Category Archives: columns Nederlands Dagblad

Leefomgeving – column 13 Ned. Dagblad

De dag van dit schrijven opent met het laatste bericht van (namens) mijn broer Eric in de groepsapp van ons als Vosbroers. Hij heeft de groep verlaten. Keiharde werkelijkheid. Kan niet anders. Want mijn geliefde broer heeft het leven verlaten. In mijn vorige column schreef ik over zijn dramatische val tijdens het mountainbiken. Over de fatale gevolgen, die hem deden besluiten tot een “zo zacht mogelijke landing in de schoot van Abraham’’.  

Een lezer schreef me: ‘dat kun je gerust een noodlanding noemen’.  En zo was het en zo geschiedde. De overgang van het AMC naar huis om in vertrouwde omgeving afscheid te nemen van geliefden verliep helaas niet applaus-, laat staan bonus-waardig. 

Mijn broer onderging het bijna huiveringwekkend waardig en in vrede. Een zee van bloemen bevestigde de zee van verdriet die zijn verscheiden opriep en nog oproept. 

De hemel huilde hevig met ons mee op de dag van zijn uitvaart. Maar onze tranen werden mee opgevangen door een zee van mensen aan de kant van de weg. De gehele wielerclub, waarvan hij de meesterknecht was, de wegkapitein, vormde in hun shirts en met hun fietsen een indrukwekende erehaag naar de begraafplaats. Een oecumene van meeleven. 

We kwamen langs de Kruiskerk, ooit Gereformeerde Kerk, nu PKN. Op de zijgevel is de kerk voorzien van een enorm billboard, waarin de kerkgemeenschap boodschappen laat zien aan de aandachtige voorbijganger. In deze tijd staat er met reuze chocoladeletters: ‘ De omgeving van de mens is de medemens’. 

Onder andere omstandigheden zou ik dit aforisme wellicht schouderophalend als cliché afgedaan hebben. Die vrijdag dat we Eric stapvoets begeleidden naar zijn bewaarplaats voor de eeuwigheid, landde deze spreuk met een genadig zachte plof raak op een gevoelige plek in mijn ziel. In die enorme erehaag werd dat woord vlees, een houvast biedend ritueel. Waar rituelen ook voor bedoeld zijn. We kunnen niet zonder, dat realiseer je je weer op zo’n moment. Rituelen zijn de stokken die de waslijn van het leven overeind houden. Net zoals de feesten. Vier je vierdagen, maar ook de dagen van je rouw.

Nog steeds als ik mij die gang rond zijn baar, met mijn schoonzus, met mijn nichten en hun mannen, met mijn broers, te binnen breng, voel ik weer die haag van medemenselijkheid en lopen de -warme! – rillingen me over de rug. 

‘Het is niet goed dat de mens alleen zij’, klinkt al aan het begin van het grote Verhaal van God met ons mensen. Teveel gesproken kan het al snel hol klinken. En te lang en te veel is het slechts gelezen als aansporing om te trouwen en dan vooral uiteraard als man en vrouw. Maar juist in de dagen dat het leven onder spanning staat mag het gelezen worden als broodnodige levenswaarde en levensvoorwaarde en aansporing tot broederschap en zusterschap. Mensen alleen laten is verdriet in Gods ogen, die zichzelf ook al in den beginne een ‘Ons’ noemt: ‘Laat Ons mensen maken, in Ons beeld en naar Onze gelijkenis.’

We hebben in ons land het Planbureau van de Leefomgeving. Zou dat ook niet een definitie van kerk kunnen zijn? En niet alleen dan planbureau, maar ook oefenruimte, aanspreekpunt, creatief centrum van medemenselijkheid.

Omdat het wezen van de kerk is dat Hij zelf ons is en ons is geworden. Medemens bij uitstek. Sinds Bethlehem en Golgotha zijn God en mens geen concurrenten, sinds Abraham al niet, Noach niet,  in Adam niet. God gaat incognito in medemenselijkheid. Daarin is Hij tegelijk ver en tegelijk heel nabij. Op de dag van Erics uitvaart ervoer ik Hem in die erehaag, zoals Hij ook zo nabij was in mijn broer zelf. Die erehaag en mijn broer waren samen mijn omgeving. In de herinnering nog immer. En ook in die luisterende oren, kloppende harten in kaarten en gesprekken. Maar hoe lang blijft die spreuk levende werkelijkheid? Ik bespeur nu al de slijt tot cliché. 

Hebben we steeds verdriet nodig om van kuddedier medemens te worden?

Lijden met een gezicht – column 12 – Ned. Dagblad.

Drie weken geleden, nadat ik mijn vorige column had ‘afgelakt’ en ingestuurd,  hoorde ik dat mijn zes jaar jongere broer Eric een zeer ernstig ongeluk gekregen had tijdens het mountainbiken. 

Terwijl ik het Paradijspad (sic!) bewandelde, belandde Eric in de ‘Hel’ op een parcours bij de Huizer Sijsjesberg. Het klompenpad dat ik liep voerde door een eldorado van bos, weiden, akkerranden, slootjes en beken. Ik kon me voorstellen dat de Barnevelders dit gebied het Paradijs noemden. Het verrukte lijf en zinnen. Ter zelfder tijd leefde mijn broer, ervaren mountainbiker, zijn passie uit dichterbij huis. 

Tegen het eind van mijn wandeling raakte ik mijn windjack kwijt. Tegen het eind van zijn op en neer door de bossen, samen met buurman en schoonzoon, raakte Eric de macht over het stuur kwijt. Ik vond mijn jack weer terug, hij vond, voorgoed, de macht over vooral handen en benen niet meer terug.

