Plaatsnamen in gedichten – 4 – Moerdijk – Ida Gerhardt

Moerdijk

Aalscholvers braken door de wolken heen.                                                                                               En vliegend vormden zij een sterrenbeeld.                                                                                                            Cassiopeia. Het bleef onverdeeld                                                                                                                            tezamen, tot het boven Dordt verdween.

Het is dat de dichteres in de titel de plaats bepaalt waar zij die formatie aalscholvers heeft gezien, anders had het ook  elders in de buurt van Dordrecht kunnen zijn. Maar Ida Gerhardt is precies en ze heeft het gezien aan de zuidkant van het Hollands Diep waar het dorp ligt. Dat dorp heeft ook de naam gegeven aan de gemeente waartoe het behoort. Een gemeente van in totaal bijna 37.000 inwoners en daarmee de een na grootste van Noord-Brabant. ( Meijerijstad). Het gemeentehuis staat in Zevenbergen. De naam is afgeleid van ‘moor-dicken’. Moor/moer is moeras, waarin veel veen aanwezig is. Een dijk werd aangelegd om in een zo tijdelijk ontstaan poldertje zout te kunnen winnen. Een oud woord voor zoutwinning is ‘darinkdelven’. Darink is de naam voor de zoute laag in de bodem, ook wel derrie genoemd. Uit een artikel op de  site Brabants Erfgoed:

Na de Weichsel-ijstijd stegen de temperaturen. De ijskappen smolten, wat de zeespiegel deed stijgen. Het losgekomen zeewater verspreidde zich over de naastliggende veengronden, waardoor het zoutgehalte van deze grond aanzienlijk steeg. Door de aanleg van dijken werd het zeewater van de veengronden gescheiden en werd het veen toegankelijk voor de mens.

Om het zout uit de veengronden te winnen, werd het losgestoken en uitgedroogd. Het drogingsproces werd met behulp van de natuur gedaan. De stukken veen werden losjes op elkaar gestapeld tot een berg, wind zorgde vervolgens voor het drogingsproces.

De volgende stap was de verbranding. De hieruit ontstane zoute as (zelas) werd overgebracht naar een verwerkingsplek. De as werd eerst samengevoegd met zeewater. Dit mengsel werd vervolgens in grote ovens aan de kook gebracht, hierdoor verdween het vocht en bleef het zout achter wat verzameld kon worden. De verschillende stappen in dit proces wordt ook wel selnering genoemd.

Het darinkdelven had vele ingrijpende gevolgen voor de natuur. Mede daarom werd het in de vijftiende eeuw verboden.

Moernering is een synoniem voor darinkdelven en kwam tot grote bloei in de 13e eeuw in de Lage Landen. Het in Zeeland en West-Brabant gewonnen zout kon de concurrentie met steenzout gemakkelijk aan en vond met name in de Vlaamse steden een prima afzetgebied. Het bracht steden als Zierikzee, Steenbergen en Dordrecht grote rijkdom. En ook Reimerswaal, dat uiteindelijk door die rijkdom juist ten onderging. Vanwege het vele weggraven van de derrie kreeg de zee veel meer vrijspel en dijkdoorbraken waren uiteindelijk funest voor de stad. En juist door de moernering kon in 1421 de Sint-Elisabethsvloed verwoestend uithalen. In Zeeland leidde dit in 1515 tot een verbod van zoutwinning.

Genoemde beruchte vloed zorgde er eveneens voor dat een ooit smalle kreek zich verbreedde tot wat we nu kennen als het Hollands Diep, waarover de beroemde Moerdijkbruggen (voor auto en voor trein) lopen. Tot 1807 hoorde dat water en het dorp ( en wat nu gemeente Moerdijk is)  tot het Gewest Holland. Pas daarna kun je spreken van ‘boven de Moerdijk’ (calvinistisch) en ‘beneden de Moerdijk’ (katholiek). Niet voor niets is een groot deel van de gemeente nog immer protestant. Het dorp is ook bekend van het enorme industriegebied met vooral chemie als voornaamste bedrijvigheid. In de afgelopen jaren kwam dit terrein voluit in het nieuws vanwege grote branden: 5 januari 2011 bij Chemie-Pack; 3 juni 2014 bij Shell; 12 mei 2015 bij Remonds Argentina.

Om de bruggen is op 10 mei 1940 zwaar gevochten na een Duitse parachutistenlanding. De Duitsers kregen die echter onbeschadigd in handen en bliezen ze op hun buurt in het najaar van  1944 op om te voorkomen dat ze in geallieerde handen vielen.  Het dorp werd in het zelfde jaar getroffen door bombardementen. Er werd veel verwoest, waaronder kerken en kloosters. Alleen de Hervormde Kerk bleef gespaard. Daar kwam de watersnood van 1953 nog eens overheen. Vandaar dat je er veel nieuwbouw van in en  na de jaren 50 aantreft, waaronder een aantal houten huizen door Noorwegen geschonken voor slachtoffers van de Watersnood. Sinds 2013 worden veel grond en huizen onteigend terwille van de uitbreiding van de A16 en A17 en het industriegebied. Er is een vertrekregeling en daarnaast wordt geïnvesteerd in de leefbaarheid van het dorp.

Terug naar het gedicht, waar Gerhardt dus een formatie aalscholvers ziet. De naam suggereert dat de vogel vooral aal uit het water ‘scholft’, maar de vogel is ook verzot op voorn, baars en snoekbaars. De zwarte vogels met witte wang en gele plek waar de lange snavel met haakvormige punt aan de kop hecht hebben door hun zware botten een slecht drijfvermogen. Vandaar dat je ze vaak op palen ziet met hun vleugels gespreid. Zo laten ze die als wasgoed drogen voor een volgende vangbeurt. Gerhardt zag ze vliegen in het sterrenbeeld Cassiopeia en dat sterrenbeeld is in de Benelux het hele jaar te zien als een grote W. Het is vernoemd naar de koningin van de Ethiopiers in de Griekse mythologie. Ze is de vrouw van Cepheus en de moeder van Andromeda. In Griekse volksverhalen wordt ze aangewezen als de naamgever van Joppa (Jaffa). Jaffa is van ‘jafa’, Hebreeuws voor schoonheid. Volgens de mythe schepte Cassiopeia nog al op over haar eigen en haar dochters schoonheid. Ze wordt daarvoor gestraft door Poseidon die met een vloedgolf en het zeemonster Ceto de stad Joppa teisterde. Perseus op zijn beurt doodt dan weer het zeemonster.

220px-moerdijk_brug      nl-hana_2-24-01-03_0_901-3212 heropening 1946

266px-perched_cormorant     300px-cassiopeia2   

 

Plaatsnamen in gedichten – 3 – Blauwhuis

Het Friese land – Us Heitelan – is mij dierbaar. Ik ben er veel geweest, ik kom er nog veel. Er zijn nog weinig plekken, waar ik nog niet geweest ben. Onder Bolsward ligt weids groen land, met kleine dorpen, oude dijken, verspreide boerderijen. In dat gebied woonde ooit Gerard Reve. In Greonterp. Tot 1984 hoorde het piepkleine terpdorpje tot de gemeente Wonseradeel; daarna tot 2011 tot Wymbritseradeel en nu al weer acht jaar tot Sudwest-Fryslan. Van 1964 tot 1971 had Reve er domicilie. Hij noemde zijn woonst Huize Het Gras. Hij woonde er met Willem Bruno van Albada (Teigetje). Later voegde Henk van Manen (Woelrat) zich bij hen. Teigetje en Woelrat trouwden later met elkaar en werden kunstzinnige breiers. Het was een roerige periode, waarin Nader tot U uitkwam, hij niet zo lang ervoor toegetreden was tot de RK kerk en het Ezelsproces werd gevoerd. Veel drank ook. De eigenaar na Reve vond een tuin vol met lege wijnflessen. Hij had er veel contact met Frans Pannekoek, met wie hij ook zwerftochten naar café’s ondernam. In zijn Friese periode ontving hij ook de PC.Hooftprijs (1969) van handen van minister Marga Klompé, die hij ‘volmondig’ kuste. Greonterp ligt als een klein eilandje in het groene land. Het dichtstbijzijnde dorp is Blauwhuis, een katholieke enclave. Het dorp dankt zijn ontstaan aan de drooglegging van het Sensmeer in 1632. Een huis met blauwe dakpannen, eigendom van een Haarlemse katholieke dame, konden katholieke bewoners van de nieuwe polder terecht voor eigen misvieringen. Deze schuilkerk werd in 1785 vervangen door een echte kerk, die in 1871 werd vervangen door de huidige aan St.Vitus gewijde kerk. Het dorp is ook bekend van de Blauhuster Dakkapel die regelmatig optreedt bij schaatswedstrijden. En bij kenners van Reve  vanwege zijn gedicht Graf te Blauwhuis.

