre Seele!
Denk, was dich würdig zähle
Der Sünden Joch.
Die Gotteslangmut
geht auf einem Fuß von Blei,
Damit der Zorn hernach dir desto schwerer sei.

“Mochten Bachs kerkgangers tijdens de vaak één uur durende preek zijn ingedommeld dan zullen ze daarin niet worden gestoord door het prettig melodische ritornel waarmee de traverso tenoraria (5) inleidt. Maar de muziek van de all zu sichre Seele wordt ruwonderbroken door de tenor die hem met paniekerige motiefjes en grillige sprongen uit zijn lethargie poogt te wekken: Erschrecke doch. (Om met dit woord te kunnen binnenvallen heeft Bach de eerste twee regels verwisseld.)
De aria is (modern!) ‘doorgecomponeerd’ (durchkomponiert): de drie tekstregels worden achtereenvolgens in drie vocale perioden behandeld en er is geen (da-capo) herhaling van de eerste regel maar alleen van het inleidend ritornel. Gottes Langmuthwordt slechts terloops vermeld, de meeste aandacht gaat uit naar zijn Zorn waarvoor de traverso tijdelijk uit zijn rol valt met een stekelige illustratie (m.68vv) en waarvan de schwer-heid wordt onderstreept door hakkende toonherhalingen, en lange melisma’s.
Bij een heruitvoering van de cantate in 1737 verving Bach de traverso door een violino piccolo maar dat lijkt meer een praktische verlegenheidsoplossing dan een verbetering;  met een viool als soloinstrument bewerkte Bach het stuk tot het Quoniam van de Mis in F (BWV 233); hij fatsoeneerde daarbij de hoekige tenorpartij” (Van 
Hengel)

6. RECITATIEF (A) 
Bei Warten ist Gefahr;
Willst du die Zeit verlieren?
Der Gott, der ehmal gnädig war,
Kann leichtlich dich vor seinen Richtstuhl führen.
Wo bleibt sodann die Buß?
Es ist ein Augenblick,
Der Zeit und Ewigkeit,
der Leib und Seele scheidet;
Verblendter Sinn, ach kehre doch zurück, Daß dich dieselbe Stund
nicht finde unbereitet!

De alt maant niet te lang te wachten met boetvaardigheid, want tussen tijd en eeuwigheid ligt slechts één ogenblik. Voor je het weet is het te laat. De twee hobo’s voegen er een smekend motiefje aan toe; de steun van het continuo laat op zich wachten. Toch klinkt de muziek redelijk vriendelijk. De waarschuwing is eigenlijk een hartelijke uitnodiging.

7. KORAAL
Heut lebst du, heut bekehre dich,
Eh morgen kömmt, kanns ändern sich;
Wer heut ist frisch, gesund und rot,
Ist morgen krank, ja wohl gar tot.
So du nun stirbest ohne Buß,
Dein Leib und Seel dort brennen muß.

Hilf, o Herr Jesu, hilf du mir,
Daß ich noch heute komm zu dir
Und Buße tu den Augenblick,
Eh mich der schnelle Tod hinrück,
Auf daß ich heut und jederzeit
Zu meiner Heimfahrt sei bereit.

Met de de coupletten 6 en 7 van het boetelied it 1630 van Johann Heermann – ‘So wahr ich lebe, spricht dein Gott – sluit de cantate af. de melodie is van het bekende ‘Vader unser im Himmelreich’. De instrumenten doen volop mee, waarbij de hobo’s de sopraanstem versterken. In het eerste couplet is sprake van ‘du’ en is vermanend van karakter; het tweede van ‘ich’ en heeft het karakter van een ootmoedig gebed. terecht noemt Van Hengel de harmonisering  ”opvallend kleurrijk”.

 

 

Doellijn

‘Na het zure komt het zoet’, zei Balkenende in een vorige verkiezingscampagne. Doelman Zoet dompelde in één armbeweging heel PSV in een bijtend zuur. Door doellijntechnologie. Het zal me niet verbazen als dit woord in de Dikke Van Dale een stevige plek zal veroveren. Kandidaat ook voor het woord van het jaar.

