Zendtijd voor Politieke Partijen

Vrijwel dagelijks kijk ik naar het zes-uur-journaal. Meestal zet ik de tv net ervoor daartoe aan. Soms eerder en dan val ik in de Zendtijd voor Politieke Partijen. Vorige week was ik zo vroeg dat ik het hele spotje kon zien en wel die van de VVD. We zagen een filmpje van een toespraak van Klaas Dijkhoff op een vierkant vrij hoog grijs-wit podium in het midden van een zaal, met daarom heen zijn publiek. Aan één kant op de eerste rij partijprominenten als Rutte, Bolkestein en Blok die vergenoegd en soms glunderend naar de fractievoorzitter luisterden. Die was gekleed in een wit overhemd en een vest; geen jasje. Zo ongeveer als we Jesse Klaver kennen van campagnes. Jesse wil uitdrukkelijk zijn jeugdigheid uitstralen. Dijkhoff is ook nog jong, maar wil door vest en baard m.i. ook een brug slaan naar de ouderen. Ik denk dat daarom naast een jeugdige wethouder van de VVD ook Bolkestein een plek kreeg op de eerste rij. Maar wat had Dijkhoff, zijn toespraak losjes in zijn hand, te vertellen? Retorisch gezien knap vertelde hij voor wie de VVD er wel voor was en voor wie niet. Alleen dat was zo ‘harmlos’, ongevaarlijk weinig concreet dat zijn toespraak op een podium van bijna elke partij wel gehouden had kunnen worden. Het was een preek, waarvan je als ‘kerkganger’ na afloop de ‘dominee’ kon zeggen: “mooi gesproken”, maar thuisgekomen denkt, maar wat doe ik er mee in de praktijk van alledag. ( Helaas denk ik dat ook wel eens van mijn eigen preken) Van de PVDA zag ik onlangs een deel van een spotje die veel concreter was, maar toch ook nog al wat vragen opriep. Ik heb het nu eens in zijn geheel terug gezien. je hoort eerst de stem van Lodewijk Asscher over de gezondheidszorg met beelden van die zorg en daarna zie je hem ook in een ziekenhuis. Dan volgt de platitude dat mensen recht hebben op een goede zorg. De finale boodschap: “wij willen investeren in verpleegsters etc en niet in managers, callcentra en hoofdkantoren.” Eigenlijk is dat ook een soort preek waarvan je als eerste impuls hebt: mooi gezegd, maar als je er over nadenkt, roept dat spotje alleen maar vragen op. Wij? Dat is dus de PVDA. De sluiting van ziekenhuizen recent heeft laten zien hoe weinig greep de politiek heeft op de gezondheidszorg. Wil de PVDA de zorg nationaliseren? Wil de PVDA af van managers, callcentra en hoofdkantoren? Of van een deel? Dus wil men nieuwe werklozen creëren? Preek in de praktijk prietpraat. Ik heb andere spotjes bekeken. Die van de SP lijkt sterk op die van de VVD. Lilian Marijnissen op een podium in een heerlijk zonnetje aan een haven in – ik denk – Rotterdam. Tussen het bijeengeorganiseerde publiek een glimp van Roemer, Remco Meijer en Prem Radhakishun, breed lachend. Zij houdt ook een preek: “dit mooie land kan zoveel beter” (bijkans de titel van een boek van Wouter Bos!) Inhoudsloos vallen woorden als rechtvaardigheid en moraliteit (lelijk woord) en ze roept op te staan. Maar waaruit en waartegen? Het publiek besluit het filmpje met een luid gescandeerd “Actie, actie”. D’66 maakt het helemaal bont: het is de presentatie van dat nieuwe goedlachse joch Rob Jetten, die door Den Haag loopt en vertelt dat hij in zijn schaarse vrije tijd foute Spaanse series op Netflix kijkt. Eén zin wijt hij aan het klimaat en tot slot roept een voice-over op om je bij Rob aan te sluiten. Om ook foute Spaanse series te kijken? Het meest concrete spotje is van een partij, waarop ik nooit zal stemmen, Forum voor Democratie. Hun spotje gaat helemaal over het Klimaatakkoord en rekent de kijker voor wat een energietransitie ons als burger gaat kosten en dat dat verspild geld is aangezien het effect vrijwel nihil zal zijn.Dat geld – 665 miljard kan beter besteed worden. Er worden sectoren genoemd als zorg en onderwijs en als enig concrete maatregel dijkverhoging tegen het stijgen van de zeespiegel.  Het is een spotje die wel tot nadenken stemt en niet afglijdt zoals een preek na afloop, thuis bij de borrel. Het spotje van 50 Plus is uitermate saai: veel platitude tekst en oproep om lid te worden en het pratend hoofd van Martin van Roijen. Conclusie: schaf die zendtijd af, die uiteindelijk ook van onze belastingcenten wordt gemaakt. Tot slot: Jesse Klaver is aanhanger van Ajax en Klaas Dijkhoff van PSV. Ik vermoed dat het in maart om die twee partijen gaat wie de grootste wordt, zoals in de eredivisie het ook om Ajax of PSV gaat. Ik hoop dan toch dat in beide gevallen Ajax wint.

May en mij en pindakaas

Tussen Theresa May en mij zijn weinig overeenkomsten. Eigenlijk – voor zover ik weet – slechts één. Dat zij domineesdochter is en ik dominee komt in de buurt. Ik las of zag en hoorde op tv – ik weet niet meer precies waar en hoe – dat de veel geplaagde Britse premier ‘s avonds voor het slapen gaan twee lepeltjes pindakaas nuttigt. En dat doe ik ook. Vroeger placht ik een boterham met dat heerlijke goedje te verorberen, evenals toen ook Adriaan van Dis, maar nu alleen twee kleine lepels vol. Het lijkt wel of het slapen beter lukt en het helpt ook tegen een kriebelhoest. Waarom: ik heb geen idee. Wellicht door de olie die in de pindakaas zich bevindt. In de huidige smeerbare vorm is pindakaas ontwikkeld door John Harvey Kellogg in 1893 vanwege een overschot in de pindaproduktie. Hij was een in 1852 geboren arts in Michigan, waar hij een sanatorium dreef met holistische methodiek, waar de nadruk vooral gelegd werd op voeding, klysmata en lichaamsbeweging. Hij was een fanatieke vegetariër en de uitvinder van de cornflakes. En dus ook van pindakaas. Voor de aanhangers van de Nashville-verklaring is hij ook een interessante figuur. Hij was tegen elke vorm van seksualiteit. Masturbatie bij jongens kon je volgens hem tegen gaan door besnijdenis zonder verdoving: de kortstondige pijn zou een reinigende werking op de geest veroorzaken. Voor meisjes was het toepassen van pure fenol op de clitoris een uitstekende manier om door hem als abnormaal gekwalificeerde lusten te onderdrukken. Kijk, dat zal mensen voor wie seksueel verkeer uitsluitend bedoeld terwille van de voortplanting aanspreken. Terug nu naar de pindakaas, waarbij mij nu een anekdote te binnenschiet van een vrouw die haar schoothondje letterlijk voor haar schoot gebruikte en ter bevordering van de bevrediging van haar opwindende lusten pindakaas op haar intieme deel smeerde en dat door haar ‘vriendje’ liet oplikken.  Pindakaas biedt meer mogelijkheden dan je denkt! Enfin ik smeer het al sinds mijn kindertijd op een boterham en eet het gezonde goedje ook graag puur. Want gezond is het :rijk aan plantaardige vetten, eiwitten, vitamines B1, B3 en E,linolzuur en nog zo wat. Je moet wel de goede en dus duurdere merken kopen, omdat bij de goedkopere varianten de pindaolie wordt vervangen door goedkopere en ongezondere palmolie bijvoorbeeld.    De naam ‘pindakaas’ is een merkwaardige. In het Engels is het ‘peanut butter’, dus zou je verwachten dat het bij ons pindaboter zou heten. Maar toen Calvé in 1948 in Nederland het op de markt bracht mocht dat niet, omdat de naam boter exclusief was vastgelegd voor roomboter om verwarring met margarine te voorkomen. Waarom werd het dan niet pindamargarine genoemd of iets dergelijks? En werd het pindakaas?  Het woord werd al gebruikt in Suriname. In 1783 kwam verscheen daar het handgeschreven Neger-Englisches Wörterbuch van de Duitse zendeling C.L.Schumann die het Surinaamse gerecht ‘pinda-dokunnu’ vertaalde als ‘Pinda-käse’. Dat gerecht bestond uit een blokvormige massa gestampte pinda’s, waarvan, zoals bij kaas, plakken werden gesneden. Vóór Calvé had in 1944 de Surinaamse bakker Harry Bharos in Paramaribo al een pindakaasbedrijf aan huis, wat in 1952 uitgroeide tot een bedrijf buitenshuis, dat Bharos Pindakaas in diverse soorten en smaken op de Surinaamse markt bracht. Pittige Surinaamse pindakaas mag ik ook graag eten, ofschoon je met sambal over je pindakaasboterham je het zelfde effect bijkans kan bereiken. Tot slot : er is nog een (oud-) politicus die in verband met pindakaas gebracht kan worden. Was Jimmy Carter niet een pandabeer uit Georgia?