Graf te Blauwhuis
voor buurvrouw H. te G.

Hij rende weg, maar ontkwam niet,
en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.
Een strijdbaar opschrift roept van alles,
maar uit een bruin geëmailleerd portret
kijkt een bedrukt en stil gezicht.
Een kind nog. Dag lieve jongen.

Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al,
ja ja, kom er eens om,

Gij weet waarom het is, ik niet.
Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?

Helaas is het graf er niet meer. Al lang niet meer. In 1983 werden de resten van Gerrit Rijpma overgebracht naar het Nationaal Ereveld Loenen. Gerrit Rijpma, 18 jaar en lid van het verzet,  trachtte tijdens een razzia in Abbegaasterketting ( een gehucht een paar km noordoostelijker van Blauwhuis) in een bootje te vluchten, maar werd tijdens die vlucht door een Duitse kogel vol geraakt. Het was 8 februari 1945. De Duitsers hadden lucht gekregen van onderduikers in boerderijen al daar. Zijn broer Yp moest de stervende dragen. Thuis ontving hij het Heilige Oliesel, wat Reve geraakt zal hebben. De tragische geschiedenis hoorde hij van een buurvrouw, Siuwke Hofmeijer-Rijpma. Gerrit was haar broer.  In de St.Vituskerk ging hij naar de mis en bezocht het graf en aldus kwam het gedicht tot stand, wat een plaats kreeg in Nader tot U.

180px-4620180817_steen_reve_greonterp         180px-20180817_kunstwerk_op_glas_reve_greonterp     180px-20180817_huize_het_gras_greonterp

175px-blauwhuis_sint-vituskerk    120px-4420180817_klokhuis_greonterp     graf-te-blauwhuis            a00f47d3278c5d1950ec877f318bbfe4

Plaatsnamen in gedichten – 2 – Utrecht

Het hierna volgende gedicht gaat niet over Utrecht als geheel, maar over een specifiek stukje Utrecht, nl. Bemuurde Weerd. En de kenner weet dan wel over welk gedicht ik het heb en wie de dichter is. Ja zeker, het gaat om ‘Utrecht- Bemuurde Weerd’ van J.C.Bloem.

Utrecht: bemuurde weerd
Het water stroomt nog door dezelfde sluis
Als toen, en maakt het eendere geruis.
De huizen, aan de waterkant daarneven,
Zijn feitlijk ook onaangerand gebleven.
Alleen nabijer is, voor wie ze ontvlood,
De zekerheid van de imminente dood.
Het staat in de bundel Afscheid uit 1957. Wiel Custers ontdekte dat aanvankelijk de titel De sluis II luidde. Een bevestiging van een vaststelling van H.U.Jessurun d’Oliveira van vele jaren eerder dat er een verband bestaat tussen het gedicht uit Afscheid en het gedicht De sluis uit Media vita uit 1931.
De sluis
De stilte en koelte waren weergekeerd,
Het nachtlijk feest lag als een glas versmeten.
Ik heb dit late donker nooit vergeten,
Want deze dingen blijven ongedeerd.
Een ongeweten, innerlijk geweld
Had naar een zwart kanaal mij heengedreven.
Het was het uur, dat de wiekslag van ‘t leven
Weer trilt in die de slaap heeft neergeveld.
Daar hoorde ik het vervoerende geruis:
Wateren, die van vóór de tijden bronden,
Bezweringen van lang-gestorven monden:
Het zachte stromen door de nauwe sluis.
Ik stond, alleen gebleven, ongekend,
In doodlijke verrukking opgetogen,
Naar onweerstaanbre diepten neergezogen,
Gebannen in het ademloos moment.
Toen werden ‘t water grijzer en de straat,
En ging hun nachtelijk geheim verloren,
En boven donkre huizen werd geboren
Een kille en groezelige dageraad.
Terug naar het plaatsnaam-gedicht. Je ziet de dichter daar staan, ziet het water de sluis, de oude bebouwing: onveranderde tijd. Heden is verleden, verleden heden. Het enige wat veranderd is is hij zelf: dichter bij de zekerheid van de dood. Die hij imminent noemt. En niet immanent. Imminent betekent ‘boven je hoofd hangend’. 
Nu de plek zelf. Afgelopen half jaar heb ik er – met vrienden – diverse malen er gestaan en gezeten. Met z’n vieren wandelen we regelmatig een route uit een wandelboekje over de stad. Routes die vanuit het centrum naar de buitenwijken voeren. Vaak zijn we op of nabij de Bemuurde Weerd gestart en daar ook geëindigd met tot besluit een goed glas Belgisch bier op een terras van een café met aangename klassieke muziek. Bemuurde Weerd ligt in de schaduw van de Jacobikerk, de kerk van de beruchte wijk C, waar de wieg stond van Anton Geesink, wiens borstbeeld ook voor de kerk te prijken staat. Het is de kerk waar ik ooit leervicaris was, zeg maar stage liep, bij ds.Aris Kool. Aan het begin van Bemuurde Weer tegenover een mooi oud bruin café een pleintje met een beeltenis van Nijntje, de beroemdste schepping van Dick Bruna.
Bemuurde Weerd is ontstaan rond een sluis die omstreeks 1300 werd gebouwd om het waterpeil beter te kunnen regelen. De Utrechtse grachten en de Vecht sloten zo via die sluis op elkaar aan. Er ontstond bebouwing om heen en zo ontstond een noordelijke voorstad die in 1330 ommuurd werd en de Weerdpoort kende als toegang tot de stad.
Vanwege brandgevaar (houten huizen!) werd de aardewerkfabricage verplaatst naar de voorstad. Van korte duur, want eind 14e eeuw moest om dezelfde reden deze bedrijvigheid ook buiten de voorstad, nog noordelijker, plaatsvinden. De noordzijde van Bemuurde Weerd wordt begrensd door het Zwarte Water, waaraan het zeer idyllisch wonen is overigens. Bemuurde Weerd kent een oost- en een westzijde.
‘Weerd’ is overigens een oud woord voor ‘waard’. Van Dale geeft 4 betekenissen: 1. geheel door rivieren ingesloten landstreek (bijv Bommeler Waard) 2. buitendijks land  -uiterwaard. 3. gronden in het noordelijk deel van de Zuiderzee die bij eb geheel of gedeeltelijk droogvielen: Wieringer waard. 4. wierd, terp. Als je ziet dat dit stuk Utrecht door water omringd ga ik voor de eerste betekenis.
330px-bemuurde_weerd     220px-voetgangersbrug_weerdsluis_utrecht

Plaatsnamen in gedichten 1: Hulshorst

De eerste plaatsnaam in een gedicht is het Veluwse dorpje Hulshorst. eens woonden mijn ouders een tijdje op een camping in de buurt, omdat hun oude huis al verkocht  en het nieuwe nog niet klaar was. Met zijn nog geen 2000 inwoners ligt het ten zuiden van Nunspeet en ten noorden van Harderwijk en Hierden aan de vroegere Zuiderzeestraatweg. Deze weg vormt de grens tussen het zgn. Veluwemassief en de agrarische gronden aan de vroegere Zuiderzee, nu Veluwemeer. Een aantal landgoederen stofferen de omgeving van het dorp, Zoals Barrebos, waar op 18 september 1924 door Theo Holdert een huttenkolonie gesticht werd in de geest van het Walden van Frederik van Eeden. Bekenden als de wiskundige Bertus Brouwer en dichter Herman Gorter vonden er regelmatig onderdak. In de buurt vinden we eveneens Kasteel Sterrenburg, volgens een gevelsteen gebouwd in 1652, maar bronnen wijzen uit dat er al een middeleeuwse voorganger bestond. De bouwer, Johan Coolwagen, liet het oprichten als statussymbool om zich een plaats te verwerven in de Ridderschap van de Veluwe. In 1950 kochten de Norbertijnen van de Abdij van Berne het kasteel en de bijgebouwen. Ze stichtten er een klooster en vormingscentrum en in 1992 een vrouwenklooster. Thans fungeert het als hotel. Hulshorst kent een 19e eeuwse molen en kende Marcel van Dam als bekende inwoner. Elsbeth Etty, de biograaf van zowel Henriëtte Roland Holst en recentelijk van Willem Willink werd in het dorp geboren. En Hulshorst kende een treinstation, tot 1987 in gebruik. En dat speelt de hoofdrol in het gelijknamige gedicht van Gerrit Achterberg.

HULSHORST

Hulshorst, als vergeten ijzer
is uw naam, binnen de dennen
en de bittere coniferen,
roest uw station;
waar de spoortrein naar het noorden
met een godverlaten knars
stilhoudt, niemand uitlaat
niemand inlaat, o minuten,
dat ik hoor het weinig waaien
als een oeroude legende
uit uw bossen: barse bende
rovers, rans en ruw
uit het witte veluwhart.

