Kansloos

Ajax moest zijn eigen spel werd gezegd. Een open deur; hoe zouden ze onder Bos anders moeten spelen?  Het is er nauwelijks van gekomen. Tegenover een jong team met een internationaal onervaren coach stond een team van ervaren, fysiek sterkere spelers en een coach, zo sluw als een vos, die al talrijke finales had gewonnen. De botsing van Onana met Veltman in de eerste minuut was al een slecht teken. En verrassend genoeg was het Manchester dat de eerste minuten druk zette. Dat verraste Ajax en maakte het team onzeker. Toen er eindelijk wat meer grip kwam ging Riedewald afschuwelijk in de fout en plots had Manchester wat het wilde. Van toen af aan werd het spel met de lange ballen gespeeld op Fellaini, waarbij anderen snel aansloten. Niet dat ze nog veel kansen kregen, maar wij kregen geen greep op het middenveld: Schöne wist zich geen raad met Fellaini en Klaassen niet met Pogba. Twee spelers die voor het Ajax-spel onmisbaar zijn kwamen te zwemmen en dus moest het op het middenveld van Ziech komen, die het dapper probeerde, maar dat nooit in zijn eentje kon bolwerken. Voorin stond Dolberg geïsoleerd of kwam zelf te weinig uit de dekking. Traore was de beste en af en toe kon Younes wel eens wat laten zien. Een snelle goal vlak na rust maakte aan alle illusies een einde. Het is anti-voetbal dat Mourinho liet spelen, maar het levert wel resultaat. En Ajax zal er meer mee te maken krijgen en wellicht is het dus toch beter versterking te zoeken op het middenveld, op zijn minst een speler er bij om een Fellaini uit te kunnen schakelen. Er was de hoop om een Manchester zonder Zlatan te kunnen overmeesteren, de hoop op een feest. het was de hoop op eigenlijk een wonder. Na de 0-1 geloofde ik het al niet meer en heb redelijk rustig de wedstrijd uitgekeken. Ofschoon ik met name Klaassen wel erg tegen viel vallen. Sanchez was verdedigend weer prima, opbouwend zwak, Veltman viel me zeer mee, maar genoten heb ik van de nog super jonge De Ligt. Een talent om de vingers bij af te likken. En er komen er nog meer aan van hoog niveau: Van de Beek (speelt Schöne uit het elftal), Frenkie de Jong ( uitstekende vervanger van Klaassen als die vertrekt), Nouri, Kluivert. Een extra spits er bij (Huntelaar?), een Neeskens-achtige middenvelder en een extra linksback en Ajax kan weer gaan sprankelen tot wederom een finale en die dan wellicht zelfs winnen. Blijmoedig voorwaarts dus!