 

Regen en Achterberg (2)

Het volgende ‘regen-gedicht’ komt uit de bundel Eiland der ziel, uit 1939, dus na het drama van de moord en nadat Achterberg was opgenomen in de Rijksasyls voor Psychopathen in Avereest, waar hij van 1938 tot 1943 verbleef. De titel is typerend voor zijn toestand. Fysiek van de buitenwereld afgesloten, maar vooral psychisch verkerend in de eenzaamheid, als op een eiland. Wat kan hij doen op zo’n eiland? De gestorven en verloren geliefde tot leven wekken, een thema dat dus al vóór de moord significant aanwezig was. Het middel daartoe is het woord en de woorden. Die vormen een brug naar het eiland. En waar het woord is is bij Achterberg Het Woord nooit ver weg. In onderstaand gedicht komt dat ook weer tot uitdrukking.

IN DEN REGEN

Laat dit, omdat ik eenzaam ben,                                                                                                                      een stem verwerven als de regen;                                                                                                                   die heb ik van u meegekregen,                                                                                                                        zover ik van u ben.

Het is hetzelfde als uw leden, –                                                                                                                          kuis en nabij -, waarmee de woorden                                                                                                               sidderen en worden geboren;                                                                                                                             waarin uw liefde heeft gezwegen.

Zo sneeuwt de dood het leven dicht.                                                                                                                Er is geen angst meer en geen naam.                                                                                                               Ik lig weer met mijn ziel tesaam                                                                                                                         in onverstoorbaar evenwicht.

Ik heb u lief, al zijn vergaan                                                                                                                               de verten, die ik met u deelde,                                                                                                                         wat gij mij nimmermeer verheelde                                                                                                                  vangt immer in den regen aan.

Hier zie je wederom dat regen voor Achterberg niet louter een meteorologisch fenomeen is, geen ‘mededeling voor land- en tuinbouw’, maar een mythisch karakter kent, zoals bij Guido Gezelle bijvoorbeeld de bloemen: “mij spreekt de blomme een tale”. In de regen hoort de dichter zijn geliefde; dat is bij hem of hem bij gebleven. Intrigerend is dan ‘zover ik van u ben’. Dat kan zijn ‘voor zover etc’ of duiden op de afstand tussen hem en haar. De tweede strofe is een lastige om te verstaan. De leden – een kuise omschrijving van het  erotisch en seksueel begerenswaardige onder-deel van de geliefde – waren weliswaar nabij maar kuis, ‘onbezoedeld’. Het bleef beperkt bij het oproepen van opwindende taal. Wat die begeerde liefde betreft bleven haar leden ‘gesloten’. Net als haar stem is dat op afstand gebleven. In de derde strofe komt het keerpunt. De regen wordt sneeuw, met zijn witte kleur bij Achterberg symbool voor toedekking c.q. verzoening. Het is hier de dood die dicht sneeuwt. En wel het leven. Dat kan denk ik verstaan worden dat het leven staat voor onrust en de dood voor vrede, zoals op grafstenen staat: R.I.P., rest in peace. Dat blijkt uit het vervolg. De dichter is weer eengewonden met zich zelf. Ondanks dat het allemaal ver weg is – en wellicht hebben ze samen ook vroeger van letterlijk  uitzichten genoten – de liefde blijft  en haar stem wordt  weer bij en in elke regen gehoord.

 

 

 

 

 

 

Regen bij Achterberg (1)

Een harde  noordenwind geselde een ijskoude regen drie wandelaars op de dijk tussen Vesting Naarden en Oud-Naarden. Die drie waren Rob, Gerrit en ondergetekende. We deden een rondje van twaalf kilometer vanuit mijn flat en daarnaar terug. In het Ericabos nog eens zo’n bui, maar milder omdat de bomen beschermden tegen Aeolus. Verder was het een stralende dag, een uitzondering van al ver voor Kerst. De monotonie van grauwe dagen en veel regen. In het werk van Gerrit Achterberg komt regen diverse keren voor. Onder andere in een muurgedicht – één van de 120 in de stad - aan de Rijnkade in Leiden.

Kleine ode aan het water

Zo staat de regen als een naam                                                                                                                         over de bloemen mond en maan                                                                                                                     leggen er groot en rond zich aan,                                                                                                                     liggen er groot en rond om dicht,                                                                                                                      o teug, waaraan ik lig;                                                                                                                                           met mijn gezicht in maan en water                                                                                                                  staan bloemen in mijn ogenwater                                                                                                                       gespiegeld, sta ik spiegelend in                                                                                                                          waterramen en maanbloemen.

Dit gedicht werd voor het eerst gepubliceerd in 1931 in Achterbergs eerste officiële dichtbundel Afvaart. De man uit Neerlangbroek kijkt hier met kinderlijke verwondering naar de schoonheid van weerspiegeling in het water. Van regen komen plassen en vormen zo een venster waarin maanlicht weerspiegelt wordt. Wie zo dichtbij komt dat hij bijna een teug kan nemen ziet nog meer weer spiegelt wat dan ook weer in de ogen van de gebogen weerkaatst wordt, een magisch moment.                                                                                                             

In Afvaart komt nog een gedicht voorzet een prominente rol voor regen. Het is ook als zodanig getiteld.