Het station werd geopend in 1863 en is gebouwd op aandringen van een landheer van een nabijgelegen landgoed. Uit Wikipedia:

Het station gold als het station van de High Society, dit vanwege de aanwezigheid van voorname, al dan niet adellijke families in directe omgeving. De grond was toentertijd eigendom van de familie Van Zanbergens van het landgoed De Essenburg in Hierden. Zij lieten door het bos een grindweg naar het station aanleggen (de Essenburgweg) en hadden een alleen voor hen toegankelijk hekje naar het perron. Ook de burgemeester van Harderwijk, bewoner van Huize Hulshorst, had middels eigen weg en hekje toegang.[1]

Het stationsgebouw is een uniek Centraalspoorwegstation en is uitgevoerd in de kleinste klasse. Het station ligt tussen Harderwijk en Nunspeet en had tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw ook nog een rangeerspoor ten behoeve van de bosbouw.

De omgeving is zeer bosrijk en dat maakte het station ook uniek. Het station ligt samen met een paar huizen vrij ver van het dorp midden in de bossen. Het scheen bekend te staan als bijzonder geschikt voor een heimelijk rendez-vous van ‘minnende paren’[1].

Nadat de NCS was opgegaan in de Staatsspoorwegen in 1919 bleef het station bestaan. Ook toen NS in 1938 werd opgericht bleef het station open. Na de Tweede Wereldoorlog moest het station het vooral hebben van vakantiegangers en de NS-Dagtochten, waarbij voor wandelaars in de uitgestrekte bossen routes werden uitgezet.

Het station werd net zoals station Soestduinen maar 1 keer per uur bediend door de stoptreinen Utrecht - Zwolle. Tot midden jaren tachtig was 1 keer per uur Amsterdam - Zwolle en het ander uur 1 keer Utrecht – Zwolle. Dit waren allebei stoptreinen.

Station Hulshorst en station Soestduinen lagen allebei midden in de bossen en waren door geringe reizigersaantallen niet rendabel. De belangrijkste reden voor de sluiting van station Hulshorst was de opening van station Amersfoort Schothorst waardoor er te weinig tijd overbleef voor een stop in Hulshorst. Station Hulshorst werd gesloten op 31 mei1987. Op diezelfde dag werd bij Amersfoort het station Schothorst geopend.

Met deze kennis is het goed om Achterberg gedicht nog eens te lezen. In de bossen als schuilplaats voor ‘barse bende rovers’ ligt m.i. een verwijzing naar al genoemde Barrebos. Het nabijgelegen Hierden is overigens de geboorteplaats van oud-keeper Henk Timmer.

266px-hulshorst_-_de_maagd_4 266px-voormalig_station_hulshorst

 

De aard van Gooiland 6

We verkennen andere grond van Naarden. Wandelen wederom richting de vesting en slaan na de brug linksaf over de Korte Bedekte weg – het geasfalteerde fietspad – of over de wal zelf en bij een kinderboerderij dalen we af en steken de Burgemeester M.P. van Wettumweg over. Deze burgemeester (1867-1936) trad aan in december 1922 nadat een beoogde fusie met Bussum werd afgeblazen, tot grote vreugde van de Naarders. Enfin, met ingang van 2016 hoort Naarden met Bussum (en Muiden en Muiderberg) tot Gooise Meren.Marinus Pieter van Wettum ligt begraven op de oude begraafplaats aan de Amersfoortsestraatweg en was Ridder in de Orde van den Witte Leeuw van Tsjecho Slowakije. Naarden is de stad van de grote Tsjech Jan Amos Comenius. We vervolgen de wal, steken de Amsterdamsestraatweg over, vervolgen de tocht rond de vesting over al  de Admiraal Helfrichlaan die links af loopt naar Fort Ronduit. Conrad Emile Lambert Helfrich (1886-1962) was tijdens WO II de commandant van de Zeemacht in Nederlands Indië en daarna bevelhebber van de Zeestrijdkrachten. Fort Ronduit maakt deel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.  Wikipedia:

Fort Ronduit is een polygonaal fort in Naarden gebouwd in de periode 1873-1875 op de restanten van een eerder verdedigingswerk. Het fort diende ter bestrijking van de buitendijkse gronden ten noorden van de vesting van Naarden.

Het fort ligt ten noorden van de vesting van Naarden en ten zuiden van de toenmalige Zuiderzee. In de 17e eeuw lag op deze plaats al een schans ter bescherming van de haven van Naarden en in 1873-1875 werd het bestaande fort gebouwd.[1] Tussen het fort en de vesting ligt een verbindingswal zodat troepen ongezien door de vijand zich konden verplaatsen.

Het fort is voorzien van een wachthuis bij de ingang en een centraal gelegen bomvrije kazerne. In de bakstenen kazerne waren lokalen voor de manschappen, het verblijf voor de commandant en de officieren en de keuken.[2] In het midden waren magazijnen voor de opslag van munitie. Helemaal links en rechts van het gebouw zijn twee ruimten voor de stalling van het geschut.[2] Het gebouw is aan de frontzijde afgedekt met zand. In de frontmuur van de kazerne en de zandafdekking zijn twee gangen met deuren zodat de manschappen snel de kanonnen in de frontwal konden bereiken.[2] Het fortterrein wordt omgeven door een 25-35 meter brede natte gracht en verbonden met het land door een kraanbrug. Om de gebouwen ligt een hoge aarden wal met plaatsen voor het geschut.

In 1926 werd het fort, tegelijk met de vesting Naarden als vestingwerk opgeheven.[1] Het werd nog gebruikt als opslagplaats voor munitie.[1] In 1986 zijn de gebouwen gerestaureerd.

unknown-6 In het midden burgemeester Van Wettum.

800px-fort_ronduit_-_naarden_-_20533093_-_rce Fort Ronduit.

We wandelen terug en nemen in een bocht het Zuiderzeepad langs een naamloze kleine polder , waar ik eens in het ene weiland een enorme zwerm brandganzen zag, in een tweede weiland een zelfde zwerm grauwe ganzen en in een derde een grote troep Canadese ganzen. Het pad loopt onder de A1 door en brengt ons in een nieuwe deftige woonwijk bij de Naarder jachthaven, Naarderwoonbos geheten.. Langs deze sjieke woonwijk naar de weg die rechts naar het Naarder Bos zelf voert. Jarenlang een eidorade voor struinen, strandjes, kattenkwaad, cruisen, fietsen en wandelen, maar al weer een tijdje sjiek bebouwd en voorzien van een golfbaan. Bij de bocht rond de jachthaven kun je links nog wel de zgn. Westdijk op met links zicht op een groot deel van de Binnendijksche- Overscheensche- Berger- en Meentpolder en doorlopend kom je onder de A6 al spoedig in Muiderberg.

Aandachttrekkerij

Afgelopen zaterdag had ik voor Radio Bloemendaal (Hemelse Modder) een gesprek met oud-sportjournalist van de Volkskrant en NRC Guus van Holland. Het werd een openhartig gesprek aan de hand van door hem zelf  (zoals gebruikelijk bij dit programma) aangedragen muziek. Daarbij het nummer ‘The sinner in me’ van Depeche Mode. Logische vraag van mijn kant: wat is ‘the sinner in you’? ‘Mijn zonde is” , zei Guus, ‘ is de neiging tot aandachttrekkerij”. Een eerlijk en verrassend antwoord. Die wellicht de  wonde openlegt bij meerderen, de wonde ook van mijn zonde, moet ik bekennen. Die wellicht ook voortkomt uit een gebrek aan aandacht en erkenning tijdens minder- en jeugdtijd. Of uit angst voor afwijzing. Een zonde wellicht die stevig gevoed wordt deze tijd met z’n Facebook, Instagram, Twitter etc. En de ettelijke talkshows niet te vergeten: mooie podia voor aandacht en hoe beter aandacht getrokken wordt, hoe beter de kijkcijfers en dus gunstig voor de ijdelheid van de talkshowhosts. In Andere Tijden Sport was onlangs een mooi (gemaakt) portret te zien van oud-scheidsrechter Frans Derks. Nu ja, ik schrijf ‘oud’; hij fluit nog steeds op 88 jarige leeftijd wedstrijden. Nou ja fluit; hij fluit  nauwelijks en loopt er als relikwie bij. Het spel bijbenen is er niet meer bij. Zoals Sjaak Swart ook nog altijd voetbalt op z’n tachtigste: een karikatuur van wat hij was. Enfin, Derks gaf ruiterlijk toe dat hij ijdel was en dat nooit onder stoelen of banken heeft gestoken. Zijn ijdelheid is wellicht daarom te pruimen. Aandachttrekkerij is vaak omgeven door en ingegeven door een zgn goede zaak, met fraaie motieven, maar ten diepste juist voortkomend uit ijdelheid. Facebook is bijvoorbeeld een digitale prikboord voor kijk-mij-eens-goede daden en -gedachten/meningen, bevestigd door applaus-reacties van je aanhang, vrienden genaamd. En zo wordt vooral de digitale wereld overstelpt met ‘Hier ben ik’. Een goede vertaling van het Hebreeuwse ‘hineni’, wat in de Bijbel diverse keren voorkomt, o.a. bij Abraham (Genesis 22) en bij Samuël. Maar daar is het altijd een uit je schulp komen door een roepstem van de Ene en nooit een zelfopenbaring, dus een vorm van eigenmachtige aandachttrekkerij. Toen het laatste album van Leonard Cohen met de titel Hineni mocht Mart Smeets bij  DWDD aandacht daarvoor vragen en dat is bij Mart nooit aan dovemansoren gezegd. God Matthijs roept, dus ben je er. Maar Mart vertelde dat hineni betekent: ik kom er aan. Tja. Overigens een ander nummer van Cohen – Halleluja – behoorde ook tot de inbreng van Guus van Holland. Volgende week met het hele gesprek te beluisteren op www.radiobloemendaal.nl.