Al bijna zestig jaar ben ik hartstochtelijk toeschouwer van voetbalwedstrijden en zie reikhalzend uit naar het passeren van ballen  tot achter de doellijn van de tegenpartij. Hun zuur mijn zoet. In mijn kindertijd was mijn vader vrachtwagenchauffeur en nam voor mij Essoplaten mee, waarop de elftallen van o.a. eredivisieclubs waren afgedrukt. Ik viel direct voor die van Ajax, met mannen als Ger van Mourik, Wim Bleijenberg en Wim Anderiessen jr, die ik jaren later bij mijn club leerde kennen en niet zo lang geleden de doellijn van het leven passeerden. Vanaf 1958 geen mooier rood-wit dan dat van Ajax. Tegelijk was mij het groen-geel van de FC. Huizen dierbaar. En niet het rood-groen van de Zuidvogels, de andere club van het dorp. (In het zaterdagvoetbal speelt IJsselmeervogels in het rood-wit van Ajax, in mijn jeugd de concurrent van Huizen; in de eredivisie speelt ADO in het groen geel dat aan Huizen doet denken, maar ADO  is weliswaar geen echte concurrent van Ajax, maar wedstrijden in met name Den Haag zijn altijd beladen en doet me hun kleur overdreven gesproken pijn aan de ogen)  En dat groen-geel zag ik in mijn kindertijd- en jeugdtijd eens in de twee weken schitteren zaterdagmiddag op sportkamer De Wolfskamer, met langs één lange zijde de natuurlijke tribune van een oude Zuiderzee-duin. Maar als jochie stond of zat ik daar nooit. Mijn plek – met talrijke andere jongens – was achter het doel van de tegenpartij. We verdrongen ons er achter tot zelfs vóór de afrastering. En wij waren de ‘hawk-eye’ van onze club, wij waren de doellijn-watchers, de doellijntechneuten optima forma. Ons ontging niets. Wij wisten als eersten of een bal – zo’n zware leren nog, met veter – de doellijn had gepasseerd; wij waren de eerste met de armen juichend om hoog. Wij zagen ze opduiken: Jan Visser en Piet Veerman, spitsenhelden van mijn kindertijd, en verwoestend uithalen of doeltreffend raak koppen. En als een corner gegeven werd, riepen we enthousiast: ‘halve goal’! En als hij vanaf links genomen werd juichten we nog harder. Dan werd een halve goal vaak een hele. Corners van links werden genomen door Arie Bout, rechtsbuiten, ook van het Nederlands zaterdagelftal en hij trapte altijd inswingers, waarnaar de Zoeten van toen slechts konden grabbelen en met een zuur gezicht  de bal achter zich vonden , tegen de touwen. Inswingers:je ziet ze nooit meer. Andere opvattingen over corners, betere keepers? Soms stond je naast het doel. Gevaarlijke plek.  Ik voel nog die keren dat de leren knikker doel vond tegen mijn tere jongensballetjes. Doellijntechnologie: voor mij hoeft het niet. Zet er maar jongens (en meisjes) neer. Haviksogen hebben ze. Op hun gejuich kan een scheidsrechter met gerust hart naar de middenstip wijzen. Overigens smaakte na het zoet van een overwinning het gebruikelijke lekkerbekje bij de avondboterham des te lekkerder.

