Nogmaals nevenbedrijven visserij

De gerookte vis moest aan de man gebracht worden. Dat deze de zgn. kruiers, die met kruiwagens op pad gingen en later ook met karren, waarvoor  paarden als ook honden gespannen werden. Die kruiers en karlui kenden een enorme actie radius. Circa 1900 waren er wel vierhonderd in het dorp, waarvan er zeventig Amsterdam aandeden, honderd Rotterdam, Den Haag, Leiden en Haarlem en veertig in Utrecht en omstreken. Men trok ook naar Tilburg, Den Bosch, Arnhem en Nijmegen. Wier afzetgebied te ver weg lag bleef van maandag tot vrijdag weg en kwam in het weekend terug in het dorp. Er werd ook gevent in Duitsland, m.n. in het Ruhrgebied. Die zgn. Duitse kruiers handelden ook in kaas. De aanleg van spoorwegen zorgde voor meer mogelijkheden. De honden die hun leven sleten – letterlijk ook – onder de kar, werden na de werkdag gewoon de straat opgestuurd, waar ze overlast veroorzaakten, vooral s’nachts als ze het op kippen gemunt hadden. Dus kwam er een politieverordening die het verbood honden van 8 uur ‘s avonds tot 6 uur s morgens los te laten lopen. De karlui beschikten over paard en wagen, die de vis vooral s nachts vervoerden; de voerlui lagen half onder dekens voorin de wagen, de paarden kenden de weg; men reed in groepen en de voorste rekende af met de tolbazen en zo reed men in zes uur naar Utrecht. Er werd gehandeld naast haring, vooral in bot, aal en garnalen (van mei tot oktober), de haring deed het van februari tot Pasen en de Noordzeevis, schelvis en kabeljauw, ‘s winters. In de Jordaan was levende garnaal een zeer gewild artikel. Men leverde naast burgers aan ziekenhuizen en instellingen; een visbakkerij leverde aan legerplaatsen in Amersfoort en Soesterberg. Na  WO. II waren er nog 150 visventers, waarvan zeventig in de naaste omgeving, veertig in Amsterdam en twintig elders. In 1977 was er nog slechts één over.  Vis werd kaas en zo ontstonden grote kaasventers, wereldbedrijven zelfs, zoals Westland, van wie de oervader nog een zetschipper was bij iemand anders. 

Nevenbedrijven

Peter Dorleijn schrijft in het Huizer deel van zijn ‘Van gaand en staand want’, dat nergens aan de West- en Zuidwal van de Zuiderzee visserij en vishandel zo met elkaar verweven waren als in Huizen. Bij de handel waren net zo veel mensen betrokken als bij de visserij zelf. Niet alleen stimuleerde de visserij de handel en andere nevenbedrijven, maar het omgekeerde was ook het geval. Bijna alle handgebaren beschikten zelf over een of meerdere botters om de vis op te kopen. Enfin in de handel ging het naast de hangebazen om kruiers en karlui. 

Hangebazen

Al voor 1800 waren er hangen in het dorp. Hangen , omdat de vis aan stangen gehangen werd om ze te roken. Het ging daarbij om de haring, gerookt een bokking genoemd. Ik mag er nog immer graag van smullen. Zo’n twee honderd jaar geleden brachten de Huizers Harderwijker bokkingen op de markt, maar die kon nog niet tippen aan de smaak van de ‘oprechte Harderwijker’ vis. Onbeschaamd ventten de Huizers dus wel met wat als de beste bokking werd beschouwd toen. Na de opening van de haven in 1854 breidde het aantal hanges zich enorm uit. Hangebazen of combinaties van opkopers zetten zoals gezegd eigen schepen in om de gevangen vis in Enkhuizen of Urk te kopen of ook al op zee, direct van de vissers. Het waren vooral deze schuiten die Huizen beroemd maakten over de beste vloot te beschikken. In de belangrijkste aanvoerhavens kende men commissiekopers. De haring werd zo snel mogelijk naar Huizen gevaren. En van de haven op platte karren in manden naar de hangen gebracht. De rokerijen zagen er allemaal hetzelfde uit. Vier even grote langgerekte werkruimtes van 35 bij 7 meter, slecht en ruw gebouwd met allerlei mogelijkheden om rook en stank makkelijk te laten ontsnappen. Voor wie er werkten was het onaangenaam: tochtig en koud. Het werk ging dag en nacht door. Koude pekel, lage verdiensten. De laatste hangen werden gedurende WO.I gebouwd. De meeste Huizer haring werd in Duitsland verkocht, zeker tachtig procent. Na 1918 viel die handel stil en was het feitelijk met de rokerij-business gedaan. 

