Vorstenhuizen 6

Een regeringsvorm gebaseerd op erfopvolging heeft behoefte aan legitimatie daarvan. De vooraanstaande antropoloog sir James George Frazer heeft aangetoond dat vanouds over heel de wereld het koningsschap gezien werd als een heerschappij van goddelijke oorsprong. Deze voorstelling is zo oud als de mensheid zelf. De vroege Germaanse vorsten waren er van overtuigd zelf van goden af te stammen. Die goddelijke status van vorsten gaf ze ook de rol van middelaar tussen god en mens. De vorst was altijd tegelijk een magiër, een priester. Zo’n bevoorrechte positie is of lijkt benijdenswaardig, maar is tegelijk zeer precair. Het volk verwacht dat de vorst garant staat voor zon en regen op de goede tijden in verband met een goede oogst; voor gezondheid zorg draagt. Zo niet, dan kan dat voor hem onaangename gevolgen hebben. Het koningsschap is zodoende wellicht vaker een last dan een lust. De vorst leeft in een gouden kooi en in een rituele dwangbuis. De Japanse Mikado’s hadden daar al vroeg wat op gevonden door de last van het keizerschap op de hals te leggen van hun nog onmondige kinderen en de uitvoering van de macht in de handen te leggen van de shogun. In West-Afrika is het nog steeds zo, schrijft Alexander von Schönburg, wiens boek we nog immer volgen, dat als een koning sterft een familieberaad wordt gehouden voor het aanwijzen van de opvolger. Die gekozen wordt wordt vervolgens vast gepakt, geboeid en in een hut geworpen, waar hij gevangen gehouden wordt totdat hij instemt met zijn verkiezing. Van prins William is bekend dat hij een behoorlijke aversie had en wellicht nog heeft tegen zijn voorbestemming. Het schijnt dat hij eens in familiekring die aversie kenbaar maakte en dat zijn jongere broer Harry toen gezegd heeft: ‘If you won’t do it, I will’.  Von Schönburg refereert vervolgens dan aan een uitspraak van Erasmus over het koningschap: ‘wie zich zelf geschikt acht daarvoor, is juist het minst geschikt’. Dat brengt mij op een interview die ik met VPRO-collega Ger Jochems jaren geleden had met kardinaal Daneels in het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen. In die tijd was Johannes Paulus II dermate ernstig ziek, dat het kwestie van tijd was dat gezocht moest worden naar een opvolger. De speculaties in de media daarover waren al vol aan de gang. Eén van de gedoodverfde kandidaten was de beminnelijke Daneels. Hij was zogezegd ‘papibele’. Nu luidt het gezegde ‘wie als paus het conclaaf binnen gaat, komt er als kardinaal weer uit’. Wij vroegen Daneels wat die geruchten met hem deden, hoe hij er mee omging. Hij sprak toen de onsterfelijke woorden: ‘wie paus wil worden is of te seniel of te jong en ambitieus om te beseffen wat het inhoudt; de lieve Heer zelf zou niet eens het willen zijn’. Het priesterlijke koningschap van de Germaanse volken is door de komst van het christendom een zware slag toegebracht, zo schrijft Van Schönburg. Een heidense dwaalleer, die ooit helemaal verdwenen is, maar vooral in het volksbewustzijn zijn rol bleef spelen. Denk ten onzent aan het nog immer bij velen levende drievoudig snoer God, Nederland en Oranje. De hele Bijbel kun je lezen als verzetsliteratuur tegen een goddelijk gesanctioneerde ongebreidelde macht.  De machtsvraag speelt vanaf het begin: wie heeft het voor het zeggen en wat heeft hij te zeggen, met het oog waarop en op wie. Denk alleen al aan de Jozefgeschiedenis en aan de strijd met Farao. De God wiens Naam inhoudt er te zijn voor zijn volk, voor mensen, is de ware Koning. ‘School voor koningen’ heet terecht het boek van F.O. van Gennep over de Samuël-boeken. Het volk wil zijn als de andere volkeren en willen een echte koning van eigen vlees en bloed, hebben niet maar genoeg aan de Naam als hun koning. Die koning krijgen ze, maar de eerste de beste, Saul, blijkt niet te voldoen aan hoe de Ene het koningschap ingevuld wil zien. Dan volgt David, de minst geschikte. Jezus, als ultieme zoon van David, beantwoordt ook niet aan ons natuurlijk beeld van een koning. Een schertsfiguur eigenlijk, met een kribbe als wieg, een executiepaal als troon en daartussen een zwervend bestaan zonder vast woonadres, laat staan een Huis ten Bosch, Buckingham Palace, een Vaticaan. 