Kapper

Met zekere afgunst kijk ik naar mannen van mijn leeftijd die nog in het bezit zijn van een volle bos haar. Het haar is toch een soort kroon op je hoofd, op je hele gestalte. Het is je glorie. De bijbelse Nazireeër is een speciaal aan God gewijde man, die zijn haar moet laten staan. Het is de zetel van zijn ‘gewicht’ en kracht. Simson is zo’n man, die zijn kracht verliest en daarmee zijn functie als Delila het bij hem wegscheert. Als het tijdens zijn gevangenschap weer gegroeid is, krijgt hij zijn kracht terug en is hij in staat om een tempel vol voorname Filistijnse tegenstanders te laten instorten. Ik zou me zelf geen Nazireeër durven noemen, ofschoon je je kunt afvragen of een predikant ook niet een aan God gewijde is of is dat te rooms gedacht? Een predikant is een V.D.M (Verbi Divini Minister), een ‘dienaar van het Goddelijk Woord’, maar hij wordt ingezegend en niet ingewijd, maar wordt door gemeenteleden vaak nog wel gezien als een ingewijde, op een voetstuk geplaatst en dan kan het misgaan, vooral als hij zelf in zijn heiligheid gelooft. Enfin, bij mij groeit het haar niet meer in volle glorie, ik moet het kort houden. Er valt weinig eer aan te behalen en dus geef ik er zo weinig mogelijk geld voor uit en neem bij tijd en wijle plaats in de stoel van een allochtone 10 euro-kapper. Door het vaardig hanteren van de tondeuse ben ik in 5 minuten weer toonbaar voor de buitenwereld. De naam van de kapperszaak is Oscar, maar waarom hij zo heet? De eigenaar en man die me altijd onder handen neemt heet absoluut niet zo, maar kent een moslimnaam. Is hij Marokkaan, Algerijn, Irakees, Koerd: ik zou het niet weten. Hij is vriendelijk en vaardig en met regelmaat wordt het haar van de klanten bijeen geveegd. Maar dat doet altijd de ravissant donker opgemaakte vrouw die er werkt en vrouwelijke klanten helpt. Het wordt kennelijk als vrouwenkarwei gezien. Als ik haar dat zie doen, keren mijn gedachten altijd terug naar de kapper uit mijn kindertijd. Kapper Bout, een neef van mijn moeder, met een knecht, Aart Vos, die volgens mijn vader beter knipte dan Bout. Ik vond het heerlijk om naar de kapper te gaan. Mijn haar groeide toen nog wel welig, maar het werd ook toen goed kort gehouden, waarbij behalve de tondeuse vooral ook de schaar zijn werk deed. De kapper raakte je hoofd aan en dat vond ik aangenaam. Wachten op je beurt vond ik eveneens een genoegen: ik genoot van het geklets en gekeuvel (geroddel) van de mannen die ook op hun beurt wachtten, waarbij de kapper zich ook niet onbetuigd liet. Knecht Vos was veel zwijgzamer en ook dat vond juist mijn vader aangenamer; hij hield niet van het ‘geouwehoer’ en vond moeders neef ook een beetje een zije sok. Met grote regelmaat werd het gevallen haar bijeengeveegd, de kapper trok plots een luik open en met een grote zwiep verdween al ons haar in een donker gat. Fascinerend vond ik dat. Hoe groot was dat gat? Wat gebeurde er met al dat Huizer haar?  Bij Oscar verdwijnt het in een zak. Haar van goede kwaliteit wordt gebruikt voor pruiken of extensions, weet ik nu. Was dat toen ook al zo? Ik weet niet meer wat voor blaadjes er toen bij kapper Bout lagen. Ik kan me niet voorstellen dat in het oerdegelijke, orthodoxe Huizen ondeugende blaadjes op de tafel lagen. Of misschien toch ook al zo’n blad als De Lach? Roddelbladen werden kappersblaadjes genoemd. Maar die waren er in de vijftiger jaren nog niet. Bij Oscar liggen ze wel, naast van die glossy’s vol modellen van kunstig geknipte koppen. Ik hoop er zo weinig mogelijk tijd voor te hebben, omdat ik nu niet meer graag op een beurt wacht. En er heerst de stilte van een wachtkamer bij de tandarts. Daarom ga ik nooit op vrijdagmiddag en zaterdag, want dan zit de zaak vol met pubers van allochtone en autochtone herkomst die wekelijks de kapper bezoeken om hun ijdelheid bot te vieren. Patroontjes in het haar bijwerken; de nieuwste trends laten aanbrengen, de geringste haargroei trimmen. Die minuscule stukjes haar die op de vloer dwarrelen zullen vrees ik nooit een nieuw leven als pruik verwerven. Elke suggestie van een Simsonkop wordt rigoureus uitgebannen. En ik moet eerlijk zeggen, dat ik daar ook met zekere afgunst naar kijk: koppen, glorieus in hun artistieke frisheid.

Zwarte ibis

Eindelijk licht en lucht van voorjaar. De geur van gras kriebelde voor het eerst tot spontane niesbuien. Ik liep met vriend Rob over de paden en weiden van het Bentwoud in een voor het eerst aangenaam zonnetje en een lichte bries om het hoofd. Hier en daar nog sneeuwresten. Een modderig parkeerterrein vol auto’s van hondenuitlaters en van een paar vogelspotters, die zich met hun enorme telelenzen hadden geposteerd en niet van hun plek kwamen. Wij zwierven en wij zagen ze wederom: blauwe kiekendieven, van de vrouwelijke kunne. ‘Er moeten ook mannetjes zijn’, zei zo’n aan de ‘grond genagelde’ spotter, toen we hem passeerden. ‘Ik heb verdorie een uur onder m’n schuilnet gezeten en heb niets gezien’, zei een ander die er nu de brui aangaf. Wij zagen van heel dichtbij een torenvalk op de uitkijk zitten van een boomtop: prachtige spiedende ogen, schitterend verenkleed, extra opgelicht door het middaglicht.  Een buizerd wiekte ons voorbij en weer zagen we kiekendieven zweven, de witte stuit duidelijk zichtbaar en kenmerk van de vrouwelijke variant. Intussen al zwervend een uur lang uitgewaaid. Maar het mooiste moest nog komen. Vriend Rob stuurde naar de Starrevaart, dwars door het aan een wetering liggende Stompwijk, waar een carnavalsoptocht van over tien dagen pontificaal werd aangekondigd. We sloegen rechtsaf om over de A4 de vaart, die geen vaart is maar een plas, te bereiken. Er stond een jongeman met telelens naar iets te loeren. Wij keken en zagen: hij had zwarte ibissen in het vizier! De auto gestopt en ons bij hem gevoegd. Vier van deze van oorsprong Zuid-Europese vogel stonden met hun wulpachtige kromme snavel in het drassige weiland naar voedsel te pikken. Een nomadische vogel die in ons land niet broedt en eigenlijk in april-juni of september- november hier sporadisch waargenomen kan worden nu vol in het vizier op Valentijnsdag! 