De haring kwam in het voorste gedeelte binnen, waar die gepekeld werd en op speten gestoken; hier werkten zo’n zestig man. In de tussenruimte werd de haring gerookt en in de derde verpakt. Er was nog een vierde ruimte met woning van de handgebaar en ruimte voor de mandenmakers. Buiten de haringtijd was er weinig te doen en dus had de baas slechts één knecht in vaste dienst; in de drukke tijd kwamen er  zeven , acht knechten bij, die meestal in de hangen bleven slapen. Voor het meest arbeidsintensieve onderdeel, het spieten op z’n Huizers van de haringen aan ijzeren staven, werden het meest vrouwen en meisjes ingezet. Als een schuit de haven binnenvoer gingen de knechten het dorp door om ze op te roepen, desnoods ‘s nachts. Dan werd er op de ramen geklopt en geroepen: ‘Spieten!’. De vers binnengekomen haring werd schoongemaakt en daarna in grote houten troggen van 80 cm hoog gestort. Daar werd zout over gestrooid en daarna werd er water in de bakken gepompt. Bleef de vis drijven dan was de pekel sterk genoeg en liet men het zaakje een uur staan. Het was een natte bedoening, vandaar dat de vloer van het voorste deel hellend afliep zodat het water en het afval  weg kon lopen in een goot die naar een zinkput liep of bij hangen aan de haven daarin uitmondde. Eén voor één werden de haringen uit de pekel gehaald en door de linkerkieuw en de bek aan de 90 cm lange, vingerdikke spiet geregen. Haringen waarvan de kop afgescheurd was bij het uit de netten halen werden aan dunne ijzeren spietjes geschoven. Er gingen twintig haringen op een spiet en hoe sneller de spietsters waren hoe hoger de verdiensten ( drie cent per spiet) De geregen spieten werden op schragen gelegd, de knechts zorgden voor vingerdikke ruimten tussen de haringen, het zgn. strippen. Vervolgens werden de rookruimtes volgehangen. Deze waren zo’n vijf meter hoog en vanaf twee meter werden de spieten in richels gehangen, met draagbalken. De knechten stonden wijdbeens op de richels  en pakten de door de vrouwen omhoog gestoken steen aan en legden ze op hun plaats. Men begon helemaal bovenin. In één hang werden soms wel vijfhonderd spieten te roken gehangen, dus 10.000 haringen. Het roken vond plaats boven een gesmoord vuur van  zaagsel, eiken spanen en houtafval – mot – van bijvoorbeeld klompenmakerijen. De houdbaarheid van het product werd bepaald door de duur van het roken en de sterkte van de pekel. Bokking voor bijvoorbeeld Duitsland kwam uit een sterke pekel en werd tien tot twaalf uur gerookt en werd ‘take bokkes’ genoemd, ‘laffe bokkes’ was licht gezouten en werd drie tot vier uur gerookt. In beide gevallen mocht het vuur niet te heet zijn. Het mocht ook niet gaar gerookt zijn, want het was bestemd als bakbokking. ‘Harde bokkes’ werd juist boven een flink heet vuur gehangen gedurende zeven , acht uur.  Na het roken werd de vis afgekoeld en naar de opslagruimte gebracht. De vis werd vanaf de spieten in manden of kistjes geschoven. Mandenmakerijen waren veelal een deel van het hangebedrijf.

En nogmaals de visserij

De in 1937 geboren Utrechter Peter Dorleijn schreef een een prachtige reeks kloeke boekwerken over de Zuiderzeevisserij – Van gaand en staand want – , met een deel over Huizen en Bunschoten-Spakenburg. Hij geeft een schat aan informatie, waar ik rijk uit kan putten. Maar de stoere mannen en jongens visten niet alleen op de Zuiderzee. Er waren er ook die de zeegaten kozen naar de Noordzee. Omstreeks 1800 was deze (kust)visserij voor Urk, Enkhuizen en Volendam zelfs de noodzaak. Voor Enkhuizen en Volendam blijft dat zo tot het eind van de 19e eeuw. Urk heeft deze traditie voortgezet en geldt nu nog steeds als een van de belangrijkste vissersplaatsen, waar het brood verdient wordt niet alleen meer op de Noordzee, maar ook veel verder. Eind vorige eeuw waren er Urker vissers actief bij de Falkland Eilanden, waar op makreel gevist werd ende hier als Hollandse makreel werd verkocht! Op beperkte schaal waren er ook Huizers actief op de Noordzee, waarmee kort voor 1800 aangevangen werd. Je moest daarvoor wel een consent bezitten. Er is zo’n ‘permissiebiljet’ bekend van Dirk Brasser, ‘voerende de Schuit Huizen in ‘t Gooiland No.45′. (Er was een HZ 45 die op de Zuiderzee viste, van de gebroeders Koeman, waarover de in Leersum woonachtige Dick Schaap – ook van 1937 – een aardig boekje schreef, een uitgave van de Historische Kring Huizen, wie lid wordt krijgt dit cadeau. In 2005 schafte de gemeente Huizen deze botter aan. Omgedoopt tot de Gebroeders Schaap wordt hij door een stichting in de vaart gehouden voor tochtjes,excursies. Wie 25 euro jaarlijks doneert kan gratis mee) Terug naar Dirk Brasser, van wie op de achterkant van zijn consent vermeld wordt dat hij 41 jaar oud was en blauwe ogen had en licht haar, zijn knecht Jan Ruiter was 43 jaar en kende bruine ogen en donker haar. Een soort ‘pasfoto’ derhalve. Uit een boek over de visserij van Jan Bout uit 1907 blijkt dat ook halverwege de 19e eeuw op de Noordzee door Huizers werd gevist. Men viste in het voorjaar op schelvis, kabeljauw en schol. De opening van het Noordzeekanaal in 1876 maakte het voor de Huizer vissers aantrekkelijker om aan Noordzeekustvisserij te doen. De weg werd aanzienlijk bekort en IJmuiden vormde een aantrekkelijke haven. Huizers hadden graag Volendammer knechts aan boord, want aldus Jan Kes uit Volendam: ‘als de zon onderging, gingen zij ook, maar een Volendammer hield z’n doppen wel open!’. Er waren Urkers die vanuit IJmuiden visten die naar Huizen verhuisden, want dichterbij de visbron. Genoemd worden o.a. de gebroeders Lammert en Jan Brans. Het vissen op de Noordzee was niet zonder gevaar. De Noordzeebotters waren wel wat groter dan die op de Zuiderzee, maar bij storm waren het toch notendopjes; de kans overboord te slaan was niet gering. Van de bekende broers Hein, Aart en IJp Veerman, naar hun vader alle drie aangeduid als ‘van Aart’, was het IJp die bij Petten verdronken is, omdat hij niet op tijd terug kon naar IJmuiden. Hij is nooit gevonden en liet een vrouw en vijf kinderen achter. Hein van Art heeft het vissen op de Noordzee het langst volgehouden. Zijn schuit is uiteindelijk bij de gebroeders Westland als HZ1 in de vaart gekomen. De HZ1 heeft het Bijbels gezegde van de eerste en de laatste op geheel eigen wijze waar gemaakt: deze eerste was de laatste botter die vanuit ons dorp viste. En een van de gebroeders Westland was getrouwd met een zuster van mijn opoe Vos-Visser en zo is de cirkel ook zo weer rond.

