Category Archives: columns Nederlands Dagblad

Domweg gelukkig … column 8 voor Ned. Dagblad

Afgelopen maandag was het weer zover. De driejaarlijkse inkijk in mijn ingewanden, specifiek mijn dikke darm.                                                                                                                          De eerste keer – zeker vijftien jaar geleden – wilde ik per se meekijken. Vorm van baas in eigen buik. Mijn hele bewuste leven ben ik bijkans ziekelijk nieuwsgierig naar alles van het lichaam en zijne kwalen.

Ik was keurig op tijd, voortijdig zelfs, waardoor ik nog zeker tien minuten in de hal van het ziekenhuis moest wachten alvorens me te mogen melden voor het eigenlijke werk. Zo leeg mogelijke wachtkamers is het parool in deze coronatijd.

Over leeg gesproken. Een ieder die wel eens een inkijk heeft gehad in dat specifieke onderdeel van onze voedselverwerking, weet dat je helemaal leeg moet worden, noodzakelijk leeg moet lopen. Na vier liter water met een vies kleurloos goedje ben je niet alleen leeg, je voelt je ook leeg, maar tegelijk vervuld, geconcentreerd op dat ‘ene nodige’, dat wat gedaan moet worden.

Je bent helemaal één met je lijf, met dat ene belangrijke onderdeel en dat geeft ook ruimte, gek genoeg. Heel veel ballast is uit je hoofd weg. Je bereikt een status van ‘zijn’ die tegelijk pijnlijk en verlichtend is. Je valt niet in duizend brokstukken aan gedachten, verlangens, drijfveren, dwanggedachten, nog-te-doen-obsessies uit-een. Je bent (in-) één. Zoals je dat ook in de natuur kunt beleven, ik althans. Dat je samenvalt met de machtige beukenlaan, waardoor je loopt, de ooievaars in het weiland voor je, de miezerregen op het bladerdak.

In deze contemplatieve concentratie wenkt de stilteruimte van het ziekenhuis me. Stilte: dat is precies het woord wat bij mijn toestand hoort. Achter de matglazen deur opent zich op de wand een gedicht van Martin Bril:

Wat we willen:

Momenten

Van helderheid

Of beter nog: van grote

Klaarheid

 

Schaars zijn die momenten

En ook nog goed verborgen

 

Zoeken heeft dus

Nauwelijks zin, maar

Vinden wel

 

De kunst is zo te leven

Dat het je overkomt

 

Die klaarheid, af en toe

 Stilte is met helderheid gevulde tijd. Een flits van ‘ja, dit is het’.  Een moment van geluk, over je heen komend  als een gul warm bad . Eens was ik met een vriend de heuvels van het Schotse eiland Islay ingetrokken op zoek naar de te verwachten steenarend. Die vonden we niet, maar alleen dat zijn, dat  vertoeven in die immense ruimte om ons, boven ons, voor ons, het heldere zicht op de oceaan, de zachte bries, het frisse groen en geen enkel mechanisch geluid bezorgde kippenvel tot in alle vezels, geest en lichaam, van mystiek-erotische proportie. Het zijn momenten van strikte, volstrekte een-voud, met nadruk op ‘een’. Corresponderend met de Hebreeuwse Godsnaam, onuitsprekelijk, want te snel in onze mond en door onze hand bedorven. Die Godsnaam – geschreven JHWH – is één concentratie van het werkwoord ‘zijn’. Als je wilt vertalen dan is het ‘Ik ben die Ik ben, Ik zal zijn die Ik ben, Ik zal zijn die Ik zal zijn’. Kortom: Ik ben uit Eén stuk, de EEN-Voud zelve. Piet Oussoren vertaalt in de Naardense Bijbel de Naam konsekwent met De Ene. Goden, machten, krachten, bewegingen: ze moeten allemaal wat of juist veel van ons. Het zijn hebberds, met grijpgrage handen, vooral naar je ziel en zaligheid. Helaas hebben we in de kerk van de Ene ook vaak zo’n machtsbeluste god gemaakt. Terwijl je bij hem alleen maar hoeft te zijn. Leeg, stil wachtend op zijn ontferming. Hij wil omarmen en overeind zetten en overeind houden. Althans zo lees ik de Verhalen over Hem.  Wat ik bedoel is beter verwoord in een gedicht van Ad den Besten, dat ook in de stiltekamer hangt.

