BWV 88 – Sehe, ich will viel Fischer aussenden

Weer zo’n wonderbaarlijk mooie cantate, voor het eerst uitgevoerd op 21 juli 1726, de 5e zondag na Trinitatis. Hij behoort tot de zeven werken, waarbij Bachs cantaten een sterke verwantschap tonen met de teksten van cantates van zijn achterneef  Johann Ludwig Bach (Meiningen). De inhoud knoopt aan bij de evangelielezing van de zondag Lukas 5: 1 -11, de wonderbare visvangst. Centraal staat in de cantate de roeping van Petrus om visser van mensen te worden, verwoord in het midden van de uit twee delen bestaande cantate (een deel voor, een deel na de preek). Daarom begint de cantate met een citaat uit Jeremia 16: 16: “Zie, Ik ga vele vissers zenden, spreekt de Heer, dat zij hen moeten opvissen en daarna jagers  etc …..”.   Het eerste deel kent de dichtvorm van een madrigaal en benadrukt dat God zonder ons God kan zijn, maar dat niet wil en in het tweede deel luidt de verkondiging dat wij ondanks ongemak toch onder het beslag van Gods zegen leven.

DEEL I

1. ARIA (B)
»Siehe, ich will viel Fischer aussenden, spricht der Herr. die sollen sie fischen.
Und darnach will ich viel Jäger aussenden,
die sollen sie fahen auf allen Bergen
und auf allen Hügeln und in allen Steinritzen.«

Het zwaartepunt ligt direct in het begin. Omdat sprake is van een direct woord van God treedt geen koor op, maar de bas als solist, maar opmerkelijk uitgebreid en in een ongewone vorm. Het vissen en het jagen krijgen elk een eigen aanpak. Het vissen geschiedt in een 6/8 dansmaat om zo het golven van de zee te verklanken. De golvende figuren bewegen zich op en neer boven een rustig of licht deinend orgelpunt. De bas herhaalt de tekst veelvuldig in steeds gevarieerde voordracht. De toonsoort is D groot om dan plotseling te gaan ( na 100 maten) naar G groot in een ‘allegro quasi presto’: de jagers komen ten tonele, waarbij twee hoorns aantreden bij de door hobo’s versterkte strijkers. De pastorale zee-idylle is veranderd in een opwindende jachtpartij. In tegenstelling tot het eerste deel, waarin de bas steeds zijn tekst divers herhaalt, bindt hij zich aan de instrumenten  in een fuga, wat afgeleid is van ‘fungeer’, Latijn voor vluchten/jagen. Een polyfoon stuk van zeven partijen. Ik kan Dürr geheel bijvallen: “Wiederum bewondert man die Eindringlichkeit der Deklamation, die den Hörer bis zum Schluss gefangenhalt”.

2. RECITATIEF (T)
Wie leichtlich könnte doch
der Höchste uns entbehren
und seine Gnade von uns kehren,
wenn der verkehrte Sinn
sich böslich von ihm trennt
und mit verstocktem Mut
in sein Verderben rennt.
Was aber tut sein vatertreu Gemüte?
Tritt er mit seiner Güte von uns,
gleich so wie wir von ihm, zurück?
Und überläßt er uns
der Feinde List und Tück?

3. ARIA (T)
Nein, nein! Gott ist allezeit geflissen,
uns auf gutem Weg zu wissen
unter seiner Gnaden Schein.
Ja, ja! wenn wir verirret sein
und die rechte Bahn verlassen,
will er uns gar suchen lassen.

In het recitatief stelt de tenor een vraag, waarin de aria er op een antwoord komt. Een antwoord wat direct en spontaan komt, dus zonder instrumentale inleiding en om zijn kordate afwijzing te onderstrepen wordt hij de eerste 12 ( aantal leerlingen?) maten slechts begeleid door het continuo. Dan voegt zich de liefdeshobo bij de tenor en ontstaat een triosonate in een 3/8 dansmaat (menuet). Een tweede deel begint met ‘Ja, Ja’. Na deze tekst tweemaal te zijn doorgenomen komen de strijkers en de tweede hobo voor een afsluitend ritornel. In dit lange naspel vervult de 1e hobo de rol van de tenor.