Nogmaals Huizer visserij

Huizen kreeg dus  laat een haven, die ook nog eens een kwartier lopen van het dorp kwam te liggen. De vissers kwamen de meeste keren vrijdagsavonds thuis; een enkele keer op zaterdag en dan in voor- en najaar. Moeder de vrouw bakte de zelf meegebrachte vis. Wij aten thuis elke zaterdagavond gebakken vis, een lekkerbekje of een gebakken bokking (haring). Nooit op vrijdag, dat zal wel te rooms gevonden zijn. Maar wellicht herinnert het visje op zaterdag nog aan het gezin waar opoe uit voortkwam, in naam en werk Vissers. Het aan boord brengen of van boord halen van kostmand, netten etc. geschiedde met kruiwagens. Vaak liet men ‘s maandagsmorgens de kruiwagen aan de haven staan en die werd dan teruggebracht door een jong joch of een kind die daar een grijpstuiver voor ontving. 

Net als in Marken en Bunschoten lagen de botters in twee rijen aan de wal. De eerste rij met de kop tegen de kade; de tweede rij met de kont aan de kont van de eerste. Die twee vormden meestal een span en het aan wal liggen werd per week gewisseld. De Huizer haven kende heel lange pieren; het duurde dus wel even voor je op open zee was. Als de wind de haven inblies was het behoorlijk moeizaam om buitengaats te geraken. Dan liep er één man op de dijk te trekken en in de botter probeerde de ander met een boom te duwen. Als dekhaven binnen gevaren moest worden met die inpandige wind, dan werden de zeilen gestreken  en werden de schepen ook via de dijk binnengetrokken. De linkerpier – van Huizen uitgezien – was een geliefde plek voor een zondagse wandeling. Aan het eind was er een kleine vuurtoren en kon er gezeten worden en genoten van wind en zeelucht. Voordat de zuiveringsinstallatie er kwam wandelde je het eerste stuk wel door een walm van stank van de op het open water gestorte rioolafval, vooral stront dus. 

Als de visserij eigenlijk al over zijn hoogtepunt heen is komt er begin 20e eeuw in ons dorp een vissersvereniging: “Ons Belang’. En in diezelfde tijd kwam er een visafslag: zomer 1907. In 1964 hield Ons Belang op te bestaan en was het twee jaar later ook met de visafslag gedaan. De Huizer vissers waren al steeds meer verdwenen of omgeschoold tot bouwvakker, maar de visafslag bleek populair onder vooral Bunschoter, Harderwijker en Lemster vissers.  Klaas Vos was vanaf 1929 tot het einde afslager. Hij was op z’n twaalfde knechtje geworden op de botter van zijn vader. Zijn oom was afslager, maar overleed en hij werd diens opvolger. Na 1933 werd er steeds meer snoekbaars in het IJsselmeer gevangen, waarvan de prijs na de oorlog steeds gunstiger werd. In Huizen kregen de vissers vaak de hoogste prijs. De voortschrijdende inpolderingen zorgden voor steeds minder aanvoer. En zo viel uiteindelijk het doek. Als kind herinner ik me de afslag nog goed en mocht ik er graag een kijkje nemen. De luidklok van de afslag kreeg een bestemming in West-Afrika in een zendingskerk. De dochter van de Huizer gemeentesecretaris werkte er en Klaas Vos gunde haar gaarne deze 35 kilo wegende klok.

VVV

Wie geen onbekende reiziger is in de voetbalwereld weet dat VVV staat voor Venlose Voetbal Vereniging. Daarnaast weet vrijwel iedereen , zeker elke soort reiziger, dat het ook kan staan voor Vereniging voor Vreemdelingen Verkeer. Ik zou daar een derde betekenis aan toe willen voegen. En wel Vijanden van Vroeger nu Vrienden.

Door een flinke verkoudheid met wat verhoging gehinderd besloot ik de wedstrijd van mijn club tegen Heracles niet lijfelijk te bezoeken in de Amsterdam Arena, maar thuis te volgen via Fox Sports. Daar zag ik allereerst dat in hun studio Ronald de Boer en John de Wolf samen de wedstrijd van commentaar voorzagen. Dat wil zeggen ze deden dat al bij de wedstrijd ervoor van FC Twente tegen Feyenoord en een tweede wedstrijd ging in één moeite, maar wel dubbeltarief vermoed ik, door. Tijdens de wedstrijd in de Arena kregen wij thuiskijkers een shot te zien van – ja, zagen wij dat goed, was dit geen zinsbegoocheling —  Louis van Gaal gebroederlijk naast Sjaak Swart in diens – door anderen gefinancierde – skybox en daarnaast de dames Swart en Van Gaal. Het was een week na Pasen en dus van het besef dat wonderen de wereld niet uit zijn. En dit moest ook wel zo iets zijn, want de haat en nijd tussen Swart en Van Gaal was al decennia zo diep en breed als Het Kanaal. Toen dit shot uitgezonden werd had ik toevallig een zeer goede vriend aan de telefoon die ook de wedstrijd zag en dus ook dit tafereel. Zijn verbazing schoot een recordhoogte in. Hij had namelijk zowel een boek als een docu over de zelfbenoemde Mister Ajax gemaakt en had uitspraken over zijn afkeer van Van Gaal op band staan die de docu niet hebben gehaald, want te grof. Toen ik later het duo De Boer- De Wolf weer zag, ging een ander deurtje in mijn geheugenmagazijn open. Die waren in een ver verleden ook niet bepaald vrienden. Niet omdat de een bij Ajax en de ander bij Feyenoord speelde, maar omdat de Wolf  De Boer – en andere Ajacieden – met kaarten bleek te naaien, zo ernstig dat Advocaat als toenmalig bondscoach tijden het WK van 1994 in Amerika hem op het vliegtuig zette onder de smoes dat de langharige Feyenoorder een blessure had waarvan hij niet meer tijdig zou herstellen.