 

Gij hebt, o God, dit broze bestaan gewild,

hebt boven ’t nameloze mij uitgetild,

 

laat mij dan dankbaar leven, de volle tijd,

geborgen in de bevende zekerheid,

 

dat ik niet uit dit smal en onvast bestand

van mijn bestaan zal vallen dan in uw Hand.

 

 ‘Domweg gelukkig’ (JC Bloem)… soms zelfs in een ziekenhuis.

Met hun loftrompet – column 7 – Nederlands Dagblad

 

‘Zwarte levens doen er toe’. Zo kan je het toch in ondubbelzinnig Nederlands zeggen?! ‘Black lives matter’ klinkt voor mij afstandelijker en dus makkelijker te ontwijken.

Hetzelfde heb ik met Keti Koti. Ik snap dat de betrokkenen gezien hun achtergrond het zo willen noemen. Maar ik voel het als ‘niet voor mij’, hun feestje. Terwijl alom geroepen wordt om verbinding. Ik zag de herdenking in het Oosterpark en ik voelde me een buitenstaander.‘Gebroken kettingen’ komt veel dichterbij. Voor mij dan.

Het is blijvend zinvol om te gedenken hoe vroeger zwarte medemensen misbruikt werden en vernederd voor eigen gewin, in Amsterdam nog steeds zichtbaar in wat we de grachtengordel noemen. Het is eveneens zinvol om huidig racisme te benoemen, te onthullen, te bestrijden. Ook in mijzelf, indien nodig. 

Maar laten we dan ook ketens die nog steeds niet gebroken zijn, aan de kaak stellen en vurig bevechten. Slavernij is er helaas nog steeds. Niet alleen op afgelegen boerderijen in bijvoorbeeld Drenthe. Maar structureel nog steeds in de kledingindustrie. Op de akkers, in de slachthuizen.

Hoe huisvestten wij destijds wat wij toen gastarbeiders noemden? ‘Gast’ was een eufemisme, gezien de behandeling, zeg maar gerust mishandeling, die in onze samenleving gedoogd werd. Net als toen, als altijd uit geldelijk gewin.

Voor mij is de mensheid een kleurpotlodendoos. Van wit tot zwart en alles er tussen in en allemaal even bruikbaar en gewenst voor een bestaan als voor een hopelijk fraaie tekening. 

Ik kan me heel goed voorstellen dat gekleurde voetballers het zat zijn om steeds maar weer meestal zouteloze grappen te moeten horen.    Maar ik kan me niet goed voorstellen dat zij en de anderen in de voetbalkleurpotlodendoos straks zo maar zonder bezwaar afreizen naar het WK  in Qatar, mochten zij zich plaatsen.. Want als er ergens nog ketens verbroken moeten worden, mensen uit slavernij moeten worden bevrijd, dan zeker ook daar. 

Het argument dat voetbal en politiek twee verschillende zaken zijn of dat bij een boycot de jongens uit de Filippijnen, Sri Lanka en Bangladesh dan nog verder van huis zijn lijkt hout te snijden, maar mist humaan gezien elke grond. Geldelijk, veel geldelijk gewin is ook hier in het geding.  Zijn de voetballers zelf eigenlijk niet een soort moderne slaven, met onzichtbare, maar wel merkbare kettingen verbonden aan makelaars, zaakwaarnemers, oligarchen, hedgefondsen enzovoort? 

Er is gezamenlijk, met ‘de gehele doos’, meer werk aan de winkel dan de uitbanning van Zwarte Piet . Ander werk ook dan het bekladden of zelfs omverhalen van standbeelden. Dat is in mijn ogen destructieve energie en mist elk doel.

Remonstrants collega Tom Mikkers meende een duit in het racisme-zakje te moeten doen door voor te stellen vers 19 van Barnards lied ‘Jeruzalem, mijn vaderstad’ te verwijderen. 

Voor wie het niet weet, dat couplet luidt:

De negers met hun loftrompet                                  

de joden met hun ster,

wie arm is, achteropgezet,

de vromen van oudsher.

 

Je zou prima negers  door zwarten kunnen vervangen, maar het hoeft niet. In het gebruik van het woord ‘neger’ zit de pijn van hun onderdrukte positie, zoals ook uitgedrukt in ‘de joden met hun ster’. Onbegrijpelijk dat Mikkers dat niet  lijkt te begrijpen.

Nu begreep ik onlangs dat hij het hele lied geen plek meer gunt in het  Liedboek der Kerken (nr.737).