Mokerslag, stomp in de maag, storm met dijkdoorbraak, die je hele ziel onder huilwater zet. Mijn broer was een boom van een man, die in alles nog een jongen was: kwiek, lenig, snel van geest, handig. Hij noemde mij altijd ‘broertje’, hij, zoals gezegd zes jaar jonger. Natuurlijk, ik ben niet zo lang als hij – rijzig als een zomereik – , maar in meer opzichten torende hij gunstig boven me uit.

Ik, neuroot, onhandige alleenstaande, impulsbeslisser, twijfelaar, financiële sloddervos, mocht schuilen onder zijn lover. Hij hielp me niet alleen met het ophangen van een lamp, maar ook om over een drempel te denken,  om een hoek te kijken. Bij hem kon ik altijd mijn verhaal kwijt, mijn gal spuwen. Ik kon bij hem vreugde en verdriet kwijt, ongecensureerd. Een broer die steeds meer hartsvriend werd.

Nu ik dit zo schrijf, realiseer ik me, dat het net lijkt alsof hij al dood is. Dat is hij niet, maar de boom is wel gevallen en zo ontworteld dat hij niet meer overeind komt. Dusdanig dat 

het perspectief van een ‘dood’ bij leven boven hem hangt als een inktzwarte lucht.

Ik ben er  op aangesproken: ‘kun jij niet eens met je Baas praten? waar blijft die God, waarin jij gelooft?’  In de kolkende wanhoop snap ik die vragen, ik heb ze zelf, meer dan anders,  ik ken die wanhoop ook, de vertwijfeling, het verdriet dat tot boven de lippen komt. 

In eerste instantie kan ik alleen mompelen, onverstaanbaar pruttelen. Eigenlijk niet meer dan : ik weet het niet, ik weet niets in het aangezicht van lijden, zeker zo dichtbij. 

Ik kan wel zingen, heel zacht voor me uit, voor en met mijn broer, voor mijn schoonzuster, voor zijn dochters,  zijn kleinkinderen, voor mijn andere broers, voor vrienden, voor me zelf.  Woorden van Huub Oosterhuis. Want dat geloof ik:  God slingert ons niet van ons stuur, maar zendt in elk geval dichters, zoals hij. Waar we zelf geen woorden vinden, worden ze ons voorgezegd en aangereikt.  En krijgt Hij de trekken, niet van een wrede zgn. Almachtige, maar van een vriend met zijn armen om jouw schouders.

 

Ik sta voor U in leegte en gemis.

Vreemd is uw naam, onvindbaar zijn uw wegen. 

Gij zijt mijn God, sinds mensenheugenis,

dood is mijn lot, hebt Gij geen and’re zegen? 

Zijt Gij de God bij wie mijn toekomst is?

Heer, ik geloof, waarom staat Gij mij tegen?

 

Mijn dagen zijn door twijfel overmand,

ik ben gevangen in mijn onvermogen.

Hebt Gij mijn naam geschreven in Uw hand, 

zult Gij mij bergen in uw mededogen?

Mag ik nog levend wonen in uw land,

mag ik nog eenmaal zien met nieuwe ogen?

 

Spreekt Gij het woord dat mij vertroosting geeft,

 dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede.

Open die wereld die geen einde heeft,

wil alle liefde aan uw mens besteden.

Wees Gij vandaag mijn brood zowaar 

Gij leeft Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.

 

Mijn broer heeft intussen besloten tot een zo zacht mogelijke landing in de schoot van Abraham.

 

Isten hozott – Column 10 – Ned. Dagblad – 7 sept 2020

Vier uur in de ochtend, nog aardedonker. Doordringend geluid van de stoomfluit en dan het knarsend geluid van de wielen. Langzaam rolt de trein uit op het station van Cluj, Roemenië. Even later staan mijn toenmalige vrouw en ik in het schaarse licht van het perron. Een man in het zwart komt naar ons toe en zegt in ietwat gebroken Nederlands met deftige tongval: ‘Hartelijk welkom in Cluj!’ En voegt er in het Hongaars aan toe: ‘Isten hozott’. En vervolgens worden we door deze Cseh Zsolt,prediant in Cluj oftwel in het Hongaars Kolozsvár, met een stralend gezicht omarmd. 

We zullen het nog vele malen tijdens ons tweejarig verblijf onder de Hongaarse minderheid bij een bezoek horen: Isten hozott. Vertaald: God heeft jullie gebracht. Je komst krijgt dan wel een verlegenmakende allure van hoogbezoek. Ik weet wel zo’n welkomstwoord kan de slijt krijgen van een dooddoener, een snel in de mond genomen cliché. Maar toen in die barre Ceausescu-tijden werd bezoek van onze kant als zeer welkom ervaren, als een steun, als een bezoek van de Heer zelf. En het beste uit tuin en varkenshok of kippenren kwam ter tafel en de glazen gingen rond en de vrolijkheid met en aan elkaar steeg op als een lofzang in die vaak stokoude boerenpastoriehuizen. 

Isten hozott- God heeft je gebracht. Ik heb het zelf onlangs weer mogen ervaren, toen ik weer eens de bodem had bereikt als van een droog gevallen put. Terneergeslagen, spoken uit het verleden als demonen verkleed, duistere dagen, lange nachten. Dan opeens een telefoon, een stem van buiten die binnendringt, oprecht vragend naar welzijn en welbevinden. Een stem als geroepen in je eigen privé-woestijn, een luisterend oor, een ziel die met jouw ziel meebuigt. En dan het wonder van een klare lucht, een heldere hemel, een beker die overloopt, een weg om te gaan. Isten hozott!