Gedachten bij gedenken

Het verhaal – een op maat toegesneden samenvatting van haar boek Sunny Boy – van Annejet van der Zijl in de Nieuwe kerk gisteravond was indrukwekkend. Er werd prachtig gemusiceerd. Echt ontroerd raakte ik van het gedicht van de 16 jarige Nederlands-Turkse jongen uit Haarlem. Hij droeg het ook zo prachtig voor. Ik hield het eveneens niet droog bij het zien en horen van burgermeester Eberhard van der Laan. Hij is ernstig ziek en dat zag je, zeker nu met de linkerarm in een mitella; zorgzaam werd hij begeleid door wethouder Ollongren. Ik betrapte me ook op gevoelens van ongemakkelijkheid. Waarom wordt na de 2 minuten stilte de eerste krans gelegd namens het verzet? En de tweede namens de joodse slachtoffers? Waarom niet begonnen met laatstgenoemde? Elke oorlog kent helaas slachtoffers, ook aan de kant van gewone burgers. Maar deze oorlog en bezetting  die we met name herdenken was zo specifiek en dramatisch anders omdat mensen gewoon om wie en wat ze waren werden uitgeroeid. Daartegen kwam gelukkig verzet , maar we weten inmiddels al lang dat die veel kleiner was dan ooit gesuggereerd. Onderduikadressen waren er voor joden veel minder dan voor mannen die ontsnappen wilden aan de Arbeitseinsatz, zoals ook mijn vader, die daar overigens nauwelijks over wilde praten. Met het beginnen van een krans namens het verzet wek je toch nog steeds de suggestie of ons land echt verzetsland pur sang was. Of zoek ik spijkers op laag water? Een tweede gedachte van ongemak kwam bij me op steeds als ik de zeer sereen kijkende Maxima zag. Haar gezicht had een plooi die wel ingestudeerd leek. Was dat om een gedachte aan haar vader, vertegenwoordiger van een gewelddadig regime onder controle te houden? Of doe ik nu aan inlegkunde? Natuurlijk, zij is niet verantwoordelijk voor de daden voor haar vader, net zoals je omgekeerd vind ik verzetsdaden van je vader tot jouw trots kunt maken, je kunt  hooguit blij mee zijn dat die aan de goede kant stond, wat een hoop verwarring scheelt. Het brengt me wel op het punt wat we denken op zo’n moment van herdenken. Herdenken slaat op het verleden, de gedachten gaan terug. Tegelijk veronderstelt het ook en het wordt ook openlijk uitgesproken – zeker in de toespraak dit keer van Van der Laan – ‘dit nooit meer’. En dan ben je bij ‘gedenken’. Gedenken is het herdenken actualiseren, is bewustwording van het verschrikkelijke nu en wat er tegen te doen. Zo dacht collega Rikko Voorberg ook. En daarom begon hij een actie om aandacht te vragen van de slachtoffers van de in het Midden-Oosten immer voortwoedende oorlog, die ook ons treft, met name in het op onze deuren kloppen van hen die die oorlog ontvluchten. En wij doen mondjesmaat open, precies zoals ruim zeventig jaar geleden. En Voorberg heeft het geweten. Van onze doden en ons ‘feestje’ daarvoor moet je afblijven. Hij moest het aflasten en reduceren tot een kleine bijeenkomst in een binnentuin. Hij wilde helemaal geen alternatieve herdenking, maar een actualisering er van, een concreet maken in het hier en nu van de mantra: dit nooit meer’! Mij schiet een psalmregel in de oude berijming te binnen: ‘k Zal gedenken hoe voor dezen ons de Heer heeft gunst bewezen’. Wat de Heer ons bevrijdend heeft gedaan je te binnen brengen en daardoor weer toegerust bent Zijn Weg te gaan in het hier en nu. Dat is Bijbels gezien ‘gedenken’. Dat is vrij van vrijblijvendheid. Ontroering over toen leidt tot geroerd zijn door het nu, tot daar beroerd van worden. Dat wilde Voorberg en niemand minder dan rabbijn Lody van de Kamp was het met hem eens. Zijn actie heeft publiciteit gekregen, hopelijk ook met effect op een nieuw te vormen kabinet, zodat we ruimhartiger open staan voor de verdoemden aan onze grenzen. Het lijkt soms of de onverschilligheid tegenover vluchtelingen nu net zo groot is als toen tegenover de joden en hun lot. Tegelijk zijn er gelukkig velen die zich dat lot wel aantrekken, met name in de kerken, maar niet alleen daar. Voorberg neemt het voortouw: dat touw is lang genoeg om achter hem aan ook te grijpen.

In katzwijm voor Johan

Voor het blad Argus schreef ik het volgende stuk:

Het was een stralende, zonovergoten dag, zoals dat heet. Op het vliegveld van Wenen landde het een na het andere toestel uit Amsterdam. Het ware rood-wit kleurde het beton en de hal van Schwechat Airport en drong de bussen in naar de oude keizerstad. We schrijven 24 mei 1995. Voor de derde maal staan Ajax en AC Milan tegenover elkaar, nu in de wedstrijd waar het er echt op aan komt: de finale van het ‘financiële gedrocht’ (dixit Van Gaal) wat Champions League is gaan heten. Thans verheugt Ajax zich in de bruisende doorbraak van Justin Kluivert, toen was het zijn dan ook nog piepjonge vader die geschiedenis schrijft. Een puntertje op aangeven van zijn toenmalige mentor Frank Rijkaard brengt de ‘cup-met-de grote-oren’ (dixit Beenhakker) naar Amsterdam. Het is voor eeuwig geschreven in harten en hoofd van elke Ajax-fan en elke andere voetballiefhebber. Zeker bij diegenen die er getuige van waren in het Ernst Happel Stadion. Zoals ondergetekende, samen met de vier andere bestuursleden van de twee jaar eerder opgerichte Bobby Haarms Fanclub. En met good old Bert Haanstra, de fameuze cineast. Wij hadden voor twee dagen kamers geboekt en konden zo ook na afloop uitbundig de zege meevieren in het hotel waar de spelers de bloemen fors buiten zetten. De andere ochtend zaten we volkomen voldaan, maar nog onder de naweeën van adrenaline en alcoholische versnaperingen in de vertrekhal van Schwechat te wachten op een oproep ons naar onze gate te begeven.  Voor taxe free shoppen ontbrak elke puf en sommigen van ons dommelden weg. Ik was nog fris genoeg om op gegeven moment Johan Cruijff te zien lopen, ogenschijnlijk recht op ons af. Ik stootte Bert Haanstra, die naast me zat, aan. Zij kenden elkaar uit de tijd dat de jonge Johan met dat iele lijf tegenstanders en toeschouwers ondersteboven speelde en zich ontwikkelde tot beste speler ter wereld. Haanstra, fan gemaakt door zoon Rimko als schooljongen, draaide een film ( Polygoon-opdracht)over Ajax in hun tweestrijd tegen Real Madrid in 1967 (Retour Madrid) Johan was zeer geïnteresseerd in Haanstra’s werk en kwam bij hem thuis in zijn studio in Laren, gebouwd met het geld dat hij verdiend had met Alleman. Daarna ontmoetten ze elkaar nog wel eens. Op het moment dat Haanstra Cruijff ziet, ziet de laatste Haanstra en komt hij echt op ons af. De hele groep is uit de dommel herrezen. Nu zaten er rechts van ons ook een paar journalisten stukjes te tikken op hun laptop. Onder hen Willem Vissers, nu Volkskrant, toen ANP. Zij hebben inmiddels Cruijff ook ontdekt en voegen zich bij ons, waar Cruijff vooral in gesprek is met Haanstra. Zij dringen zich op, bestoken Johan met vragen. Maar hij negeert ze volkomen en blijft zich met ons, nu ja met Haanstra dus, onderhouden. Dan klinkt door de hal de oproep voor reizigers naar Barcelona. Cruijff neemt afscheid en loopt weg. Het groepje journalisten achtervolgt hem, met achterlating van hun laptops. Even flitst door mijn hoofd om achter één er van te kruipen en een stukje te tikken. Nu weer schiet me te binnen dat ik een beetje geschiedenis had kunnen schrijven door wat nepnieuws aan het scherm toe te voegen.

 