De zondag na Pasen zag ik dus tweemaal het wonder van een verzoening, zo lijkt het. Al eerder was het een klein wondertje dat Koeman en Van Gaal weer goed met elkaar gesproken hadden. Vandaar een nieuwe betekenis van VVV. Of is het allemaal nep, een politiek moment, zoals op wat de kerk Goede Vrijdag is gaan noemen , Pilatus en Herodes op één dag vrienden werden. Vanwege J.C.  En dat brengt me op die andere J.C, wiens naam garant staat voor veel nostalgische bewondering en ophemeling, maar ook g voor gehannes en gedoe, met als laatste een revolutie bij de club die hij (mede) groot heeft gemaakt en die hem de ruimte gaf groot te worden. Eindelijk is de kogel door deze kerk en gaat de Amsterdam Arena echt zijn naam dragen. Cruijff en Van Gaal was ook niet bepaald een vriendenduo, heel zacht uitgedrukt.  Mij doet de herdoop van de Arena niet zoveel. Terwijl als voetballer JC mijn absolute idool was. Maar een tijdlang heb ik te dicht bij het vuur gezeten, weliswaar niet in de keuken, maar toch zeker in de bijkeuken van mijn club om te zien wat een ellende Cruijff met zijn revolutie heeft uitgericht, met gevolgen tot op de dag van vandaag. Cruijjf was een meester aan de bal en een meester in de rancune. Vraag dat ook maar aan Willy van der Kuijlen; aan Van Beveren kan het niet meer gevraagd worden.  Zou het nu ook zo maar kunnen dat latere generaties de naamgeving van de Amsterdam Arena gispen, zoals nu van diverse zijden gedaan wordt ter zake bijvoorbeeld de Coentunnel?

En hebben de bewoners van het Stadionplein die protesteren tegen de herdoop van hun plein niet gelijk? Zeker nu JC een heel stadion naar zich vernoemd krijgt? Leuk terzijde: ecologisch/economisch zijn de boer en de wolf ook niet bepaald vrienden!

 

 

 

 

Vissers als familie – dl. 3

We gaan verder met het interview dat  Tijmen Visser, oom van vader, broer dus van mijn opoe, gaf aan Peter Dorleijn. In dit interview bevestigt hij dat overopa Visser twee schuiten bezat, de HZ 206 en de 207. Met de 206 viste hij op de Noordzee, maar volgens Tijmen was daar geen droog brood te verdienen toen. ” Met een los dek: hadden ze in de zijn inkepingen, in ‘t ruim ook, en daar losse planken op. ‘t Was levensgevaarlijk! Vader heeft wel es verteld dat ie zes uur gelaveerd had om de IJmuider haven binnen te komen.”  De schuit was eigenlijk te oud om ver de zee in te gaan en dus werd hij verkocht, in 1899. ‘s Winters kon er zeker zes, zeven weken niet gevist worden. Dan werden de netten geboet of er werden nieuwe gebreid. Ook kon je dan als jochie naar de visserijschool. ” Wat je d’r leerde, wisten we allemaal al: splitsen, knopen, breien en boeten. Dan hadden we meester Kooiker en , dat weet ik nog wel, ‘n keer vertelde ie hoe de zon oprees. Ik zeg: ‘Nou, meneer, als jongen zijnde, als  de zon onderging, dan klom ik gauw in de mast: dan stond ie nog ‘n heel stuk hoger”. Masten moesten gesmeerd worden, werk van jonge jongens. Dat werd aan het eind van de winter gedaan. De vallen ( zeillijnen) waren er uit, alleen de dirk bleef zitten. (De dirk is de lijn waarmee de giek wordt opgehaald) ” Die dee je om je gat en dan hesen ze je omhoog en dan op ‘t lest moest je op de dirkehanepoot gaan staan.  Om de mast te kunnen smeren legde men twee botters bij elkaar langszij en hees met beider kleiverval een stutter horizontaal omhoog. De man die ging smeren stond bij de onder handen te nemen mast op die stutter. Hij begon bovenaan en men liet hem verder zakken naarmate het werk vorderde. En aan de dirk hing de harpuispot, dat was ‘n ijzeren pot. Want harpuis kookte je met hars en lijnolie , op ‘n heel klein vuurtje”.  Overgrootvader Jan overlijd op 7 december 1910. Tijmen: ” Onze vader had naar Utrecht geweest met ‘n broer van me, want die z’n amandelen moesten geknipt. Wij, Jacob, Jan en ik moesten wat aan de spieringnetten veranderen, want hij had gezegd: ‘Ik ga vanavond nog naar zee’. Het was 28 november. En hij is ziek thuisgekomen; de laatste woorden die ik van ‘m gehoord heb, waren: ‘Hèhè, wat ben ik ziek’. Hij is praktisch niet meer bij kennis geweest; ‘n dubbele longontsteking; moeder meestal an ‘t bed. ‘s Woensdagsmorgens 7 december om zes uur gingen m’n twee jongere broers werken op de kweek. Toen zegt vader nog: ‘Jonges,pak je maar goed in, want ik het ‘t ook met ‘n kou gekregen’. Da’s ‘t leste wat ze van vader gehoord hebben, want om kwart over zevenen riep moeder ons: ‘Keinder, vader sterft!’. s Maandags is hij begraven. En we kregen nergens van, geen uitkering, niks. Nooit gehad, ook niet van de Zuiderzee”. Na het overlijden wordt de oudste , Jacob, schipper. Hij is dan 22. In 1916 trouwt deze en neemt een eigen botter. Jan wordt dan de schipper, maar deze trouwt een jaar later en wordt Tijmen schipper, op 21 jarige leeftijd. Hij moest nog voor acht man de kost verdienen. Hij wordt ondersteund door een oudere knecht, Klaas van Pietje Westland. “…die was als een vader voor me. Ik weet nog goed, toen ik voor ‘t eerst schipper werd: ‘t was op ‘n maandag, met spiering visser. Wakkeren en wakkeren de wind! Nou die schuiten gingen zuidoever, op Harderwijk an. Ik denk: ‘Lieve stakkerd, dat wordt ‘n haven aandoen’. ‘Klaas’, zeg ik, ‘neem jij ‘t roer van me over?’ ‘Nee’, zegt ie, ‘vooruit is de wegschoor’. Hij nam ‘t niet over; ik was er meteen door ook”.  Tijmen vaart tot z’n vijfentwintigste, de laatste keer op 9 december 1919. Er komen berichten dat de Zuiderzee wordt drooggemaakt. De een na de ander verkocht z’n schuit. Hij heeft zelf inmiddels al zes jaar verkering, besluit ook de schuit te verkopen en te gaan trouwen. De schuit komt in Bunschoten terecht en later in Lemmer. Aan de wal drijft hij met z’n vrouw een kruidenierswinkeltje als filiaalhouder van een Edammer. Die Edammer was ook arm en kon niet voldoende voorraad leveren voor  z’n winkeltjes ( behalve in Edam en Huizen ook nog één in Bunschoten) “Wij hadden geen droog brood, dus dat moest ophouden. En toen ben ik aan ‘t venten gegaan, met ‘n vrachtfiets; kist er op, kaas en boter. Helemaal naar Zeist toe, Muijen, Weesp.”. Tien, twintig jaar ploeteren, financiële zorgen, zoals aflossen hypotheek. Een hart dat teveel belast wordt. Gelukkig ontvangt hij in ’33 Erfgooiersgeld en kan een motorbakfiets kopen en zo redt hij het. “Ik heb altijd voor m’n brood gezorgd, maar m’n hart was op zee”. Ik was nog een schoolkind en hij al in mijn ogen oude man toen hij met kaas en boter ook bij ons kwam. Vrolijk en vriendelijk, aardig en moeder fleurde ook op. In de documentatie die ik over deze familietak va me heb ontvangen staan foto’s van alle  kinderen van overopa Ebbetje afgedrukt, ook van haar zelf en ineens valt mij de gelijkenis op tussen oom Tijmen – mijn vaders oom Tijmen dus – en mijn vader en Tijmen lijkt sprekend op zijn moeder, een Zeeman. Ik lijk op mijn beurt op mijn vader. Ik mag dan de stamhouder zijn van de Vossen, maar qua uiterlijk een ik een echte ‘muis’, een voortzetting van de Zeemannen-tak. Wat de Vossen betreft zal met mijn dood deze tak vrijwel voorgoed uitsterven. Ik heb nog een jongere neef, ook Klaas Vos geheten, maar ook hij heeft geen kinderen. Wat de Vissers-Zeeman-lijn betreft gaat het nog wel even door. heb ik nog meer dan alleen een uiterlijk geërfd? Hang naar vroomheid wellicht? Hang naar water, naar zee, dat zeker. Ik hou van het boerenland, van vee, Vossen-invloed, maar ook van het water, de vrijheid er op, de wind, de weidse luchten, de geuren, het losraken van te veel aan besognes. Ik heb nooit het geld gehad voor een boot, zou ook te lui geweest zijn om die te onderhouden en wellicht ook te schijterig als het op het water te wild zou worden. Wandelen in de vrije natuur, vogels spotten en tochtjes te voet, of achter het stuur langs waterwegen, riviertjes, meren is een fijn alternatief.