Unknown

 

De middag was nu al goed, maar de Starrevaart bracht nog meer vogelgenot. In de ruime kijkhut een viertal oudere Leidenaren – duidelijk hoorbaar aan hun tongval – met prachtige telelenzen en ons zeer behulpzaam bij het spotten van een keur aan eendensoorten. Naast talrijke smienten zagen we wintertalingen, tafeleenden, slobeenden, brilduikers, pijlstaarten en nonnetjes dobberen. Pijlstaarten hadden Rob en ik nog nooit gezien en de anderen nog nooit zo van dichtbij. Opgewekt en met verende tred liepen we weer naar het parkeerterrein. Terug in Leiden bij mijn auto was een oud mannetje een verwilderde boereneend aan het voederen en op de terugweg naar huis zag ik bij Alphen aan de Rijn een boer die voor het eerst een tiental koeien de wei in had gestuurd. Het was een wonderschone middag!

Unknown-1  wintertaling

Unknown-2  pijlstaart

Unknown-3  slobeend

Unknown-4  tafeleend

Unknown-5  brilduiker

Unknown-6  nonnetje

Kiekendieven

Voor vogelliefhebbers is het bijna een ‘must’: de Vogeldagboeken van Adri de Groot. Adri de Groot woont in het Groene Hart in de buurt van Zoetermeer en trekt er dagelijks op uit met zijn telelens om vogels te spotten en te fotograferen. Hij ‘vangt’ de meest bijzondere gevederde vrienden en zet prachtige foto’s op zijn website, waarop je je gratis kunt abonneren. De meeste van zijn vogelvondsten treft hij aan in het natuurgebied De Wilck bij Hazerswoude, het Bentwoud bij Benthuizen, het Westerpark in Zoetermeer en de Starrevaart bij die plaats. Regelmatig reist hij ook af naar het havengebied van Scheveningen.  Nieuwsgierig geworden naar deze plekken vol verrassingen toog ik gisteren met vriend Rob, woonachtig in Leiden, naar een paar van die plekken. Eerst naar De Wilck, waar Rob vaak komt om te vissen en daar Adri ontmoette met zijn telelens. Op drie punten staan roestige schermen op een verhoging met kijkgaten. Door het drassige ruige weidegebied kun je wandelen, mits de toegangshekken niet vergrendeld zijn. Helaas is dat nu het geval. Vanwege de kleine zwaan die er is neergestreken. De Groot was er nu niet en helaas konden we de zeldzame kleine zwaan ook niet in het vizier van onze kijkers krijgen. Wel duizenden smienten, honderden kieviten en een  groot aantal grote zilverreigers. Vanaf twee plekken zochten we het natuurgebied af, aanvankelijk miezerde het nog, maar spoedig trok de lucht open en koesterden we ons in een bleek zonnetje. Na een voortreffelijke uitsmijter in De Egelantier te Hazerswoude-Dorp trokken we naar het Bentwoud, een recent aangelegd natuurgebied, met een rand van hoge bomen, bosjes van jonge bomen en gronden van riet en ruigten, doorsneden door sloten en wandelpaden. Het parkeerterrein stond aardig vol met auto’s van hondenuitlaters, maar er verschenen ook meerdere vogelaars, de meesten uitgerust met telelenzen. Een vrouw vertelde ons dat zij bij Bleiswijk fraters had gespot en liet ons de foto’s er van zien. De Groot had ze onlangs in Scheveningen weten te ‘vangen’. Een man met snor kwam gretig op ons af, in zijn kielzog zijn vrouw met het gezicht van iemand die graag iets anders had gedaan. “Zijn hier ook roofvogels?” Zonder kijker kon je torenvalken zien hangen, wegwieken of rusten op een paal of boomtak. Maar hij bedoelde buizerds. Mijn hemel, buizerds, moet je daarvoor naar het Bentwoud. Het miegelt in ons land van de buizerds. En zie daar, daar klapwiekt ook in het Bentwoud aan onze snufferd voorbij. Veel interessanter is dan de mededeling van een man die zegt dat er blauwe kiekendieven moeten zijn. De vrouw van de fraters is intussen ons voorbij gestiefeld en heeft haar telelens op de driepoot gezet en roept opeens dat ze bruine kiekendieven heeft gespot. En ook een ijsvogel. Die is inmiddels gevlogen en krijgen we niet in het vizier. Wel die kiekendieven. Twee stuks, zwevend, rustend, opvliegend. Maar dat zijn geen bruine, maar de beloofde blauwe: een vrouwtje en een jong. Aanvankelijk gingen we mee met de determinatie van het frater-vrouwtje, maar met name Rob had al snel zijn twijfels. Dan is het handig een vogelboek bij je te hebben en toen werd duidelijk dat het frater-vrouwtje dan wel een enorme telelens meetorste en wij slechts kijkers (wel goede), maar dat het nog niets zegt over de kwaliteit van het waarnemen. Daar kun je bij Adri de Groot wel van op aan en dus is het dagelijks openen van zijn mail immer een opwindend genot.

