KOEIEN 

column Nederlands Dagblad

Al een aantal weken geniet ik van duizend tinten groen en daarin het opwindende geel van brem, het verfrissende geel van koolzaad en het zachte wit van het wuivend ragfijn fluitenkruid.

En er zijn andere kleuren verschenen. Zwart- wit, rood – bont, vossenbruin, beige, mauve. De kleuren ja van koeien.

Ja, ik weet de weilanden waarin zij grazen zijn voetbalveld- saai. Ja, de koeien pissen en poepen mede het klimaat naar de ratsmodee. Ja, ik weet we eten te veel vlees, ja, ik weet wat voor kosten gemaakt moeten worden voor een paar ons biefstuk.

Maar hoe zou het landschap er uit zien zonder koeien? Wat komt er voor in de plaats? 

Gaan we natuurparken aanleggen, waar we dan met onze al dan niet electrisch aangedreven auto’s naar toe rijden en er gaan wandelen, picknicken, wild plassen, honden uit laten, wild verstoren of met mouintainbikes door heen crossen of zelfs ook met motorische gehoor-teisters?

Of komen er nog meer golfterreinen voor de happy few, met even saai gras als van de weilanden ? Of zetten we de leeg komende plekken vol met distributiecentra en anderssoortige oerlelijke blokkendozen?

Nogmaals ik weet dat er wat moet gebeuren. De veestapel is te groot, de schepping zucht en kreunt in haar voegen, niet vanwege barensweeën , maar als doodsrochel. Het is wellicht al later dan vijf voor twaalf. 

Maar de veestapel krimpen zonder krimp van vliegen, rijden, draven? Zonder consuminderen?

In november vorig jaar vroeg ik me af wie nu eigenlijk de grote grazers zijn? Een retorische vraag voor wie door heeft dat onze soort ook getooid kan worden met de benaming Rupsje-nooit-genoeg. Bepaald geen eretitel.

Ik ben geboren en getogen in Huizen, woon er weer. Vanouds boeren- en vissersdorp. In mijn kindertijd was de visserij nagenoeg verdwenen, maar boeren waren er nog volop.

Mijn opa was boer, drie ooms waren het, mijn vader ook in hart en nieren, maar kon het helaas niet worden. Dagelijks ging ik naar ome Klaas voor een bus melk, vers van de koe. De geur van de koeien ’s winters op stal, hun warmte, het gerinkel van de kettingen waarmee ze vast stonden. Het  voeren van de ‘dames’ wat Achterberg in Eben Haëzer ‘ het celebreren van de mis noemt’, waarbij ‘hun tong krult om zijn handen als een vis’.

Het ligt als parel in de oester van mijn ziel.

Ze zien dartelen in de wei, na die lange opsluiting wat doet denken aan Maleachi 4:2.

Maar voor u die mijn naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder haar vleugelen; gij zult uitgaan en springen als kalveren uit de stal.

Die kleinschaligheid van toen, het op elkaar aangewezen zijn; de dagen van samen dorsen en samen hooien. Weiden waar ook de klaproos mag bloeien, waar de grutto en tureluur weer volop kansen krijgen.  Als dat nu eens de invulling van krimpen zal zijn en wij meekrimpen in het vlees op ons bord, in al die barbecu’s bijvoorbeeld, waar we meer op roofdieren lijken dan op rentmeesters!

Ik verlang naar de wereld van de tekeningen van Rien Poortvliet en de schoolplaten van Jetses en Koekoek. Onnozele, kinderlijke nostalgie?  Heeft u een beter alternatief?

koeien, op zaterdagmiddag bedaard in de wei
koeien, een vliegtuig vliegt over, een trein komt voorbij
en stil staan er altijd koeien

ze staan bij een badkuip met water
of met hun staart in de lucht bij het spoor
hun goudgele vocht stemt mij rustig
het klatert minuten lang door

koeien, op zaterdagmiddag bedaard in de wei
koeien, een vliegtuig vliegt over, een trein komt voorbij
en stil staan er altijd koeien

ik zit bij het schrikdraad te kijken
een pak melk in m’n boodschappentas
ze staan zo tevreden te kauwen
ze vragen alleen maar wat gras

koeien, op zaterdagmiddag bedaard in de wei
koeien, een vliegtuig vliegt over, een trein komt voorbij
en stil staan er altijd koeien