Regen

De regen deel het donker hart                                                                                                                            zijn wenen mede en beide wenen                                                                                                                   om evenveel, in eenzelfde menen                                                                                                                    van zuivere smart.

Want toen zij in den regen heenging                                                                                                                 was het de regen die haar omhing                                                                                                                   en haar omhulde, een eeuwig ding:                                                                                                                  dit, wat ik weet, weet ook de regen.

En het wordt niet meer tussen ons verzwegen                                                                                             sinds dit uitwisselen ontstond,                                                                                                                         zo zoet, dat het hart een vrede vond,                                                                                                                 uit pijn en wanhoop weggeheven.

Hier geen verwondering, maar verdriet, waarin de tranen van de regen het wenen van de dichter oproept en ze samen één worden. De regen roept de herinnering boven, waarin de geliefde van de dichter heen ging, een eeuwig afscheid. Regen is verdwijning en is zo wening, smart in haar puurste vorm. Het thema van de verloren geliefde of zelfs sterker de gestorven geliefde is bij Achterberg al aanwezig vóórdoe fatale 15 december van het jaar 1937 toen Achterberg zijn hospita, Roel van Es, doodschoot en haar toen 16 jarige dochter Bep verwondde in de commotie die ontstond toen hij op zijn kamer laatst genoemde aanrandde. Toch was er al eerder een ‘akkefietje’. Nadat een verloving werd afgebroken, dreigde Achterberg met een pistool in de hand een eind aan zijn leven te maken. Het gedicht eindigt niet in mineur. Er is voldoende uitgepraat om uiteindelijk het zoetvan de vrede te smaken. De pistool ging uiteindelijk niet over. Verzoening met het bestaan is een steeds terugkerend thema in Achterberg werk mijns inziens. Waarin hij ook teruggrijpt naar de bevindelijke achtergrond van de hervormde orthodoxie, waarin hij geboren en getogen was en ook in gepokt en gemazeld. Het is ook op dat punt waarin Achterberg mij zo aangrijpt, omdat ik zelf dat gevecht om die verzoening goed ken en herken en het verdriet die de bodem van de ziel immer vochtig maakt of zelfs houdt.

 

Dertig jaar later

Duitsland uitgeschakeld! Poulefase niet eens overleefd. Niet verwonderlijk als je zag hoe beroerd ze voetbalden. Heb er geen traan om gelaten, sterker nog: ook bij mij moest ik constateren dat leedvermaak uit de kelder van mijn ziel omhoog sijpelde en bezit van mijn gemoed nam. Vond het eigenlijk alleen zielig voor Kroos, van wie ik als voetballer en als mooie stoere man een liefhebber ben. Jan Boskamp zat bij VI breeduit te glunderen, Jesse Klaver juichte geloof ik harder dan na het bereiken van het klimaatakkoord. Arjen Fortuin in de NRC bracht 1988 in herinnering. Na onze overwinning op de ‘moffen’ (Boskamp) bracht hij de uitslag aan op een Duitse auto. Zo iets deed ik zelf destijds ook. Maar dan achter de ruit van de OAD-bus, die onder mij als reisleider een groep van 46 toeristen terugbracht vanuit Italië naar Nederland. In Italië hadden we de eerdere wedstrijden van Oranje gezien, in een hotel of op een tv’tje van een marktkraam in Rome, toen Van Basten met drie goals persoonlijk Engeland de nek omdraaide. De wedstrijd tegen Duitsland zagen we juist in een voormalig klooster onder de rook van Würzburg, met Duitse mede-gasten. Het werd een onvergetelijke avond. Vandaar dat papier achter de ruit: 2-1 in koeienletters! En bij elke tegenligger met Duits nummerbord wees ik nadrukkelijk naar dat papier. Kinderachtig. Enfin, nu werd Duitsland geveld door Zuid-Korea, toch ook een beetje van ons: vanwege Guus Hiddink en ook omdat na hem – met minder succes, dat wel – nog drie landgenoten hun bondscoach waren: Jo Bonfrère, Pim Verbeek en de onvermijdelijke Dick Advocaat. Zal ik het de Belgen gunnen als zij slagen, waarin wij driemaal ‘faalden’?

De Vossen

Uit de overlevering was me bekend dat de Vossen, ook onze familie, al eeuwen in Het Gooi wonen. Ik behoorde zelf tot de laatste zgn. erfgooiers. Had dus het recht om een hoeveelheid vee, een schaar, te laten weiden. Maar evenals mijn vader – hij tegen z’n aanvankelijke bedoeling – en vele, vele anderen maakte ik van dat recht geen gebruik. Met duizenden was ik een niet-scharende erfgooier. In de zeventiger jaren van de vorige eeuw was het aantal scharende zo klein geworden en de grond waarop zij schaarden zo tot een minimum gedaald door verkoop van gronden aan de gemeenten die wilden en moesten uitbreiden dat de vereniging van erfgooiers – Stad en Lande van Gooiland – werd opgeheven. De boeren werden ruimschoots gecompenseerd – zodoende kon de jongste broer van mijn vader een boerenbedrijf kopen in Mastenbroek – de rest van het geld werd verdeeld onder de niet-scharende Erfgooiers. Er werden vellen met coupons verstrekt die je met regelmaat kon verzilveren. Ik studeerde in Utrecht en kreeg van thuis te horen wanneer ik een coupon bij de plaatselijke Rabobank kon omwisselen voor een leuk bedrag als welkome bijdrage in mijn studiekosten. Erfgooiers dus en dat betekende dat we als Vossen zeker in de achttiende eeuw al in Huizen woonden, want het recht van scharen was toen vastgesteld, omdat steeds meer mensen van buiten kwamen die land kochten, land waarop gebruiksrecht gold van oudsher, maar betwist door de nieuwe eigenaren. 

Maar door onderzoek van met name Maria Vos-Blekemolen weet ik nu dat onze stamboom op z’n minst teruggaat tot de 16e eeuw. Uit haar onderzoek blijkt dat er meerdere stambomen Vos traceerbaar starten eind 16e , begin 17e eeuw. Zij komt tot acht bomen, waarvan nog niet duidelijk is hoe die weer eventueel ‘takken’ zijn van bomen of zelfs 1 ‘boom’ daarvoor.  Ooit hoorde ik de theorie dat de oorsprong van de Vossen in Brabant ligt, waar twee broers leefden die zogenoemd werden – vanwege uiterlijk, gedrag, sluwheid? – en dat onenigheid over grond de ene broer deed besluiten noordwaarts te trekken en zo in Het Gooi terecht kwam. Een variant van de gelijkenis van de verloren zoon! Het is een onomstotelijk feit dat in Brabant ook veel Vossen te vinden zijn. Maar dat geldt ook voor Groningen en andere delen van het land; het is een veel voorkomende naam. Een paar jaar geleden interviewde ik in Ossendrecht Marianne Vos en heb haar onze mogelijke verwantschap in een ver ver verleden voorgehouden. Marianne en haar familie stamt uit het noordelijkste stukje van Brabant, het Land van Heusden en Altena, preciezer Babyloniënbroek. Overigens is het Hongaarse woord voor ‘vos’ roka. Het is mij gebleken dat die naam nog al onder zigeunerfamilies voorkomt!