Kees Guijt

Op de warmste 30 maart sinds een eeuw wandelde ik maar weer eens naar e vogelkijkhut aan het Markiezaatsmeer. Over de hier en daar nog drassige weiden draafden vrolijk de wilde paarden en op het pad tussen bomen en struiken naar de hut liep ik door een concert van vinken, roodborstjes, merels, tjiftjaffen; ik hoorde en zag de eerste fitis dit voorjaar; canadezen ganzen vlogen in formatie luidkeels over; wilde eenden vlogen met geraas op en ik zag voor het eerst van mijn leven eindelijk een blauwborst. Op de bovenste tak van een struikachtige boom, aarzelend in blad gerakend zong hij zijn eigen hoogste lied. Met het blote oog kon ik hem al identificeren; de verrekijker gaf definitief uitsluitsel: blauwe keel en vossenrood aan de linker- en rechterzijde van de staart. Ik weet niet wat Edwin van der Sar gedaan heeft op deze wonderschone lentedag. Het kan maar zo zijn gedachten gingen naar zijn oom Kees Guijt, die vijf jaar geleden op 58 jarige leeftijd aan een hartstilstand overleed. Toen Edwin nog keeper was bij Ajax werd zijn oom trainer van het Voorhoutse vv Foreholte, waar Van der Sar als kind speelde. (ook keeper Rob van Dijk begon daar overigens) Kees Guijt werd geboren in Katwijk en speelde met twee broers in het eerste van vv Katwijk; hij ontwikkelde zich tot een robuuste verdediger, die in 1976 de overstap maakte naar FC Volendam; hij speelde negen seizoenen aan de dijk, waarvan er vier in de eredivisie. Hij was dus zeer vertrouwd met de Heen en Weer. In 1985 ging hij naar AZ. In 1977 stond hij nog in de belangstelling van Ajax. In zijn Volendamse tijd was hij trouwens ook nog gewoon schilder; Edwins vader werkte als verfmenger bij Histor! Begin tachtiger jaren werd Bobby Haarms bij Ajax weggestuurd en werd assistent-trainer in Volendam en leerde zo Guijt kennen. In de beginperiode van Van der Sar bij Ajax vroeg Haarms aan Guijt om zijn toen nog wat onzekere mentaal en fysiek onder handen te nemen (Haarms was door Cruijff in 1985 weer teruggehaald). Zondag a.s. zal Van der Sar wellicht de hand schudden van een andere Katwijker: Dirk Kuijt. Voor hem heeft Ajax nooit belangstelling gehad, m.i. ten onrechte. Bij Katwijk speelt overigens wederom een Guijt: Danny, zoon van Kees, die eerder bij Top Oss, RBC, Cambuur en Willem II speelde. Opmerkelijk: zowel Katwijk als Volendam spelen in oranje shirts.

The day after

Veel van wat ik voorvoelde en voorspelde is uitgekomen. De diverse peilingen gaven het ook wel aan, maar die vragen altijd om een korrel zout. Dat Baudet en Hiddema in de blauwe luxe stoelen zullen gaan plaatsnemen vreesde ik op het laatst ook. Helaas dus meer hautaine blaaskakerij in de Tweede Kamer. Gelukkig hoeven we niet te luisteren naar de meer ordinaire blaaskakerij van Roos. Denk vind ik griezelig, omdat ze het wel over verbinden hebben, maar hun gedrag is er totaal niet haar. Hoewel te voorzien was dat de PVDA klappen zou krijgen, is het verlies van 29 zetels onthutsend groot. De strijd om het leiderschap vond ik oliekoekendom en voorzitter Spekman bepaald geen reclame voor de partij, maar verklaart, dunkt me, maar ten dele deze ontluisterende deconfiture. De SP heeft er totaal niet van geprofiteerd; GroenLinks heeft zeker veel potentiële PVDA-kiezers aangetrokken en er zijn er velen die PVV hebben gestemd, zo lijkt het. Een grondige analyse is voor Asscher c.s. hard nodig, die m.i.  moet teruggaan naar de tijd van Kok, toen hij opzichtig aankondigde de partij van z’n ideologische veren te ontdoen. Gezien wat er op het spel staat- Europa, vluchtelingen, klimaatverandering – is het echt de tijd om een progressieve beweging tot stand te brengen, waarin PVDA, D66 en GroenLinks een plek gaan vinden. Mij viel op dat Buma de winst zo triomfantelijk vierde dat het leek of hij premier geworden was, terwijl de winst in feite een relatief herstel betekent, na de gigantische val die deze partij ruim vier jaar eerder maakte. Deelname aan een kabinet onder leiding van de slimme en vaardige Rutte ( met op de achtergrond zijn mogelijke en nog slimmere opvolger Dijkhof) kan maar zo leiden tot een terugval bij de volgende verkiezingen. Dat lijkt me ook het dilemma voor GroenLinks. Het is buitengewoon knap wat Klaver heeft gepresteerd. Maar in deze opgang zit de neergang al opgesloten als de partij gaat toetreden tot een kabinet, waar zeker de VVD leidend zal zijn. Hun partijprogramma is zo radicaal dat er veel ingeleverd zal moeten worden, wat door de kiezers de volgende keer genadeloos kan worden afgestraft. GroenLinks doet er goed aan nog een tijd in de oppositie te blijven. Ik denk dat Klaver de boot ook zal afhouden en dat we te maken krijgen met een kabinet van VVD,CDA en D66, aangevuld door de Christen Unie, die ik graag wat meer zetels had gegund. Eerlijkheidshalve zeg ik er bij dat ik ze ook niet geholpen heb, want zoals ik al decennia doe, heb ik D66 gestemd. Niet in alles ben ik het met m’n partij eens, maar een gezonde visie op Europa, de grote nadruk op onderwijs, wetenschap en innovatie, hervorming van de arbeidsmarkt, het echt willen aanpakken van het energievraagstuk en een liberale kijk op ethische zaken hebben mijn rode potlood gestuurd. Ik ben zelfs lid van de partij en kan ook nu wel onthullen dat ik zelfs op de kandidatenlijst stond, als nr. 59, dus negen plekken verwijderd van diegenen die op het stembiljet kwamen.

