PLEIDOOI VOOR DE TOGA

column Nederlands Dagblad

Toen de hittegolf op z’n hevigst dier en mens, gewas en land deed puffen en snakken naar verfrissing, bezocht ik een kerkdienst in Eemnes Buiten. Ik was er nog nooit geweest. Bezoek aan een fysio onder de schaduw van die forse hoog oprijzende toren gaf me het idee in. Oorspronkelijk gewijd aan de Heilige Nicolaas, wat ook hielp om te gaan.

Prachtig interieur met koorhek, kansel en doophek uit de 17e eeuw. Serene sfeer, rustig orgelspel voor de dienst. Aantal kerkgangers viel me tegen, hooguit een vijfde wat de kerk aan kan.

Slechts een enkele jonger dan veertig jaar. Ook in deze Bondsgemeente lijkt de vergrijzing toe te slaan.

De binnenkomst van het cortege van ouderlingen (allen man) verbaasde: allen met ingekorte hemdsmouwen, weliswaar hagelwit en met donkere stropdas.  De dienstdoende predikant, in dit geval W. Verboom, emeritus hoogleraar: geen toga. De hitte sterker dan de leer en traditie.

Ik kan me namelijk niet voorstellen dat de vriendelijke Verboom, die me stichtte met een heldere en bemoedigende preek over de bekering van Saulus tot Paulus, buiten hete dagen ook zonder togakoffertje ter kerke gaat.

Maar het zou kunnen. Want het is me opgevallen dat in een deel van de Gereformeerde Bond steeds meer de toga thuis wordt gelaten, misschien al op marktplaats is verkocht of geschonken aan een museum.  Zij onderscheiden zich niet meer van de ouderwetse oefenaars. Hun pakken zijn uiteraard moderner, wellicht ook nog gesponsord door een plaatselijke kledingwinkel, wie zal het zeggen.

Ik weet dat togaloos voorgaan ook te vinden is in de Vrijgemaakte Kerken en vroeger ook wel elders buiten de van ouds vaderlandse Hervormde Kerk. Ik ken ook de bezwaren tegen de toga, juist bij de afgescheiden kerken, omdat deze symbool staat voor de kerk die hen onderdrukte in die spannende en soms ook vermaledijde 19e eeuw.

Toen ik in 1980 bevestigd werd als predikant van Vreeland, droeg ik de toga die had toebehoord aan de voormalige secretaris-generaal van de Hervormde synode, dr. E.Emmen, een geschenk verkregen middels de vader van minister De Jonge, getrouwd met een zuster van mijn toenmalige vrouw en zelf ook predikant. Toen ik na jaren opnieuw in het ambt bevestigd werd was die toga versleten vonden ze in Woensdrecht en zij boden mij een nieuwe aan. Aan mij de keus welke. Want intussen was de traditionele toga steeds meer uit de inmiddels PKN verdwenen om plaats te  maken voor witte, beige, grijze, blauwe, priesterlijk aandoende gewaden. De veelvormigheid van de PKN werd en wordt er treffend in uitgedrukt. Voor mij was het helder: als VDM, dienaar van het Woord, past het priestergewaad niet, maar eerder een toga die het ‘tegenover’ uitdrukt. Waarin het burgermannetje zoveel mogelijk mag en moet verdwijnen. In burgerkleding en dat hoeft voor mij niet stijf in het pak, laat staan driedelig, begeeft de voorganger zich op pastoraal pad, zit vergaderingen voor en dergelijke. ( zonder priesterboordje, maar dit terzijde) Het ambt van predikant – een ouderwets begrip voor velen, denk ik, helaas – heeft iets van een spagaat; het kent tweeledigheid. De gemeente op bijzondere wijze belichamen voor de Ene en anderzijds op even bijzondere wijze de Ene belichamen naar en voor de gemeente. Bijzonder niet in de zin van Farizeese ‘arrogantie’, maar bijzonder in de zin van een niet te bevatten mysterie. Het woord mag door de Geest ook vlees worden in werk en persoon van de voorganger. Van onder naar boven en van boven naar onder ineen. En dat laatste drukt zich uit in een toga. Juist ook omdat je weet dat het eigenlijk niet kan zo’n rol, te groot is voor een mensencreatuur.

In evangelische kringen verschijnt de voorganger het liefst in jeans, t shirt en sneakers. Gek genoeg begrijp ik dat beter: als je toch een met je volk wilt zijn, laat dat dan ook echt zien. Een stijf pak helpt dan ook niet echt.