Kerstbrief

IMG_1124

 

De ontdekking van het afgelopen jaar was dit huis in een buitenwijk van mijn geboortedorp Huizen. Een huis, dat je als kind tekent en waarin ik nu graag zou wonen. Maar dit huis heeft een gevelsteen die een deur opent naar een stuk familiegeschiedenis die me tot dan toe onbekend was.

De omgeving waar het huis staat was mij niet onbekend. In de buurt lag in mijn jeugd wat wij het Ambonezenkamp noemden. Ik fietste als schooljoch vaak langs, meestal op weg naar een tante die als huishoudster werkte in een grote villa van de familie Van Leeuwen Boomkamp, rijk geworden in Insulinde. Toen tante overleden was fietste ik er, omdat ik graag de buitenwereld  van Huizen met haar prachtige natuurschoon en schitterende huizen bleef verkennen.

Later hoorde ik van mijn vader dat in de buurt van het huis zijn vader en de man naar wie ik ben vernoemd daar akkergrond bezat. Nog weer later dat daar tegenover Nescio en zijn vrienden een experiment van een commune begonnen à la Frederik van Eeden met Walden. Nescio c.s. noemden hun gedeelde grond Tames.

Ik kende dus al veel van de geschiedenis van wat rond de Oud-Bussumerweg ligt.

IMG_1126

 

Nu kwam er afgelopen zomer een nieuwe, de meest ontroerende geschiedenis bij.

Ik kocht  in een boekwinkel in Huizen een boek over gevelstenen in mijn geboortedorp. En daarin zag ik bovenstaande gevelsteen: Emmetjes Hout. En er stond een verhaal bij dat alles met mijn familie te maken blijkt te hebben. Emmetje is mijn overgrootmoeder van vaders kant. In mijn woonkamer staat in een boekenkast een foto van haar. Als vroeger in het dorp werd gevraagd van wie ik er één was, antwoordde ik: ‘ik ben er één van Jan van Klaas van Emmetje’.  Ik realiseerde me toen niet dat dat bijzonder was, want normaal zou op Klaas weer een mannennaam gevolgd zijn, in dit geval ook Klaas. Maar die Klaas, vaders grootvader, was al jong gestorven, ongekend door al zijn kleinkinderen. Emmetje stond er met een grote kinderschare alleen voor. Moest een boerderij runnen. En nu vertelt het boek, dat dat moeizaam ging, dat er armoede was en dat Emmetje in het bos, dat toen ook tot de familie behoorde hout sprokkelde, voor eigen verwarming, maar ook om te verkopen aan anderen. Waar ooit dat bos stond werd dat huis gebouwd en de bouwers kenden de geschiedenis.

 IMG_1137

Tot de meest indrukwekkende ervaringen van afgelopen jaar behoort de tentoonstelling van het werk van Käthe Kollwitz in Museum Belvedère bij Heerenveen. Haar werk confronteert je met de verschrikking van de terreur,  toen en nu en van de liefde van met name moeders voor haar kinderen. Talrijk zijn de Emmetjes in haar werk, zoals in bovenstaand beeldhouwwerk.

