LEEFOMGEVING

ND COLUMN 13 – 13 NOVEMBER 2020

Leefomgeving

De dag van dit schrijven opent met het laatste bericht van (namens) mijn broer Eric in de groepsapp van ons als Vosbroers. Hij heeft de groep verlaten. Keiharde werkelijkheid. Kan niet anders. Want mijn geliefde broer heeft het leven verlaten. In mijn vorige column schreef ik over zijn dramatische val tijdens het mountainbiken. Over de fatale gevolgen, die hem deden besluiten tot een ‘zo zacht mogelijke landing in de schoot van Abraham’.
Een lezer schreef me: ‘dat kun je gerust een noodlanding noemen’. En zo was het en zo geschiedde. De overgang van het AMC naar huis om in vertrouwde omgeving afscheid te nemen van geliefden verliep helaas niet applaus-, laat staan bonuswaardig. Mijn broer onderging het bijna huiveringwekkend waardig en in vrede. Een zee van bloemen bevestigde de zee van verdriet die zijn verscheiden opriep en nog oproept.
De hemel huilde hevig met ons mee op de dag van zijn uitvaart. Maar onze tranen werden mee opgevangen door een zee van mensen aan de kant van de weg. De gehele wielerclub, waarvan hij de meesterknecht was, de wegkapitein, vormde in hun shirts en met hun fietsen een indrukwekkende erehaag naar de begraafplaats. Een oecumene van meeleven.
We kwamen langs de Kruiskerk, ooit Gereformeerde Kerk, nu PKN. Op de zijgevel is de kerk voorzien van een enorm billboard, waarin de kerkgemeenschap boodschappen laat zien aan de aandachtige voorbijganger. In deze tijd staat er met reuze chocoladeletters: ‘De omgeving van de mens is de medemens’.
Onder andere omstandigheden zou ik dit aforisme wellicht schouderophalend als cliché afgedaan hebben. Die vrijdag dat we Eric stapvoets begeleidden naar zijn bewaarplaats voor de eeuwigheid, landde deze spreuk met een genadig zachte plof raak op een gevoelige plek in mijn ziel. In die enorme erehaag werd dat woord vlees, een houvast biedend ritueel. Waar rituelen ook voor bedoeld zijn. We kunnen niet zonder, dat realiseer je je weer op zo’n moment. Rituelen zijn de stokken die de waslijn van het leven overeind houden. Net zoals de feesten. Vier je vierdagen, maar ook de dagen van je rouw.

Nog steeds als ik mij die gang rond zijn baar, met mijn schoonzus, met mijn nichten en hun mannen, met mijn broers, te binnen breng, voel ik weer die haag van medemenselijkheid en lopen de – warme! – rillingen me over de rug.

‘Het is niet goed dat de mens alleen zij’, klinkt al aan het begin van het grote Verhaal van God met ons mensen. Te veel gesproken kan het al snel hol klinken. En te lang en te veel is het slechts gelezen als aansporing om te trouwen en dan vooral uiteraard als man en vrouw. Maar juist in de dagen dat het leven onder spanning staat, mag het gelezen worden als broodnodige levenswaarde en levensvoorwaarde en aansporing tot broederschap en zusterschap. Mensen alleen laten is verdriet in Gods ogen, die zichzelf ook al in den beginne een ‘Ons’ noemt: ‘Laat Ons mensen maken, in Ons beeld en naar Onze gelijkenis.’

We hebben in ons land het Planbureau voor de Leefomgeving. Zou dat ook niet een definitie van kerk kunnen zijn? En dan niet alleen planbureau, maar ook oefenruimte, aanspreekpunt, creatief centrum van medemenselijkheid.

Omdat het wezen van de kerk is dat Hij zelf bij ons is en ons is geworden. Medemens bij uitstek. Sinds Betlehem en Golgota zijn God en mens geen concurrenten, sinds Abraham al niet, Noach niet, in Adam niet. God gaat incognito in medemenselijkheid. Daarin is Hij tegelijk ver en tegelijk heel nabij. Op de dag van Erics uitvaart ervoer ik Hem in die erehaag, zoals Hij ook zo nabij was in mijn broer zelf. Die erehaag en mijn broer waren samen mijn omgeving. In de herinnering nog immer. En ook in die luisterende oren, kloppende harten in kaarten en gesprekken. Maar hoelang blijft die spreuk levende werkelijkheid? Ik bespeur nu al de slijt tot cliché.

Hebben we steeds verdriet nodig om van kuddedier medemens te worden?

page31image17864272