 

BWV 102 – Herr, deine Augen sehen nach den Glauben

Het is de derde cantate die ons is overgeleverd voor de 10e zondag na trinitatis. De andere twee – BWV 46 en BWV 101 – kwamen ten gehore in resp. 1723 en 1724. Deze is uit 1726. Na een paar jaar enorm productief te zijn geweest voor de zondagse eredienst komt er in het voorjaar van 1726 wat eigen cantates betreft de klad in. In die periode voert Bach 18 cantates uit van zijn achterneef Johann Ludwig Bach uit Meiningen. De teksten zijn waarschijnlijk van diens broodheer, de graaf van Saksen-Meiningen. Medio 1726 gaat de Leipziger Bach zelf weer aan de slag, maar wel met gebruikmaking van teksten uit de Meininger bundel. Zo dus ook BWV 102. Kenmerkend voor dit soort cantates is dat ze uit twee delen bestaan en zo worden uitgevoerd , met de preek als verbinding. Het eerste deel begint met een tekst uit het OT, het tweede met een NT’sche tekst. In BWV 102 volgt de preek -afwijkend – na de de tekst uit het NT, waarschijnlijk op verzoek va de toen dienstdoende predikant. De evangelielezing is het verhaal van Lucas 19 (41-48), waarin Jezus de verwoesting van Jeruzalem aankondigt en de geldwisselaars uit de tempel ranselt. In het grafelijk libretto staat de oorzaak van de verwoesting centraal: het zondig gedrag van het volk Israël (OT) en hun ongeloof in Jezus als Gods zoon (NT). Maar dat gedrag en ongeloof geldt in de cantate alle ongelovigen. In het eerste deel horen we een vermaning, in het tweede deel een oproep tot boetvaardigheid. De cantate kent een streng en grimmig karakter, een verwijzing naar bevrijding in Christus is er nauwelijks. De sopraan, vertegenwoordiger vaak van de zich vrolijk overgevende gelovige, verschijnt niet ten tonele. Bach verwerkt later geschikte delen in één van zijn zgn. Lutherse missen, wat hij ook doet met de cantates BWV 79, 179 en 187. Zijn zoon Carl Philipp Emanuel voert BWV 102 aangepast een paar maal uit in Hamburg (1776/7 en 1781). En de cantate behoort met de nrs. 100 en 101 tot de eerste drie in 1830 gepubliceerde cantates, dus ver voordat het Bachgesellschaft in 1850 aan haar grote project begon.

1. KOOR
»Herr, deine Augen sehen nach dem Glauben!
Du schlägest sie, aber sie fühlens nicht;
du plagest sie, aber sie bessern sich nicht. Sie haben ein härter Angesicht denn ein Fels und wollen sich nicht bekehren.«

Jeremia 5: 3 wordt uitgewerkt in een omvangrijk en complex openingskoor, voorafgegaan door een instrumentale inleiding (Sinfonia) van twee hobo’s, strijkers en continuo), waar het koor zich  met de eerste tekstzin bij invoegt. Dan volgen twee fuga’s op de 2e en 3e tekstzin, ingebed in homofone koorblokken, waarbij de 1e zin als hoofdzin domineert in herhaalde terugkeer, op de melodie waarmee de instrumenten in maat 1 al beginnen. De gehele tekst wordt tenslotte als geheel ingebouwd in de Sinfonia herhaald. Het is wederom een enorm staaltje van Bachs kunnen, door Dürr terecht beschouwd als één van de “grossen Leistungen des reifen Bachs”. Dit stuk verwerkt  Bach zonder scherpe kantjes in het Kyrie van de Mis in g (BWV 235).