DEEL II

4. RECITATIEF (T) / ARIA (B)
(T) Jesus sprach zu Simon:
(B) Fürchte dich nicht,
denn von nun an wirst du Menschen fahen.

Na de preek krijgen de visser en jager hun betekenis. De tenor leidt als evangelist de bas als Christus in. De bas wordt alleen door het continuo begeleid, met in 41 van de 55 maten een verplichte figuur , op allerlei toonhoogten. Daarmee wordt een spanning gecreëerd met de bas die redelijk vrij z’n muzikale gang kan gaan. Voor de derde keer een staaltje van de intensiteit van Bachs dramatisch vermogen.

5. ARIA / DUET (S, A)
Beruft Gott selbst, so muß der Segen
auf allem unsern Tun
in Übermaße ruhn,
stünd’ uns gleich Furcht und Sorg entgegen.
Das Pfund, so er uns ausgetan,
will er mit Wucher wieder haben;
wenn wir es nur nicht selbst vergraben,
so hilft er gern, damit es fruchten kann.

Er volgt een duet voor sopraan en alt. In de Lutherse theologische opvatting is de mens tegelijk rechtvaardige als zondaar (simul justus et peccator) De sopraan vervult vaak de rol van de rechtvaardige, de in Christus gerechtvaardigde en dus als positief gelovige, zijn ‘hemelse’ kant. De alt die van zondaar en in het verlengde er van als lijdende, zeg maar zijn ‘aardse’ kant. Samen vervullen ze de rol van de hele mens, tevens hele gemeente. Geroepen door God, mag je ook verzekerd zijn van zijn zegen over al je doen en laten. Maar dan is het ook zaak het jou toevertrouwde talent niet te begraven (verwijzing naar Mattheus 25: 14-30). De dubbelheid manifesteert zich ook in de muziek, die tegelijk streng als vrolijk is. De liefdeshobo’s en violen openen unisono, wier thema de zangstemmen overnemen en ook het continuo grijpt veelvuldig het hoofdthema imiterend op.

6. RECITATIEF (S)
Was kann dich denn
in deinem Wandel schrecken,
wenn dir, mein Herz,
Gott selbst die Hände reicht?
Vor dessen bloßem Wink
schon alles Unglück weicht,
und der dich mächtiglich
kann schützen und bedecken.
Kommt Mühe, Überlast,
Neid, Plag und Falschheit her
und trachtet, was du tust,
zu stören und zu hindern,
laß kurzes Ungemach
den Vorsatz nicht vermindern.
Das Werk, so er bestimmt,
wird keinem je zu schwer.
Geh allzeit freudig fort,
du wirst am Ende sehen,
daß, was dich eh’ gequält,
dir sei zu Nutz’ geschehen.

In een secco-recitatief met slechts de continuo dus als begeleiding zet de sopraan zeer expressief de blijde boodschap nog eens neer. Grote sprongen en schrille akkoorden op belangrijke woorden wisselen elkaar af.

7. KORAAL
Sing, bet und geh auf Gottes Wegen,
verricht das Deine nur getreu
und trau des Himmels reichem Segen,
so wird er bei dir werden neu:
denn welcher seine Zuversicht
auf Gott setzt, den verläßt er nicht.

Het slotkoraal is het 7e en laatste couplet van ‘Wer nur den lieben Gott lässt walten’ van Georg Neumark uit 1659. Dit koraal is door Bach het vaakst geharmoniseerd. Het moet hem dus zeer dierbaar zijn geweest. Strijkers en hobo’s verdubbelen de koorstemmen. 

Het karakter van deze cantate wordt gekenmerkt door de grote nadruk op het declamatorische en de tekstinterpretatie. Het concerterende staat in dienst daarvan en van glanzende virtuositeit in de partijen wordt afgezien. Daarmee valt deze cantate in 1726 uit de toon. Want juist in dat jaar kennen we diverse cantates met uitgebreide inleidende symfonieën. Aldus Dürr.