 

Deze kerstbrief schrijf ik op de dag dat Hebe Kohlbrugge begraven wordt. Zij had geen eigen kinderen, maar tegelijk had zij er talrijken, al die ‘kinderen Gods’ in de verdrukking van oorlog, Oost-Europa, Midden- Oosten, in de gestalten van de 81 studenten die zij uitzond naar Oost-Europese landen. Ik was er één van. Tot mijn schande moet ik zeggen dat ik dat niet altijd voldoende heb beseft en gewaardeerd.

Gelukkig zijn er nog vele Emmetjes, Käthe’s en Hebe’s in onze wereld. En mannelijke pendanten er van. We hebben ze ook hard nodig, harder dan ooit. Juist omdat verharding toeneemt, de verharding van eigen volk eerst, van egoïstisch zelfbehoud, van afzetten tegen, afzondering van, van minder-verklaringen, helaas ook bij steeds meer een zgn. weldenkend deel van de bevolking.

Met kerst kunnen we ophoren van een Ander geluid, een Ander Joods geluid zogezegd, een Stem die het verschil maakt, een Licht in de duisternis van een wereldorde van onverschilligheid of in de schrille kleuren van misleidende ideologieën. Kunnen we horen van en ons toevertrouwen aan de God die in dat Kind ‘metgezel geworden is van allen die met het mens-zijn geen raad weten’ (Noordmans)

Dat geeft hoop, hoop om zelf ook in het nieuwe jaar in het spoor van dat Kind en die Mens mens te worden door een Emmetje, een Käthe, een Hebe te zijn. En die hopelijk ook veel te ontmoeten.

We hebben het hard nodig en ‘wir schaffen das’. 

Muzikale hoogmis

Het is het laatste grote werk dat uit Bachs ganzenveer kwam. De Hoge Messe oftewel de Missa in b klein. En misschien moet je hier wel er aan toevoegen: ‘lest best’. Al jaren zeg ik dat Bach de Himalaya is in de muziek en de Mattheus daarbinnen de Mount Everest, maar steeds meer neig ik er toe de Hohe Messe als zijn absoluut hoogtepunt te kwalificeren. Het is wel een vergelijking van appels en peren. Dat moet er wel bijgezegd. Jos van Veldhoven, de dirigent van de Nederlandse Bachvereniging zegt: “De Hohe Messe is Bachs muzikale testament. Op één avond hoor je het allerbeste wat hij in zijn leven heeft geschreven. de muziek heeft alles in zich: Kerstmis en Pasen, leven en dood. de vrede op arde wordt prachtig beschreven in het ‘Et in terra pax’ uit het Gloria; iedereen blijft verbijsterd achter”. In ieder geval kan ik zeggen dat de uitvoering die ik gisteravond hoorde in de Rotterdamse doelen o.l.v. deze Van Veldhoven de beste was die ik ooit hoorde. Totale ontroering èn verbijstering; geraakt tot in alle vezels verlieten we de zaal.

Van Veldhoven kiest voor een kleine bezetting, waarin de solisten ook koorwerk verrichten, aangevuld met een groep ripiënisten om dat koor waar nodig te versterken. En dat zijn ook allemaal zangers met solistische kwaliteit. Over het totaal aantal zangers is altijd veel discussie. Ton Koopman zei onlangs in een interview met de NRC (naar ik meen) dat Bach waarschijnlijk een veel groter koor gebruikte dan huidige minimalisten, zoals Butt en Rifkin ( en tegenwoordig ook van Veldhoven) plegen te doen. het is voor mij moeilijk oordelen. wat de Hohe Messe betreft weten we dat Bach het werk zelf nooit heeft uitgevoerd. Wat we niet weten is waarom en waartoe hij het werk schreef. wat ik wel weet dat de kleine bezetting gisteren uitmuntend werkte: heel transparant, zonder verlies van samenhang en ‘body’. Van Veldhoven zorgt voor een heel dynamische aanpak, met verschillende tempi voor de diverse onderdelen en ook binnen de afzonderlijke onderdelen zelf – crescendo’s en diminuendo’s vloeien heel naturel in elkaar over. En als hij voor een pittig tempo kiest, zoals bijvoorbeeld in het Hosanna, dan klinkt het nooit gejaagd, zoals het bijvoorbeeld bij Koopman wel eens overkomt. De basis is rust, soliditeit. Bij Bach in het algemeen en zeker in het bijzonder in de Hoge Messe spelen zangstemmen en instrumentale stemmen een gelijkwaardige rol. En dat was gisteren in perfectie te horen. De zangers zingen als instrumenten en de instrumenten spelen als zangers. Waar de zangers solo of als duet zingen is er steeds een ander instrument dat eveneens een hoofdrol krijgt. Die solo’s waren allemaal top. Met als absoluut hoogtepunt het Agnus Dei, gezongen door de mannelijke alt David Erler: kippenvel, rugrillingen; een muisstille zaal vanwege de loepzuivere zang, verstild en edoch krachtig, van een onwezenlijke schoonheid. De andere solozangers overigens waren Hana Blazikova, sopraan; Anna Reinhold, sopraan; Thomas Hobbs, tenor en Peter Harvey, bas.