Vissers als familie – dl. 2

Zeventien kinderen baarde overopoe Visser-Zeeman. De oudste, Jacob, werd in 1888 geboren en was nog altijd zes jonger als mijn opa Klaas. Een jaar later volgt een meisje, maar die leeft slechts een paar weken; zij, Jannetje, is er één van een tweeling. Haar zusje Harmpje, wordt tachtig en huwt met Joost Westland, de man die de laatste Huizer botter zou bevaren en de opa was van mijn achternicht Hannie, met wie ik zowel tegelijk op de lagere school, de mulo  als ook de kweekschool zat en een dag vóór mij geboren werd. Overopoe raakte al snel weer in verwachting, wederom een meisje, die zeer gebruikelijk in die tijd naar haar overleden zusje werd genoemd. Opnieuw een Jannetje dus en zij zou mijn opoe worden. Zij huwde de achtjaar oudere Klaas en overleed tien jaar na haar man, op tachtig jarige leeftijd, 25 januari 1970. Het laatste jaar dementeerde ze, woonde een tijdje bij ons in, totdat dat echt niet meer ging. In een verpleeghuis in Bussum kreeg ze na een val longontsteking die zeer hevig uitpakte met hoge koortsen. Het zou niet lang meer duren. Mijn ouders er heen. Maar kwamen terug en dat herhaalde zich een aantal dagen. Zelfs veertig graden koorts overleefde het oersterke hart van opoe; pas bij 41 graden bezweek opoe; een week lang had ze gevochten tegen een onvermijdelijk einde. Of ze stierf zoals haar moeder, in die ‘ volle verzekerdheid des geloofs’, was zeer de vraag. Het stond volgens mij in elk geval zo niet op de kaart. In plaatsen als Huizen was – en voor velen geldt dat  nog wel , denk ik – het heel belangrijk hoe je ‘heengaat’. Aan laatste woorden wordt een groot gewicht toegekend. ‘Hettie nog wat azeit’? (heeft hij nog wat gezegd),  was een gevleugelde vraag. Naar de hemel gaan is het uiteindelijke levensdoel, maar dat is een hele kunst, ook een hele gunst en ook als je aanvaarden kunt dat Jezus aan het kruis de toegang er toe voor jou heeft geopend, is er toch enige of juist grote onzekerheid, omdat wij opgegroeid zijn met de leer van het raadsbesluit van God de Vader, waarin hij enigen heeft uitverkoren tot eeuwig leven, maar velen ook verworpen tot eeuwig onheil, zeg maar de hel. Een paspoort naar de hel heb je, dat is je hele zijn zelf als onverlost mens. Je bent zelf dat hellepaspoort en zaak is om gedurende je leven, die heel kortstondig kan zijn, om als verloste de weg naar de hemel te verkrijgen.  Enfin, mijn opoe worstelde volgens mijn ouders de laatste week zichtbaar met haar einde, maar dat kan ook interpretatie zijn vanuit bovengenoemde opvatting, waarin angst een groter rol speelt dan liefde, dat is duidelijk. Het kan ook gewoon zijn dat haar gevecht een puur lichamelijke was. Een sterk lichaam met een ijzersterk hart dat vecht voor overleving. Het paste wel bij opoe, die een sterke persoonlijkheid bezat. Volgens mijn vader zelfs keihard kon zijn. Geen warme moeder, die haar kinderen de sneden brood die ze sneed van het tegen haar borst geklemde brood toewierp onder de kreet : hier heb je eten. Met die zelfde hardheid gooide ze met emmers water Duitse soldaten van het boerenerf, zo wil het verhaal. Ik had als oudste kleinzoon niets te duchten van opoe; zij was tegen mij aardig en stopte me af en toe iets lekkers of een dubbeltje toe. Mijn opoe kreeg zelf op haar beurt dertien kinderen, te beginnen dus toen ze al dertig was. Toen opoe zestien was kreeg ze nog een broertje, de laatste, die ook Jan werd genoemd, in 1892 was de eerste Jan geboren. Een vier jaar jongere broer van opoe kwam vaak bij ons over de vloer.  Een heel aardige man, jaren lang ook ouderling. Hij was onze kaasboer. Terwijl hij als visser begonnen was op een schuit van zijn vader. Hij vertelt daar zelf over in een interview met Peter Dorleyn in de uitgave ‘Van gaand en staand want’: ” Ik kwam met twaalf jaar bij vader aan boord”. Samen met z’n oudere broer Jan namen ze de plaats in van oudste broer Jacob, die in dienst moest. Twee jaar later komt hij aan boord van een neef van zijn moeder, omdat diens knecht ziek geworden was.  ” Dus ik wat oliegoed gekregen en bij de man aan boord; dat was ‘s maandags. De hele week ruig, vrijdags ook, maar we hebben een keer gehaald en zijn in Urk gekomen; de schipper met die knecht zijn daar met de haring naar de afslag gegaan. We hadden een kapot net uitgestoken en een ander voor in de plaats genomen; dat kapotte net heb ik uitgespoeld en direct opgehesen om te drogen. Toen hoorde ik dat ‘r gezegd werd: ‘D’r is een Gooier verdronken’. En nou zal ik meteen alles maar vertellen: ik ben nooit benauwd geweest op zee, maar deze ene keer – als kind zijnde – was ik bang voor verdrinken. ‘Heden hij, morgen gij’. Maar ik durfde dat niet tegen die schipper te zeggen en ook niet tegen m’n vader”.  Het hele weekend blijft het ruig weer, op zaterdagmiddag wordt toch uitgevaren om Huizen te bereiken, maar het Gooi lag recht in de wind, men kan amper Harderwijk halen, waar de knecht vandaan komt. Het is de bedoeling dat Tijmen daar overblijft en de schipper met de trein naar Huizen gaat. “s Avonds, toen we brood gegeten hadden, met die knecht mee naar z’n huis toe: ‘n huis met kleine kinderen, vreemd. Ik denk: ‘ Dat wordt wat als ik daar de hele zondag wezen moet’. Ik was ‘n beetje blok, hè, geen goeie kleren bij je. ‘s Nachts de schipper en ik weer aan boord en zondagsmorgens hewwe koffie gekookt en brood gegeten. Hij gaat de wal op, en ik ga met ‘m mee:’ Waar ga je naar toe?’ zegt ie. ‘Ik ga naar m’n moeder toe’, zeg ik. ‘Dan moet je het deurtje sluiten’. En ik met hem mee. Net ‘s zondagsmorgens , onder ‘t luiden van de kerkklokken, kwamen we an; moeder was niet naar de kerk. Wat was ik blij dat ik ‘r zag.”