Zelf heb ik het lied  van 21 coupletten wel eens als een kralensnoer door de hele dienst heen laten zingen. Omdat dat lied zo prachtig en treffend de hoop verwoordt op een andere wereld, waarin juist het recht wordt hersteld en wie achteropgezet zijn in deze bedeling een ereplaats krijgen. Het is een protestantse ‘negro-spiritual’. Pardon, dat mag ik natuurlijk ook niet meer zeggen.

Met dat lied kun je juist de eigenlijke barricaden op, waar in welke kleur dan ook de ‘slaven met hun ketenen rammelen’.

Met perspectief:

 

van alle kanten komen zij

de lange lanen door,

het is een eindeloze rij,

de kinderen gaan voor.

 

 

 

Discriminatie – column 6 – Nederlands Dagblad

 ‘Waarom loop jij eigenlijk het Westerborkpad?’  Ik ben nu halverwege, maar die vraag blijf ik af en toe horen. En niet geheel ten onrechte. Is het niet wat al te morbide om in het spoor te gaan van de Jodenvervolging?

Mijn joodse oud-collega bij de VPRO Rogier Proper reageerde cynisch, toen ik op de eerste wandeldag in Amsterdam langs zijn huis kwam: ‘mijn grootmoeder deed het in ’43 op één dag, met de trein’. 

Het Westerborkpad is niet het mooiste van de Lange-Afstand-Wandelpaden (LAW’s).. Het haalt het niet bijvoorbeeld bij het Pelgrimspad. Dus nogmaals: waarom zou je voet voor voet op weg gaan naar voormalig concentratiekamp Westerbork? 

Mij dreef vooraf nieuwsgierigheid en het gemak om als alleen-loper steeds van station naar station te kunnen. Gaandeweg heb ik een overtuigender antwoord gekregen. 

De tocht voert tussen de stations door langs synagogen, Joodse begraafplaatsen en oorlogsmonumenten. En daarmee wordt het één lange herinnering en gedachtenis aan wat mensen mensen hebben aangedaan en nog steeds aandoen. Het woord’ discriminatie’ verbleekt er zelfs bij. 

Volgens Rutger Bregman deugen de meeste mensen. Maar staande voor weer zo’n monument dat verwijst naar verraad, vernedering, moord denk ik : ja zeker, maar vooral in eigen oog. 

Want is dat niet wat in essentie discriminatie is: het onderscheid tussen jou en een ander, waarin jij je zelf op een voetstuk plaatst en op de ander als minder en minderwaardig neerkijkt? Hoe was het ook al weer met die Farizeeër die zich pontificaal biddend op de borst klopt en uitroept: ‘Och Heer, wat ben ik blij dat ik niet ben als die tollenaar, die zondaar daar’!

 

In de negentiende eeuw dachten we als natie blijkbaar zo gering over onszelf, dat we onszelf een oppepper gaven door standbeelden op te richten van zogenaamde helden uit het verleden. 

Daarmee bleven het geen mensen van vlees en bloed, maar versteenden letterlijk en figuurlijk  tot ‘gouden kalveren’, die je alleen kunt vereren of omver halen, zoals onze tijd nu leert.

 

Als je door de hoofdingang de Amsterdam Arena binnengaat, stuit je op het borstbeeld van Johan Cruijff. In mijn jeugd ook mijn idool. Als lid van de ledenraad van Ajax maakte ik een andere Cruijff mee. 

Een man die rücksichtslos mensen offerde in zijn revolutie en die van Edgar Davids zei dat hij alleen in de Raad van Bestuur zat, omdat hij zwart was. 

Cruijff had toen nog geen buste, laat staan een standbeeld, maar voor mij viel hij toen van zijn voetstuk. Of moet ik zeggen: hij werd weer mens?

De monumenten waarmee ik word geconfronteerd stellen mij de vraag: wat zou jij gedaan hebben? Beter nog: wat zou je nu doen, wat doe je nu? 

En ik laat mijn gedachten gaan over mijn leven en het besef is er weer dat ik jarenlang me zelf heb gediscrimineerd! 

Op m’n eenendertigste durfde ik pas mezelf te omarmen als een man wiens verlangen naar lichaam en geest uitgaat naar de omarming van andere mannen. 

In de aanvaarding van jezelf in jouw eigenheid schuilt ook het geheim een ander te aanvaarden in zijn of haar eigenheid en anders zijn. Denk ik.