2. RECITATIEF (B) 
Wo ist das Ebenbild, das Gott uns eingepräget,
Wenn der verkehrte Will sich ihm zuwiderleget?
Wo ist die Kraft von seinem Wort,
Wenn alle Besserung
weicht aus dem Herzen fort?
Der Höchste suchet uns
durch Sanftmut zwar zu zähmen,
Ob der verirrte Geist
sich wollte noch bequemen;
Doch, fährt er fort in dem verstockten Sinn,
So gibt er ihn ins Herzens Dünkel hin.

3. ARIA (A)
Weh der Seele,
die den Schaden  nicht mehr kennt
Und, die Straf auf sich zu laden,
Störrig rennt,
Ja von ihres Gottes Gnaden
Selbst sich trennt.

In het recitatief bezingt de bas dat de naar Gods ‘Ebenbild’ geschapen mens vervallen is tot zijn tegendeel, daar niet aan beantwoord. Van Bes-groot gaat het dan ook naar bes-klein. In de aria gaat de alt een dialoog aan met de hobo in een waarschuwende aanklacht. De hobo opent met een dissonante Des, die de alt in het ‘Weh’ overneemt.. Dissonanten blijven terugkeren, en vreemde sprongen: het schrijnt en maakt ongemakkelijk , je schuift er a.h.w. van op je stoel.                                                                           “In de Mis in F (BWV 233) keert de muziek van deze aria terug als Qui tollis, met een verwant ‘negatief’ affekt: een bezinning op ‘s mensen zondigheid i.p.v. de ontkenning ervan. De muziek is een toon omhoog getransponeerd, een sopraan vervangt de alt, de hobopartij is strakker en bijvoorbeeld de dissonante inzet is milder gemaakt” (Van Hengel)

4. ARIOSO (B) 
»Verachtest du den Reichtum seiner Gnade, Geduld und Langmütigkeit?
Weißest du nicht, daß dich Gottes Güte zur Buße locket?
Du aber nach deinem verstockten
und unbußfertigen Herzen häufest dir selbst den Zorn auf den Tag des Zorns und der Offenbarung des gerechten Gerichts Gottes.
«

De tekst is nu Romeinen 2: 4-5 en de bas fungeert als de Vox Christi. Hij wordt begeleid door een strijkkwartetten de maatsoort 3/8 geeft het een Vivace- karakter (levendig). Dat in tegenstelling tot de stevige  vingerpriemende vragen van de tekst. Zo’n contrast tussen tekst en muziek komen veel vaker bij Bach tegen. Is dat hier een vorm van wegkijken van de tekst, zoals Van Hengel oppert? Een soort ontwijken van de scherpte of verzachten, zodat het toch niet zo hard aankomt? Of komen de vragen dan juist beter aan?                      ”De ‘verstokt’-heid wordt drastisch geïllustreerd door het geheel tot stilstand komen van de muziek (m.80vv), met een – tegen alle compositieregels in – viervoudige herhaling van drie noten op verschillende woorden.
In de continuocello, overigens in rustige achtsten en kwarten voortstappend, horen we - tot 21 maal toe – een figuurtje dat door de bas wordt voorzien van de tekst Langmütigkeit, het kernbegrip van het stuk. Zelf illustreert bas dit woord met een vier of vijf maten lange noot; het vraagteken verklankt Bach zoals gebruikelijk met een afsluiting op de kwint (dominant) in plaats van de grondtoon (tonica). Wanneer dat voor het eerst gebeurt (m.52) zelfs gevolgd door een veelzeggende maat stilte (generale pauze).
Het woord locket wordt (m.72vv) verbeeld met een enkele malen herhaalde, uitnodigende rust op de eerste tel” (Van Hengel)

DEEL II

5. ARIA (T) 
Erschrecke doch, 
Du allzu sichre Seele!
Denk, was dich würdig zähle
Der Sünden Joch.
Die Gotteslangmut
geht auf einem Fuß von Blei,
Damit der Zorn hernach dir desto schwerer sei.