De acht ‘bomen’ of ‘tronken’ van Maria Vos- B. zijn:

Elbert Pietersz – 1535-1618

Willem Vos ca. 1600

Elbert Freecksz – 1609 – 1661

Elbert Lambertsz – 1625-1676

Gijsbert Jansz – 1626 -1677

Lambert Elberts overleden 1716 in Blaricum

Cornelis de Vos , geb. te Hilversum en in 1745 in Huizen overleden.

onbekenden Vos


Onze stamboom begint met Elbert Freecksz, zijn vader moet wel een Freeck geweest zijn, maar nader onderzoek is nog gewenst.

  1. Elbert Freeksz Vos – 1609- 1661
  2. Jacob Elbertsz Vos (derde kind, 2ezoon) – 1637-1686 trouwt met Machteldje Aarts (1ehuwelijk): hij neemt in 1662 een stuk grond van zijn vader over.
  3. Aart Jacobsz. Vos (5ekind, 3ezoon) – 7 juli 1665- overl. na 1723. Trouwt met Grietien Jans; hij is kerkmeester en mede verantwoordelijk voor het verplaatsen van de preekstoel van de torenmuur naar het koor. Een inscriptie in een balk boven het koor vermeldt zijn naam.
  4. Jan Aartsz Vos (2ekind, 2ezoon) -12 sept.1700 – 27 dec.1769 , 2ehuwelijk met    achternicht Marritje Cornelissen Smit;
  5. Aart Jansz. Vos ( 6ekind, 5ezoon) – 14 dec.1749- 13 mrt 1829, trouwt met Zwaantje Gerrits Deetman uit Elburg; hij is schepen.
  6. Gerrit Jan Vos (3ekind, 2ezoon) 17 nov.1776 – 17 mrt 1852 – trouwt met Geertje Hage; hij wordt vermeld als erfgooier en taander.
  7. Klaas Vos – (4ekind, 2ezoon , vormt met Zwaantje een tweeling) 1805-1853, trouwt met Nelletje Hendriks Maasen Zeeman. Huwelijk met twaalf kinderen. De oudste, Hendrik, overlijdt binnen een jaar; de tweede, ook Hendrik, verdrinkt in de Zuiderzee, een dag vóór zijn 14everjaardag; dan volgen Geertje en Harmpje; daarna wederom dubbel drama: het binnen een jaar overlijden van twee keer een Gerrit Jan, de derde Gerrit Jan wordt niet ouder dan 12 jaar; er tussen zit nog een Aaltje; Klaas is dan het negende kind; de tragiek blijft toeslaan: Geziena wordt niet ouder dan acht en de derde Hendrik haalt z’n 1everjaardag ook niet; de twaalfde is Nelletje en die wordt ruim 82 jaar! Deze eerste Klaas is onze betovergrootvader.
  8. Klaas Vos (9ekind, 5ezoon, maar de eerste overlevende van de jongens en gaat dus zo verder als stamvader) -1842 – 1886; trouwt op 4 mei 1873 met Aaltje Schaap (100 jaar later trouw ik op 3 mei) Op 5 april 1774 wordt een levenloze dochter geboren; op 29 mei 1875 een levenloze zoon en een dag later sterft ook de moeder. Op 30 sept. 1877 huwt onze betovergrootvader zijn achternicht Emmetje Doorn (1849- 25 jan.1914). Dat huwelijk kent zes kinderen: Nelletje (juli 1878); Zwaantje (1880 – 1955), trouwt in 1906 met Jakob Kos (1880-1958) Geertje (20 okt.1880- 16 jan.1922). Dan volgt onze opa (19 mrt 1882-7 juli 1960); dan volgt Hendrik (8 jan.1884-14 dec.1886) en tenslotte Klaasje (1886- 10 juni 1972). Hun vader sterft jong en Emmetje blijft met kinderen achter in de leeftijd van acht, zes, vijf, 4 en 2 baby’s.
  9. Klaas Vos  (1882-1960)– opa is dus het vierde kind en 1ezoon – en trouwt pas in 1919 (24 mei), met de dan ook al 29 jarige Jannetje Visser ( 7 febr.1890-25 jan.1970). Zij krijgen 12 kinderen:

-      Klaas Vos – 1 mrt 1920 – 17 april 1992 – gehuwd met Engelina Teeuwissen (18 okt.1922- 13 juli 2013)

 

-      Jan Vos – onze vader – 17 febr.1921 – 9 sept. 2008 – gehuwd met Sibbeltje van der Poel – 5   april 1923 – 22 maart 2011.

-      Emmetje Vos – 16 mrt 1922 – 20 okt.1989 – gehuwd met Jacob Jan Verhulst -14 mrt 1918-10juni 1993.

-      Jakob Vos – 15 janu 1923 -      ; gehuwd met G.Vlaanderen (

-      Hendrik Vos – 30 jan 1924 -22 mrt 2004

-      Tijmen Vos – 9 febr.1925-30 nov.2010, gehuwd met Aaltje Rebel – 16 dec.1922 -24 juni 2009

-      Dirk Vos – 14 dec 1926-27 dec 1926- dertien dagen oud dus slechts

-      Dirk Vos -15 febr.1928 – 10 mrt 1928 – nog geen maand oud

-      Ebbetje Vos – 1 febr.1929 -27 april 1959, moeder van Marion

-      Dirk Vos – 4 mrt 1930 -        ;gehuwd met Grietje Roodhart

-      Cornelis Vos – 29 april 1932 – 17 mei 2013

-      Geertje Vos – 28 aug 1934 – 7 mrt 2010, gehuwd met Klaas Pelsma

Ik ben dus de vijfde Klaas. Een zoon van oom Dirk is eveneens genoemd naar zijn grootvader, maar is jonger.

Vroeger en ook nu wederom nu ik teruggekeerd ben naar mijn geboortegrond werd en word mij nog wel eens gevraagd van wie ik er één ben. Mijn antwoord: ik ben Klaas van Jan van Klaas van Emmetje. Dat zegt alles over de belangrijke plek die mijn overgrootmoeder heeft gespeeld, haar man overleed op jonge leeftijd en zij hield het gezin in alle opzichten overend. Zie op deze site het artikel over haar: Emmetjes Hout.

Haar portret siert ook mijn huidige onderkomen en ik kijk niet zonder trots regelmatig naar haar!

 

 

 

Dr.J.F.van Hengel: markante man en zijn opmerkelijk boek

In het huis-aan-huis bezorgde blad De Naarder Courant bevindt zich wekelijks een rubriek Uitgelezen. Daarin beschrijft ene Klaas Oostrom een boek en biedt de mogelijkheid dat boek bij hem aan te schaffen, waarvan de opbrengst naar een goed doel gaat. Laatst bood hij het boek ‘Honderd jaar Heemschut’ aan. Ik had interesse en belde. Echter het boek was al verkocht. Ik raakte met hem aan de praat en vertelde hem van mijn interesse voor boeken over Het Gooi. Daarvan had hij nog wel wat in huis; ik moest maar langs komen. Dat heb ik gedaan en zo kon ik een mooi boek bemachtigen over de buitenplaatsen van ‘s Graveland. Maar hij had een nog grotere verrassing voor mij in petto. Van de zolder, waar hij tienduizend (sic !) boeken heeft opgeslagen – hij krijgt bijna dagelijks boeken aangeboden als gevolg van zijn al tien jaar bestaande rubriek – bracht hij een boek mee getiteld: ‘Geneeskundige Plaatsbeschrijving van Het Gooiland’ door dr. J.F. van Hengel, Lid van den Geneeskundige Raad voor Noord-Holland’ , zoals op de titelpagina staat vermeld. Het betreft hier een facsimile van een uitgave uit 1875. De facsimile zelf is van 1987, gedrukt in een oplage van 1000 exemplaren en voorzien van een nawoord van Johan van Minnen, wellicht de voormalige journalist van de Vara.