De aard van Gooiland 5

Bij het vakantiehuis AZ25 gaat de Oud Huizerweg door naar de kust van het Gooimeer. Van de voormalige speeltuin Oud Naarden is alleen een woonhuis over gebleven. Het Gooimeer is hier zeer ondiep, tot ver uit de kust is het nog slechts 1 meter. Dat was al zo toen het nog Zuiderzee heette. Jan P.Thijsse heeft het over “een suf, ondiep zeetje”. Al zeker vijftig jaar ligt er een prachtig fietspad naar de Huizer haven. We bevinden ons nog steeds op Naarder grondgebied, officieel Gooise Meren, waartoe Naarden, met Bussum, Muiden en Muiderberg toebehoort. Na het Magdalenabosch wordt het Huizer grondgebied. Naar welke Magdalena dit bos is genoemd? Geen idee. In Huizen is er ook nog een Magdalenaweg. De nabijgelegen Aalberg is ook naar een vrouw vernoemd, evenals de Sijsjesberg: een verbastering van Sijtjesberg. Enfin, we willen nog binnen Naarder grondgebied blijven en volgen de houtwal zuidwaarts tot we op de Bestevaer komen. De hockeyvelden behoren ook nog tot de Gooise Meren. De Bestevaer kruist met de Driftweg, waar langs de grens weer westwaarts loopt. We steken de Bestevaer echter niet over, maar slaan rechts af tot we bij een onverharde weg komen richting kust, de Zeeweg geheten, vroeger ook wel Lage Zeeweg genoemd. Het is feitelijk een verlenging van de Zeeweg in de bebouwde kom van Huizen. Langs deze weg gingen voor dat Huizen een eigen haven had (midden 19e eeuw) de karren met hoge wielen naar de kust en vervolgens het ondiepe water in tot aan de vissersboten die er voor anker lagen. Zij namen de gevangen buit over om die vervolgens aan land te brengen. De onverharde Zeeweg voert langs kleinschalige akkers, onderbroken door bescherming biedende houtwallen. Vroeger werd er boekweit op verbouwd en in mijn kindertijd ook aardappels en rogge. Na schooltijd gingen we in de zomer als de aardappels gebloed hadden naar die aardappelvelden om de tot vrucht uitgegroeide bloesem te plukken. Ze zagen er uit als tomaten, waren diepgroen en uiterst giftig. Net als de tomaat behoort de aardappel tot de familie van de nachtschade, maar anders dan bij een tomaat beetje de knollen onder de grond en niet de vruchten boven de grond. In het Huizer dialect heten die vruchten ‘papeklooien’. Ze stak ze op stokken van takken gemaakt en waaraan een punt gesneden was. De stokken werden gebruikt om de ‘pageklooien’ naar elkaar te slingeren. ‘Gé je mie  pageklooien zeuken op de nenge”, was ons onderling startsein tot een aardig vertier. “Nenge’ is Huizers voor eng, een oude benaming voor een akker. Via de Zeeweg kom je bij en op de Aalberg. De heuvel is 9 meter hoog en biedt een prachtig uitzicht op Gooimeer en Almere -haven. In het gebied rond de Aalberg zijn sporen gevonden van een Neanderthaler cultuur. Van de Aalberg kunnen we door bos – met grote kans op grote bonte spechten – naar de Eukenberg, ruim 14 meter hoog en waarschijnlijk ook een zgn. tafelberg, bestemd voor offerdiensten in heidense tijden. In de Gouden Eeuw bevondt zich op de heuvel een theekoepel en wellicht ook een baken/vuurtoren. Vanaf de Eukenberg komen we zuidwaarts op de Hoge Zeeweg, ook onverhard die een vormsplitsing vormt met de Oude Naarderweg die door bosgebied wederom richting kust voert. Direct na akkerland?eng links af en al spoedig zijn we bij Café Bos en Hei, al honderd jaar een begrip in de regio. Uitgebreid terras alle dagen het hele jaar door open, binnen een bruin cafeetje. Prima  dranken en spijzen tegen schappelijke prijzen. We lopen van het café zuidwaarts richting de Driftweg, een pad naar rechts door bos brengt ons bij het thans beroemdste huis van Het Gooi, wellicht van heel ons land, nl. ‘t Hoogenest. Onlangs verscheen over dat hoog oprijzende huis een buitengewoon boek van de hand van de huidige bewoonster Roxanne van Iperen. Bizarre oorlogsgeschiedenis, van onderduik, verzet van joodse zijde en verraad. We lopen weer terug en vervolgens vanaf het café  westwaarts langs een reusachtige villa De Twaalf Schepels. Een schepel is een oude inhoudsmaat voor m.n. droge waren als graan en meel; het betreft eentiende deel van een hectoliter. We komen wederom op de Oude Huizerweg, zie links een toegang tot Flevo Oord, een vakantiehuis en opvang van visueel gehandicapte kinderen. We wandelen terug tot Oud Valkeveen, slaan links af  en gaan de Valkeveense laan af. Halverwege kunnen we rechts af het Vogellaantje in die uitkomt bij de Meentweg bij een boerderij waar Ferry Hoogendijk (1933-1914) – oud Elsevier, oud LPF – woonde. Links ligt het landgoed Drafna. Hier informatie die Wikipedia geeft:

Vanaf de jaren zestig nam het aantal kinderen af en namen de kosten toe. In 1986 werd ook de subsidie van de gemeente Amsterdam stopgezet en noodgedwongen moesten er drie huizen worden verkocht. Sinds 1988 is het “Gustav Brieglebhuis” het enige huis dat het VKF in exploitatie heeft. Door grote inzet van een aantal vrijwilligers is het mogelijk om de kosten voor de exploitatie zo laag te houden dat de verhuurprijzen voor schoolkinderen laagdrempelig kunnen blijven. Want nog steeds komen heel veel kinderen hier met veel plezier en voor vertier.
Meer dan 100 jaar later is er nog steeds behoefte aan spelen in de buitenlucht! En ook zijn schoolkampen een ideale manier om elkaar beter te leren kennen. Het VKF blijft zich dan ook inzetten om deze unieke plek te behouden en te verbeteren. Samen met de vrijwilligers èn met behulp van incidentele bijdragen van symphatisanten. Wij willen dat er, net als 100 jaar geleden, kinderen kunnen komen logeren middenin de bossen van hun Valkeveen.