Kortom een heerlijke avond, waarin vele emoties gewekt werden. Het was vertier, het was aanstekelijk, het ontroerde diep, het was meesterschap, het was Openbaring en wederom het besef dat Bach een van Gods grootste geschenken is aan ons , zo goed begrepen door Van Veldhoven en zijn mensen, zo royaal en kundig om ons in dat geschenk te laten delen.

Hebe Kohlbrugge (1914-2016)

Gisteren had ik een gesprek door de telefoon met Gerard Laernoes, die ik ken vanuit mijn periode op Wieringen (1982-’85), die daar hoofdonderwijzer was op een kleine, maar zeer goede school in Oosterland en die al jaren nauw betrokken is bij het Middeleeuwse kerkje van dat dorp. In de bovengenoemde periode was ik als theoloog/vormingswerker verbonden aan de activiteiten in dat kerkje, onder auspiciën van de Stichting Oecumenisch Centrum Michaelskerk. Gerard zat in het bestuur. Nu zit hij in het bestuur van een stichting die deze Michaelskerk gaat overnemen van de de Protestantse Kerk te Wieringen, die dit gebouw nog in haar bezit heeft. Hij schrijft mooie stukken over de kerk. In één van zijn stukken gaat het over het bijzondere orgel, begin vorige eeuw overgenomen van de kerk in Velsen. Maar dit Teschemacherorgel werd gebouwd in Elberfeld, een dorp in het Wuppertal. In ons gesprek ging het o.a. over dat dorp en met name over de beroemde en belangrijke predikant/theoloog H.F.Kohlbrugge die daar heeft gestaan. En toen kwam ook zijn achterkleindochter Hebe Kohlbrugge ter sprake.

Vanmorgen ontving ik het bericht dat in de vroege ochtend van gisteren Hebe in haar slaap was overleden. Deze zomer had ik een dergelijke ervaring. Ik was met Tessel Blok o.a. in Lübeck. In die stad van de familie Mann en Willy Brandt kwamen we te spreken over Walter Slosse, oud-collega van ons bij de VPRO. Een paar dagen later kwamen we er achter dat Walter juist toen in diezelfde stad overleden was aan een hartstilstand.

Hebe kende ik niet tot in het voorjaar van 1976 in ons huis – ik was nog getrouwd – de telefoon ging. Ik studeerde theologie, mijn vrouw was radiologisch laborante. Vrolijk en direct ‘to the point’ vroeg Hebe of wij bereid waren voor twee jaar naar Roemenië te gaan. Dat zou dan moeten plaatsvinden in september. Ze had mijn naam doorgekregen van prof. Hannes de Graaf, die ethiek doceerde en één van de grondleggers van de PSP. Ik was hem blijkbaar opgevallen. Voor de buitenwereld was ik een stabiele, vrolijke, hardstuderende, actieve en theologisch goed geschoolde jongeman. Binnen in me stormde het van onzekerheid en vocht ik tegen gevoelens van homoseksualiteit. Mijn vrouw las in die tijd boeken van Richard Wurmbrand, een Roemeens-Duitse predikant die zich verzette tegen het communistisch regime en dat met de gevangenis moest bekopen. Zij wilde daarom graag op Hebe’s verzoek in gaan en ik wilde weg uit een situatie waarin de begeerte naar jongens me verteerde en elke jongen op mijn pad die begeerte aanwakkerde en tegelijk schuld en schaamte bezorgde. Met een vlucht naar elders dacht ik van me zelf weg te kunnen vluchten. Dus was de beslissing snel genomen en in september stonden we op het station in Utrecht voor een lange treinreis naar Cluj.             In de zomer had ik overigens al een reis gemaakt naar het land onder de hemeltergende dictatuur van Ceaucescu. Samen met Gerrit de Kruijff – helaas een aantal jaren geleden te jong overleden – en Aty van Noort, die haar zwangerschap in ons land had laten controleren en die met haar toenmalige man Jan Schippers bijna twee jaar onze voorgangers waren. Gerrit en ik hadden bij binnenkomst van Roemenië grote dubbel genaaide onderbroeken aan, volgestopt met Roemeense lei. Bij de Crediet en Effectenbank kreeg je toen veel meer lei voor de Westeuropese valuta dan in het land zelf. Maar invoeren van lei was illegaal en zwaar strafbaar. Het was Hebe die ons dat verzocht had en Hebe iets weigeren was schier onmogelijk, dat leerde ik toen al.