Een vriend vertelde me eens dat hij en zijn vrouw huisbezoek kregen nadat een van hun dochters een suicide-poging had ondernomen. ‘Wij hebben nog nooit zo’n troostend huisbezoek gehad”, zei hij. ‘Er werd alleen geluisterd’. Isten hozzott!

Een van de aangrijpendste welkom thuis-scenes vinden we in de gelijkenis van de verloren zoon. Die vader staat er al van verre, die hunkert hem als het ware naar zich toe, de liefde trekt letterlijk. En dan is er de schuldbelijdenis en de vader zegt niets, er is alleen maar omhelzing, omarming, een alle schuld en ontreddering overstijgende kus. Isten hozott!

Het is wellicht wel het meest pijnlijke en schrijnende van de huidige tijd, dat een welkom, een goddelijk welkom, een gemeende liefde niet ‘vlees’ kan en mag worden. Genegenheid, vriendschap, liefde blijven in de lucht hangen, abstracties met een lengte van anderhalve meter.

Je zal maar verliefd worden dezer dagen en nog beantwoord ook: een Isten hozott van twee kanten, mooier kan niet. Bellen met de GGD: ‘we willen graag getest worden’. Heeft u klachten? Integendeel, we willen gevonden liefde feestelijk vieren!. 

We zijn de aanraking kwijt, het zachte strelen. Het om de hals kunnen vallen, als eindelijk ruzies beslecht zijn, verloren zonen, zielen en dochters gevonden.  Zou er een verband bestaan tussen een gebrek aan aanraking en de toename van agressief lichamelijk contact?  Vlucht de tederheid uit de samenleving?

 

Ik denk aan het gedicht ‘Mens’ van Leo Vroman. Uit het laatste gedeelte:

 

God behoede de mens

en geve hem een zoen:

er is verder niets met hem te doen.

Streel zijn zoete pens,

want mens is een zachte machine,

een ingewikkeld liefje.
Verzilver zijn statiefje,

leid hem in een vitrine

doe bij hem een lichtje aan.

 

Op een van mijn laatste wandelingen zag ik twee paarden: een schimmel en een vos. Ik kon mijn ogen niet van hen afhouden. Zij minnekoosden elkaar, snuit tegen snuit. Een Benetton-reclame in een Puttens weitje.  Het raakte en wekte gemis en verlangen tegelijk. Geroerd en ontroerd: Isten hozott!

 

 

 

 

 

Carola – column 9 Ned Dagblad – 21-08-2020

Ik vertoef aan de rand van water en aan de rand van weidegrond. Ik vertoef waar de Eemnesserpolder het Eemmeer raakt. Gisterochtend was ik er ook en verbonden met de hemelse goedheid boven en om me heen werd ik geraakt door wat via mijn mobiel vanuit de Baarnse Pauluskerk tot mij kwam. Collega Klouwen opende de ‘hemel’ van Romeinen 11 en plantte mij als ‘dor hout’ opnieuw in de ware Wijnstok, in de olijftak Israël. Dat had ik nodig, broodnodig. Want soms is het leven een woestijn. Soms? Misschien wel vaak, of principieler fundamenteel, zo tussen uittocht uit Egypte en intocht in Beloofd Land. Hij geeft manna  en kwakkels voor onderweg. Hij herschept het dorre hout tot boom des levens, wegend op de rug van zijn geliefde. 

Ja, ik verwijs naar Willem Barnard,  één van  mijn ‘kerkvaders’: lied 547 in het Liedboek der kerken. Kerkvader Barnard blijft me leren dat je eigenlijk alleen zingend kan geloven, als een inademen, voorafgaand aan een uitademen. 

Na die verkwikkende dienst, waarbij je weet dat onze natuur aan geloof niet meer voortbrengt dan soms zelfs gevaarlijke overtuigingen, oordelen, aannames, in beton of goud gegoten en dat het ware geloven als vertrouwen je geschonken wordt, als tegennatuurlijke anti-stof, ontmoet ik een jong vogelaarsgezin. De blauwborsten zitten goed verstopt, maar groepjes baardmannetjes zou ik kunnen zien, zo krijg ik te horen. Vogels kijken is ook wachten op openbaring en dan toch de verrassing. Kijk, een ijsvogeltje, en zie die twee torenvalken die samen een aantal kraaien uit hun territoir verdrijven. 

Vandaag ben ik er weer. Het is mistig na een nacht vol slagregens. Weer zit ik in het beleidsterrein  van Carola Schouten, onze minister van landbouw, natuur en voedselkwaliteit. Vanaf het begin van haar verschijnen in de Kamer ben ik fan en ik werd het nog meer nadat ik haar in Ossendrecht in ons kerkje kon interviewen. En gisteren zat ze bij Janine Abbring op de caravan als Zomergast. Een omstreden keus eigenlijk. Want hoe open kan een politicus zijn, zeker in deze tijd van morrende en murmurende boeren? Zou dat niet te veel met geen water weg te spoelen meel in de mond-gesprek worden? 

Maar daar sprak een vrouw met visie en durf. Zo was ze in Ossendrecht, zo was ze nu. Zo openhartig mogelijk, zonder pantserend bravour. Gevoelig zoekend, zonder vals sentiment. En weer klonk het evangelie zoals diezelfde zondagmorgen op dat dijkje: geschonken liefde voor een mens, niet goed genoeg.

