Met de benenwagen, per velocipede of de al dan niet elektrisch aangedreven automobiel dit 19e eeuwse kerkje, eerder een kapel, ligt in een van de meest idyllische gedeelten van de Veluwe. Het witte kasteel Staverden , een wandeling rondom zeer de moeite waard – ligt op een steenworp.


Een bordje bij het toegangshek vermeldt dat deze dodenakker als laatste rustplaats slechts bestemd is voor Staverden en Leuvenum. In de buurtschap wonen zo’n dertig mensen, een piepkleine fractie van wat de stichter van het kasteel, Graaf Reinoud I van Gelre met de bouw van een stenen huis in 1290 beoogde. Hij droomde van een stad en vroeg daartoe stadsrechten aan.

De kapel uit 1875 verving een houten voorganger uit 1866. Het kerkhof werd pas in 1930 aangelegd. En wel in opdracht van Frederik Bernards ‘Jacob (1850-1935) , een liberale politicus en van 1893 tot 1906 burgemeester van Rotterdam, die in 1905 kasteel Staverden kocht en omtoverde in jugendstil. Zelf werd hij na zijn dood begraven op Crooswijk in Rotterdam.De eerste begrafenis in maart 1930 betrof in feite een herbegrafenis. Zij was in 1928 overleden in Elspeet, maar had als echtgenote van de enige katholieke werknemer op het kasteel op een graf naast de kapel, evenals uiteraard haar man. Leden van de familie ‘sJacob elders woonachtig kenden ook recht van begraven.

Het graf van André René de Normandie s’Jacob, geboren in Staverden op 8 september 1921 – een half jaar later als mijn vader -. Het patriciérsgeslacht s’Jacob mocht sinds 1925 De Normandie aan haar naam toevoegen. Bovengenoemde telg dook tijdens WO.II onder in Dussen en raakt betrokken bij het lokale verzet, waarvoor hij zich inzette in het contact leggen met de radiodienst van de Raad van Verzet. Hij wordt echter gearresteerd en komt in Neuengamme om het leven en wordt in Ohlsdorf begraven en herbegraven in de grond van zijn voorgeslacht.
Van de site Brabantse Gesneuvelden:
Nadat André in 1940 zijn HBS-diploma heeft gehaald, gaat hij studeren. Zodra hij geconfronteerd wordt met de loyaliteitsverklaring, duikt hij onder in Dussen, waar hij algauw betrokken raakt bij het lokale verzet.
In het voorjaar van 1944 worden in Den Haag plannen gemaakt door de knokploeg van Peter van der Smit uit Schiedam voor een wapendropping, eerst in Voorthuizen, daarna in Helvoirt. Peters contact, die aan wapens kan komen, is echter een verrader die de Sicherheitsdienst (SD) op de hoogte houdt van de gemaakte plannen. Peter heeft ondertussen contact gezocht met het verzet in het Land van Heusden en Altena om assistentie bij de wapendropping. André en vijf anderen melden zich als vrijwilliger om hulp te verlenen.
Op 15 juni 1944, op de tijd en plaats van de afgesproken wapendropping, staat de SD de nietsvermoedende verzetsplegers op te wachten. Vrijwel de gehele KP-Peter en alle verzetsstrijders uit het Land van Heusden en Altena, dertien man in totaal, worden gearresteerd en naar kamp Vught gebracht. Op 29 juli 1944 worden ze op André na allemaal gefusilleerd.
André zelf wordt met de evacuatie van het kamp op 5 september (‘Dolle Dinsdag’) met mannelijke kampgevangenen naar Sachsenhausen getransporteerd. Een maand later volgt transport naar concentratiekamp Neuengamme bij Hamburg, waar hij als dwangarbeider aan het werk wordt gezet in het buitenkamp in het stadsdeel Hamburg-Hammerbrook, ondergebracht in een verlaten fabriekscomplex aan de Spaldingstrasse. Dit is een van de weinige gebouwen die het grote brandbombardement hebben doorstaan.

Graf van echtpaar Van Heemstra – s’Jacob. Zij is de dochter van de grootgrondbezitter en eigenaar van Staverden. Hij was ambassadeur in Guatemala, de V.S., Spanje en Brazilië. In 1941 wordt hun oudste zoon geboren, die rechten studeert in Utrecht. En uiteindelijk in het voetspoor van zijn vader trad. Schrijfster Marjolijn behoort ook tot dit fameuze geslacht.