Dit boek is het resultaat van een initiatief van Thorbecke, die als minister van binnenlandse zaken ook volksgezondheid in zijn portefeuille had. Er was daarvoor nog geen eigen departement. In 1865 ontwierp hij voor zijn kabinet de eerste geneeskundige wetten en hij gaf aan de geneeskundige Inspecteurs de wens te kennen “dat zij de bouwstoffen moeten samenbrengen voor een aanstaande medische topografie des lands”. Thorbeckes aansporing leverde echter slechts vier van deze topgrafieen op: van Zeeland, Friesland, Overijssel en Limburg. En daarnaast dus ook Het Gooi, ” waarvan de eenmalige waarde nog eens wordt onderstreept doordat het slechts hier, en hier alleen, om de gevraagde ‘geneeskundige’ plaatsbeschrijving in medisch-geographische zin gaat”. Aldus Van Minnen. Hij voegt er aan toe: “Visie zowel als pietluttigheid doen af en toe aan Multatuli denken”.

Visie – gekoppeld aan daadkracht – kan Van Hengel ( geb.1811 in Grootebroek) inderdaad niet ontzegd worden. Hij was als medicus afgestudeerd op het terrein van besmettelijke ziekten in het algemeen en buiktyphus in het bijzonder. Op advies van zijn Utrechtse mentor Suerman vestigt hij zich in 1838 in Hilversum, het toen ook al grootste dorp van Het Gooi, met dan bijna vierduizend inwoners. Er is maar één verharde weg: die tussen ‘s Graveland en Amersfoort; de spoorweg liet nog op zich wachten. Hij wordt direct geconfronteerd met de erbarmelijke omstandigheden waarin de boeren en de arbeiders in de textielwereld, de spinnerijen en weverijen en de tapijtfabrieken zich bevinden. En hij stuit op grote weerstand van de notabelen om ziekten met vaccinatie te bestrijden en schrijft zijn leidsman: ” Nee, ik heb geen moed daar te gaan wonen. de bevolking toch is al te zeer behept met vooroordelen en verknocht aan oude traditiën. De voorgangers van de gemeente, van kindsbeen af in Hilversum, zijn geheel blind voor het verkeerde, zodat ik weinig kans heb er verbetering te kunnen aanbrengen”. Suerman blijft hem porren toch aan zijn taak te beginnen ,met het advies gebruik te maken “van de machtige hefboom van de drukpers”. En zo gaat hij toch aan de slag. Als gemeentelijk geneesheer en als pleitbezorger van betere hygiëne en dito leefomstandigheden. Hij organiseert gratis voedselverschaffing, inenting tegen de pokken en strijdt voor waterleiding ter vervanging van de veelal vervuilde, besmette openbare en private regenbakken. Als de voorjaarsschoonmaak er aan komt doet hij een oproep in de krant om kleding, speelgoed en prentenboeken niet weg te gooien, maar aan een door hem opgericht comité van dames te schenken terwille van kinderen der armen. Het gevecht om waterleiding kent Multatuliaanse trekken, omdat de weerstand van Erfgooiers groot is, die in Van Hengel een hinderlijke nieuwlichter zien. Erfgooiers voeren het gezag over de heidevelden, noodzakelijk voor de waterwinning en zij weigeren dat gezag af te staan. Pas in 1886 wordt Hilversum op de waterleiding aan gesloten. De ‘soeploods’ van de ‘Vereniging tot Uitdeling van Warme Spijzen’ houdt het vol tot 1929, waarna het met een batig saldo van tienduizend gulden  overgaat in ‘Maatschappelijk Hulpbetoon’. Van Hengel bindt ook de strijd aan tegen ontucht, liederlijkheid en drankmisbruik: ”Er is voorwaar geen grooter vijand van huiselijke welvaart dan de jenever; en de sterke drank is buiten twijfel ook één der eerste oorzaken van armoede in het Gooiland.”  Onder zijn projecten mag ook het streven genoemd worden om Hilversum te bombarderen tot ‘Hohen Luftkurort’. Het geaccidenteerd terrein tot 27 meter boven Amsterdams Peil, met volgens hem minder mist, lijkt hem uitermate geschikt voor de vestiging van een kuuroord. Echter een bron met ‘spa-water’ wordt niet gevonden en wat rest is villa ‘Trompenberg’ op de gelijknamige heuvel, de oprichting in Hilversum in 1875 van de Nederlandse Kruisvereniging en het sanatorium Heideheuvel als ‘heilzaam toevlucht voor lijders aan astma en tbc uit de minder gegoede klasse’.

Naast zijn drukke praktijk werkt Van Hengel aan een uitgebreid boek oer de geneeskundige en hygiënische toestand van heel Het Gooi. Hij kreeg daarbij hulp van een co-auteur, dr. S.Stratingh Tresling, wiens naam echter niet op het titelblad staat vermeld. Hij was een jongere collega, geboren in 1836, arts te Havelte en uiteindelijk ook de opvolger van Van Hengel in Hilversum. Hij was het die al het door Van Hengel verzamelde materiaal ordende, schiftte en drukrijp maakte. Hele stukken geschrift zijn van zijn hand, waarin hij Dr. Van Hengel als derde persoon opvoert.

Het boek begint met een uitvoerige ‘natuurkundige plaatsbeschrijving’ van Het Gooi, met als onderdelen de geografie, de hydrografie, de metereologie, de flora en de fauna, de antropologie. Er volgen bladzijden vol statistische gegevens over de bevolking van Het Gooi en van Hilversum in het bijzonder, waaronder ook sterftelijsten met oorzaken van overlijden. Hoofdstuk 3 gaat over de maatschappelijke toestand, onder verdeeld in landbouw, veeteelt, visserij van Huizen, neringen, beroepen en ambachten, fabrieken, communicatie middelen, armoede, soorten huizen, verlichting, ziekenhuizen , kroegen, gevangenis, begraafplaatsen, voedseldranken , kleding, scholen, schadelijk vuil. Hoofdstuk vier  doet uitvoerig verslag van de gezondheidstoestand; hoofdstuk vijf tenslotte heet ‘Klimatologische geneeskundige plaatsbeschrijving’ en handelt over verlossing, conceptie, menstruatie, beplanting en badinrichting. Het boek kent talrijke bijlagen vol tekeningen en lijsten, velen uitvouwbaar.  Wat Van Minnen pietluttig noemt, zou ik eerder omschrijven als nauwgezet, precies, punctueel.