Vissers als familie -dl 1

Mijn opa Vos was boer uit een eeuwenoud boerengeslacht. Maar hij trouwde op late leeftijd – hij was al 37 – met een vrouw die Visser heette, maar ook uit een oud vissersgeslacht stamde. Ook zij was al aardig op leeftijd toen zij haar jawoord sprak, nl. 29. Mijn opoe Jannetje Visser was de dochter van Jan Janzn Visser en Ebbetje Visser-Zeeman. Het waren dus de grootouders van mijn vader, die zijn grootvader niet heeft gekend, want deze overleed al op 49 jarige leeftijd, in 1910. Mijn vader is van 1921. Zijn moeder, geboren in 1863, overleefde haar man 32 jaren en  stierf op 79 jarige leeftijd in 1942. Overgrootvader Visser was visser met een eigen botter, of zelfs wel twee, zoals vader mij eens verzekerde. Elke maandagochtend voer ‘ollepeu’, zoals een overgrootvader in het Huizer dialect heet, om een uur of zes uit om vrijdags of zaterdags weer de haven binnen te varen. De vis die door de week gevangen werd, werd op zee overgeladen op schepen die het eigendom waren van combinaties hangebazen of visventers. Zij kochten de vis dus al op zee. De vis die vrijdags of zaterdags binnengebracht werd, werd verhandeld op de afslag. Moeder de vrouw was thuis de baas; zij zorgde voor voeding en opvoeding. Waren de zonen niet meer leerplichtig dan kwamen ze bij vader aan boord als voordelige arbeidskrachten. In een ‘kostmand’ ging het proviand voor een week aan boord, wat voornamelijk uit roggebrood bestond, waarbij als ontbijt vis van de vorige dag werd verorberd en ‘s avonds met vers gebakken vis. Tussen de middag werden er pannenkoeken met stroop gegeten. Na de winter, waarin wel op spiering werd gevist, begon eind februari de haringvangst, die duurde tot eind april, begin mei. Tegen april kon de aanvoer zo omvangrijk zijn dat de rokerijen het niet meer verwerken konden en het overschot als mest op het land werd uitgestrooid, wat een afschuwelijke stank verspreidde. Na de haring werd op ansjovis gevist, een zeer grillige ‘tak van sport’, want het ene jaar was er nauwelijks ansjovis, het jaar er op een overvloed, afhankelijk van de temperatuur van het water. De vangstperiode duurde hooguit acht weken en werd vaak gecombineerd met de vangst van bot, die tot in november duurde. De Huizers visten nauwelijks op aal en garnalen. In de winter dus wel op spiering, als de Zuiderzee niet dichtgevroren was. Was dat wel het geval dan gingen ook wel niet-vissers van beroep met een slee het ijs op, hakten een wak en probeerden zelfs zo ook wat spiering te verschalken.