Vorstenhuizen 5

Je kan dan wel als toekomstig koning geboren zijn, het is nog geen garantie dat je het wordt , zekere niet waneer. Prins Charles lijkt te moeten wachten tot hij een ons weegt. Als zijn moeder zo oud wordt als haar moeder dan is hij over de tachtig als hij eindelijk gekroond kan worden. Als hij er dan nog zin in heeft en zijn beurt aan ‘Fikkie’ geeft, aan zijn oudste zoon derhalve. Ik heb de indruk dat Charles zich wel vermaakt, maar al decennia is zijn leven wat de troon betreft gelijk een stationair draaiende auto: tot een echte rit komt het niet. Een tragisch voorbeeld, zo schrijft Alexander von Schönburg, wiens boek we nog steeds volgen, kent Charles in Friederich III van Pruisen, gehuwd met de oudste dochter van Koningin Victoria. Die stond z’n hele leven te trappelen van ongeduld om zijn vader te mogen opvolgen en plannen ontwierp om in tegenstelling tot zijn vader van Duitsland een liberale, constitutionele monarchie te maken naar Engels model. Als dan zijn vader eindelijk de laatste adem uitblies en hij z’n droom kon verwezenlijken, kreeg hij al spoedig kanker en stierf na een ambtsperiode van slechts 99 dagen. En zo kwam zijn zoon Wilhelm II voor decennia op de Duitse troon.                                        De huidige queen is zelf ook een goed voorbeeld van de ironie van de geschiedenis. Haar oom Edward was als oudste voorbestemd voor de troon, besteeg die ook als Edward VIII in 1936, maar moest daar een jaar later weer vanaf dalen vanwege zijn voorgenomen huwelijk met de al tweemaal gescheiden Amerikaanse Wallis Simpson. En zo was het de beurt aan Elisabeths vader Albert, de stotteraar, die als George VI tot aan zijn dood in 1952 Buckingham Palace bewoonde. Tot verdriet van zijn vrouw, ook een Elisabeth, die Edward z’n escapade haar leven lang kwalijk heeft genomen. Deze ironie der geschiedenis, die vaker voorkwam, wordt passend bij zo iets als een koningschap gezien als een ‘ingrijpen van hogerhand’. Een oeroude gedachte, substantieel onderdeel van de mythologie en ook te vinden in de Bijbel, in de figuur van David, die juist als jongste tot koning geroepen en gezalfd wordt.  Het oudst bekende historische document  ( 4000 voor Christus), waarin het woord ‘koning’ voorkomt, een Sumerische koningslijst, begint met de woorden: “Wanneer het koningschap eenmaal vanuit de hemel is neergedaald …”.           Deze kern van het koningschap illustreert Van Schönburg aan de hand van de ontluisterende geschiedenis van de Franse revolutie op dit punt. In de herfst van dat jaar rammen soldaten met rode mutsen de deuren kapot van de basiliek van St.Denis, waar sinds eeuwen de Franse koningen hun laatste rustplaats vinden. Ze worden gevolgd door een hysterische mensenmassa, die zich stort op de graven, ze openbreken om die te plunderen. Er valt echter niet veel te halen, want de koningen werden slechts in een eenvoudige lijnwaad begraven. De eerste vroegere ‘tiran’ die het moet ontgelden is Henry IV ( Hugenoot geworden, die weer katholiek werd – Parijs is mij wel een mis waard, kundig koning, tolerant:Edict van Nantes). Toen de eikenhouten deksel van zijn kist opensprong bleek zijn lijk na 180 jaar nog in opmerkelijk goede conditie. Hij werd als een pop tegen een pilaar gezet, waar op een aantal dagen het gepeupel zijn woede kon botvieren. Wat er toen nog van over was werd in een drie meter diep graf naast de kerk gesmeten. Lodewijk XIII was als volgende aan de beurt, maar die moet zo gestonken hebben, dat men hem met rust liet. Bij Lodewijk XIV werd zijn buik opengereten en een soldaat trok hem een zwart geworden tand uit om die als een trofee de opgewonden massa te tonen.  En zo ging men door, van de ene vorst naar de andere.  Bijna alle symbolen van het meer dan duizend jarige koninkrijk werden vernield, maar als men niet dat ene attribuut zou bemachtigen en vernietigen zou de revolutie onvoltooid blijven. Dat attribuut betrof een flesje.  Een glazen flesje van een paar centimeter, gevuld met een roodachtige substantie. Volgens de overlevering bevatte dit flesje de olie, waarmee de Merovinger koning Clovis I eind vijfde eeuw gezalfd werd na zijn doop tot christen. De legende wil dat deze olie door de Heilige Geest in de vorm van een duif aan de dopende bisschop geschonken was. Alle koningen na Clovis werden met de zelfde olie tot koning gezalfd. Een zalving, waarmee het Franse koningshuis zich verbonden wist met het Bijbelse davidische koningsschap. Von Schönburg schrijft dat weliswaar de Franse geschiedschrijving sinds de Verlichting de historiciteit van de mythe van het koningsschap belachelijk had gemaakt, echter de bezetenheid waarmee jacht gemaakt werd op de ampul toont aan dat de kracht van de mythe ook onder sceptici nog hardnekkig voortleefde en dat het voortbestaan van dat kleine flesje  een gevaar voor de republiek zou blijven. Dat flesje bevond zich niet in St.Denis, maar in Reims. Op 16 september 1793 wordt per decreet besloten een voormalige protestantse predikant, ene Ruhl, een Duitse Elzasser, de opdracht te geven naar reims af te reizen om de ampul zeker te stellen en te vernietigen. Op 7 oktober van dat jaar werd de bevolking van Reims samengeroepen op het voormalige Place Royale om de vernietiging bij te wonen. Ruhl beklimt onder tromgeroffel de sokkel van het voormalige ruiterstandbeeld van Lodewijk XV, toont de joelende menigte de ampul, die hij betitelt als ‘heilige rammelaar van een nar’, houdt een vlammend betoog, laat zich door de burgemeester een hamer aanreiken en slaat vervolgens de ampul in stukken. Echter: er waren een paar veel minder radicale revolutionairen, die voor Ruhls komst zoveel mogelijk balsem uit het flesje hebben gehaald en overgegoten in een nog kleiner flesje en die hebben verstopt tot het einde van de revolutie. Tot 1970 bevond dat flesje zich in de schatkamer van de aartsbisschop van Reims, sinds 1970 kan men het achter pantserglas bewonderen in het stadsmuseum van de stad. Conclusie van Von Schönburg: ” Erst durch diepe Musealisierung hat man der Ampulle ihren Zauber geraubt. Die Revolutionäre damals haben ihn durch ihre Jagd verstärkt”.

Vorstenhuizen 4

“Hoe wordt men koning?”, is de vraag die Alexander von Schönburg in het tweede hoofdstuk van zijn juweel van een boek beantwoordt. Als met het einde van de Eerste Wereldoorlog ook het Ottomaanse Rijk aan zijn eind komt, vragen in Europa meerdere tronen om nieuwe bezetting. De Albanese regering zet daartoe een opmerkelijke stap: ze plaatst een advertentie in de Evening Standard, waarin men leden van de  Engelse landadel oproept te solliciteren. Helaas komen de meeste reacties vanuit de Londense ‘grachtengordel’ en van o.a. een conservatief parlementslied en een Amerikaanse fabrikant van blikken doosjes. Met de kroon van Griekenland wordt onder alle vorstenfamilies van Europa geleurd “wie Sauerbier”. Uiteindelijk komt men uit bij prins Georg von Schleswig-Holstein, die pas toestemt om naar Athene te vertrekken als zijn oom, de koning van Denemarken, dreigt zijn maandelijkse toelage te schrappen. Bulgarije heeft nog meer moeite een passende koning te vinden. Eerst wordt Alexander von Battenberg, uit het Huis Hessen-Darmstadt, op de vers geschapen troon gezet, maar daar al na zeven jaar van verdreven. Een Russische groothertog, een Deense prins en een Roemeense vorst bedanken vervolgens feestelijk voor de eer. In wanhoop zwerven de Bulgaarse scouts van slot naar slot, tot ze in een Weens koffiehuis stuiten op prins Ferdinand von Sachsen-Coburg. Een uitstekende kandidaat, zo lijkt het. Hij is pas 26 jaar, ziet er goed uit, welvarend, enigszins ijdel, maar via zijn vader aan het Engelse koningshuis en via zijn moeder aan het Franse koningshuis verwant. De jongeman valt als een blok voor het aanbod: ” Ik beschouw het als mijn heilige plicht mijn voet zo snel mogelijk op Bulgaarse bodem te zetten”. Zijn tante, Queen Victoria, reageert op het bericht van zijn benoeming bepaald niet ‘amused’. Aan haar prime-minister, Lord Salisbury, bericht zij dat haar verwante totaal niet geschikt is. Hij is “zwak, excentriek en vrouwelijk….dit moet verhinderd worden”. Maar hij wordt het wel, wordt niet populair in Bulgarije en is de grootvader van Simeon die na de val van het communisme bij de eerste vrije verkiezingen van Bulgarije tot minister-president van het land gekozen wordt en zijn land de Europese Unie binnenleidt. Als Albanië per advertentie een koning zoekt, heeft men al een koning gehad. Het land komt al in 1912 onder het juk van het Ottomaanse Rijk vandaan en de grootmachten besluiten  in dat behoorlijk onherbergzame bergstaatje een monarchie te vestigen. Gek genoeg zijn er dan kandidaten genoeg. Een Franse en een Italiaanse markgraaf bieden zich zelf aan; koning Nicolaas van Montenegro beveelt zijn zoon Mirko aan; het Vaticaan pleit voor prins Lodewijk uit het Huis Bonaparte en uit Cairo meldt zich prins Achmed Fuad. uiteindelijk valt de keus op de in Potsdam levende vorst Wilhelm zu Wied. Hij is protestant, een denominatie die in Albanië juist niet voorkomt en juist daarom wordt hij uitverkoren om zo neutraal de in het land levende moslims, katholieken en grieks-orthodoxen te kunnen verbinden. Zijn verre neef, keizer Wilhelm II, wiens leger hij dient als cavalerie-officier, waarschuwt hem: Wie zijn geestelijke gezondheid hem lief is, gaat met met een grote boog om de Balkan heen! Von Wied is getrouwd met Sophie von Schönburg-Waldenburg – tante van de schrijver – en zij, verrukt van het perspectief koningin te kunnen worden, trekt haar man over de streep. Het loopt op een fiasco uit. De zogenaamde verwachte neutraliteit zorgt voor rumoer en volksopstanden, die de naïeve Sophie denkt te kunnen indammen door op de zee bij Tirana wat te gaan spelevaren. De Albanezen zijn totaal niet onder de indruk en het gevolg is dat een kanonneerboot van de Duitse marine Wilhelm en zijn echtgenoot in ijltempo het land uit moet brengen, nog geen zes maanden na de troonsbestijging. De zoektocht naar een nieuwe koning gaat dan weer opnieuw beginnen tot uiteindelijk een zoon van een herenboer uit het Albanese achterland, Ahmed Zogu, de macht grijpt. Deze putschist is journalist, sticht een republiek, maar eenmaal vast in het zadel roept hij zichzelf uit tot koning: koning Zog I.  Tot zover de vermarkting van tronen in Oost- en Zuidoost-Europa. De volgende aflevering van dit feuilleton over hen die als toekomstig koning geboren worden en andersoortige troonsbestijgingen.