In deze krant lees ik over bevrijdingspastoraat. Homo’s worden geholpen ‘uit de kast’ te komen. Prachtig, denk je. Maar: je mag bij wijze van spreken wel het tafellaken delen, maar niet de beddenlakens!  Een relatie aangaan, de liefde vieren, tot elkaar bevrijd worden – dus ‘vrijen’ – dat blijft zonde. In mijn ogen is dat geen bevrijdingspastoraat, maar hulp bij zelfverminking en zelfdiscriminatie.  Jezelf erotiek en sexualiteit als vondst van de Schepper misgunnen: dat is pas zonde!

 

Mondkapjes – column 5 – Nederlands Dagblad

Het was in het voor een Ajax-supporter opwindende jaar 1995 dat ik voor het eerst mondkapjes zag in het openbare leven, dus buiten de steriele, klinische omgeving van ziekenhuis of tandartsenpraktijk. Na de Champions Leaugue-triomf in Wenen was ik er in dat juichjaar in november ook bij toen Danny Blind met een beslissende strafschop de wereldbeker de prijzenkast in  schoot. Die wedstrijd (tegen Gremio) werd gespeeld in Tokio en in het stadion zag ik diverse meest jonge Japanners met mondkapjes op, de wedstrijd volgen. Ik vroeg me toen al af: waarom, waartoe en als het is om tegen vieze lucht te beschermen, helpt dat dan? Soortgelijke vragen die er ook zijn nu we vanaf Pinksteren in elk geval in tram, bus of trein een mondkapje moeten dragen. Vragen die de hoogste baas van het RIVM ook heeft, maar die wikt slechts,  hoogste baas van het openbaar vervoer beschikt. Omdat ik nog al veel en lang wandel en vaak alleen, maak ik nog al eens gebruik van het openbaar vervoer. Zeker bij het lopen van het Westerborkpad, dat van station naar station gaat. Nog niet eens zo heel lang geleden kwam het verbod om met gezichtsbedekkende kleding deel te nemen aan het openbaar vervoer.  Is dat verbod dan nu opgeheven? Vanwege een kwetsbare huid draag ik iets op het hoofd, zeker tijdens lange wandelingen. Welnu, met mondkapje voor en een pet op ben ik bijkans even onherkenbaar als een streng geklede moslima. Sterker nog: beschermender kleding dan een boerka lijkt niet te bestaan nu.  Inmiddels heb ik wegwerpkapjes van de Hema in huis, maar mijn eerste kocht ik tijdens een wandeletappe van het Limespad, in Harmelen, bij een Afghaanse schoenlapper. Een fraaie wasbare met opdruk van flamingo’s. En dat paste goed bij die dag, want boven Harmelen vloog juist die middag een kraanvogel en in een vijver van een woonwijk in De Meern stond een eenzame lepelaar te grondelen. Ik heb mijn mondkapje uitgeprobeerd en dat valt zelfs voor een Klaas bij wie het epitheton ‘houten’ zeer van toepassing is, erg mee. ‘Het brede stuk boven’, had de Afghaanse schoenlapper gezegd. Als zwerfdominee zijn mij veel preekbeurten ontnomen. Op die in mijn vroegere gemeente Vreeland na, maar die is dan ook vacant. Ik mocht ook eens in een zangtrio bijdragen aan een dienst. Maar het achter een laptop een dienst volgen sticht me niet, schept eerder afstand dan betrokkenheid. Zegt Paulus niet: ‘Het geloof is uit het gehoor’? ! Dus trek ik de wandelschoenen aan en kies de grootste kathedraal ons gegeven: het ruime hemelrond. Wiens mond niet gekapt is, want naar de oude berijming van ps.19 vertelt deze ‘met blijden mond, Gods eer en heerlijkheid’. Voortstappend door bos en beemd, over hei en grasdijken word ik ook verkwikt door dat andere ‘getuigenis’, waar in ps.19 ook sprake van is. In mijn geval via mijn mobiel de woordverkondiging vanuit de Huizense Oosterlichtkerk.  Over een psalm gesproken is het niet ps.141, waarin sprake is van een zeer aan te bevelen ‘mondkapje’? Ook weer in de oude berijming: ‘Zet, Heer, een wacht voor mijne lippen; behoed de deuren van mijn mond, opdat ik mij, tot genen stond, iets onbedachtzaams laat’ ontglippen’. Verdient dit vers niet een opvallende plek in de Tweede Kamer? Op billboards wellicht ook? Maar ook  waar vergaderd wordt in kerkruimten, boven de bureaus van dominees en zwerfdominees, ook boven het mijne dus, in de burelen van kranten, radio en tv.  De pervertering van de vrijheid van meningsuiting is woekerend. Mijn moeder zei vroeger; ‘ga je mondspoelen’. Nu zou ze misschien zeggen: ‘doe je mondkapje om’. 