Met Sigrid Kaag en deze fonkelende Carola kent ons land twee vrouwen die wat mij betreft de politiek mogen bepalen. Carola liet beelden zien van een ander monument van een vrouw: Golda Meir. En met haar plompe verschijning, eenvoudige kleding moest ik direct denken aan Angela Merkel, de onbetwiste leider van Europa. ‘Wir schaffen das’, niet als overmoed, maar als grondhouding. Daarin sprankelt volgens mij een Bijbelse grondtoon. En ik moet denken aan Madelein Albright die als Joodse Tsjechische een Praagse Winter overleefde, wat haar denken en doen, zo goed en kwaad als dat kan op het politieke veld, heeft gestempeld. Een vrouwelijke Havel.

Vrouwen zoals ze in de Bijbel cruciale rollen vervullen, zo prachtig verklankt in ‘Kom zing het lied van Eva’, van Ria Borkent (738 in het Liedboek)  Eva, Sara, Hanna, Maria, Sifra en Pua, Mirjam en Ester, Tamar en Rachab, Ruth en Bathseba, Anna, Marta en Maria. 

Op de hoeken van het Evangelie staan vrouwen, zei Noordmans dat niet? Eerste ontvangers en boodschappers van Gods gein (genade) in ons waren vrouwen.

En ze zijn er nog steeds die ons voorgaan, aansteken, opbeuren, begeesteren. Ook in ultieme kwetsbaarheid. 

Daar is Gonneke, een dochter van goede vrienden, zelf een vriendin. De ziekte van Recklinghausen sloopt haar steeds meer en meer. Maar in al haar pijnen en beperkingen blijft ze stralen in goede moed, rake opmerkingen, ontroerende eenvoud. In volharding vooral. Kwetsbaar, maar geen ‘dor hout’,  maar op eigen wijze ‘boom des levens’.

Domweg gelukkig … column 8 voor Ned. Dagblad

Afgelopen maandag was het weer zover. De driejaarlijkse inkijk in mijn ingewanden, specifiek mijn dikke darm.                                                                                                                          De eerste keer – zeker vijftien jaar geleden – wilde ik per se meekijken. Vorm van baas in eigen buik. Mijn hele bewuste leven ben ik bijkans ziekelijk nieuwsgierig naar alles van het lichaam en zijne kwalen.

Ik was keurig op tijd, voortijdig zelfs, waardoor ik nog zeker tien minuten in de hal van het ziekenhuis moest wachten alvorens me te mogen melden voor het eigenlijke werk. Zo leeg mogelijke wachtkamers is het parool in deze coronatijd.

Over leeg gesproken. Een ieder die wel eens een inkijk heeft gehad in dat specifieke onderdeel van onze voedselverwerking, weet dat je helemaal leeg moet worden, noodzakelijk leeg moet lopen. Na vier liter water met een vies kleurloos goedje ben je niet alleen leeg, je voelt je ook leeg, maar tegelijk vervuld, geconcentreerd op dat ‘ene nodige’, dat wat gedaan moet worden.

Je bent helemaal één met je lijf, met dat ene belangrijke onderdeel en dat geeft ook ruimte, gek genoeg. Heel veel ballast is uit je hoofd weg. Je bereikt een status van ‘zijn’ die tegelijk pijnlijk en verlichtend is. Je valt niet in duizend brokstukken aan gedachten, verlangens, drijfveren, dwanggedachten, nog-te-doen-obsessies uit-een. Je bent (in-) één. Zoals je dat ook in de natuur kunt beleven, ik althans. Dat je samenvalt met de machtige beukenlaan, waardoor je loopt, de ooievaars in het weiland voor je, de miezerregen op het bladerdak.

In deze contemplatieve concentratie wenkt de stilteruimte van het ziekenhuis me. Stilte: dat is precies het woord wat bij mijn toestand hoort. Achter de matglazen deur opent zich op de wand een gedicht van Martin Bril:

Wat we willen:

Momenten

Van helderheid

Of beter nog: van grote

Klaarheid

 

Schaars zijn die momenten

En ook nog goed verborgen

 

Zoeken heeft dus

Nauwelijks zin, maar

Vinden wel

 

De kunst is zo te leven

Dat het je overkomt

 

Die klaarheid, af en toe

 Stilte is met helderheid gevulde tijd. Een flits van ‘ja, dit is het’.  Een moment van geluk, over je heen komend  als een gul warm bad . Eens was ik met een vriend de heuvels van het Schotse eiland Islay ingetrokken op zoek naar de te verwachten steenarend. Die vonden we niet, maar alleen dat zijn, dat  vertoeven in die immense ruimte om ons, boven ons, voor ons, het heldere zicht op de oceaan, de zachte bries, het frisse groen en geen enkel mechanisch geluid bezorgde kippenvel tot in alle vezels, geest en lichaam, van mystiek-erotische proportie. Het zijn momenten van strikte, volstrekte een-voud, met nadruk op ‘een’. Corresponderend met de Hebreeuwse Godsnaam, onuitsprekelijk, want te snel in onze mond en door onze hand bedorven. Die Godsnaam – geschreven JHWH – is één concentratie van het werkwoord ‘zijn’. Als je wilt vertalen dan is het ‘Ik ben die Ik ben, Ik zal zijn die Ik ben, Ik zal zijn die Ik zal zijn’. Kortom: Ik ben uit Eén stuk, de EEN-Voud zelve. Piet Oussoren vertaalt in de Naardense Bijbel de Naam konsekwent met De Ene. Goden, machten, krachten, bewegingen: ze moeten allemaal wat of juist veel van ons. Het zijn hebberds, met grijpgrage handen, vooral naar je ziel en zaligheid. Helaas hebben we in de kerk van de Ene ook vaak zo’n machtsbeluste god gemaakt. Terwijl je bij hem alleen maar hoeft te zijn. Leeg, stil wachtend op zijn ontferming. Hij wil omarmen en overeind zetten en overeind houden. Althans zo lees ik de Verhalen over Hem.  Wat ik bedoel is beter verwoord in een gedicht van Ad den Besten, dat ook in de stiltekamer hangt.