Vorstenhuizen 3

Het boek van Alexander von Schönburg is te leuk om niet met u te delen. Zijn eerste echte hoofdstuk gaat over de aanspreektitel van koningen. Boven het hoofdstuk staat het opschrift op het lievelingskussen van de Engelse prinses Margaret: ‘It’s not easy being a Princess’. Geestige stimulans tot verder lezen. Hij beschrijft een diner in Parijs op alpine hoogte van de high society. Mevrouw Chric (haar man is dan president), de zuster van Jacky Onassis, een handje vol Rothschilds, de hertog van Marlborough en een broer van de Saoedische koning. Eregast: koningin Rania van Jordanië. Een jeugdige Rothschild krijgt de instructie tegenover de koningin geen diepe buiging te maken, een handkus volstaat. Hij vraagt hoe hij haar moet aanspreken. Ten antwoord krijgt hij dat hij moet wachten tot hij aangesproken wordt. Om elke faux pas te vermijden is het eigenlijk het beste om helemaal niets te zeggen. Toch komt er een moment dat je wel een aanspreektitel moet gebruiken. Van Schönburg vertelt dat eens koningin Silvia van Zweden meedeed aan de Duitse versie van ‘Wedden dat..?’ (sic!) De presentator Thomas Gottschalk sprak haar consequent aan met ‘Hoheit’. En dat was helemaal verkeerd. Hooghied is de aanspreektitel voor leden in de periferie van een koninklijke familie. De enige juiste aanspreektitel is ‘Herr’, Heer of ‘Herrin’ oftewel Madam en dan elk in eigen taal. Madam is afgeleid van het Latijnse  mea domina oftewel mijn heerin. In Spaans nog terug te vinden als Senor en Senora. In Rusland werd de tsaar door de boeren vroeger zelfs getutoyeerd. Hun privilege was het hem aan te spreken als Tsaar en als ‘jij’. Liefkozend noemden ze hem ook ‘vadertje tsaar’. In de synagoge is het de gewoonte om waar JHWH staat Adonai te zeggen. De Naam is in al zijn nabijheid toch een mysterie waarover we niet kunnen beschikken niet in ons spreken en dus ook niet in ons doen. maar de vervangbaar is niet ‘Majesteit’ of Hoogheid, Opperwezen, maar gewoner ‘Heer’. De aanspreektitel voor een predikant is ‘dominee’, afgeleid van ‘dominus’, heer. Hij is in dienst van de Heer, van zijn spreken.VDM. (Verbi Divini Minister, dienaar van het goddelijk woord) Laat God de Koning ook maar spreken en wij zwijgen. Augustinus zei: ‘wij spreken om niet helemaal te hoeven zwijgen’. Toch werd en wordt er wat op kerkelijk erf af gekakeld, gedelibereerd, met woorden van modder gegooid, gebabbeld, geroddeld, tegen God aan gekletst, gebetweterd wie en wat Hij is en ga zo maar door. En in zijn naam en zgn. dienst kletsen dominees ook soms maar raak; ik zal me er ook aan schuldig gemaakt hebben. Zwijgen is dus goud. En toch staat de Bijbel ook vol met woorden aan God gericht. Maar dat zijn of lofzangen of roepen om ontferming, zelfs in de vorm van verwensingen, zoals bij Job. Werkelijke woorden uit het hart gegrepen, uit het barse leven geroepen mogen aan de Here God als koning zonder schroom gericht worden.