2015_huizen_copyright-pixelpolder_02032015_0d43168-nef_0037-300x199  Eukenberg.unknown-4 Drafna 1880

 

De aard van Gooiland 4

We blijven nog eve stilstaan bij het pretpark Oud Valkeveen. Inmiddels meer informatie er over vergaard: in 1645 kocht de rijke koopman Gerard Reynst een stuk grond tussen Naarden en Huizen en liet daarop een boerderij bouwen, die hij noemde naar dat stuk waar de boerderij op gebouwd werd. Reynst (1599-1658) was de zoon van een  gouverneur-generaal van Nederlands-Indië en woonde  aan Keizersgracht 290 in huize De Hoop. Hij was een verwoed kunstverzamelaar, met o.a. meesterwerken van Raphael, Titiaan en Tintoretto. Amalia van Solms, de echtgenote van Frederik Hendrik behoorde tot de voorname bezoekers van zijn collectie. In zijn hectisch bestaan had Reijnst behoefte aan een buitenplaats en dat werd dus op het grotere landgoed Oud Naarden (Oud) Valkeveen. Samen met die van zijn broer Jan behoorde zijn collectie tot de grootste van ons land. Jan had een groot deel van zijn collectie gekocht van de weduwe van de Venetiaan Andrea Vendramin. Een deel van die collectie kwam na Jans dood in bezit van zijn broer en werd derhalve van Venetië verscheept naar Amsterdam. Na de dood van Gerard verkocht diens weduwe zijn collectie aan diverse kopers; een deel werd aangekocht door de Republiek. Verder wandelend richting Huizen zien we links nog de restanten van een renbaan voor paarden en motoren in de dertiger jaren aangelegd als onderdeel van het pretpark en in de zeventiger jaren afgebroken. Rechts lopen we langs het kerkhof. In mijn kindertijd lag daar ook een zomercamping met huisjes en tenten. Links voert een breed pad – Zuiderzeeweg geheten – naar het Gooimeer en mooie verborgen strandjes. Even verder op het Roelofslaantje, die met een bocht weer uitkomt op onze wandelroute en na een bult Oud Huizerweg heet. Aan het laantje – genoemd naar de al eerder vermelde Amsterdamse wijnhandelaar uit de 17e eeuw – liggen een paar fraaie huizen. Ik weet dat ooit Willem Jan Otten en Vonne van der Meer er woonden. Tevens vinden we er Kindervakantiehuis Valkeveen, ook wel Gustav Brieglebhuis genoemd.  Van de website van dit vakantiehuis:

In 1905 nam een groep Amsterdamse onderwijzers het initiatief om met 2000 kinderen van de basisschool een dagje buiten de stad door te brengen. Amsterdamse bleekneusjes die niet met vakantie gingen omdat hun ouders daar niet de middelen voor hadden, kwamen hiervoor in aanmerking. Eén dagje konden de kinderen weg uit de armoede, weg van hun werk òf van de zorg voor hun broertje of zusje. Ze mochten één heerlijke lange dag alleen maar spelen in de frisse lucht. De onderwijzers organiseerden zich in de stichting Vakantie Kinder Feest (VKF), want het was een zodanig succes dat het navolging kreeg. Vanaf toen gingen elk jaar duizenden kinderen één dag naar buiten in de vrije natuur. ‘s Morgens 7 uur vertrokken ze naar het Centraal station van Amsterdam. Uitgezwaaid door wel 8 muziekcorpsen en natuurlijk hun familie. In extra lange treinen werden de kinderen vervoerd naar o.a. Bussum, Valkeveen, Hilversum, Baarn, Haarlem, IJmuiden, Wijk aan Zee, Bloemendaal, Zandvoort en Castricum. Het was een ongekende belevenis.

Het “Gustav Brieglebhuis” is geschonken door de Heer O.W.G. Briegleb, directeur van de Ripolin verffabrieken. Hij en zijn vrouw sponsorden het VKF al vanaf 1912. Zij genoten zo van de kinderfeesten dat zij graag zagen dat het feest ook na hun dood door zou gaan. Door hun legaat kon dit huis worden gebouwd. De vereniging “Voor de jeugd” zag zich in dezelfde tijd genoodzaakt hun bijeenkomsten te stoppen en zij besloten hun prachtige kampeerterrein van bijna 6 hectare (geschenk van wijlen Mevrouw A.M. den Tex-Boissevain) af te staan aan het VKF. De ligging midden in de bossen en de grote speelweide maken het vakantiehuis de ideale plek voor schoolreisjes. Het oorspronkelijke Kindervakantiehuis is inmiddels aangepast aan de wensen van mensen van deze tijd, maar wel met behoud van de traditionele sfeer.

Vanaf de jaren zestig nam het aantal kinderen af en namen de kosten toe. In 1986 werd ook de subsidie van de gemeente Amsterdam stopgezet en noodgedwongen moesten er drie huizen worden verkocht. Sinds 1988 is het “Gustav Brieglebhuis” het enige huis dat het VKF in exploitatie heeft. Door grote inzet van een aantal vrijwilligers is het mogelijk om de kosten voor de exploitatie zo laag te houden dat de verhuurprijzen voor schoolkinderen laagdrempelig kunnen blijven. Want nog steeds komen heel veel kinderen hier met veel plezier en voor vertier.
Meer dan 100 jaar later is er nog steeds behoefte aan spelen in de buitenlucht! En ook zijn schoolkampen een ideale manier om elkaar beter te leren kennen. Het VKF blijft zich dan ook inzetten om deze unieke plek te behouden en te verbeteren. Samen met de vrijwilligers èn met behulp van incidentele bijdragen van symphatisanten. Wij willen dat er, net als 100 jaar geleden, kinderen kunnen komen logeren middenin de bossen van hun Valkeveen.

De bult over, maar rechts nog op die bult Tussen de bomen, een plek voor diners en kleine conferenties, gelegen op het oorspronkelijke terrein van landgoed Leeuwenberg. Daarna rechts prachtig zicht op een oorspronkelijke zandafgraving en nu dus een idyllisch weidegebied met vaarten en kleine boompartijen en zomers vee. Links bos – met wandelmogelijkheden – van het landgoed Oud Naarden en al spoedig de entree tot een kloeke oude boerenhoeve. Al zes eeuwen wordt op het landgoed geboerd. Te beginnen met twee monniken van de Orde van Sint Paulus uit Amsterdam die omstreeks 1420 door dit gebied trokken en langs de kust een weide vonden waaraan ze twee hutten bouwden, een kleine kapel bouwden en vee begonnen te houden. De plek lag ter hoogte van de puinhopen van het in 1350 verwoeste Naarden. Andere monniken legden zich bij hen en er ontstond een kloostergemeenschap: ‘Convent van Oud Naarden’. Dit klooster groeide uit tot een vermogend boerenbedrijf. In 1579 toen de Staten van Holland besloten kloostergemeenschappen verbeurd te verklaren bracht de prior het convent onder bij het stadsbestuur van Naarden onder de voorwaarde dat de opbrengst bestemd zou zijn voor het stichten van een weeshuis. Een jaar ervoor werd het (gemengde)boerderijbedrijf al verpacht aan Elbert Egbertsz uit Hilversum. Naast een bedrag in geld werd de pacht vooral in natura betaald, wat voor honderden jaren heeft gegolden. Ook de huidige boeren pachten het en wel van de familie Dudok van Heel. De Zuiderzee is altijd een woelig zeetje geweest die veel kustland wegsloeg, ook van het landgoed. Het klooster viel ook ten prooi en in 1825 leek de boerderij aan het woeste water ten onder te gaan. De toenmalige eigenaresse, weduwe Alida Elisabeth Bredius-de Lalane de Duthay (1744-1827) besloot de boerderij acte breken en verder landinwaarts weer op te bouwen en daar ligt het nu nog steeds. Na een honderd meter komen we op een splitsing. Rechts de Zanderij, de laatste afgraving vóór Huizen. Links voert een onverharde weg naar de voormalige speeltuin Oud Naarden, waar ik als kind regelmatig kwam voor glijbaan, klimrek en limonade en voor het aardige strand. Meestal betrokken we het strandje rechts naast de uitspanning, want gratis. Op de hoek het AZ25 vakantiehuis. Dat bestaat al sinds 1925 en was een initiatief van Henk Lucassen, woningbouwbestuurder in Amsterdam. Hij verwierf een directiekeet en verplaatste dat naar een stukje aangekochte grond bij landgoed Oud Naarden. eerder had hij al het initiatief genomen tot een speeltuin voor kinderen van arbeiders van de Zuidergasfabriek aan de Amstel in de Duivendrechtse polder. Tot het uitbreken van WO II hebben duizenden Amsterdamse speeltuinkinderen ge genoten van natuur en strand. Na de oorlog konden scholen hun werkweken in het huis houden. Op 18 juli 1957 bracht koningin Juliana een bezoek aan de door haar uniek genoemde kinderspeelplek. Vanaf de zeventiger jaren vonden naast jeugdorganisaties en scholen ook particulieren vertier in deze oase. In de 80er jaren is het drastisch gerenoveerd.