 

Gij hebt, o God, dit broze bestaan gewild,

hebt boven ’t nameloze mij uitgetild,

 

laat mij dan dankbaar leven, de volle tijd,

geborgen in de bevende zekerheid,

 

dat ik niet uit dit smal en onvast bestand

van mijn bestaan zal vallen dan in uw Hand.

 

 ‘Domweg gelukkig’ (JC Bloem)… soms zelfs in een ziekenhuis.

Met hun loftrompet – column 7 – Nederlands Dagblad

 

‘Zwarte levens doen er toe’. Zo kan je het toch in ondubbelzinnig Nederlands zeggen?! ‘Black lives matter’ klinkt voor mij afstandelijker en dus makkelijker te ontwijken.

Hetzelfde heb ik met Keti Koti. Ik snap dat de betrokkenen gezien hun achtergrond het zo willen noemen. Maar ik voel het als ‘niet voor mij’, hun feestje. Terwijl alom geroepen wordt om verbinding. Ik zag de herdenking in het Oosterpark en ik voelde me een buitenstaander.‘Gebroken kettingen’ komt veel dichterbij. Voor mij dan.

Het is blijvend zinvol om te gedenken hoe vroeger zwarte medemensen misbruikt werden en vernederd voor eigen gewin, in Amsterdam nog steeds zichtbaar in wat we de grachtengordel noemen. Het is eveneens zinvol om huidig racisme te benoemen, te onthullen, te bestrijden. Ook in mijzelf, indien nodig. 

Maar laten we dan ook ketens die nog steeds niet gebroken zijn, aan de kaak stellen en vurig bevechten. Slavernij is er helaas nog steeds. Niet alleen op afgelegen boerderijen in bijvoorbeeld Drenthe. Maar structureel nog steeds in de kledingindustrie. Op de akkers, in de slachthuizen.

Hoe huisvestten wij destijds wat wij toen gastarbeiders noemden? ‘Gast’ was een eufemisme, gezien de behandeling, zeg maar gerust mishandeling, die in onze samenleving gedoogd werd. Net als toen, als altijd uit geldelijk gewin.

Voor mij is de mensheid een kleurpotlodendoos. Van wit tot zwart en alles er tussen in en allemaal even bruikbaar en gewenst voor een bestaan als voor een hopelijk fraaie tekening. 

Ik kan me heel goed voorstellen dat gekleurde voetballers het zat zijn om steeds maar weer meestal zouteloze grappen te moeten horen.    Maar ik kan me niet goed voorstellen dat zij en de anderen in de voetbalkleurpotlodendoos straks zo maar zonder bezwaar afreizen naar het WK  in Qatar, mochten zij zich plaatsen.. Want als er ergens nog ketens verbroken moeten worden, mensen uit slavernij moeten worden bevrijd, dan zeker ook daar. 

Het argument dat voetbal en politiek twee verschillende zaken zijn of dat bij een boycot de jongens uit de Filippijnen, Sri Lanka en Bangladesh dan nog verder van huis zijn lijkt hout te snijden, maar mist humaan gezien elke grond. Geldelijk, veel geldelijk gewin is ook hier in het geding.  Zijn de voetballers zelf eigenlijk niet een soort moderne slaven, met onzichtbare, maar wel merkbare kettingen verbonden aan makelaars, zaakwaarnemers, oligarchen, hedgefondsen enzovoort? 

Er is gezamenlijk, met ‘de gehele doos’, meer werk aan de winkel dan de uitbanning van Zwarte Piet . Ander werk ook dan het bekladden of zelfs omverhalen van standbeelden. Dat is in mijn ogen destructieve energie en mist elk doel.

Remonstrants collega Tom Mikkers meende een duit in het racisme-zakje te moeten doen door voor te stellen vers 19 van Barnards lied ‘Jeruzalem, mijn vaderstad’ te verwijderen. 

Voor wie het niet weet, dat couplet luidt:

De negers met hun loftrompet                                  

de joden met hun ster,

wie arm is, achteropgezet,

de vromen van oudsher.

 

Je zou prima negers  door zwarten kunnen vervangen, maar het hoeft niet. In het gebruik van het woord ‘neger’ zit de pijn van hun onderdrukte positie, zoals ook uitgedrukt in ‘de joden met hun ster’. Onbegrijpelijk dat Mikkers dat niet  lijkt te begrijpen.

Nu begreep ik onlangs dat hij het hele lied geen plek meer gunt in het  Liedboek der Kerken (nr.737).

Zelf heb ik het lied  van 21 coupletten wel eens als een kralensnoer door de hele dienst heen laten zingen. Omdat dat lied zo prachtig en treffend de hoop verwoordt op een andere wereld, waarin juist het recht wordt hersteld en wie achteropgezet zijn in deze bedeling een ereplaats krijgen. Het is een protestantse ‘negro-spiritual’. Pardon, dat mag ik natuurlijk ook niet meer zeggen.

Met dat lied kun je juist de eigenlijke barricaden op, waar in welke kleur dan ook de ‘slaven met hun ketenen rammelen’.

Met perspectief:

 

van alle kanten komen zij

de lange lanen door,

het is een eindeloze rij,

de kinderen gaan voor.