Wat geef je een koning als geschenk? Het antwoord is zonneklaar: of iets heel duurs of een schetsartikel, een onnozel kleinigheidje. Maar nooit iets daar tussen in. De grondslag voor deze cultuur is gelegd door kalief Harun Al-Rashid, wiens rijk in de 9e eeuw zich uitstrekte van de Indus tot het Atlasgebergte. Hij gaf een gezant van Karel de Grote voor zijn vorst een witte olifant cadeau. De olifant bereikte ongeschonden Aken en de keizer was zo verrukt van het geschenk dat hij de olifant op zijn tochten meenam. Dat duurde helaas maar enige jaren: de olifant stierf aan een opgelopen longontsteking. In 1540 bracht Zigismond II van Polen voor Ferdinand I van Oostenrijk een bijna twee-en een half meter lange hoorn van een eenhoorn mee. In die tijd geloofde men nog in het bestaan van het fabeldier. Feitelijk handelde het om de slagtand van een narwal, zoals de Deense natuurkundige Ole Worm in de 17e eeuw bewees. Ferdinand I liet de hoorn overigens naar Innsbruck sturen om het door de toenmalige topbeeldhouwer van het land, Silvester Lechner, te laten omwerken tot een rijk versierd pronkstuk, nog immer te bezichtigen in de Weense Hofburcht. Het is met schenken van iets waardevols wel uitkijken geblazen, want hoe duur ook, zo’n geschenk kan toch lelijk zijn en bij een tegenbezoek is het wel de bedoeling dat je zo’n geschenk laat zien. Van Schönburg noemt als voorbeeld de spuuglelijke miniversie van het Indonesische presidentieel paleis in witgoud dat koningin Elisabeth uit Jakarta meebracht. Dieren kun gebeter ook niet geven. De Engelse koningin heeft er heel wat gekregen, zeg gerust opgedrongen gekregen, die allemaal in de Londense dierentuin terecht kwamen. Het gaat hier om een witte stier (van de Zoeloe-koning), de olifant Jumbo (van de president van Kameroen), ettelijke schildpadden, drie luiaards, twee grizzlyberen, een krokodil een dwergnijlpaard. De ambtenaren proberen van te voren al met verwijzing naar de Britse quarantainevoorschriften dierengeschenken te voorkomen, maar niet altijd succesvol. De koningin neemt zelf altijd iets kleins mee, iets ‘persoonlijks’, zoals een wollen sjaal met schotse ruiten of een houten sierkastje uit het atelier van haar neef David Linley. Op grote geschenken wordt gereageerd door zelf dan juist iets kleins te geven. Zo kreeg prins Charles van de toenmalige Saoudische kroonprins Abdullah een Aston Martin van 130.000 euro cadeau. Zijn tegengeschenk: een aquarel van eigen hand. Van Imelda Marcos kreeg hij een speedboot, die hij vervolgens verkocht met de opbrengst voor een liefdadigheidsorganisatie. Met kerst geeft de Engelse koninklijke familie elkaar principieel alleen maar schetsartikelen. Zo kwam prinses Margaret aan het kussen, waarmee dit hoofdstuk opent: een kerstgeschenk van haar zuster de queen. Harry kreeg eens een G-string badpak, waarmee Sacha Baron Cohen als Borat beroemd werd. De koningin zelf de zingende vis ‘Big Mouth Billy Bass’, waarvan ze zo begeesterd raakte dat ze er 24 stuks van kocht als kerstcadeau voor uitgezochte oude vrienden. Buckingham Palace ontvangt ieder jaar trouwens acht- tot twaalfduizend geschenken van onderdanen. Die allemaal op springstof onderzocht moeten worden, gecatalogiseerd en opgeslagen worden. En bedankbrieven geschreven worden, een dagtaak voor één secretaris.  Onmiddellijk moeten we nu denken aan die geweldige conference van Wim Sonneveld als ceremoniemeester tijdens het defilé op 30 april tijdens de regeerperiode van Juliana. (krentenmikken, achter de rododendrons etc.)  Over de offercultuur in de Bijbel valt op dit punt ook nog heel wat te schrijven. Eén citaat: ‘Het offer van de goddeloze ( en dat is iemand die Tora niet doet) is een gruwel’ (Spreuken 15: 28).                  Met een fraaie anekdote sluit het hoofdstuk en ook mijn stuk af. De  Engelse koningin bezocht het naar genoemde ziekenhuis van King’s Lynn in Norfolk. Van een patiënt, Betty Hyde kreeg ze een banaan cadeau. Dat vroeg om uitleg. Welnu Betty revancheerde zich daarmee voor een banaan, die zij als vijfjarig meisje van de toen jonge prinses Elisabeth kreeg, toen deze met haar moeder in de oorlog eveneens een ziekenhuis bezocht. 

Waterliniepad 2

Bij Werkendam gebleven, bij Werkendam dus nu begonnen, aan de oostelijke kant van het dorp; het dorp waar Anton Mussert geboren werd, een naam die nu Werkendam niet meer voor komt. Werkendam is goed protestant, met een grote Hervormde kerk: Gereformeerde Bond en rechts-confessioneel en een behoorlijk forse Gereformeerde Kerk. Verder vinden mensen geestelijk onderdak bij Chr. Gereformeerden, Gereformeerde Gemeente, Oud-Gereformeerden, Hersteld Hervormden en Vrije Gereformeerden en dan is de lijst vast nog niet compleet.  Werkendam – genoemd naar het riviertje De Werken, een verdwenen zijtak van de Alm – ligt ten zuiden van de splitsing van de Boven Merwede in de Beneden en Nieuwe Merwede.  In 1641 verwoestte een brand 81 huizen en in 1812 trokken de Kozakken door het dorp. De plaatselijke voetbalclub heeft die naam als geuzennaam overgenomen: Kozakken Boys, een geduchte naam in het zaterdagvoetbal. Werkendam ligt aan de rand van de Biesbosch, waar veel Werkendammers hun kost verdienden als griend- en rietwerkers en daarvoor de hele week in de Biesbosch bleven. Aan hen dankt het dorp de naam ‘de Vrouwenhemel’. Tijdens de oorlog speelden diverse Werkendammers een rol van betekenis als ‘crosser’: onderduikers,Engelse piloten, verzetsstrijders, voedsel en medicijnen werden na het najaar van ’44 van het bezette deel van ons land overgebracht door de door de Duitsers gevreesde Biesbosch naar het al bevrijde zuiden. Werkendam is nu een dorp van schippers en weg- en waterbouwers.

Enfin, ik parkeer mijn auto bij het grote busstation. Het is de bedoeling dat ik naar Woudrichem loop en vandaar de bus neem. In een halte zit een meisje met ‘oortjes’ in. Die ze vriendelijk verwijdert als ik haar informeer naar de bus die ik terug moet nemen. Het is de bus die zij moet hebben richting het oude zalmstadje tegenover slot Loevestein. En die komt er al snel aan. Als ik verneem dat die bus steeds slechts eenmaal per uur gaat, besluit ik om nu de bus te nemen en dan vanuit Woudrichem terug te lopen. De bus blijkt overigens een streekbus en blijft tot Woudrichem slechts het meisje en ik als passagiers te vervoeren. Meisje blijft zitten, ik loop honderd meter en ben dan bij de grote Middeleeuwse kerk, waar vandaan mijn tocht begint. Maar eerst koffie op het terras van een ijssalon. Het is verrukkelijk wandelweer. Woudrichem of Woerkum, zoals ze zelf zeggen heb ik al eens uitgebreid bezocht, met zijn gevangenistoren bij de Merwede, het visserijmuseum, met veel over de vroegere zalmvangst, de genoemde  - gotische Martinikerk. (In het stadje is Dokter Tinus van SBS6 opgenomen en diverse scènes voor de film Oorlogswinter).  Ik loop de Bagijnestraat uit , klim de wal op die rond het stadje ligt, loop een houten brug over de stadsgracht over en kom op een dijk voor fietsers en wandelaars. Daar waar de Merwededijk aansluiting krijgt met een autoweg uit het stadje duik ik De Aanwas in, een buitendijks natuurgebied van weiden en bosschages. De vogels fluiten, graspiepers vliegen op, er bloeit van alles in het weelderig groen en een man met hond komt me tegemoet. Na ruim 1 km kom ik door een draaihekje op het terrein van de jachthaven van Sleeuwijk. Een dorp van ruim 5000 inwoners, met veel nieuwbouw, behorend tot de gemeente Werkendam. Het ligt aan de Boven-Merwede met een prachtig zicht op Gorinchem. Na de jachthaven komt al snel het haventje van de veerpont voor fietsers en wandelaars naar Gorcum, waaraan Sleeuwijk eeuwenlang z’n betekenis aan heeft ontleend. Voor het eerst wordt die al in 1327 genoemd. In 1811 stak keizerin Marie Louise van Oostenrijk, de vrouw van Napoleon, met dit veer de Merwede over. Dat gaf het veer de haar bijnaam: Het veer van Keizerin Marie Louise. Het werd een tijdlang aangeprezen als ‘de kortste weg naar Parijs’. Het veer verloor belang na de bouw van de Merwedebrug in 1961.  Na het veerhaventje loop ik nog een stukje over de duik en daal dan de dijk af, langs een 19e eeuwse Rijks Peilschaal, ontdekt en vrijgekomen na vrij recente dijkwerkzaamheden. Deze peilschaal, waarmee de waterstanden konden worden afgelezen. ligt in de dijk zelf. Ik wandel achter een man twee honden uit door de zgn. Groes, een buitendijks natuurgebied, waar tegen het water hooglanders grazen en het pad me langs honderdtallen letterlijk bloeiende reuze balsemienen voert. Terugbuigend naar de dijk staan in het struweel met mos begroeide brugpijlers, overblijfsels van de planning van een eerdere brug over de Merwede. Een aantal kilometers loop ik langs een vaart achter de eerste huizen van Sleeuwijk langs, kom ik aan de weg naar het dorp, Transvaal, die ik over het fietspad volg tot aan de Rijkstraatweg, steek de A27 over en dan ligt daar weer het busstation, waar mijn auto geparkeerd staat. Zo’n tien kilometer ruim gelopen. Ik eet een boterhammetje en ga op weg naar het diep in de Biesbosch gelegen Biesboschmuseum. Op de terugweg koop ik bij een als kraam ingerichte container kersen, aardbeien en pruimen. Ik ben niet de enige, er staat een aardige rij , begerig naar vers geoogst fruit.