“Mochten Bachs kerkgangers tijdens de vaak één uur durende preek zijn ingedommeld dan zullen ze daarin niet worden gestoord door het prettig melodische ritornel waarmee de traverso tenoraria (5) inleidt. Maar de muziek van de all zu sichre Seele wordt ruwonderbroken door de tenor die hem met paniekerige motiefjes en grillige sprongen uit zijn lethargie poogt te wekken: Erschrecke doch. (Om met dit woord te kunnen binnenvallen heeft Bach de eerste twee regels verwisseld.)
De aria is (modern!) ‘doorgecomponeerd’ (durchkomponiert): de drie tekstregels worden achtereenvolgens in drie vocale perioden behandeld en er is geen (da-capo) herhaling van de eerste regel maar alleen van het inleidend ritornel. Gottes Langmuthwordt slechts terloops vermeld, de meeste aandacht gaat uit naar zijn Zorn waarvoor de traverso tijdelijk uit zijn rol valt met een stekelige illustratie (m.68vv) en waarvan de schwer-heid wordt onderstreept door hakkende toonherhalingen, en lange melisma’s.
Bij een heruitvoering van de cantate in 1737 verving Bach de traverso door een violino piccolo maar dat lijkt meer een praktische verlegenheidsoplossing dan een verbetering;  met een viool als soloinstrument bewerkte Bach het stuk tot het Quoniam van de Mis in F (BWV 233); hij fatsoeneerde daarbij de hoekige tenorpartij” (Van 
Hengel)

6. RECITATIEF (A) 
Bei Warten ist Gefahr;
Willst du die Zeit verlieren?
Der Gott, der ehmal gnädig war,
Kann leichtlich dich vor seinen Richtstuhl führen.
Wo bleibt sodann die Buß?
Es ist ein Augenblick,
Der Zeit und Ewigkeit,
der Leib und Seele scheidet;
Verblendter Sinn, ach kehre doch zurück, Daß dich dieselbe Stund
nicht finde unbereitet!

De alt maant niet te lang te wachten met boetvaardigheid, want tussen tijd en eeuwigheid ligt slechts één ogenblik. Voor je het weet is het te laat. De twee hobo’s voegen er een smekend motiefje aan toe; de steun van het continuo laat op zich wachten. Toch klinkt de muziek redelijk vriendelijk. De waarschuwing is eigenlijk een hartelijke uitnodiging.

7. KORAAL
Heut lebst du, heut bekehre dich,
Eh morgen kömmt, kanns ändern sich;
Wer heut ist frisch, gesund und rot,
Ist morgen krank, ja wohl gar tot.
So du nun stirbest ohne Buß,
Dein Leib und Seel dort brennen muß.

Hilf, o Herr Jesu, hilf du mir,
Daß ich noch heute komm zu dir
Und Buße tu den Augenblick,
Eh mich der schnelle Tod hinrück,
Auf daß ich heut und jederzeit
Zu meiner Heimfahrt sei bereit.

Met de de coupletten 6 en 7 van het boetelied it 1630 van Johann Heermann – ‘So wahr ich lebe, spricht dein Gott – sluit de cantate af. de melodie is van het bekende ‘Vader unser im Himmelreich’. De instrumenten doen volop mee, waarbij de hobo’s de sopraanstem versterken. In het eerste couplet is sprake van ‘du’ en is vermanend van karakter; het tweede van ‘ich’ en heeft het karakter van een ootmoedig gebed. terecht noemt Van Hengel de harmonisering  ”opvallend kleurrijk”.

 

 

Doellijn

‘Na het zure komt het zoet’, zei Balkenende in een vorige verkiezingscampagne. Doelman Zoet dompelde in één armbeweging heel PSV in een bijtend zuur. Door doellijntechnologie. Het zal me niet verbazen als dit woord in de Dikke Van Dale een stevige plek zal veroveren. Kandidaat ook voor het woord van het jaar.