 

 

 

Discriminatie – column 6 – Nederlands Dagblad

 ‘Waarom loop jij eigenlijk het Westerborkpad?’  Ik ben nu halverwege, maar die vraag blijf ik af en toe horen. En niet geheel ten onrechte. Is het niet wat al te morbide om in het spoor te gaan van de Jodenvervolging?

Mijn joodse oud-collega bij de VPRO Rogier Proper reageerde cynisch, toen ik op de eerste wandeldag in Amsterdam langs zijn huis kwam: ‘mijn grootmoeder deed het in ’43 op één dag, met de trein’. 

Het Westerborkpad is niet het mooiste van de Lange-Afstand-Wandelpaden (LAW’s).. Het haalt het niet bijvoorbeeld bij het Pelgrimspad. Dus nogmaals: waarom zou je voet voor voet op weg gaan naar voormalig concentratiekamp Westerbork? 

Mij dreef vooraf nieuwsgierigheid en het gemak om als alleen-loper steeds van station naar station te kunnen. Gaandeweg heb ik een overtuigender antwoord gekregen. 

De tocht voert tussen de stations door langs synagogen, Joodse begraafplaatsen en oorlogsmonumenten. En daarmee wordt het één lange herinnering en gedachtenis aan wat mensen mensen hebben aangedaan en nog steeds aandoen. Het woord’ discriminatie’ verbleekt er zelfs bij. 

Volgens Rutger Bregman deugen de meeste mensen. Maar staande voor weer zo’n monument dat verwijst naar verraad, vernedering, moord denk ik : ja zeker, maar vooral in eigen oog. 

Want is dat niet wat in essentie discriminatie is: het onderscheid tussen jou en een ander, waarin jij je zelf op een voetstuk plaatst en op de ander als minder en minderwaardig neerkijkt? Hoe was het ook al weer met die Farizeeër die zich pontificaal biddend op de borst klopt en uitroept: ‘Och Heer, wat ben ik blij dat ik niet ben als die tollenaar, die zondaar daar’!

 

In de negentiende eeuw dachten we als natie blijkbaar zo gering over onszelf, dat we onszelf een oppepper gaven door standbeelden op te richten van zogenaamde helden uit het verleden. 

Daarmee bleven het geen mensen van vlees en bloed, maar versteenden letterlijk en figuurlijk  tot ‘gouden kalveren’, die je alleen kunt vereren of omver halen, zoals onze tijd nu leert.

 

Als je door de hoofdingang de Amsterdam Arena binnengaat, stuit je op het borstbeeld van Johan Cruijff. In mijn jeugd ook mijn idool. Als lid van de ledenraad van Ajax maakte ik een andere Cruijff mee. 

Een man die rücksichtslos mensen offerde in zijn revolutie en die van Edgar Davids zei dat hij alleen in de Raad van Bestuur zat, omdat hij zwart was. 

Cruijff had toen nog geen buste, laat staan een standbeeld, maar voor mij viel hij toen van zijn voetstuk. Of moet ik zeggen: hij werd weer mens?

De monumenten waarmee ik word geconfronteerd stellen mij de vraag: wat zou jij gedaan hebben? Beter nog: wat zou je nu doen, wat doe je nu? 

En ik laat mijn gedachten gaan over mijn leven en het besef is er weer dat ik jarenlang me zelf heb gediscrimineerd! 

Op m’n eenendertigste durfde ik pas mezelf te omarmen als een man wiens verlangen naar lichaam en geest uitgaat naar de omarming van andere mannen. 

In de aanvaarding van jezelf in jouw eigenheid schuilt ook het geheim een ander te aanvaarden in zijn of haar eigenheid en anders zijn. Denk ik.

In deze krant lees ik over bevrijdingspastoraat. Homo’s worden geholpen ‘uit de kast’ te komen. Prachtig, denk je. Maar: je mag bij wijze van spreken wel het tafellaken delen, maar niet de beddenlakens!  Een relatie aangaan, de liefde vieren, tot elkaar bevrijd worden – dus ‘vrijen’ – dat blijft zonde. In mijn ogen is dat geen bevrijdingspastoraat, maar hulp bij zelfverminking en zelfdiscriminatie.  Jezelf erotiek en sexualiteit als vondst van de Schepper misgunnen: dat is pas zonde!

 