img_1118 Woudrichem, zicht op Merwede.

img_1123 Buitendijks tussen Woudrichem en Sleeuwijk

img_1126  Rijks Peilschaal bij Sleeuwijk

img_1129 Reuze balsemien

img_1130 kerkje Ned.Gereformeerden Sleeuwijk

 

Vorstenhuizen 2

Terug naar het boek van Alexander von Schönburg over vorstenhuizen en koningen. Hij vraagt zich af of het wel kies is hierover te schrijven, omdat hij ook geheimen zal moeten prijsgeven. Tast dat het instituut niet aan? In 1867 merkte de Engelse staatsgeleerde Walter Bagehot op “dat het mysterie de kern uitmaakt van het koningschap: we mogen geen daglicht daarover binnenlaten”. In de huidige tijd, waarin vele prominenten dringen om de hoogste staat van beroemdheid, zijn het de alleen de ‘royals’ die dat zijn vanwege hun zijn en niet zoals al die anderen vanwege hun rijkdom, prestaties, schoonheid of misdaden.  Eind zestiger jaren van de vorige eeuw ontving de Engelse documentairemaker Richard Cawston van Buckingham Palace de opdracht een film te maken, waarin de Windsors moesten worden geportretteerd als een ‘gans normale familie’. Dit tot afschuw van de beroemde David Attenborough: “Het gehele instituut van de monarchie is gebaseerd op de mystiek van het stamhoofd in zijn stamhoofdentent. Zodra een lid van de stam toegang krijgt tot het binnenste van deze tent is het gehele systeem van het stamhoofdwegen aan verval onderhevig- en de stam zal daaraan te gronde gaan”. Diverse royals slaan steeds meer zijn dringende waarschuwing in de wind. Het lijkt er steeds meer op dat ze zo nadrukkelijk als ‘gewoon’ willen overkomen. Zo liet de Spaanse koning en zijn vrouw zich fotograferen op een gewoon strand met in aluminiumfolie gewikkelde broodjes en prins Charles en zijn zonen toonden in tijdschriften dat zij ‘gewoon’ spiegeleieren bakken en bij de supermarkt inkopen doen. In het boek een foto van de Queen die met hoed (uiteraard) en boeketje in haar gehandschoende handen een bezoek brengt aan een MCDonalds.  Hij wijst  ook op onze eigen Juliana als een koningin op de fiets. Van het prachtige boek van Jolanda Withuis over de grootmoeder van Willem Alexander weten we dat Juliana haar leven geworsteld heeft met evenwicht vinden tussen haar status en het gewoon mens zijn. De vraag is dus of de royals zelf in hun drang naar ‘gewoon zijn’ niet meewerken aan hun eigen ondergang? En is dat niet maar goed ook? Is het niet passé? Of helpt het juist de onderdanen om het mysterie draaglijk te maken en te houden? 

Het opmerkelijke is, zo schrift hij, is dat twee honderd jaar geleden de koningshuizen er veel slechter voorstonden. Neem het jaar 1801: Frankrijk had gebroken met de oudste Europese erfmonarchie; in Engeland bracht George III zijn dagen in een dwangbuis door; in Madrid regeerde Karel IV, omdat de rechtmatige koning, zijn oudere broer Filip krankzinnig verklaard was; in Kopenhagen sloeg bij tijd en wijle Christian VII het paleisgelijke meubilair kort en klein, terwijl aan het hof in St. Petersburg tsaar Paul I zich amuseerde met het kapot smijten van borden om daarna handenwrijvend toe te zien hoe zijn lakeien zich haastten om de gebroken boel op te ruimen. Honderd jaar geleden zag het er ook niet best uit. Tsaar Alexander II werd vermoord, evenals keizerin Sissi van Oostenrijk. De 20e eeuw begint met de aanslag op Umberto I van Italië; een paar jaar later delen Karel I van Portugal en de koning van Griekenland zijn lot. Daarna volgt het drama van Sarajewo, de beginknal van WO.I en tenslotte wordt de (bijna) gehele tsarenfamilie uitgemoord. De huidige toestand is feitelijk veel rustiger, sterker nog er is hier en daar sprake van royal-manie: in ons land en heel sterk rond Diana. Er zijn weliswaar vorstenhuizen verdwenen, die Alexander neo-monarchieën noemt, omdat ze laat ontstaan zijn en geconstrueerd, zoals in Griekenland, Bulgarije, Albanië en Perzië. Maar er is in Spanje een monarchie teruggekeerd en de rest van de vorstenhuizen staan bepaald niet te wankelen. Misschien behoort wel tot het wezen van het koningsschap dat het uiteindelijk immuun is voor moderne aanvallen. Het meest verbreide misverstand onder de burgerlijke bevolking is volgens hem de aanname dat de adel een bijzondere sympathie voor koningen koestert. Hij schrijft dat het tegendeel het geval is, dat juist vijandigheid  typisch is voor de hoge adel.  In de geschiedenis is het juist de hoge adel geweest die de ergste tegenstanders waren van de koningen. Daarom namen keizers en koningen hen ook in dienst aan het hof, niet omdat zij ze vertrouwden, maar om zo hun gevaar in te dammen en met beloningen koest te houden en door vernederingen klein te houden. Von Schönburg komt met een voorbeeld uit zijn eigen familiegeschiedenis. Het gaat om vorst Michael Galitzin, die diende aan het hof in St.Petersburg. Hij had de tsarin Anna Iwanowna geërgerd door met een Italiaanse katholiek meisje te trouwen. Toen deze overleed, dwong zijn meesteres hem te huwen met een dienstmeid, die volgens de beschrijvingen ook nog eens uitgesproken lelijk was. Op last van de tsarin werd de huwelijksceremonie tot een waar spektakel opgetuigd, zoals nog niet eerder in Rusland vertoont. Het bruidspaar werd in processie door de stad geleid, aangevoerd door zwijnengeiten, honden en koeien; de hofpoëet droeg een gedicht voor met als titel: ‘Jubelzang op het idiote bruiloftspaar’. Hun huwelijksnacht moesten ze doorbrengen in gigantisch paleis van ijs en werden door de tsaren hoogst persoonlijk naar het in ijs uitgehouwen huwelijksbed gebracht. Ze overleefden de kwelling ternauwernood. “Die Zarin amüsierte sich köstlich”.                                                                                 Tot slot: Von Schönburg onthult dat Queen Elisabeth door haar neven en nichten ‘Lillibet’ wordt genoemd, terwijl haar man haar ‘causale’, ‘worstje’ noemt.