In 1876 gaat Van Hengel met pensioen om vervolgens nog een poosje waar te nemen op Urk. Vandaar roept hij ‘vermogende personen van het Gooi’ op “een bijdrage te leveren ten behoeve van een tehuis waar oude vissers kunnen worden verpleegd”. Maar op Urk doet hij ook iets wat pas in 2005 wordt ontdekt. De Utrechtse hoogleraar Pieter Harting (1812 -1885) deed als o.a. bioloog en fysisch geograaf onderzoek naar de Urkers, omdat hij veronderstelde dat zij de afstammelingen zijn van de oer-Nederlander. Ten behoeve van zijn onderzoek ontvreemdde Van Hengel drie schedels uit Urkse graven ten behoeve van Hartings onderzoek. In een brief aan Harting maakt Van Hengel zelf melding van die ontvreemding èn ruil: hij verwisselde ze met drie Hilversumse schedels die hij met olieverf beschilderde om ze ouder te doen lijken. Het waren Urkers met historisch bewustzijn die in het Utrechtse universiteitsmuseum de Urker schedels hadden zien liggen en die actie zijn gaan ondernemen, hetgeen leidde tot het comité Urker schedels. Pas op 5 juni 2010 keerden de schedels op Urk terug, waar ze op 20 juli plechtig naar Urkse traditie werden herbegraven op het kerkhof van de kerk op de kop van Urk, bij het monumentale vissersmonument.

Wat is er nog van Van Hengel tastbaar over? Op de Oude Begraafplaats achter het postkantoor en de Kerkbrink vindt men zijn graf: nr.11, kavel 5. Maar geen steen! Die is er wel voor zijn rechterhand dr. Tresling, fors uitgepakt ook nog. Er is wel een plaquette aangebracht aan het pand waar hij destijds aan de Kerkbrink woonde en dat later een apotheek werd. En er is een laan naar hem genoemd.

unknown-1 unknown graf van Tresling

dr-van-hengel  hengel

 

Zandbergen / Jan Tabak

Ik heb geen hekel aan winkelen, maar wat ik echt leuk vind is ‘kringloop-winkelen’. Kringloopwinkels zijn er te kust en te keur, ook in Het Gooi. Afgelopen week wandelde ik weer eens die van mijn geboortedorp Huizen binnen. De boekenafdeling krijgt immer mijn meeste aandacht. Ik zoek naar drukwerk wat met de geschiedenis van Het Gooi in het algemeen en Huizen in het bijzonder te maken heeft. Ik vond exemplaren van het tijdschrift van de stichtingen ‘Tussen Vecht en Eem’ en “Vrienden van het Gooi’., waaronder een dik nummer over Bussum, mei 1983. Daarin een uitvoerig artikel van W.G.M. Cerutti over het gebied waar ik nu woon, over de geschiedenis juist ook van Zandbergen, de naam van de serviceflat, waarin ik woon. Die geschiedenis blijkt alles te maken te hebben met die van het fameuze Hotel Jan Tabak. Sterker nog: ‘Jan Tabak’ stond ooit op de plek, waar ik nu vanaf mijn balkon uitkijk op een rotonde, kloeke beuken, een voetbalveldgroot gazon met vijver, waarin dag en nacht de kikkers kwaken en scholeksters, eenden, witte kwikstaarten, merels, lijsters en duiven naar voedsel zoeken.

Het Gooi was eeuwenlang agrarisch gebied, voor het grootste gedeelte sinds 1300 in gemeenschappelijk gebruik, waaruit het fenomeen van de erfgooiers ontstond. Het Gooi kende vanouds vijf dorpen en een heuse stad. Huizen, Blaricum, Bussum, Laren, Hilversum, min of meer ‘onderdanig’ aan grote stadsbroer Naarden.  De dorpen zijn vanouds brinkdorpen, met er omheen de engen, waarop van alles verbouwd werd, daar weer omheen heidevelden (schapen) en op lagere gronden de meenten (weiden), de grootste bij Huizen. Naarden werd in 1350 verwoest tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten, lag al kwetsbaar voor overstromingen en werd ‘hoger’ gebouwd op de huidige plek. Zeer strategisch gelegen op de smalle corridor tussen moeras en veengebied en Naardermeer aan de weg naar Amsterdam,  de Duitslandroute (Hamburglijn). In 1142 werd al bepaald dat de stad een vrij schootsveld moest hebben om de vijand geen dekking te geven. Binnen een straal van 1750 meter mochten geen bouwwerken opgetrokken worden. De Spanjaarden veroverden de stad evengoed en moordden de bevolking uit. Na dat rampjaar 1572 werden de vestingwerken gebouwd, die een eeuw later niet bleken te voldoen, want de Fransen konden in 1672 de stad zonder slag of stoot veroveren. In 1685 werden nieuwe vestingwerken voltooid, waarvan we tot op vandaag kunnen genieten. Er kwamen twee toegangspoorten: de Amsterdamse en de Utrechtse poort. In die 17e eeuw kwam de weg van A’dam naar A’foort door de stad lopen. (Voorheen ging hij om Naarden heen door Bussum) Aan die weg woon ik dus, eeuwen een belangrijke schakel tussen Amsterdam, het oosten van het land en Duitsland, m.n. Hamburg. Personen, post- en goederenvervoer deed er 88 uur over om van Amsterdam in Hamburg of omgekeerd te geraken. De straatweg liep en loopt langs Bussum. Bussum was in de 17e eeuw een gehucht van 350 personen, terwijl Naarden ruim 2000 inwoners telde en  bestuurlijk en vooral ook economisch de baas over Bussum was. Wie in Bussum iets van de grond wilde krijgen had toestemming van de stad nodig, die om eigen inwoners te beschermen daar nog al zuinigjes, met voorwaarden omgeven, mee omging. Er was één man die doorzette en van de nieuwe verkeerssituatie ruimschoots wist te profiteren. Dat was Jan Jacobsz, een zgn. ‘flessiaan’, dwz slijter/caféhouder in Bussum. Zijn bijnaam was Toebaxman. Misschien verkocht hij naast drank ook tabak, misschien verbouwde hij zelf tabak, misschien was hij zelf een verwoed roker, misschien was en deed hij het allemaal: we weten niet hoe hij aan zijn bijnaam kwam. Hoe het ook zij deze Jan Tabak richt rond de tijd dat de vestingwerken klaar zijn, dus 1685 , een verzoek aan de vroedschap van Naarden om een logement te beginnen. De vroedschap gaat akkoord en Jan verlaat café annex slijterij en bouwt een logement een paar honderd meter buiten de vesting richting Amersfoort aan de linkerkant van de weg, langs de Galgesloot, tegenover de Galgesteeg. De steeg is nu de Godelindeweg, de sloot is er nog en loopt vanaf de Thierensweg/L.Hortensiuslaan langs het voormalig diaconessenhuis en nu nieuwe appartementen. Jan’s logement werd gebouwd precies op de plek waar ik nu woon. Hj noemde zijn herberg Sandbergen of Sandberg, vermoedelijk omdat het terrein toen nog al geaccidenteerd was en niet afgevlakt. In de volksmond werd zijn logement al spoedig Jan Tabak genoemd!