 

Honden – column 4 – Ned. Dagblad – 8 mei 2020

Ik hou zo van dieren dat ik er geen houd. Vissen in een aquarium, een vogel in een kooitje,een hamster in een tredmolentje: ik moet er niet aan denken. Neem een kat’, zeggen vrienden soms. ‘Of een hond’, roept een ander. Ik ben er te neurotisch voor; vind het gedoe. Een kattenbak of hondenmand in huis, een zwiepende staart:daar gaat weer een kop koffie of een glas wijn; vlooien, naar de dokter, gevoeg opruimen. Ik vind dat zeker voor honden huizen zo groot moeten zijn dat ze net als kinderen een eigen kamer moeten hebben.  Ik ben zelf wel eens onheus bejegend door een hond en dat gesnuffel in het kruis is ook behoorlijk genant, alsof achter de rits de kern van mijn bestaan verborgen ligt of een konijn verstopt zit. Verder heb ik helemaal geen hekel aan honden, in tegendeel. Alleen het zijn er zoveel! Elke dag word mijn neus (en ogen en soms oren) op dat feit gedrukt. In de bosachtige omgeving dicht bij mijn huis,waar ik vrijwel dagelijks wandel ben ik echt de enige die zich zelf uitlaat. Verder miegelt het van mannen, vrouwen, stellen, gezinnen die een of meerdere honden uitlaten. (Of is het andersom?) Als  ‘Einzelgänger’ vraag ik me af: verdrijven die honden het wild niet? Wat dragen zij bij aan het stikstofprobleem? En kunnen ze ook corona verspreiden? En natuurlijk loopt er niemand met zakjes om het stinkend ongerief in op te bergen. Hondenpoep is viezer volgens mij dan welke dierengevoeg dan ook. Zou het daarom zijn dat honden in het midden-oosten als onrein beschouwd worden? In de Bijbel zijn ze dat in elk geval. In de Openbaringen wordt van het nieuwe Jeruzalem gezegd dat de ‘honden en de hoeren’ buiten zullen blijven.Daarentegen staat in de kunst  de hond juist voor ‘trouw’ en ‘waakzaamheid’. En dat brengt mij op een verhaal van Emmanuel Levinas. De joodse filosoof verbleef tijdens de oorlog in een werkkamp. Hij schrijft: ‘wij werden door de bewakers gezien als minder nog dan apen. In het kamp was er een onooglijk hondje. Hij blafte vrolijk naar ons ons en kwispelde als we ’s ochtends het kamp verlieten om in het bos te werken en wachtte ons weer ven zo vrolijk op. We gaven hem de exotische naam Bobby. Hij zag in ons nog mensen”. En zo vraagt Levinas zich af: “is Bobby een afstammeling van de hond van Odysseus, die hem als enige herkent als hij na zijn omzwervingen thuis komt?”. Nee, want Odysseus kwam inderdaad thuis, wij waren nog immer in de vervreemding, onze Bobby stamt af van één van de honden uit het Exodus-verhaal, die zich koest houden als het volk in de nacht Egypte verlaat’. In de gelijkenis van de rijke man en arme Lazarus zien we  dat honden de zweren likken van de sloeber.  De hondentong schijnt verzachtend te zijn. Bobby’s dus. Het Hebreeuwse woord voor hond is ‘kaleb’. De naam dus ook van de spion die met Jozua als enige vol vertrouwen de intocht in Kanaän aandurft, ondanks de ‘ reuze weerstand’ die verwacht wordt. Jozua en Kaleb, oftwel Jezus en de hond. Dat geeft te denken. 

En weet u dat er ook in oorlogstijden dieren zijn geweest, vooral honden, die bijstand verleenden, soms zelfs beslissend waren in de strijd tegen het onmenselijke, het vernederende. Zoals de hond Roselle die haar blinde baas uit de puinhopen van 9/11 haalde. (Zie Bibi Dumon Tak, Oorlogsdieren). Ik blijf pleiten voor minder honden, maar ook voor een nationaal monument voor het reddende dier. In diverse landen zijn die er al, bij ons nog niet.