Waterliniepad 1

In mijn jeugd was ik een fietser. Niet alleen naar school of het treinstation om vandaar per spoor naar Utrecht te gaan (kweekschool), maar ook in mijn vrije tijd: heel het Gooi door en verder, door weer en wind naar wedstrijden van mijn FC Huizen tegen Spakenburg en IJsselmeervogels; in de studententijd vanuit Utrecht grote tochten door Lopikerwaard, over de Utrechtse Heuvelrug. Wandelen deden we met vrienden op zondagmiddag en doorkruisten zo het mooie Gooi. Fietsen vind ik nu weinig meer aan. Te druk, te veel in gruwelijke pakjes gehulde hardfietsers, agressief, dictatoriaal ruimte opeisend. Ik ben meer gaan wandelen, maar sinds de nieuwe knie daarin toch een terugval. Gelukkig de draad weer opgepakt en zo wandelen met z’n drieën het Pelgrimspad, met vijf het Grootfrieslandpad en ben ik zelf vorige week vrijdag begonnen aan het Waterliniepad. Die loopt van Weesp naar Fort Steurgat ,even buiten Werkendam. Of omgekeerd, zo als ik doe. Het is een pad langs de Nieuwe Hollandse Waterlinie, een zgn. themapad derhalve. Die waterlinie beslaat een strook polderland van ongeveer 5 km breedte tussen Muiden en de Biesbosch en kon in tijden van oorlogsdreiging tot 40 à 50 cm onder water gezet worden. De linie is aangelegd tussen 1815 en 1940. Bestaande polderdijken werden er in opgenomen, inundatiedijken speciaal er voor aangelegd, er kwamen sluizen en duikers; wat niet beschermd kon worden door water kreeg bescherming vanuit en door forten en batterijen: tussen 1815 en 1885 werden er zo’n zestig aangelegd. Fort Steurgat is er zo een, tegenwoordig een wooncomplex met acht luxe appartementen en drie villa’s. Het fort ligt aan de rand van de Biesbosch, even ten zuidwesten van Werkendam. Dit fort moest de dijk langs de Merwede afsluiten en de rivier en Biesbosch onder controle houden. Het bestond uit een kruithuis, een bomvrije schuilplaats voor geschut van 30 bij 20 meter en een kazerne van 60 bij 23 meter, met elkaar verbonden door een ‘opteren’, een gewelfde tunnel. Het fort is omgeven door een ringgracht. Het werd in 1881-1882 gebouwd als sluitstuk van de linie, maar verouderde al snel, omdat het niet bestand bleek tegen brisantgranaten ondanks haar dikke muren. Het lot van de veroudering deelde het fort met tientallen andere. De brisantgranaat was een vinding van de Krupp-fabriek in Essen. In de meidagen van ’40 was een brisantgranaat overbodig vanwege de flexibelere inzet van parachutisten, de gehele waterlinie bleek een farce. De wandeling gaat vanaf het fort naar de rand van Werkendam, over een brug, langs het benzinestation van Kieboom, waar ik mijn auto heb geparkeerd, rechtsaf langs een restaurant en dan klim ik een dijk op, waarover een fiets- en wandelpad geasfalteerd is, die eerst de jachthaven rondt en vervolgens bijna 3 km me langs het Steurgat voert. Het is prachtig weer, wel veel wind en veel wolken die soms dreigen met een bui, maar nooit verder komen dan een paar spatten. Er komt me een enkele wandelaar tegemoet en soms wat fietsers die duidelijk meer moeite met de wind hebben. Die fietsers komen van het pontje Steur een overzet naar de polders richting Dordrecht. Bij het pontje zelf aanbeland wacht een groepje fietsers voor een overzet. daarvoor baseerde ik een eenzame hengelaar en een oude man in een even oude boot, met aan zijn zijde een forse herdershond. Iets voorbij het pontje steek ik het polderland in, eet een boterhammetje aan een picknicktafel onder hoge bomen en ik steek de Bruine Kil over een enigszins kronkelende vaart en daar komt een dilemma. De papieren gids zegt dat ik rechtdoor moet, maar het rood-gele marketingsteken wijst naar links een dammetje op, achter een prikkeldraadomheining langs en dan via een klaphekje een brede strook langs de genoemde vaart op. Ik volg het teken, want het kan een na het verschijnen van het boekje een wijziging zijn. Al snel stuit ik op een groep forse  grazende koeien en kalveren. Maar zij kijken me slechts lodderig aan en ik kan ze met gemak passeren. Even verder word ik opgeschrikt door fladderend lawaai en zie een buizerd vlak voor mijn ogen uit het struweel aan de rechterzijde van de strook grasland schieten. Ik had al eerder z’n pieuw-geroep gehoord. Zeker 2 km struin en soms strompel ik langs de vaart en kom dan in een bocht bij een sloot die ik per plank en ijzeren leuning over kan. Het teken wijst nu duidelijk naar rechts naar een strook langs een gemaaide akker. Die stuit op de Grote Waardweg en daar ontbreekt elk marketingsteken. Volgens het boekje loopt de route nog verder het land in, langs de Bakkerskil ( een kil is een oud woord voor kreek) en dan linksaf weer richting Werkendam. Op de plek waar ik sta is geen doorsteek naar die Bakkerskil en dus ga ik linksaf de Grote Waardweg op en zie dan weer een pad langs een akker richting die kil. Op het veld er naast is een boer aan het maaien, mij tegemoet en hij stopt, springt z’n machine uit en zegt dat ik verkeerd loop, voor de wandelroute moet ik terug. Waar ik nu loop mag ik niet lopen en bovendien loopt het ook dood. Ik weet wat me te doen staat, loop niet terug, maar over de asfaltweg nog een stuk door en sla dan rechtsaf over een asfaltweg naar de Kille, het uiteinde van het dorp Nieuwendijk, waar ik weer de markeringstekens vind. Nog even een stop met een laatste boterham en dan de dijk op, die na de laatste huizen van het dorp overgaat in een wandel- en fietspad en kom bij de Papsluis, uit 1815. Het is een ontwerp van Jan Blanken van het toen bijzonder technische waaiertype. Achter de sluis doemt Werk aan de Bakkerskil op, een fort op de Schenkeldijk, eind jaren zeventig van de 19e eeuw gebouwd om de Papsluis te beschermen. Er zit nu een uitspanning in. Ik merk dat ondanks het prachtige weer de harde wind z’n tol begint te eisen; ik raak vermoeider en wordt trager in mijn tempo. Ik besluit een kleine afsteek te maken via een lokale route, klaphekken door, langs de bakkerskil en dan weer op de Grote Waardweg naar de rand van Werkendam. Langs de Waardweg een vrij nieuw oorlogsmonument in de vorm van twee vleugels van een propeller en vliegtuigmotor. Tijdens de oorlog crashte hier een Britse Lancaster, veel bemanningsleden kwamen om. Het vliegtuig en bemanningsleden werden pas in 2014 geborgen. Door een nieuw industrieterrein wandel ik weer naar de jachthaven terug naar mijn auto. de teller op de app van mijn mobiel staat op bijna 15 km. Ik beloon me zelf met een cornetto. Heerlijk als de middag zelf.