Op 30 maart 1692 logeert Constantijn Huygens de Jongere, sinds 1672 secretaris van stadhouder Willem III in Jan Tabak. In zijn Journaal geen woord over verblijf en het eten, maar alleen over “een lange meydt en een lange dochter”.  De naamgever en stichter van het logement overlijdt in 1701 en wordt op 9 oktober begraven in de Naardense Grote Kerk. Een broer of neef of wellicht zoon,  Piet Tabak, volgt hem op, daarna wordt diens zoon Jan de eigenaar. Halverwege 18e eeuw, eind van die eeuw en begin 19e eeuw vinden steeds verkopen plaats. Inmiddels was het meer dan een herberg alleen. Er was een kegelbaan bij gekomen, een kolfbaan en een tuin met hoge bomen, prieeltjes en plantage met lommerrijke lanen. Daardoor was het ook een aantrekkelijke plek voor de Naardense burgers. 

30f3614140eaad5527adf779522329fdbe10534d  Jan Tabak op de plek van Zandbergen

Op 18 oktober 1813 lijdt Napoleon een zeer gevoelige nederlaag bij Leipzig. De Fransen in ons land krijgen de zenuwen en beginnen weg te trekken. Het wordt hen zo benauwd dat ze zich in sommige plaatsen terugtrekken en verschansen, zo ook in Naarden. Baron Guétard de la Porte neemt zeker 2000 man met zich mee, zo’n beetje een verdubbeling van het inwonertal.  Bussum wordt geplunderd om aan voedsel te komen. En om een vrij schootsveld te hebben en zicht op troepenbewegingen wordt de omgeving ‘geschoren’. Een troepenmacht van Pruisen, Kozakken, Amsterdamse schutterij en Gooise boeren o.l.v. kolonel Van den Bosch vormde een blokkade rond Naarden. Daarbij gebruikten ze Jan Tabak als hoofdkwartier. De Fransen merken dat op en slagen er in om op 8 december het logement in brand te steken. Overigens is genoemde Van den Bosch ook de man die Frederiksoord stichtte, minister was en gouverneur in Indië. Op 12 mei 1814 gaven de Fransen zich over. Er was enorme schade. 

Aan het einde van de 18e eeuw kwamen op afgezande gronden kwekerijen op. Een zekere Jacob Bolten begon als eerste in Het Gooi met een bescheiden zaak iets voorbij Zandbergen, maar dan aan de andere kant van de Amersfoortsestraatweg. Dit Kweeklust lag waar nu de Brediusflats staan. Een boomkwekerij bezat deze Bolten op het huidige Rembrandtkwartier, gelegen tussen Amersfoortsestraatweg, Godelindeweg, Hortensiuslaan, Brinklaan en Brediusweg, een prachtige buurt van ruime huizen, vaarten en bomen. Nog steeds vinden we vrij veel kwekerijen langs de Naarderstraat vanaf de vesting tot aan waar nu oude gebouwen van de Chemische Fabriek worden afgebroken. Daar ook nog een kloek gebouw dat herinnert aan de in 1889 opgerichte Koninklijke Beetwortelzaadcultuur Kuhn en Co. De oprichter was een nazaat van de dochter van .J.P. van Rossum die in 1815 het terrein van Zandbergen na de verwoesting had gekocht. Hij was getrouwd in 1808 met een dochter van de eigenaar van het buiten Valkeveen. Het echtpaar kreeg tien kinderen, van wie de oudste dochter trouwde met een Dudok van Heel, een nog immer bekende familie in deze contreien. Van Rossum bouwt op het terrein van Zandbergen een buitenverblijf, verwerft nog meer gronden en gebouwen in de buurt, zoals Berghuis, een prachtig hoog huis schuin tegenover de vroegere Chemische fabriek. Zandbergen en Berghuis vormden een mooi aaneengesloten geheel,  onherstelbaar van elkaar gescheiden en verminkt door de aanleg van Rijksweg 1 om Naarden heen.  Het huidige Berghuis werd in 1913 gebouwd door de familie Dudok van Heel.

Van Rossum was een energieke duizendpoot, die naast de handel in suiker en tabak actief was in de bestrijding van de aardappelziekte door het invoeren van Amerikaanse soorten en zich manifesteerde in de aanschaf van grote gebieden ten oosten van Naarden, die hij liet verfraaien door de aanleg van tuinen, parken, panorama’s, lanen, maar ook benutte voor afgravingen.  Hij en zijn kinderen waren de eigenaars van buitens als Gravenveld, Venusberg, Oud- en Nieuw-Valkeveen, Flevorama, Berghuis, Schoonzicht en Kommerrust. Op de plek van het oude Jan Tabak bouwt Van Rossum villa Zandbergen. Later komt op die plek villa De Bongerd, bewoond door de familie Dudok van Heel, die ca 1960 wordt afgebroken en dan volgt dus de bouw van de serviceflat, ook weer Zandbergen geheten.

In 1826 bouwt de artillerie-commandant van Naarden, majoor P.F.de Seyff, een paar honderd meter van het oude Jan Tabak aan de andere zijde van de Amersfoortsestraatweg een nieuwe herberg, die hij Zandhoeve noemt. Hij krijgt concurrentie van een zekere J.W.Leenders die in 1829 grond koopt naast de Zandhoeve en daar een logement op  bouwt dat hij Nieuw Jan Tabak noemt. In 1835 brandt dit af en koopt majoor De Seyff, de geblakerde restanten van leenders, koopt nog wat extra grond er bij, in 1844 nog weer een stuk en zo ontstaat een behoorlijk terrein voor een nog groter logement. De Seyff geraakt in financiële moeilijkheden , moet de boel verkopen en in 1851 komt het logement in handen van A.Bredius, de eigenaar van buskruitmolen De Krijgsman bij Muiden en inmiddels ook al eigenaar van landgoed Oud-Bussum, in de 16e eeuw eigendom van Paulus van Loo, baljuw van Gooiland en drost van Muiden en daarna van de familie Hinlopen, bij wie Vondel regelmatig logeerde. Nog steeds zien we op gebouwen van het landgoed een hinde, een verwijzing naar die familie. Bredius koestert en verfraait zijn bezit. Een deel staat nog immer bekend als het Bosch van Bredius. De Brediusweg is nog steeds de belangrijkste weg vanuit Huizen het dorp Bussum in. Overigens werd vanaf het begin van het logement niet van Zandhoeve gesproken, maar altijd van Jan Tabak. Zandhoeve brandt af in 1858. Bredius bouwt op dezelfde plek een buitenplaats, dat hij in 1866 verlaat en als hotel Zandhoeve oftewel Jan Tabak verpacht. Met wat uitbreidingen en vernieuwingen is dat het hotel dat we tot in de zeventiger jaren van de vorige eeuw hebben gekend. In 1882 kwam de Gooische stoomtram (Gooische moordenaar genoemd, omdat er nog al wat mensen onder haar wielen verongelukten) langs Jan Tabak te lopen, wat de uitspanning nog geliefder maakte. In 1895 verkocht de kleinzoon van Bredius het gehele familiebezit aan Henry Tindal, die het al weer in 1901 van de hand moest doen. Het omvatte alle gronden ten noorden van de A’foortsestraatweg, vanaf het Beethovenpark tot en met het terrein van het Blindeninstituut en wat daar achter ligt tot en met Bikbergen, het IJzeren Veld en Tames tot aan de Sijsjesberg. Het kwam in handen van Van Woensel Kooy. Hij liet op het terrein van de oude hoeve Oud -Bussum door de bekende architect K.P.C. de Bazel de Hofstede of Melkerij Oud-Bussum bouwen, voltooid in 1906. Een modelboerderij, waarvan Floris Vos, volgens overlevering een voorvader van me, mede-directeur was. Van Woensel Kooy overleed echter al op 25 jarige leeftijd, in 1903. Het ging al snel bergafwaarts en in 1908 wordt het gehele bezit gesplitst  geveild, waarbij Oud-Bussum in handen komt van een Exploitatie Mij. En Jan Tabak eigendom werd van J.C.A van Aken. Deze laat het restaureren en het koetshuis afbreken. In 1918 komt het in handen van het echtpaar Van Buuren-Oostermeijer, die de accommodatie verbetert en ook tennisbanen laat aanleggen. Gedurende de oorlog vorderen de Duitsers het hotel. Op 30 maart 1945 raakt het ernstig beschadigd door een Engelse beschieting. Op 27 oktober 1945 kan Jan Tabak heropend worden, inmiddels in handen van het echtpaar Speerstra. Er vonden nog  meer renovaties plaats tot de exploitatie gestopt werd in 1977. In 1981 werd het afgebroken, maar op de plek verrees een Golden Tulip met dezelfde naam en nu is het een NH Hotel, met de officiële naam Jan Tabak. 