De aard van Gooiland 3

We lopen een alternatieve route naar Oud Valkeveen. In plaats van vanaf de dijk rechts het Oostdijkpad te volgen, dalen we dijk links af  en nemen de onverharde weg – nog steeds Oostdijk geheten – naar de Meentweg en slaan daar links af. Ter linker zijde staan een aantal prachtige landhuizen en villa’s, waarvan hun achtertuinen grenzen aan het polderland. Op een uitgebreide kaart kunnen we lezen dat deze aan de waterkant wordt afgesloten door de Zanddijk. In mijn jeugd, toen de huidige A1 daar nog niet liep, kwam ik er wel vanwege kleine rustige strandjes. Ik herinner me nog goed dat eenmaal daar ook een oudere man zich had geposteerd en toen ik langs kwam opende hij zijn jas en keek ik op zijn geslacht, waarvan in mijn herinnering zijn ballen het formaat hadden van een grapefruit. Een heuse potloodventer. Hij was niet de enige die in Het Gooi actief was. Je hoort nooit meer van dit soort exposanten.                                                                                                 Enfin, wie geld genoeg heeft en fraai wil wonen: een drietal villa’s staan te koop, variërend van 1 1/2 miljoen tot zo’n 2 1/2 miljoen euro. Ter rechterzijde van de Meentweg passeren we de toegang tot het Internationaal Theosofisch Centrum St.Michaël. Op dit terrein ook een kerk , gewijd aan de heilige Michaël en alle engelen. Ze noemen zich een Vrij-Katholieke kerk, volledig los van de RK kerk, met een “Christelijke leer, geïnspireerd vanuit theosofie en gnosis”. Ik neem over van hun website:

De Vrij-Katholieke Kerk vindt dat iedereen volkomen vrij moet zijn om een eigen zienswijze te vormen. Ieder mens draagt daar zelf de verantwoordelijkheid voor. Alleen in zo´n klimaat kan de mens zich verder geestelijk ontwikkelen. In haar naam staat vrij daarom, naast onafhankelijkheid, ook voor vrijheid bij het uitleggen en begrijpen van de bijbel en andere oorspronkelijke geschriften en bij het interpreteren van de de vrij-katholieke opvattingen.  In haar naam duidt katholiek er verder op dat deze kerk in haar oorspronkelijke betekenis universeel is en deel uitmaakt van Christus´ onzichtbare Kerk, waarvan de zichtbare kerken slechts afspiegelingen zijn

Hierin lijkt de kerk sterk op de Vrijmetselaars, ofschoon die zich niet specifiek christelijk noemt en ook geen kerk wenst te zijn. Theosofie is een wijsheidsreligie (Grieks: Theos= god; sophia = wijsheid) die er vanuit gaat dat elke religie een deel van de waarheid in zich heeft, dat die waarheden zich laten kennen door middel van ons verstand om die te ‘ontsluieren’ en niet door ‘openbaring’. De bekendste naam die hierbij hoort is Helena Blavatsky (1831-1891). Gnosis is het Oudgriekse woord voor ‘kennis’. Het is het verwerven van inzicht in de oorsprong, huidige situatie en bestemming van de mens, zoals het wordt verwoord in een Wikipedia-lemma. Gnosis komt als concept in diverse religieuze tradities voor. In het vroeg christendom was het een voorname stroming, waartegen ook veel verzet kwam. Volgens aanhangers moet het Johannes-evangelie als een gnostisch geschrift gelezen worden. Tijdens mijn theologiestudie kreeg ik o.a. college van Gillis Quispel (1916-2006) die geschiedenis van het vroege christendom doceerde en een groot kenner en kritisch aanhanger van de gnostiek. Wikipedia over Quispel:

 In 1945 werden de Nag Hammadigeschriften gevonden, een verzameling teksten uit de begintijd van het christendom. Al die geschriften waren Koptischevertalingen van teksten die oorspronkelijk in het Grieks geschreven zijn. Het handelde om dertien codices die in totaal tweeënvijftig – voor het grootste deel gnostische – geschriften bevatten. Die vondst betekende een grote stimulans voor nader onderzoek van de gnosis. Quispel hoorde in 1948 van een Franse collega, Jean Doresse, van de vondsten. Quispel trachtte net als meerdere Europese geleerden toegang te krijgen tot de gevonden codices. Doresse was de eerste die van een deel van het materiaal foto’s had weten te maken. Hij was ook de eerste die tot de conclusie kwam dat een Evangelie van Thomas tot de manuscripten behoorde. In een later stadium zou Doresse in de concurrentiestrijd om tot de eersten te behoren die over de teksten kon publiceren door zijn collega’s buitenspel gezet worden. Quispel bleef wel nauw samenwerken met een andere Franse collega, Henri-Charles Puech.

Quispel nam contact op met Carl Gustav Jung. Twaalf van de dertien codices waren inmiddels in handen van het Koptisch museum in Caïro. Quispel wist in 1952 de laatste codex nog niet in het bezit van het museum voor een bedrag van 35.000 Zwitserse francs aan te kopen voor het Jung- Instituut. Deze codex, de huidige codex I, wordt dan ook wel de Jung-codex genoemd. Op basis van een overeenkomst met de verkoper werd de aankoop van de codex anderhalf jaar geheim gehouden. Het bleek echter dat van deze codex ongeveer veertig pagina’s ontbreken, waarvan het vermoeden was dat deze wel in een koffer in het Koptisch museum waren.

Quispel wilde eind 1953 daarom naar Egypte reizen. Dat werd volgens hem verhinderd door reacties in de Nederlandse pers na de bekendmaking van de aankoop. In een artikel in de Groene Amsterdammer had de hoogleraar theologie C.W. Mönnich Quispel verweten argumenten in artikelen te gebruiken die ontleend waren aan de Jung-codex terwijl zijn opponenten niet over die tekst konden beschikken. Quispel reageerde pas enige tijd later in een artikel in het Algemeen Handelsbladmet de opmerking De heer Mönnich is mij persoonlijk onbekend. Ik moet hem echter verzekeren, zich niet in het gesprek van serieuze mensen te mengen. Het voorval was voor de theoloog Jan Buskes aanleiding om In de Waagschaal zijn gedicht Quispel-door te publiceren.

Bijeenkomsten op Het Loo en Soestdijk brachten Quispel in contact met koningin Juliana, die grote interesse voor de geschriften had. Zij verzoekt Johan Willem Beyen, de minister van Buitenlandse Zaken, de ambassade in Caïro in te schakelen voor het assisteren van Quispel. Naast de nog vermiste veertig bladzijden van de Jung-codex ging het Quispel vooral om de toegang tot de tekst van het Evangelie van Thomas. In deze fase speelde een andere hoogleraar in Utrecht, Willem van Unnik, een belangrijke rol bij die inspanningen. In 1955 bracht Quispel wel een bezoek aan Caïro. Daarbij werd uiteindelijk de betreffende koffer geopend waarin inderdaad de nog ontbrekende veertig bladzijden zaten. In dat jaar publiceerden Quispel, Puech en van Unnik gezamenlijk een uitgave met drie studies over de Jung-codex.

In 1956 werd tijdens een bijeenkomst in Caïro afgesproken dat de Jung-codex na de wetenschappelijke vertaling in bezit zou komen van Egypte en een internationaal comité van experts alle Nag Hammadigeschriften zou publiceren die door Brill zouden worden uitgegeven. Alleen leden van het comité zouden toegang hebben tot de manuscripten. Quispel kon vertrekken met fotokopieën van de volledige tekst van het Evangelie van Thomas.

Pahor Labib, de directeur van het Koptisch museum, hield zich echter niet aan een van de afspraken en publiceerde kort daarna een editie met onder meer de tekst van de veertig bladzijden die vermist waren en het Evangelie van Thomas. Die teksten waren vanaf dat moment voor iedereen toegankelijk. Duitse onderzoekers waren tot dat moment geheel niet betrokken geweest bij de ontwikkelingen. Die grepen nu hun kans. In Duitsland verschenen al snel wat Quispel als piraten editiesbenoemde. De Duitse theoloog Johannes Leipoldt is de eerste Europese onderzoeker die in 1958 een volledige vertaling van het Evangelie van Thomas publiceerde. De vertaling van Quispel verscheen in 1959.

Al kort na de aankoop van de Jung-codex in 1952 werden Puech en Quispel belast met het vertalen van de vijf traktaten die deze bevatte. Iets later werd Michel Malinine aan dit team toegevoegd. De laatste was een egyptoloog en koptoloog. Hij moest de niet optimale kennis van het Koptisch van Quispel en vooral bij Puech aanvullen. Het oorspronkelijke plan was geweest om in ieder geval een vertaling van het Evangelie der Waarheid uit te kunnen brengen bij de bekendmaking van de aankoop in november 1953. Dat bleek onhaalbaar. Een tweede dead-line, de 80ste verjaardag van Jung op 26 juli 1955, werd ook niet gehaald. De eerste – Duitse – vertaling dateert van begin 1957.