img_1086      het Steurgat, man met hond in boot img_1088   Pontje Steur

img_1114 oorlogsmonument

Vorsten

Eigenlijk ben ik voor een republiek. Erfopvolging is een raar ding, een antiquiteit, een reliek. Toch ben ik blij dat er vorstenhuizen zijn, vanwege de verhalen, de entourage, de zgn. paleisgeheimen, waarnaar het gissen is en uitermate geschikt als praat bij de borrel. Mits politiek gezien formeel flink achter de gouden koorden en in de gouden kooi – helaas voor hen – hou ik vooral van vorstenhuizen die niet te gewoon worden, maar opvallen in excentriciteit. In Celle vond ik vorig jaar een heerlijk boekje van de hand van Alexander von Schönburg met als titel ‘Alles über Könige – was Sie schon immer wissen wolten, amber die zu fragen wagten’.  Alexander, geboren op 15 augustus 1969 in Mogadishu (Somalië), is een royalist-journalist die zelf de titel van graaf von Schönburg-Glauchau draagt en getrouwd is met Irina, prinses van Hessen. Zijn moeder is een Hongaarse gravin uit het huis Széchenyi. Middels zijn vrouw is hij verwant aan het Britse koningshuis – zijn vrouw is achternicht van Philip en Elisabeth en samen hebben ze in John Churchill, de 1e hertog van Marlborough een gemeenschappelijke voorvader. Hij kent dus de wereld van adel en vorsten van binnenuit. 

Hij begint zijn boek met een anekdote over koningin Mary, de grootmoeder van de huidige koningin van Engeland. Zij was gewoon aan haar ( ook-adellijke) onderdanen te vragen ; ‘hoe gaat het met uw arme moeder?’ Of: ‘hoe gaat het met uw arme dochter? etc. Altijd dat adjectief ‘arm’. Hoezo? Volgens Queen Mary was iedereen arm, die niet van koninklijke bloede was. De schrijver ervoer dat zelf op de vooravond van het huwelijk van prins Edward met Sophie Rhys-Jones. Edward had afstand gedaan van de troon en dus was zijn huwelijk puur een familieaangelegenheid. August was vanwege zijn vrouw mede uitgenodigd. Dat was zijn ‘geluk’. Als journalist zou hij er nooit bij hebben kunnen zijn. Er is geen beroepsgroep die door het huis Windsor zo als minderwaardig wordt gezien als die van de journalistiek. Dat geldt met name prins Philip. Bij een bezoek aan de beroemde apenrots in Gibraltar zei deze, hard genoeg om door de journalisten gehoord te worden: ‘Welnu, wie zijn hier de apen, wie de reporters?’ En bij een staatsbezoek in Pakistan viel een fotograaf van de ladder, vanwaar hij een mooie foto in gedachten had. Philips commentaar: ‘Hopelijk heeft hij zijn nek gebroken’. 

Enfin, op genoemde avond komt de schrijver naast de koningin te zitten. Alexander en Irina zijn niet zo lang geleden getrouwd en de queen wil duidelijk weten wie via haar achternicht de familie is binnengekomen. Een lakmoesproef. Zelfs machtige staatslieden verkrampen en beginnen te stotteren als ze oog in oog staan met de queen. Alexander heeft het gevoel voor het jongste gericht te staan, maar een paar martini-cocktails helpen hem enigszins van zijn zenuwen af. Maar dan blijkt dat Elisabeth totaal geen aandacht aan hem besteedt. Geen woord, zelfs geen blik. Halverwege de maaltijd verandert dat. Terwijl aan andere hoven je je onderhoudt met je directe disgenoten zowel ter rechter- als ter linkerzijde, gaat het bij het Engels koningshuis zo dat je eerst je onderhoudt met je buurman/buurvrouw ter rechter zijde en dan ter linkerzijde. Van het gesprek herinnert hij zich door zijn toestand van een shock niets meer. Van een gesprek met prinses Anne, de oudste dochter van de queen, bekend als mensenhater, herinnert hij zich de avond doorkwam door alleen maar over paarden te praten. Haar vader zei ooit over haar dat het enige wezen waarvoor Anne iets voor over heeft ‘hooi kauwen, vier benen hebben en winden laten’. Overigens zijn het ook de vorsten en zeker de queen die in pijnlijke situaties redding brengen. Alexander geeft het voorbeeld van de vrouw van generaal De Gaulle, samen op bezoek tegen het einde van zijn ambtsperiode. Aan tafel vraagt iemand aan mevrouw De Gaulle waar ze zich op verheugt als haar president af is. Zij antwoordt met een sterk Frans accent: Ä penis! De hele tafel valt stil, zelfs de lakeien blozen. Dan redt de dan jonge queen de situatie en zegt droogjes: ‘Ah, happiness’.               Het zijn dit soort anekdotes en wetenswaardigheden die het boek zo heerlijk maken om te lezen en waarom vorstenhuizen toch maar even moeten blijven.