Goede moed – column 3 – Nederlands Dagblad

Goede moed

 

Eindelijk was de kou uit de lucht en uit mijn luchtwegen. ‘Kom mee naar buiten allemaal…..’

Nee, helaas dat niet, maar ik ben er wel op uit gegaan. Naar buiten waar de vogels fluiten , op allerlei wijs, in velerlei soorten en maten, in een uitbundige paasjubel, met daarin goed hoorbaar het roffelen van de grote bonte specht op het hout. Het ‘hout’ is leeg maar nog immer zwaar wegend op ruggen van velen. 

Vanaf mijn huis ben ik na tweehonderd meter in het groen, in coulissenlandschap. In de akkers is het zaad gezaaid en ontkiemt in een steeds frisser groen, dag na dag. Konijntjes schieten weg, een eekhoorn roetst een eik in. En uit de sparren, dennen, struweel van jonge berken, meidoorns, elzen overal dat vrolijk stemmend gezang, van merel tot fitis, putter tot roodborstje; ik zie en hoor zelfs al een kneu.

Ik ken geen mooier muziek dan die van Bach. Je bevindt je in het hooggebergte, de Himalaya, met zeg maar de Mattheus, de Johannes en de Hohe Messe als respectievelijk de Mount Everest, Annapurna en K2. Ik geef toe de strijkwartetten van Beethoven concurreren hevig.

Maar daarnaast niets mooiers dan vogelzang. Het hoort bij Pasen. De dag dat de graftuin een Hof van Eden werd en de gemartelde, ‘de vermoorde Onschuld’, als tuinman tevoorschijn treedt. Zo treffend geschetst door Rembrandt. 

En dan hoor je ook bijna onmiddelijk Ida Gerhardt:

 

“Eén Rembrandt kende als kind ik goed:

de Christus met de grote hoed

wandelend in de ochtendstond.

En, naar erbij geschreven stond:

Hij was een hovenier.

 

En nog laat ik mijn tranen gaan

als in de gaarde ik Hem zie staan,

en – wat terzijde – in stille schrik

die éne, zij die dacht als ik:

Het was de hovenier.

 

O kinderdroom van groen en goud -

géén die ontnam wat ik behoud.

De laatste hoven naderen schier

en ijler wordt de ochtend hier.

 

Hij is de hovenier.”

 

Vóór Pasen hoorde en zag ik een vesper vanuit Velp. Op de dag dat 75 jaar geleden Dietrich Bonhoeffer opgehangen werd vanwege om zo te zeggen Messiaanse keuzes.

Collega Klaas Eldering sprak wijze en zachte woorden vanuit Jezus’ woord: ‘in de wereld zult gij verdrukkig hebben, maar hebt goede moed ik heb de wereld overwonnen’.

Precies de tekst die ik mee kreeg toen ik ruim vijftig jaar geleden belijdenis deed. In het zakbijbeltje, geschenk van mijn ouders, als herinnering met mooie hand door een oom erin geschreven. Die woorden vanuit Velp kwamen aan en vergezellen me dezer dagen. 

Goede moed, want ….. Het wordt me ook toegezongen door het groot vogelkoor; het spreekt ook uit de talloze beertjes achter de ramen. 

Goede moed als ik stuit op die sonore stem van Martin Luther King: I have a dream..

Goede moed voor een droom van een wereld, waarin we durven kiezen voor de vogels en minder voor die andere vogels,de door ons gefabriceerden, die niet zingen maar brullen en hun vuil de lucht in spuiten; voor een wereld waarin mensen in de knel uit de kampen gered worden en omarmd; voor een wereld waarin we durven regeren en dienen vanuit een ‘Erbarme dich’ en zo de mensen zien met een kruishout op de rug.. 

Nogmaals Ida Gerhardt:

 

Pasen

 

Een diep verdriet dat ons is aangedaan

kan soms, na bittere tranen, onverwacht

gelenigd zijn. Ik kwam langs Zalk gegaan,

op Paasmorgen, zéér vroeg nog op den dag.

Waar onderdijks een stukje moestuin lag

met boerse rijtjes primula verfraaid,

zag ik, zondags getooid, een kindje staan.

Het wees en wees en keek mij stralend aan.