bht30_1h2t

 

 

En nogmaals nevenbedrijven visserij

Van mijn opa heb ik twee unieke voorwerpen geërfd van zwaar koper, die herinneren aan het feit dat mijn opa Vos naast boer ook voor de visserij werkte. Het is altijd aardig om deze voorwerpen aan gasten bij mij thuis te laten zien en hen te laten raden wat het zijn. Het zijn tangen die je als je ze opent een reeks uithollingen laat zien. Sluit je de tangen dan zie als je goed kijkt over de lengte tussen de handvaten en het scharnierstuk ragfijne gaatjes. Daarin goot je gesmolten lood die de uithollingen vulden en zo uiteindelijk verstijfden tot loden ‘kogels’ die dienden om de netten te verzwaren. Dat werk deed mijn opa en zijn voorouders; tevens werden op het terrein rond zijn boerderij de netten getaand – wellicht ook zeil en touw. Taan werd gemaakt van boombast en was om schimmel en verrotting te voorkomen. De boerderij van ons Vossen lag tussen de Melkweg en de Taanderstraat. Behalve taanderijen kende het dorp zeilmakerijen, waarvan Huizen er twee kende: dat van Loosman en dat van Goedhart. Het bedrijf van Loosman (vroeger Kok) was gevestigd ‘an de dijk’, dus aan de noordkant, waar de laatste huizen stonden. Die van Goedhart meer vooraan in het dorp aan de Havenstraat. Bij die zeilmakerijen kon men ook terecht voor het touwwerk, het lood soorten garen et. En dan waren er nog de scheepswerven. Na de aanleg van de haven kwam vijf jaar later de eerste werf, die van Boelen en Boissevain uit Amsterdam. In 1868 werd deze overgenomen door Jacob Schaap. Deze was aannemer en geen scheepstimmerman, maar met behulp van vaklieden uit Friesland en Kampen kon het bedrijf succesvol draaien tot 1924. In 1882 kwam een tweede werf, die van de firma Lindeboom en Kooy. Die laatste werf is uiteindelijk  in 1916 overgenomen door Joost Kok.  Op elf jarige leeftijd kwam zijn zoon Janus al op die werf te werken. Er worden botters gerepareerd en nieuwe gebouwd, niet alleen voor Huizen, maar ook voor Bunschoten, Volendam, Harderwijk, Elburg en Urk. De Laatste botter voor ons dorp kwam in 1918 van de helling. Voor Maassluis werd een Noordzeebotter gebouwd. In 1933 bouwde Janus Kok de laatste vissersbotter en was hij inmiddels al overgeschakeld naar de bouw van plezierjachten. En uiteraard wel het reparatiewerk aan vissersschuiten. Zoals eerder vermeld zag het gemeentebestuur nauwelijks toekomst voor de visserij en activeerde tot omscholing als bouwvakker. Die visie bracht ook mee dat men ook in de scheepswerf weinig toekomst zag. De werf was gevestigd op terrein die Kok in erfpacht had van de gemeente. Rond de haven rukte in de dertiger jaren de industrie op. De werf lag in de weg van deze moderne ontwikkeling. Kok wild niet wijken en kon  van Stad en Lande van Gooiland een stuk grond kopen aan de uiterste noord-oostzijde van de haven. Hij moest vervolgens een heel gevecht leveren om van de gemeente vergunning te krijgen voor het bouwen van een werf. De oude bouwloods werd herbouwd, maar ging in 1967 door brand verloren. Kok verwierf een grote faam in het bouw van otterjachten en de restauratie van ronde- en platbodems.

Nogmaals nevenbedrijven visserij

De gerookte vis moest aan de man gebracht worden. Dat deden de zgn. kruiers, die met kruiwagens op pad gingen en later ook met karren, waarvoor  paarden als ook honden gespannen werden. Die kruiers en karlui kenden een enorme actie radius. Circa 1900 waren er wel vierhonderd in het dorp, waarvan er zeventig Amsterdam aandeden, honderd Rotterdam, Den Haag, Leiden en Haarlem en veertig in Utrecht en omstreken. Men trok ook naar Tilburg, Den Bosch, Arnhem en Nijmegen. Van wie het afzetgebied te ver van het dorp lag bleef van maandag tot vrijdag weg en kwam in het weekend terug in het dorp. Er werd ook gevent in Duitsland, m.n. in het Ruhrgebied. Die zgn. Duitse kruiers handelden ook in kaas. De aanleg van spoorwegen zorgde voor meer mogelijkheden. De honden die hun leven sleten – letterlijk ook – onder de kar, werden na de werkdag gewoon de straat opgestuurd, waar ze overlast veroorzaakten, vooral s’nachts als ze het op kippen gemunt hadden. Dus kwam er een politieverordening die het verbood honden van 8 uur ‘s avonds tot 6 uur s morgens los te laten lopen. De karlui met paard en wagen vervoerden de vis vooral s nachts; de voerlui lagen half onder dekens voorin de wagen, de paarden kenden de weg; men reed in groepen en de voorste rekende af met de tolbazen en zo reed men in zes uur naar Utrecht. Er werd naast haring, (van februari tot Pasen) vooral in bot, aal en garnalen (van mei tot oktober) en s winters in  Noordzeevis als schelvis en kabeljauw, gehandeld.  In de Jordaan was levende garnaal een zeer gewild artikel. Men leverde naast burgers aan ziekenhuizen en instellingen; een visbakkerij leverde aan legerplaatsen in Amersfoort en Soesterberg. Na  WO. II waren er nog 150 visventers, waarvan zeventig in de naaste omgeving, veertig in Amsterdam en twintig elders. In 1977 was er nog slechts één over.  Vis werd kaas en zo ontstonden grote kaasventers, wereldbedrijven zelfs, zoals Westland, van wie de oervader nog een zetschipper was bij iemand anders.