Net als veel andere vissersdorpen kende je in Huizen  je medebewoners niet bij hun echte naam, maar bij hun bijnaam. Ik kon mij zelf kenbaar maken en dus identiteit geven door te zeggen dat ik ‘Klaas van Jan van Klaas van Emmetje’ was, de Vossen-lijn. Maar ik kon ook zeggen dat ik een ‘muis’ was. Alle afstammelingen van mijn overgrootouders van vaders kant waren ‘muizen’. Maar volgens de chroniqueur van de familie, Jan Teeuwissen, gehuwd met een nicht van mijn vader, Hendrikje Veerman, komt de naam ‘muis’ niet van de Vissers, maar van de familie Zeeman, de meisjesnaam van overopoe. Genoemde Hendrikje had op school een meester Zeeman, die ‘Meester Muis’ werd genoemd. Hij was een neef van overopoe. Waarom die bijnaam mijn voorouders ten deel viel, is moeilijk te achterhalen: omdat die Zeemannen nog productiever waren als de andere families in het dorp, die over het algemeen van wanten wisten wat produceren van nazaten betreft? Of was er sprake van spitse gezichten?  Enfin Ebbetje Zeeman trouwt op 24 jarige leeftijd met de dan 26 jarige Jan Visser. Ze blijkt de oermoeder van een omvangrijke familie. Zelf baart ze 17 kinderen – een echte ‘muis’ toch? – waaronder 3 tweelingen. Vier sterven er jong. Twaalf van de 13 overlevende kinderen krijgen ook kinderen en die zorgen voor zo’n 65 kleinkinderen. Ebbetjes man sterft al jong aan een longontsteking. Ebbetje blijft met dertien kinderen achter, van wie de oudste 22 en de jongste vier jaar oud is. Het visserijbedrijf hield op te bestaan, de twee schuiten werden verkocht. Tijdens haar leven overleden een zoon en dochter en een schoondochter en ook nog twee kleinkinderen. Ze leed aan verregaande doofheid, in het huis aan de Noorderbuurt 12, waar zij haar hele leven woonde, moest derhalve met flinke stemverheffing gesproken worden.  Ze overlijdt op 4 maart 1942. Op de rouwkaart staat dat ze zacht en kalm is heengegaan ,’ in de volle verzekerdheid des geloofs’.  Dat dit zo vol overtuiging op een rouwkaart staat is in een streng orthodox dorp als Huizen bepaald geen sinecure. Groot van verstand en sterk van geloof, zo stond mijn overgrootmoeder bekend.

Overopa Jan Visser, naar wie mijn vader is vernoemd,  was toen hij trouwde nog slechts vissersknecht, maar kreeg het voor elkaar om zich hogerop te werken tot eigen baas, met uiteindelijk zelfs twee botters. Geen geringe prestatie, want schepen waren duur en gedurende jaren moest er afbetaald worden. Eén van de schepen was de HZ 42. Zijn vader, ook een Jan, was eveneens visserman en verdronk op 31 jarige leeftijd. Hij werd op 20 februari 1868 als drenkeling opgevist in de Zuiderzee met een afgehakte vinger. Toen ik beginjaren ’80 op Wieringen woonde, droegen vissers gouden ringetjes in hun oren. Een algemeen gebruik onder vissers: van die gouden voorwerpen werd vanouds hun begrafenis betaald. Mijn oervaders zullen vast ook zulke ringetjes gedragen hebben. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Huizen als vissersdorp

Toen ik geboren werd was het met Huizen als vissersdorp al gedaan. Er was aan de haven nog wel een kleine afslag (veiling), waar vis geveild werd van een enkele Volendammer, Urker of Harderwijker schuit. Er was nog één Huizer botter, de Huizen 1, die in 1961 voor het laatst de haven verliet. Het was de schuit van Joost Westland, getrouwd met een zuster van mijn opoe van vaders kant. Met zijn kleindochter Hannie heb ik lagere school, Mulo en kweekschool in Utrecht doorlopen.                                                                                               Op de Gooische kust is altijd wel professioneel gevist, maar pas in de 18e eeuw neemt het in Huizen een grote vlucht, wat af te lezen is aan de groei van het aantal huizen: van 140 in 1650 tot het dubbele een eeuw later, terwijl het woningenbestand in de andere Gooise dorpen ongeveer gelijk gebleven is. Eeuwenlang werd de vis door karren aan land gebracht. De schuiten lagen voor anker, aan de zgn. Reede, zo’n 500 meter van de kust. Huize kende geen haven, mocht er ook geen, omdat het stapelrecht sinds de 14e eeuw voorbehouden was aan Naarden. Dus ook het lossen per kar was feitelijk niet toegestaan, maar de haven van Naarden verzandde. Halverwege de 18e eeuw verordende de Provinciale Staten van Noord-Holland dat de gevangen haring aangevoerd moest worden in andere watersteden. De Huizer vissers trokken zich er niet veel van aan en veel toezicht was er blijkbaar ook niet. Een verzoek aan koning Lodewijk Napoleon in 1806 om gerechtigd te zijn op de Reede te lossen werd door hem gehonoreerd. In die tijd stonden 73 bosschuiten, zoals de Huizer hun botters noemden, geregistreerd. Het aantal groeide tot zeker 100 en het maakte het lossen aan de Reede steeds moeilijker. Door ijsgang en stormen was die Reede ook geen veilige plek voor de schuiten. In 1803 werden vier schuiten door het ijs verwoest en in 1827 zonken er 16 schepen. In de winter lagen de schuiten in Muiden of in de monding van de Eem. De noodzaak van een eigen haven deed zich steeds meer gevoelen. De haven kwam gereed in 1854 en Huizen telde toen bijna 190 botters. Het bracht zeer veel nevenactiviteiten mee, zoals haringrokerijen, zgn. hangen; scheepswerven, zeilmakerijen en taanderijen. Het tanen van de netten was een nevenactiviteit van mijn opa Vos, naar wie ik vernoemd ben. De familieboekerij stond niet voor niets voor een deel aan de Taanderstraat. Ook zorgde opa voor de loden kogels die de netten verzwaarden tot vangdiepte. Ik heb twee zwaar koperen tangen in bezit, waarin het lood gegoten werd en tot kogels stolden. Er werd dus vooral gevangen op haring die tot bokkingen werden gerookt en waarvan miljoenen exemplaren werden uitgevent in ons hele land en ver daar buiten, m.n. naar Duitsland. Er was een Huizer roker die zelfs z’n vis wist te slijten in Noord-Spanje. De venters werden kruiers genoemd. Huizen kende eind 19e eeuw zeker achttien rokerijen en was zo belangrijk voor de haringvangst dat de prijs van de haring/bokking er werd vastgesteld voor de hele handel. Behalve op de Zuiderzee werd ook op de Noordzee gevist. De komst van de Afsluitdijk zorgde in Huizen voor een enorme omslag. De Huizer visserij was al over haar hoogtepunt heen, het aantal botters was al teruggelopen en het gemeentebestuur voorzag dat door de komst van de Afsluitdijk het economisch verlies nog veel groter zou worden met grote werkloosheid onder de vissers tot gevolg. Men schakelde over naar de huizenbouw en bood jonge vissers een omscholing aan tot timmerman of metselaar. Er was ook vraag naar bouwvakarbeiders in het Gooi. Nergens werd zo snel afscheid genomen va de visserij als bedrijfstak als in Huizen. Tot op de dag van vandaag telt Huizen zeer veel bouwbedrijven, relatief de meesten van ons land. 