De maartse regen had het ’s nachts gedaan:

daar stond zijn doopnaam in sterkers gezaaid.

 

(Blij-)moedig voorwaarts!

 

 

 

 

 

 

Boketor

Ook ik ben al een paar weken in qarantaine. Gedwongen thuis, want te snotterig, te verkouden, teveel keelpijn om anderen, zoals de Heidelberger Cathechismus aanbeveelt ‘niet nodeloos in gevaar te brengen’.

Naast de medicijnen die ik toch al moet slikken verdwijnen nu ook paracetamol, extra vitamine c in mijn keelgat; zuig ik op Strepsils en gorgel en snuif ik zout water. Het is lang geleden dat de huisapotheek zo intensief werd aangesproken. Behalve dat ik de deur niet uit mag, hoef ik die ook niet uit. Als in een lawine worden alle afspraken afgezegd. Een agenda als een schoongeveegd schoolbord. En ik merk al snel dat ik het heerlijk vind. Die andere huisapotheek kan nu ook volop aangesproken worden. Die van een goed boek, van een film of serie, maar vooral die van muziek. Ik mag toegeven aan Klaas Vaak, op welk moment van de dag hij zich aandient. Ik heb tijd voor een uitgebreid vriendengesprek. 

En ik krijg als vanzelf nog meer aandacht voor de duiven op mijn balkon, de roeken in de bomen voor het huis, de merel die zich luide laat horen. En op een uur dat ik me goed genoeg voel om even buiten in het zonnetje te zitten geschiedt het wonder. Mijn lievelingsbeestje brengt een bezoek, de allereerste keer dit jaar. Een boketor, zoals wij Huizers hem noemen. Voor niet-Huizers: een lieveheersbeestje. Mijn eerste auto- een rode Fiat 500- tooide ik middels zwarte plakletters boven de achterbumper met die Huizere naam; ik voegde hier en daar zwarte stippen toe. Als wij als kinderen vroeger een boketor vonden en vervolgens vingen, wierpen we hem of haar in de lucht en riepen: ‘morgen mooi weer’! Meestal was dat ook het geval. 

Het leven is stil komen te liggen, zo hoor je van alle kanten. Ook bondscoach Ronald Koeman heb ik het horen zeggen. En het is zo. Het leven van het je haasten naar je werk, van de drukte op de weg, van het de hele wereld over vliegen, van het produceren en nog meer consumeren, van ‘lenen, lenen, betalen, betalen’ ( Youp van ’t Hek), van het eruit halen wat er in zit, van het multitasken, van altijd in de weer, van haastige spoed en rupsje nooit genoeg, van geen tijd tot tijd is geld enzovoort, enzovoort. Dat leven is stil gevallen. Een onzichtbare vijand, een ongrijpbare ook lijkt het wel, heeft ons plat gekregen, de mond gesnoerd, gans het raderwerk stil gelegd. Dat overdenkend in het zonnetje met dat prachtbeestje voor me, gaan mijn gedachten naar de jaren dat ik in Roemenië woonde. Tijdens het Ceausescubewind. De onzichtbare, ongrijpbare vijand was daar en toen de securitate. In alle haarvaten van de samenleving had dat ‘virus’ mensen besmet. Van sommigen wist je het zeker, van velen was je onzeker, van nog meer wist je het niet. Van enkelen wist je dat ze virusvrij waren. Natuurlijk was er openbaar leven, maar geinfecteerd als het was niet echt de moeite waard. Het was leven onder een stolp, zoals Vaclav Havel het omschreef. En toch kwam juist ander leven tot bloei. het leven van de intimiteit, van het openhartige gesprek, van de vrolijkheid rond een eenvoudig maal en een goed glas zelfgestookte pruimenjenever. Het leven waarin geloof, hoop en liefde het werkelijk voor het zeggen hadden. Dat leven omarmde je, gaf je voorrang,  gaf houvast. 

Dat is wat de zegen van een ramp kan zijn: de intensiteit van het leven als gesprek, ruimte voor binnenkamer en elkaars spirituele apotheek; tijd voor geestelijke zolderopruiming, voor het hamsteren van wat verdiept en verrijkt in beeld en geschrift, in klank en kleur. Een leven als van God gegeven, als een lieveheersbeestje, dat je steeds omhoog mag gooien – sursum corda – en daarbij in vertrouwen roepen: ‘morgen mooi weer’!