Het Jung-instituut en met name zijn directeur Meier had grote zorgen over het trage tempo van de vertalingen. Belangrijke oorzaken waren de niet optimale kennis van het Koptisch bij Puech en Quispel en het feit dat Malinine die deze kennis wel had naar het oordeel van Quispel en Puech weer onvoldoende benul had van gnostiek. De verhoudingen binnen het team konden ook gespannen zijn. In 1958 probeerde Meier dan ook de drie te vervangen door de koptoloog Walter Till die wel voldoende kennis had van de gnostiek. Dit ging uiteindelijk niet door. Till werd wel toegevoegd aan het team en zorgde ook voor een zekere versnelling van het vertaalproces. Ook anderen werden, vooral na het overlijden van Till in 1963, onder hevige oppositie van Quispel als assistent of als co-auteur aan het team toegevoegd. De Verhandeling over de Opstanding was in 1963 gereed, het Geheime boek van Jacobus in 1968, het eerste deel van de lange tekst van de Verhandeling in drie delen in 1973, het tweede deel van de verhandeling en het Gebed van de apostel Paulus in 1975. Pas in dat jaar werd de codex overgebracht naar het museum in Caïro.

Quispel is in veel artikelen en interviews op deze gebeurtenissen ingegaan. Na zijn overlijden is nieuw materiaal over die jaren beschikbaar gekomen. Onderzoek op basis daarvan heeft tot nuancering van de opinies van Quispel daaromtrent geleid. De essentie daarvan is dat Quispel een belangrijke rol heeft gespeeld, maar dat hij de rol van enkele anderen onderbelicht heeft. Dat geldt voor zijn collega Van Unnik en met name voor die van het Jung-instituut en zijn directeur Meier. Het idee om de Jung-codex aan Egypte te schenken in ruil voor toegang tot alle teksten was afkomstig van Meier. Het instituut had bij de onderhandelingen duidelijk de leidende rol en was verreweg de belangrijkste speler. De rol die koningin Juliana heeft gespeeld werd door Quispel echter sterk overbelicht. Quispel heeft die geformuleerd in termen dat zonder haar ingrijpen hij in 1955 niet naar Cairo had kunnen reizen. Nog in 2003 meldde hij dat als Juliana er niet was geweest de Nag Hammadigeschriften, inclusief het Thomasevangelie nu nog in de koffer lagen van het Koptisch museum.[1]

Tijdens de bijeenkomsten op Het Loo en Soestdijk was ook steeds Greet Hofmans aanwezig, een gebedsgenezer en adviseur van koningin Juliana. Hofmans kwam ook bij Quispel thuis. Haar aanwezigheid aan het hof leidde tot de “Greet Hofmans-affaire” en tot de verwijdering van Greet Hofmans uit de omgeving van de koningin. Quispel heeft later altijd de invloed van Hofmans op een politieke stellingname van Juliana weersproken en bestreed dat Juliana in de ban zou zijn van Hofmans. Hij noemde Hofmans een bijzondere vrouw met een hoogstaand karakter. Een profetes in de oerchristelijke betekenis van het woord, een vrouw die door de Geest geïnspireerd wordt om iets nieuws aan de Openbaring toe te voegen. Quispel vergeleek de acties tegen haar met de kruistochten tegen de katharen en herhaalde vele malen dat Hofmans als een zondebok werd gebruikt.[2][3]

We wandelen verder tot aan een hek, waar vandaan we een mooi zicht hebben op weiland en Gooimeer; ooit liepen hier ook koeien van een broer van mijn vader, oom Tijmen. We slaan rechts af, waar de Meentweg een onverharde weg wordt met fietspad er langs. Spoedig zien we links al het attractiepark Oud Valkeveen. Oorspronkelijk was het een boerderij die een rijke Amsterdammer liet bouwen op zijn landgoed Oud Naarden. Eind 18e eeuw is het landgoed in bezit van de familie Hugues, de schoonfamilie van de al eerder genoemde Van Rossum. Deze kocht het in 1823 van de erven Hugues, maar een jaar later verkoopt hij het al weer door aan de Amsterdamse wijnhandelaar Otto Roelofs. Een deel van de Valkeveense laan heette vroeger het Roelofslaantje.  De stoomtramverbinding tussen Amsterdam en het Gooi (Gooische moordenaar, vanwege diverse ongevallen met dodelijke afloop) gaf na 1880 de mogelijkheid voor een uitje naar het mooie strand van Oud Valkeveen, waar velen gebruik van maakten. De eigenaren van de boerderij zagen hun kans schoon en zorgden voor een natje en een droogje en zo ontwikkelde zich een pannenkoekenboerderij. In 1930 kwam er een speeltuin bij. In 1980 werd circusdirecteur Toni Boltini eigenaar/exploitant. Vandaar dat hij ook op Nieuw Valkeveen begraven ligt. De huidige eigenaar dreigde het park vorig jaar te sluiten vanwege een prettaks die de gemeente wilde invoeren. Op Valentijnsdag draaide de gemeenteraad het besluit terug.

unknown-6 Blavatsky   gilles-quispel  Quispel

images-1      images

 

De aard van Gooiland 2

We waren gebleven op de Oostdijk. Deze wordt onderbroken door de A1. Via een tunneltje kunnen we aan de andere kant de dijk weer bestijgen. Links met sloten doorsneden polderland en daarachter het Gooimeer en rechts het terrein van de vroegere Chemisch Fabriek die zijn geuren in de omtrek verspreidde. De fabriek werd in 1905 opgericht op het terrein van een voormalige beetwortelsuikerfabriek. Men begon met de distillatie van ruwe glycerine tot hoofdzakelijk nitrietglycerine, een bestanddeel van dynamiet. Het werd voornamelijk geëxporteerd naar Zuid-Afrika. Vanwege financiële problemen ging men daarnaast  al spoedig over tot de destillatie van karwijzaad en andere materialen ten behoeve van essences. Daarmee werd de grondslag gelegd waarmee het bedrijf wereldfaam zou verwerven. Geur- en smaakstoffen, sacharine, anti-oxydanten, vitamine C: het kwam allemaal uit Naarden en bedrijven die opgekocht werden. O.a ook in Amerika. In 1972 ging het bedrijf Naarden International heten. In 1987 werd het bedrijf verkocht aan Unilever, met toen wereldwijd zo’n 2500 werknemers. Met andere soortgelijke bedrijven ging het Quest International heten en dat werd weer in 2007 verkocht aan het Zwitserse Givaudan. Givaudan-Nederland kent naast Naarden nog een vestiging in Barneveld. Er werken in totaal nog ruim 600 medewerkers. Uit mijn jeugd herinner ik me een man uit ons dorp die er werkte vanwege zijn neus. Hij had een heel sterk verfijnd reukvermogen en was zo zijn salaris meer dan dubbel en dwars waard. Deze man was afnemer van aardappels die mijn vader kocht bij een Zeeuwse oom en later bij een boer in de Noord-Oostpolder. Ik mocht mee op die zaterdagse tocht in de zomer, waarop heel vroeg in de morgen vertrokken met een vrachtwagen en een bestellijst. Mijn vader verdiende net zo veel, dat we zelf de rest van het jaar gratis aardappelen uit de kelder (poeder tegen spruiten er over) konden eten. Het terrein van de vroegere fabriek was veel groter dan nu door Givaudan gebruikt wordt.  Bij een kwekerij rechts, na genoemd terrein splitst de Oostdijk zich in een naar beneden lopend zandpad en het Oostdijkpad tussen bosschages door. Beiden komen uit op de Meentweg. We nemen het pad. De Meentweg loopt daar vanuit het zuiden via een stenen brug over een feeëriek watertje, waar ik eens in de bomen langs dat water een tweetal appelvinken spotte. Het weiland dat je daar ziet is ontstaan ten gevolge van zandafgraving, begonnen in de 18e eeuw door de Amsterdamse ondernemer Joannes Petrus van Rossum (1778-1856). Hij kocht diverse landgoederen en buitenplaatsen, zoals Oud Valkeveen, Oud-Bussum, Drafna,Flevorama, De Limiten en ook Zandbergen, waar hij zelf uiteindelijk woonde en ook overleed. Het zand werd gebruikt voor de huizen- en wegenbouw in Amsterdam. De vaak grillig gevormde bredere sloten waren de vaarten, waarmee het zand werd afgevoerd. Onder het zand lag een veenlaag, geschikt voor veeteelt. Het geeft het huidige landschap een schilderachtig uiterlijk. We bevinden ons op de uitlopers van de Utrechtse Heuvelrug. Links van de brug kunnen we de zgn. Venuslaan nemen, een zandpad tussen stoere oude beuken door. Heet het zo, omdat het  een laan was waar geliefden ongestoord van elkaar konden genieten, al wandelend?                  De Venuslaan, waar het miegelt van vinken, diverse mezen, roodborstjes en merels komt uit op de Valkeveenselaan. Daar ligt  Leeuwenberg, één van de vele heuvels in het Gooi, zoals de Woensberg, Tafelberg, Trapjesberg, Sijsjesberg, Eukenberg en Aalberg, allen in de omgeving van Huizen. De Leeuwenberg zou een van oorsprong tafelberg kunnen zijn, een opgeworpen heuvel in de vorm van een afgeplatte kegel, bestemd voor religieuze feesten. Dit fenomeen werd voor het eerst in de 10e eeuw vermeld. Sinds de 19e eeuw worden ze bij ons offerbergen genoemd. Judith Schuijff heeft daarover geschreven in haar lezenswaardig boek: Heidens Nederland .In de 17e eeuw was de heuvel eigendom van de Amsterdamse burgemeester Andries de Graeff (1611-1678) en maakte het deel uit van zijn landgoed Graeffenveld. Hij verfraaide de heuvel met een 20 meter hoge zuil, met daar bovenop een leeuw.Het is nog steeds in particulier bezit en rijk begroeid, o.a. ook met hoog bamboegras.  De 19e eeuwse wandelaar ds. J.C.Kraandijk beschrijft het in 1888 aldus:

Aan het einde van de ‘Venuslaan’ vinden wij wederom een zeer schoone water- en boschpartij, ten bewijze hoe de eigenaar van Nieuw-Valkeveen, de heer Mijnssen, zijn bezitting weet te ontginnen en te verfraaijen. Uit de lommerrijke beukenlaan, die naar den straatweg leidt, overzien wij de sierlijk aangelegde zanderij, die zich om den voet van den Leeuwenberg windt en aan de overzijde door glooijende, met sparren begroeide heuvelen omzoomd is, terwijl aan het einde een scherp verlicht frisch doorkijkje zich opent en een zandscheepje met zijn in rood baai gedoste bemanning het tafereel verlevendigt. Uit het tentje zien wij het uiterste punt der zanderij. Daar wordt nog druk gegraven en gekruid, daar liggen de zandbokken met hun schamele bewoners.

Het werk der ontginning, in ‘t begin dezer eeuw op Oud-Bussem begonnen, wordt blijkbaar nog met ijver voortgezet en allengs meer zal dit hoekje van Gooiland den naam mogen dragen van een der liefelijkste gedeelten van ons vaderland.

Bella Vista heet het tentje. En zoo mag het heeten. Het uitzigt op het rijke landschap is er inderdaad schoon en de blinkende spiegel der zee, wier strenge lijn door de donkere bosschen van Oud-Valkeveen en Oud-Naarden wordt afgebroken, draagt er ruimschoots het zijne toe bij. Wij hadden bij vorige omzwervingen tusschen Oud-Bussem en Blaricum herhaaldelijk die in het Gooi zoo eigenaardige vereeniging van land- en zeegezigten – telkens weêr anders op verschillende punten – gezien. Ook hier is ‘t, bij overeenkomst in de hoofdtrekken, toch weêr een geheel, in bijzonderheden zoozeer verschillend van wat wij elders aanschouwden, dat bekendheid met de andere vermaarde panorama’s in den omtrek een bezoek aan Bella Vista geenszins overbodig mag doen rekenen.

We wandelen richting de al oude uitspanning Oud Valkeveen, passeren landgoed Nieuw Valkeveen, ook eens eigendom van Van Rossum en zijn nazaten en het gelijknamige kerkhof, in 1937 ontworpen door bekende tuinarchitect Dirk Tersteeg en in 1944 geopend. In het kader van de werkverschaffing was dit terrein al ontdaan van bomen. op deze begraafplaats liggen o.a. Frits Mehrtens, bekend kerkliederencomponist en cantor-organist en Toni Boltini begraven. 

Frederik August (Frits) Mehrtens (Hoorn11 mei 1922 – Amsterdam , 29 augustus 1975) was een Nederlandsmusicus en componist van kerkmuziek. De oorspronkelijke familienaam luidde Merhtens en werd op 11 november 1948 gewijzigd in Mehrtens.

 Al tijdens zijn middelbareschooltijd had Frits Mehrtens aanstellingen als organist, eerst in de doopsgezinde kerk van Twisk en Abbekerk en vervolgens bij de Hervormde Gemeente te Enkhuizen. In 1940 begon hij een studie geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Vanaf 1943 zat Mehrtens thuis in Hoorn ondergedoken om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. In 1948 zakte hij op een onderdeel voor zijn doctoraal examen. Frits Mehrtens deed geen herexamen maar begon een muziekstudie met hoofdvak orgel aan het Amsterdams Conservatorium. Zijn belangrijkste leraren waren hier Jacob Bijster en Anthon van der Horst. In 1953 voltooide hij deze opleiding.

Van 1953 tot aan zijn dood was Frits Mehrtens muziekleraar aan een middelbare school in Amsterdam en docent voor hymnologie en liturgiek aan het Conservatorium van de vereniging Muzieklyceum in Amsterdam. Daarnaast was hij al vanaf 1951 op freelancebasis werkzaam voor de NCRV. Hier was hij adjunct-hoofd van de afdeling muziek en hoofd van de onderafdeling religieuze muziek. Vanaf 1955 werkte hij als muzikaal adviseur en presentator voor de IKOR. Verder was hij van 1952 tot 1955 organist van de hervormde Maranatha Kerk in Hilversum en vanaf 1955 van de Maranatha Kerk in Amsterdam-Zuid.

In 1975 overleed Frits Mehrtens aan de gevolgen van een auto-ongeluk en werd in zijn woonplaats Naarden begraven.

 In een groot aantal radioprogramma’s heeft Mehrtens zich ingezet voor een vernieuwing van de kerkmuziek in Nederland. Hij leidde talloze ‘Zondagavondzang’-bijeenkomsten, waarmee de NCRV door het gehele land trok. Van 1957 tot 1961 organiseert hij samen met de theoloog-dichter Willem Barnard en de wijkpredikant W.G. Overbosch dinsdagavonddiensten, die een centrale rol speelden in de opbloei van het Nederlandse kerklied. Mehrtens werd hierbij onder andere geïnspireerd door de rijke Lutherse traditie en onderhield contacten met vooraanstaande Duitse (Lutherse) kerkmusici als Helmut Bornefeld en Siegfried Reda.

Mehrtens componeerde de melodieën bij een groot aantal liederen. Deze liederen zijn in verschillende bundels (o.a. Liedboek voor de KerkenZingt JubilateGezangen voor Liturgie en het Duitse Evangelisches Gesangbuch) opgenomen en behoren tegenwoordig tot de populairste liederen in veel kerken.

Toni Boltini (Woensel22 februari 1920 – Blaricum24 december 2003) was een Nederlandse circusdirecteur.

Boltini werd in 1920 te Woensel (bij Eindhoven) geboren als Wilhelm Marinus Antonius Akkerman. Zijn vader had een reizend variété-theater. Toen tijdens de Tweede Wereldoorlog theaters werden verboden, vormde senior het theater om tot een circus-variété, omdat circussen niet waren toegestaan, maar circus-variétés wel. Boltini’s vader was een fanatieke aanhanger van de nazi’s.

Aanvankelijk zat Boltini bij de SS. In 1942 werd hij echter antinazi.[bron?] Voor straf kreeg hij toen zes maanden werkkamp. Na zijn vrijlating sloot Boltini zich aan bij het verzet en redde hij de Sintifamilie van Tata Mirando, die met zijn familie het circus-variété-orkest vormde. Na de Tweede Wereldoorlog trad Boltini in het huwelijk met De Gilde. Hij bouwde het circus-variété van zijn vader uit tot circus Boltini, een van de grootste circussen van Europa.

In 1967 was Boltini als co-producent betrokken bij de zwart-wit speelfilm Adieu Filippi van de Belgische regisseur Rik Kuypers, over een verliefde clown. De film werd grotendeels in zijn circus opgenomen, maar is wegens financiële problemen nimmer voltooid.

Boltini was tweemaal gehuwd. Uit zijn eerste huwelijk met Dicky Boltini (1932-2015) had hij twee dochters die ook in het circus terechtkwamen; uit het tweede een zoon genaamd Angelo. Met zijn dochters uit zijn eerste huwelijk heeft hij juridisch veel problemen gehad.

Hij verkocht Circus Boltini in 1980, en vestigde zich in Naarden als eigenaar/exploitant van speelpark Oud Valkeveen, maar het circus bleef trekken en in 1995 ging hij toch nog een keer met een Italiaans circus op tournee.

Na een lang ziekbed overleed op 24 december 2003 de 83-jarige Boltini in een ziekenhuis in Blaricum. Op 30 december werd hij in een witte kist begraven te Nieuw-Valkeveen. De violist Nello Mirando speelde op het door velen bezochte afscheid in Hilversum, dat plaatsvond in de tent van het Staatscircus van Moskouvan Boltini’s neef Hans Martens.

unknown-4 Chemische Fabriek tot 1987

nieuwvalkeveen01k     merhtens   Frits Mehrtens   220px-toni_boltini_bestanddeelnr_924-4067 Toni B.graf frits mehrtens graf toni boltini