Enfin, midden in de nacht kwamen we in donker Cluj aan, waar we werden opgewacht door Cseh Zsolt, plaatselijk predikant, die ooit in ons land studeerde en dus in onze taal ons kon begroeten en verder wegwijs maken. Het was het begin van een tweejarig verblijf in een pijpenla van het Hongaars Theologisch Instituut te Cluj. Dat instituut verzorgde de predikantenopleiding van de Hongaars Hervormde Kerk, de Hongaars Lutherse Kerk en de Hongaars Unitarische Kerk. De laatste twee zijn piepkleine kerkgenootschappen en leverden een enkele hoogleraar. Twee jaar verbleven dus voornamelijk in de wereld van de Hongaarse minderheid. Het eerste jaar had je hard nodig om de voor ons ineens moeilijke taal te leren en in het tweede jaar konden we op pad om ook kerkdiensten te leiden. Zoals de hele samenleving was ook het instituut vergeven van spionnen van de gehate en beruchte Securitate. Voorzichtigheid met wie je omging was geboden. Gelukkig waren er ook met een rechte rug en met wie je oprechte vriendschap wist te sluiten; er waren theologen en predikanten die op hun manier dissideerden. De beste herinneringen bewaar ik aan ontmoetingen bij een aantal van hen thuis, met eenvoudige maar overheerlijke maaltijden, goede schnaps en wijn en hartverwarmende gesprekken. Hebe stuurde briefjes met gecodeerde boodschappen. We maakten de aardbeving van maart 1977 mee; we maakten uitstapjes zonder toestemming van de rector, tegen zijn verbod in – ook hij was een gevangene van de Securitate – in een zogenaamd door mijn schoonvader, maar door Hebe geregelde Dacia, type Renault 12, maar van veel slechtere kwaliteit. Het waren twee enerverende jaren, met echte zomers en winters. De jaren waren intens, maar als vlucht van mijn tegennatuurlijke verlangens hielpen ze uiteraard niet. Na terugkomst werd die problematiek alleen maar heftiger en leidde uiteindelijk tot scheiding en ook tot een verminderd contact met Transsylvanië en andere delen waar  de Hongaarse minderheid zich bevindt. Pas de laatste jaren bezoek ik het land weer met regelmaat en werd ook het contact met Hebe weer intenser. De viering van haar honderdste verjaardag in Zeist was daarin een hoogtepunt. Vooral Hebe’s eigen levensverhaal – uit het hoofd en wel zeker anderhalf uur lang – maakte diepe indruk. Wat een vrouw! Een vrouw in verzet, tegen totalitarisme, tegen onrecht, tegen obligate prietpraat, tegen taalverwoesting, tegen terreur in welke vorm, tegen hypocrisie. Een vrouw die opkwam voor gewone menselijke omgang, voor mensen in verdrukking, voor kerken in de knel, voor een Evangelisch gevoed sociale maatschappij. Ik doe haar met deze woorden nog te kort. Tot het laatst is ze helder gebleven schreef ze met de pen in het Duits commentaren op Bijbelboeken, zoals Mattheus, Genesis en Exodus, die ze liet vermenigvuldigen en toestuurde naar bevriende voormalig Oost-Duiuse predikanten en vrienden in ons land. Juist in deze tijd lag er elk jaar een prachtige kerstbrief in de bus. Die blijft dus nu uit. Ook al was ze al 102 hoopte je altijd dat ze nog langer zou leven en voelt haar verscheiden toch als een gemis. Een ‘moeder Israëls’ is heengegaan. Fysiek was ze zo klein als een schoolkind, maar haar leven en haar werk was monumentaal, ofschoon ze zelf als geen ander haar betekenis kon wegrelativeren. Haar gedachtenis zij tot zegen. Meestal een wens met een hoog cliché-gehalte. In haar geval met de kracht van een sterke storm.