historie-huizer-haven-3   historie-huizer-haven-2

historie-huizer-haven

 

De haven van Huizen lag vrij ver van het dorp. De Havenstraat liep en loopt vanuit het oude dorp door een dijkachtige duin als restant van de Utrechtse heuvelrug over ‘t Harde, een overgangsgebied van zand en aangeslibd klei om na een paar honderd meter pas aan de haven te komen. Langs de Havenstraat lagen de meeste rokerijen en aanverwante bedrijven. In mijn jeugd was er nog een enkele hangen (van het hangen van de vis aan de spieën).  Verder was er industrie gekomen, zoals Balatum, fabriek van linoleum, een textielfabriek, een porceleinfabriek en op de kop van de haven het bedrijf waar jaren mijn vader werkte, eerst als vrachtwagenchauffeur en later als bedrijfsleider: Bouwmaterialenhandel Gebr. Vos. 

Gasfabriek

11742853_484391485049254_2303352814590378776_n 11053139_484391495049253_1723896300584134073_n

11760099_484391481715921_7030198099831726663_n

 

Beelden van de gasfabriek aan de Havenstraat in Huizen uit het oorlogsjaar 1941. Op de onderste foto staat vierde van rechts staande mijn opa. Wat hij precies deed op de fabriek? Waarschijnlijk iets administratiefs, aangezien hij met z’n linkerhand nauwelijks iets kon, zijn vingers stonden naar binnen ‘geklauwd’ vanwege dat schot uit eigen geweer. Een van de grote ronde ketels staat er nog en is bestemd als De Krachtcentrale voor culturele doeleinden. Aan de Havenstraat stonden visrokerijen, en later de Balatum, waar linoleum gefabriceerd werd, een vestiging van Philips, een textielfabriek, de eerste voetbalvelden van SV Huizen, totdat je eindelijk bij de haven kwam, die in vergelijking tot andere Zuiderzeeplaatsen vrij ver van het dorp lag en pas in de 19e eeuw gegraven werd. Daarvoor werd de vis in de Zuiderzee zelf gelost in karren met hoge wielen die vanaf het strand het water inreden. Eeuwen had Huizen geen haven, maar een rede. Langs wat nu het Gooimeer heet is het prachtig wandelen, met een rijke variatie aan flora en fauna. Gisteren heb ik er met een vriend gelopen, vanaf de haven naar Oud-Naarden. Een buizerd die vanaf een paal opvloog, kramsvogels, spreeuwen, koperwieken, Vlaamse gaaien, kokmeeuwen, aalscholver, boomkruipers en boomklevers en de grote bonte specht: gevederde makkers die oog en hart stelen en strelen. Oud-Naarden was vroeger een sympathieke kleine uitspanning/speeltuin. En net vóór de speeltuin een klein openbaar strand aan wat Jac. P.Thijsse het suffe ondiepe zeetje noemt in zijn Verkadealbum Langs de Zuiderzee. Voor ons kinderen was dat ondiepe zeetje juist een weldaad: je kon heel ver het water in zonder gevaar, een enorm zwembad vol badvermaak en ‘s winters kon je er al snel op schaatsen. Daar kon geen ijsbaan tegenop. Oud Naarden bestaat niet meer; er staat nog wel een villa, maar zonder speeltuin, zonder cafeetje, terras, limonade, ijs, koffie, thee, bier. Oud-Naarden verwijst naar het vroeg-middeleeuwse Naarden, dat hier lag in dat  ’suffe ondiepe zeetje’ , maarwat als nederzetting ten onderging in de woeste golven als het weer eens stormde. De strijd er tegen gaf men op en men bouwde een nieuwe nederzetting, op hogere grond en dat werd het huidige Naarden, gelegen binnen die prachtige vesting over wiens wallen je helemaal rond wandelen kan, met steeds een ander magnifiek zicht op de Grote of St.Vituskerk, beroemd vanwege zijn gewelfschilderingen en de jaarlijkse Mattheus Passion-uitvoering. Die gewelfschilderingen zijn opgenomen in de het magnum opus van collega Piet Oussoren, zijn vertaling van de Bijbel uit de beide grondtalen en daarom Naardense Bijbel genoemd. Dat Naarden , waar ik nu – buiten de veste – woon en zeer waarschijnlijk niet geboren ben, ondanks een overgeleverd gerucht. Ik ben geboren in het huis van mijn grootouders van moeders kant, waarvan mijn opa op de gasfabriek werkte. Mijn oma was de dochter van een Friese lekenprediker uit de Friese Wouden, uit Tietjerksteradeel. Akke Venema, die ik niet heb gekend, omdat ze vrij kort na mijn geboorte overleed. Mijn oma die om haar naam gepest werd als Akke  Kakke. Daarom werd mijn zus niet haar grootmoeder vernoemd en kreeg ze de naam Paula. Nichtjes van mij werden halfhartig  naar grootmoeder vernoemd als Anke. Deze halfhartigheid zinde met name mijn vader niet. Je vernoemt helemaal en echt of helemaal niet. Enfin, een jaar na mijn geboorte verhuisden wij naar de Taanderstraat, hartje dorp en betrokken een woning die mijn opa Vos aan de boerderij had laten bouwen.