Mondkapjes – column 5 – Nederlands Dagblad

Het was in het voor een Ajax-supporter opwindende jaar 1995 dat ik voor het eerst mondkapjes zag in het openbare leven, dus buiten de steriele, klinische omgeving van ziekenhuis of tandartsenpraktijk. Na de Champions Leaugue-triomf in Wenen was ik er in dat juichjaar in november ook bij toen Danny Blind met een beslissende strafschop de wereldbeker de prijzenkast in  schoot. Die wedstrijd (tegen Gremio) werd gespeeld in Tokio en in het stadion zag ik diverse meest jonge Japanners met mondkapjes op, de wedstrijd volgen. Ik vroeg me toen al af: waarom, waartoe en als het is om tegen vieze lucht te beschermen, helpt dat dan? Soortgelijke vragen die er ook zijn nu we vanaf Pinksteren in elk geval in tram, bus of trein een mondkapje moeten dragen. Vragen die de hoogste baas van het RIVM ook heeft, maar die wikt slechts,  hoogste baas van het openbaar vervoer beschikt. Omdat ik nog al veel en lang wandel en vaak alleen, maak ik nog al eens gebruik van het openbaar vervoer. Zeker bij het lopen van het Westerborkpad, dat van station naar station gaat. Nog niet eens zo heel lang geleden kwam het verbod om met gezichtsbedekkende kleding deel te nemen aan het openbaar vervoer.  Is dat verbod dan nu opgeheven? Vanwege een kwetsbare huid draag ik iets op het hoofd, zeker tijdens lange wandelingen. Welnu, met mondkapje voor en een pet op ben ik bijkans even onherkenbaar als een streng geklede moslima. Sterker nog: beschermender kleding dan een boerka lijkt niet te bestaan nu.  Inmiddels heb ik wegwerpkapjes van de Hema in huis, maar mijn eerste kocht ik tijdens een wandeletappe van het Limespad, in Harmelen, bij een Afghaanse schoenlapper. Een fraaie wasbare met opdruk van flamingo’s. En dat paste goed bij die dag, want boven Harmelen vloog juist die middag een kraanvogel en in een vijver van een woonwijk in De Meern stond een eenzame lepelaar te grondelen. Ik heb mijn mondkapje uitgeprobeerd en dat valt zelfs voor een Klaas bij wie het epitheton ‘houten’ zeer van toepassing is, erg mee. ‘Het brede stuk boven’, had de Afghaanse schoenlapper gezegd. Als zwerfdominee zijn mij veel preekbeurten ontnomen. Op die in mijn vroegere gemeente Vreeland na, maar die is dan ook vacant. Ik mocht ook eens in een zangtrio bijdragen aan een dienst. Maar het achter een laptop een dienst volgen sticht me niet, schept eerder afstand dan betrokkenheid. Zegt Paulus niet: ‘Het geloof is uit het gehoor’? ! Dus trek ik de wandelschoenen aan en kies de grootste kathedraal ons gegeven: het ruime hemelrond. Wiens mond niet gekapt is, want naar de oude berijming van ps.19 vertelt deze ‘met blijden mond, Gods eer en heerlijkheid’. Voortstappend door bos en beemd, over hei en grasdijken word ik ook verkwikt door dat andere ‘getuigenis’, waar in ps.19 ook sprake van is. In mijn geval via mijn mobiel de woordverkondiging vanuit de Huizense Oosterlichtkerk.  Over een psalm gesproken is het niet ps.141, waarin sprake is van een zeer aan te bevelen ‘mondkapje’? Ook weer in de oude berijming: ‘Zet, Heer, een wacht voor mijne lippen; behoed de deuren van mijn mond, opdat ik mij, tot genen stond, iets onbedachtzaams laat’ ontglippen’. Verdient dit vers niet een opvallende plek in de Tweede Kamer? Op billboards wellicht ook? Maar ook  waar vergaderd wordt in kerkruimten, boven de bureaus van dominees en zwerfdominees, ook boven het mijne dus, in de burelen van kranten, radio en tv.  De pervertering van de vrijheid van meningsuiting is woekerend. Mijn moeder zei vroeger; ‘ga je mondspoelen’. Nu zou ze misschien zeggen: ‘doe je mondkapje om’. 

 

Honden – column 4 – Ned. Dagblad – 8 mei 2020

Ik hou zo van dieren dat ik er geen houd. Vissen in een aquarium, een vogel in een kooitje,een hamster in een tredmolentje: ik moet er niet aan denken. Neem een kat’, zeggen vrienden soms. ‘Of een hond’, roept een ander. Ik ben er te neurotisch voor; vind het gedoe. Een kattenbak of hondenmand in huis, een zwiepende staart:daar gaat weer een kop koffie of een glas wijn; vlooien, naar de dokter, gevoeg opruimen. Ik vind dat zeker voor honden huizen zo groot moeten zijn dat ze net als kinderen een eigen kamer moeten hebben.  Ik ben zelf wel eens onheus bejegend door een hond en dat gesnuffel in het kruis is ook behoorlijk genant, alsof achter de rits de kern van mijn bestaan verborgen ligt of een konijn verstopt zit. Verder heb ik helemaal geen hekel aan honden, in tegendeel. Alleen het zijn er zoveel! Elke dag word mijn neus (en ogen en soms oren) op dat feit gedrukt. In de bosachtige omgeving dicht bij mijn huis,waar ik vrijwel dagelijks wandel ben ik echt de enige die zich zelf uitlaat. Verder miegelt het van mannen, vrouwen, stellen, gezinnen die een of meerdere honden uitlaten. (Of is het andersom?) Als  ‘Einzelgänger’ vraag ik me af: verdrijven die honden het wild niet? Wat dragen zij bij aan het stikstofprobleem? En kunnen ze ook corona verspreiden? En natuurlijk loopt er niemand met zakjes om het stinkend ongerief in op te bergen. Hondenpoep is viezer volgens mij dan welke dierengevoeg dan ook. Zou het daarom zijn dat honden in het midden-oosten als onrein beschouwd worden? In de Bijbel zijn ze dat in elk geval. In de Openbaringen wordt van het nieuwe Jeruzalem gezegd dat de ‘honden en de hoeren’ buiten zullen blijven.Daarentegen staat in de kunst  de hond juist voor ‘trouw’ en ‘waakzaamheid’. En dat brengt mij op een verhaal van Emmanuel Levinas. De joodse filosoof verbleef tijdens de oorlog in een werkkamp. Hij schrijft: ‘wij werden door de bewakers gezien als minder nog dan apen. In het kamp was er een onooglijk hondje. Hij blafte vrolijk naar ons ons en kwispelde als we ’s ochtends het kamp verlieten om in het bos te werken en wachtte ons weer ven zo vrolijk op. We gaven hem de exotische naam Bobby. Hij zag in ons nog mensen”. En zo vraagt Levinas zich af: “is Bobby een afstammeling van de hond van Odysseus, die hem als enige herkent als hij na zijn omzwervingen thuis komt?”. Nee, want Odysseus kwam inderdaad thuis, wij waren nog immer in de vervreemding, onze Bobby stamt af van één van de honden uit het Exodus-verhaal, die zich koest houden als het volk in de nacht Egypte verlaat’. In de gelijkenis van de rijke man en arme Lazarus zien we  dat honden de zweren likken van de sloeber.  De hondentong schijnt verzachtend te zijn. Bobby’s dus. Het Hebreeuwse woord voor hond is ‘kaleb’. De naam dus ook van de spion die met Jozua als enige vol vertrouwen de intocht in Kanaän aandurft, ondanks de ‘ reuze weerstand’ die verwacht wordt. Jozua en Kaleb, oftwel Jezus en de hond. Dat geeft te denken. 

