HERFST

ND COLUMN 29 – 29 OKT 2021

Wandelen met A. behoort tot de hoogtepunten in mijn toch al niet kleurloos leven. Ze staat fier op mijn shortlist van minst saaie en meest sprankelende vrouwen die ik ken. Wij struinen door de Veluwe, voor beiden van ons extra geliefd gebied hier te lande. Zij woonde er de eerste zes jaar van haar bestaan en ik raakte op de Vale Ouwe verliefd gedurende de weekjes vakantie in de jaren dat ik deel uitmaakte van knapenvereniging Spreuken 22:6 hier in Huizen. Tientallen jongens op de fiets vanaf het Visnet: een feestelijke optocht naar en intocht in het bijsterland van Jac. Overeem en Henk Vreekamp, die ik toen niet kende overigens.

Enfin, de Veluwe en dus ook de nu in herfsttooi gehulde en versierde bossen, de van dauw parelende weiden en heiden en de kathedrale beukenlanen.

We laafden ons aan de melancholiek stemmende kleuren van de nog hangende en alreeds gevallen bladeren. En zagen met eigen ogen het drama dat de zwijnen wacht. Want met de bladeren vallen er geen eikels en beukennootjes. Naast afschot van duizenden zullen er ook vele een hongerdood sterven. En zo spraken we bijna als vanzelf over de dood van geliefden. Zoals over die van mijn dierbare broer Erik, nu alweer een jaar geleden.

En heb je het over de dood, dan heb je het ook al snel over de liefde. Eros en Thanatos: Freud smeedde ze tot een onlosmakelijke tweeling van levensdrift en doodsdrift. En zo beïnvloedde hij ook ons onbewust in het Veluwse woud.

Liefde: je kunt er niet genoeg van krijgen. Maar A. en ik gaan beiden aan dis en in sponde alweer jaren al- leen door het leven. Erin berustend blijft het toch schrijnen.

In elk geval wat mijzelf betreft. Mijn huwelijk bleek geen optie meer. Meer gevangenis dan toevlucht. Uit de kast gekomen schreed ik de vrijheid tegemoet en begaf me op eindelijk gevonden liefdespad. En er waren vlammen, groot en klein, en er was uiteindelijk een vuur dat langer leek te gaan branden, hopend op ‘eeuwigheid’. Maar helaas, uiteindelijk geen soelaas. En nu alweer jaren broeit en gloeit diep de hunkering. Om met Jacob Israël de Haan te spreken: ‘Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen’, gebeiteld in het homomonument bij de Amsterdamse Westerkerk.

Hoe heb je lief? Hoe houd je een gevonden liefde vast? Terugkijkend denk ik dat ik niet weet wanneer om armen doodknuffelen wordt. In genoemd huwelijk en ook niet in het ouderlijk thuis heb ik geleerd om lief- de vorm te geven. Of is het nog erger: dat ik het niet in me heb om echt lief te hebben? Dat ik daarin een autist ben?

En lieve A. doet haar verhaal, en zo vertrouwen we elkaar in de veilige wereld van bos en beemd de intiemste zielenroerselen toe.

Op een bankje met zicht op schrale hei met daarover een zachte deken van mist eten we een broodje, knabbelen een koek weg. Voort maar weer over een breed pad dat lijkt de sporen te tonen van een wolf. Op de Veluwe is niets onmogelijk. Opeens vraagt A.: ‘Weet jij wanneer iemand flirt?’ Verlegenheid neemt me in bezit en vertraagt de tred. ‘Uh nee, sterker nog, ik weet niet eens hoe te flirten!’ Op het pad der liefde ben ik een stuntelaar, een houten Klaas. Ooit schreef ik een – nooit verzonden – gedichtje: ‘Als ik jou ontmoet vallen schellen van mijn ogen barst het pantser om me heen en ik voel me voortgedreven door een vrijheid groter dan ik aankan. Als ik jou ontmoet stijg ik boven mijn vermogen, huivering dringt door merg en been en ik voel het in mij zweven van een vrijheid groter dan mijn hart.’

Lentebespiegelingen, maar gedompeld in en gekleurd door melancholie zeer wel passend in een herfstig bos. Op die bijster mooie Veluwe. In verstilde doch vurige hoop op wie weet!