Moeders kussen

nd-vrijdag-6-maart-2020-gesleept

MOEDERS KUSSEN

 

 

Een paar maanden geleden ben ik teruggekeerd naar het Gooise Huizen, het dorp waar het allemaal begon: mijn eerste stappen, eerste woorden, mijn eerste school, vriendjes en fiets, de eerste liefdes en de eerste pijn, het eerste verdriet. Kortom waar mijn leven begon. Van gevestigd dominee in Woensdrecht werd ik zwerfdominee en vestigde mij op niet alleen mijn geboortegrond, maar ook de geboorte- en leefgrond van vele generaties Vossen voor mij.  Voor orthodox hervormden is Huizen geen onbekende plaats. Het Mekka van de Gereformeerde Bond werd het genoemd. Een beroep naar Huizen sloeg je als dominee niet zomaar af.

Is het wel verstandig om na 47 jaar terug te keren naar waar een verleden van 23 jaar opgestapeld ligt? Wat verwacht ik er te vinden?  Ben ik niet begonnen aan één lange begrafenis? Gun ik mezelf nog toekomst? Of ligt die toekomst juist in het veroveren van mijn verleden in het dorp, in al die jaren gegroeid van 10 tot ruim 40.000 inwoners? Ligt de zin van de terugkeer ook niet in het beter begrijpen en verwerken van wat destijds pijnlijk scheef ging, de keuzes die ik maakte; in het in balans brengen van de boekhouding van mijn ziel? Mijn al vroeg ontdekte andere geaardheid stopte ik destijds zeer angstvallig en verkrampt weg en ik verliet het dorp als een vrome dominee in wording. In de 47 buitendorpse jaren veranderde veel: uit de kast, uit de kerk, VPRO en toch weer terug de kansel op, anders dan toen. Hoe zal dat ‘toen’ zich verhouden tot het de halve ‘nu’?

Van Huizers wordt gezegd dat ze altijd eens weer terugkeren. Voor mij geldt zeker dat ik Huizen wel kon verlaten, maar het dorp verliet mij nooit.

En dus werd ik bij terugkeer direct actief lid van de Historische Kring. Daar ontmoette ik een vrouw die me vertelde dat mijn moeders kussen nog steeds in een bank van de Oude Kerk ligt. Negen jaar geleden is mijn moeder overleden, maar haar kussen leeft nog. Onlangs – toen ik zelf niet voor hoefde gaan – bezocht ik een ochtenddienst in de Oude Kerk, zoals ik dat in mijn kinder- en jeugdtijd deed.  Vanwege een plotselinge ongesteldheid moest ik me haasten en had ik geen tijd om voor aanvang van de dienst dat kussen te zoeken. Ik had al wel gehoord dat de kerkgang ook in orthodox Huizen terug gelopen was, maar dat er zoveel banken leeg bleven, vond ik verbijsterend. Ook de bank van mijn moeder (en van mijn vader, toen hij nog leefde) was leeg, het kussen van moeder lag daar eenzaam als stille getuige van een roemrijker kerkverleden, zo bleek toen een mij bekende kerkganger mij de bank en het kussen wees.

Ik zag mezelf weer zitten naast mijn moeder, die van zingen hield en van eau de cologne (Boldoot!), het kerkparfum bij uitstek. Mijn moeder zat op zangkoren; door mijn moeder werd ik al jong lid van de plaatselijke oratoriumvereniging, waar ik ontdekt werd en zangles aangeboden kreeg.  Mijn moeder wist niet van het bestaan van een conservatorium – ik wel? – misschien had ze me dan nog meer de richting van een zangloopbaan opgeduwd. Waarschijnlijker is dat ze ook dan gebleven was bij haar diepste wens: haar oudste zoon op de kansel te zien.

Bij mijn moeder moet ik altijd weer denken aan dat beeldend en diep ontroerende gedicht van Martinus Nijhoff ‘De moeder,de vrouw’.

Een vrouw op een schip zingt psalmen. Het beeld roept zijn moeder op. Moeder en psalmen. Wat voor Nijhoff gold, geldt ook voor mij. In de Oude Kerk van Huizen worden nog steeds de psalmen gezongen die ik destijds met mijn moeder zong. Oude berijming. Toch zong ik ze voluit mee. Vertedering kleurt de herinnering.  Dat er nog maar veel moeders zijn die met hun zonen psalmen zingen. En de volgende keer als ik zondags vrij heb ga ik op moeders kussen zitten.