En weet u dat er ook in oorlogstijden dieren zijn geweest, vooral honden, die bijstand verleenden, soms zelfs beslissend waren in de strijd tegen het onmenselijke, het vernederende. Zoals de hond Roselle die haar blinde baas uit de puinhopen van 9/11 haalde. (Zie Bibi Dumon Tak, Oorlogsdieren). Ik blijf pleiten voor minder honden, maar ook voor een nationaal monument voor het reddende dier. In diverse landen zijn die er al, bij ons nog niet.

Goede moed – column 3 – Nederlands Dagblad

Goede moed

 

Eindelijk was de kou uit de lucht en uit mijn luchtwegen. ‘Kom mee naar buiten allemaal…..’

Nee, helaas dat niet, maar ik ben er wel op uit gegaan. Naar buiten waar de vogels fluiten , op allerlei wijs, in velerlei soorten en maten, in een uitbundige paasjubel, met daarin goed hoorbaar het roffelen van de grote bonte specht op het hout. Het ‘hout’ is leeg maar nog immer zwaar wegend op ruggen van velen. 

Vanaf mijn huis ben ik na tweehonderd meter in het groen, in coulissenlandschap. In de akkers is het zaad gezaaid en ontkiemt in een steeds frisser groen, dag na dag. Konijntjes schieten weg, een eekhoorn roetst een eik in. En uit de sparren, dennen, struweel van jonge berken, meidoorns, elzen overal dat vrolijk stemmend gezang, van merel tot fitis, putter tot roodborstje; ik zie en hoor zelfs al een kneu.

Ik ken geen mooier muziek dan die van Bach. Je bevindt je in het hooggebergte, de Himalaya, met zeg maar de Mattheus, de Johannes en de Hohe Messe als respectievelijk de Mount Everest, Annapurna en K2. Ik geef toe de strijkwartetten van Beethoven concurreren hevig.

Maar daarnaast niets mooiers dan vogelzang. Het hoort bij Pasen. De dag dat de graftuin een Hof van Eden werd en de gemartelde, ‘de vermoorde Onschuld’, als tuinman tevoorschijn treedt. Zo treffend geschetst door Rembrandt. 

En dan hoor je ook bijna onmiddelijk Ida Gerhardt:

 

“Eén Rembrandt kende als kind ik goed:

de Christus met de grote hoed

wandelend in de ochtendstond.

En, naar erbij geschreven stond:

Hij was een hovenier.

 

En nog laat ik mijn tranen gaan

als in de gaarde ik Hem zie staan,

en – wat terzijde – in stille schrik

die éne, zij die dacht als ik:

Het was de hovenier.

 

O kinderdroom van groen en goud -

géén die ontnam wat ik behoud.

De laatste hoven naderen schier

en ijler wordt de ochtend hier.

 

Hij is de hovenier.”

 

Vóór Pasen hoorde en zag ik een vesper vanuit Velp. Op de dag dat 75 jaar geleden Dietrich Bonhoeffer opgehangen werd vanwege om zo te zeggen Messiaanse keuzes.

Collega Klaas Eldering sprak wijze en zachte woorden vanuit Jezus’ woord: ‘in de wereld zult gij verdrukkig hebben, maar hebt goede moed ik heb de wereld overwonnen’.

Precies de tekst die ik mee kreeg toen ik ruim vijftig jaar geleden belijdenis deed. In het zakbijbeltje, geschenk van mijn ouders, als herinnering met mooie hand door een oom erin geschreven. Die woorden vanuit Velp kwamen aan en vergezellen me dezer dagen. 

Goede moed, want ….. Het wordt me ook toegezongen door het groot vogelkoor; het spreekt ook uit de talloze beertjes achter de ramen. 

Goede moed als ik stuit op die sonore stem van Martin Luther King: I have a dream..

Goede moed voor een droom van een wereld, waarin we durven kiezen voor de vogels en minder voor die andere vogels,de door ons gefabriceerden, die niet zingen maar brullen en hun vuil de lucht in spuiten; voor een wereld waarin mensen in de knel uit de kampen gered worden en omarmd; voor een wereld waarin we durven regeren en dienen vanuit een ‘Erbarme dich’ en zo de mensen zien met een kruishout op de rug.. 

Nogmaals Ida Gerhardt:

 

Pasen

 

Een diep verdriet dat ons is aangedaan

kan soms, na bittere tranen, onverwacht

gelenigd zijn. Ik kwam langs Zalk gegaan,

op Paasmorgen, zéér vroeg nog op den dag.

Waar onderdijks een stukje moestuin lag

met boerse rijtjes primula verfraaid,

zag ik, zondags getooid, een kindje staan.

Het wees en wees en keek mij stralend aan.

De maartse regen had het ’s nachts gedaan:

daar stond zijn doopnaam in sterkers gezaaid.

 

(Blij-)moedig voorwaarts!