 

Nouri en het EK Vrouwenvoetbal

Ik hoef maar even aan hem te denken en ik schiet al weer vol; ik hoef maar over hem te praten en de tranen wellen van zelf in mijn ogen, nog steeds. Uitgerekend de jongen die de belichaming was van wat voetbal zo prachtig en heerlijk maakt kan die belichaming niet meer zijn, kan zelfs eigenlijk niet meer leven. Het kan zijn dat ik Abdelhak Nouri als klein jochie in levende lijve heb zien voetballen op De Toekomst, ik herinner het me niet meer. Ik heb hem wel in de Arena gezien, maar verder vooral op tv en op filmpjes op internet. En je begrijpt meteen waarom hij liefkozend Appie werd genoemd. Het joch nam je totaal voor hem in. Door zijn weergaloos spel, door een talent, wat maar eens in de zoveel jaar zich ontbolstert. Maar ook door hoe hij was: het plezier, zijn positieve, opgewekte instelling, zijn gedrag, wars van nare trekjes en misplaatste ijdelheid. Een verfijnde jongen in spel en gedrag zonder een belegen braafheid. Een rolmodel voor de Marokkaanse jeugd. Maar ik zou dat willen uitbreiden tot een rolmodel voor iedereen en zeker voor het voetbal. 

Een rolmodel die de Oranjevrouwen op het zondag geopende EK in hun eerste wedstrijd lieten zien. Hartstochtelijke inzet, aanvallend voetbal in de beste traditie van de zgn. Hollandse school en geen gemekker tegen de scheidsrechter, geen malle en gemene overtredingen, spattend spelplezier. Natuurlijk ook nog vol fouten, maar is het mannenvoetbal dan zo volmaakt? Met de waarschijnlijk grotere waarde die Nouri zou verwerven in Ajax’ eerste elftal, zou het Ajax-spel dat onder Bosz begon nog meer glans krijgen. Zeker met jongeren van zijn generatie als Van de Beek en De Jong. Het zal niet zo zijn, althans niet met Appie. Als je hem zag spelen bekroop me al de vraag of hij met dat frèle lichaam zich wel staande zou kunnen houden in het fysieke geweld waarin het voetbal zo vaak verworden is. Of hij zich daar door heen wist te dansen, zoals Cruijff. Het was wellicht de reden, waarom hij niet al jonger tot de hoofdmacht doordrong. We zullen het niet meer weten. Op zaterdag 8 juli kwam in één fatale klap een einde aan alle hooggespannen verwachtingen, aan een blij vooruitzicht, maar erger nog aan een beloftevol leven, werd in één klap een gezin in diepe rouw gedompeld en Ajax, de hele voetbalwereld een bron van plezier ontnomen. Voor zijn team en met name voor de staf een helse klus om die rouw om te buigen tot prestaties die een waar eer betoon zijn aan de bloem Nouri, in de knop gebroken. Hopelijk kan daarbij het Nederlands vrouwenteam daarvoor een inspiratiebron vormen.

Jo de Roo 80 jaar

Gisterochtend ging de telefoon. Gerard Koel aan de lijn. De voormalig Olympisch Kampioen van Tokyo 1964, sprintkanon, fameus baanwielrenner en 30 jaar achtereen als chauffeur van de NOS-radio actief in de Tour de France mag dan al weer decennia in Hoogerheide wonen, het blijft een Amsterdammer die direct ter zake komt: “Klaas, vandaag wordt Jo de Roo 80 en hij krijgt een verrassingsfeestje eind van de middag. Heb je zin om mee te gaan”?  Daar hoef ik niet lang over na te denken. Jo de Roo, één van vroege wielerhelden, van wie ik alles uitknipte en in een album plakte. (Helaas had mijn vader al mijn albums, over hem, over de Tour, over voetbal etc, etc weggegooid, toen ik op me zelf ging wonen in Utrecht. Ik kan me er nog kwaad om maken!) Jo de Roo, die ik in ons kerkje hier heb geïnterviewd; die meermalen daarna naar culturele avonden kwam, met zijn lieve (tweede) vrouw. Dus voegde ik bij Gerard en Tineke en reden we gedrieën, op de dag dat Fabiu Aru die verschrikkelijke klim naar Plateau des Belle Filles won, naar Wemeldinge. In een gloednieuw restaurant op edik, gerund door oud-renner Peter Hoonert, verzamelde zich een grote schare oud-renners uit Nederland en België en hun vrouwen om op het moment suprême zich muisstil te houden. De Roo was in de veronderstelling met z’n gezin wat te gaan eten en werd plotseling de zaal binnengevoerd, waar uit zeker honderd kelen een enthousiast Lang zal hij leven opklonk. Hij was totaal verbouwereerd en begon verlegen en bescheiden zoals hij van nature is handen te schudden,  als enige gehuld in korte broek. Er was een zangduo, de glazen gingen rond, er waren toespraken, heerlijke hapjes werd rondgedeeld en de stemming werd steeds beter. Behalve jan Janssen en zijn vrouw kende ik aanvankelijk niemand, maar dat werd spoedig anders. Ik raakte in gesprek met Theo Smit (Frisol), Cor Schuuring (Tokyo 64), Gerben Karstens, Roger Rosiers (winnaar Parijs-Roubaix 1971, met 1’26″ voorsprong op Van Springel, Basso, Janssen, Merckx, Leman, R. de Vlaeminck en Gimondi) en nog velen meer. En daar was Suske Verhaegen, een oud-renner die een uniek eigen wielermuseum heeft in Grobbendonk en de (internationale) vereniging van ex-renners heeft opgericht en bestuurt. Ik kreeg z’n kaartje en een button met de woorden: “zo nu bent ge ook lid; het kost ge niks, want ik betaal alles”. De vriendelijke Vlaming had na het wielrennen beter geboerd dan met koersen. Uiteraard werd er voluit gesproken over het uit de Tour zetten van Sagan. Geen van de oud-renners had daar begrip voor: zwaar overdreven, Cavendish wilde door een muizengat en als je al gestraft bent, kun je niet nog eens een andere, zwaardere straf krijgen, zo ging het heen en weer tussen de kenners. Sommigen vermoedden dat er druk was van Franse kant om de mare te helpen in het veroveren van de groene trui. Veel van die oud-renners zagen er trouwens nog patent uit, zoals Gerben Karstens (toch al 77), Koel (76), Smit, Schuuring en Janssen. Ze zitten dan ook nog wekelijks op de fiets, ontmoeten elkaar bij voortduur. Grote animator is de man die zijn fortuin verdiende met bidons e.d. en die dat fortuin graag deelt met zijn helden van weleer. Na afloop mochten we een bidon met beeltenis van De Roo meenemen. Natuurlijk was er ook familie van de knappe en rappe Zeeuw en nog een paar types, zoals ik : meer sportief voor de buis en  met meer liefde voor de pedaalridders dan zelf voor lange tijd in het zadel te klimmen, zoals een gepensioneerde oncoloog van het Radboudziekenhuis. Jo’s vrouw vroeg of ik ook een woordje wilde spreken en bij het weggaan nodigde ze mij bij hen thuis uit, omdat ze zo genoten hadden van de avonden in ons kerkje. Als jonge jongen zag ik Jo de Roo voorbijflitsen in de Ronde van Kortenhoef, die jaarlijks van 1960 tot 1988 door de legendarische Geurt Pos werd georganiseerd en grote winnaars heeft gekend, met Jo als eerste en nu mocht ik me wentelen in een levend plakboek.