Al bijna zestig jaar ben ik hartstochtelijk toeschouwer van voetbalwedstrijden en zie reikhalzend uit naar het passeren van ballen  tot achter de doellijn van de tegenpartij. Hun zuur mijn zoet. In mijn kindertijd was mijn vader vrachtwagenchauffeur en nam voor mij Essoplaten mee, waarop de elftallen van o.a. eredivisieclubs waren afgedrukt. Ik viel direct voor die van Ajax, met mannen als Ger van Mourik, Wim Bleijenberg en Wim Anderiessen jr, die ik jaren later bij mijn club leerde kennen en niet zo lang geleden de doellijn van het leven passeerden. Vanaf 1958 geen mooier rood-wit dan dat van Ajax. Tegelijk was mij het groen-geel van de FC. Huizen dierbaar. En niet het rood-groen van de Zuidvogels, de andere club van het dorp. (In het zaterdagvoetbal speelt IJsselmeervogels in het rood-wit van Ajax, in mijn jeugd de concurrent van Huizen; in de eredivisie speelt ADO in het groen geel dat aan Huizen doet denken, maar ADO  is weliswaar geen echte concurrent van Ajax, maar wedstrijden in met name Den Haag zijn altijd beladen en doet me hun kleur overdreven gesproken pijn aan de ogen)  En dat groen-geel zag ik in mijn kindertijd- en jeugdtijd eens in de twee weken schitteren zaterdagmiddag op sportkamer De Wolfskamer, met langs één lange zijde de natuurlijke tribune van een oude Zuiderzee-duin. Maar als jochie stond of zat ik daar nooit. Mijn plek – met talrijke andere jongens – was achter het doel van de tegenpartij. We verdrongen ons er achter tot zelfs vóór de afrastering. En wij waren de ‘hawk-eye’ van onze club, wij waren de doellijn-watchers, de doellijntechneuten optima forma. Ons ontging niets. Wij wisten als eersten of een bal – zo’n zware leren nog, met veter – de doellijn had gepasseerd; wij waren de eerste met de armen juichend om hoog. Wij zagen ze opduiken: Jan Visser en Piet Veerman, spitsenhelden van mijn kindertijd, en verwoestend uithalen of doeltreffend raak koppen. En als een corner gegeven werd, riepen we enthousiast: ‘halve goal’! En als hij vanaf links genomen werd juichten we nog harder. Dan werd een halve goal vaak een hele. Corners van links werden genomen door Arie Bout, rechtsbuiten, ook van het Nederlands zaterdagelftal en hij trapte altijd inswingers, waarnaar de Zoeten van toen slechts konden grabbelen en met een zuur gezicht  de bal achter zich vonden , tegen de touwen. Inswingers:je ziet ze nooit meer. Andere opvattingen over corners, betere keepers? Soms stond je naast het doel. Gevaarlijke plek.  Ik voel nog die keren dat de leren knikker doel vond tegen mijn tere jongensballetjes. Doellijntechnologie: voor mij hoeft het niet. Zet er maar jongens (en meisjes) neer. Haviksogen hebben ze. Op hun gejuich kan een scheidsrechter met gerust hart naar de middenstip wijzen. Overigens smaakte na het zoet van een overwinning het gebruikelijke lekkerbekje bij de avondboterham des te lekkerder.

Kapper

Met zekere afgunst kijk ik naar mannen van mijn leeftijd die nog in het bezit zijn van een volle bos haar. Het haar is toch een soort kroon op je hoofd, op je hele gestalte. Het is je glorie. De bijbelse Nazireeër is een speciaal aan God gewijde man, die zijn haar moet laten staan. Het is de zetel van zijn ‘gewicht’ en kracht. Simson is zo’n man, die zijn kracht verliest en daarmee zijn functie als Delila het bij hem wegscheert. Als het tijdens zijn gevangenschap weer gegroeid is, krijgt hij zijn kracht terug en is hij in staat om een tempel vol voorname Filistijnse tegenstanders te laten instorten. Ik zou me zelf geen Nazireeër durven noemen, ofschoon je je kunt afvragen of een predikant ook niet een aan God gewijde is of is dat te rooms gedacht? Een predikant is een V.D.M (Verbi Divini Minister), een ‘dienaar van het Goddelijk Woord’, maar hij wordt ingezegend en niet ingewijd, maar wordt door gemeenteleden vaak nog wel gezien als een ingewijde, op een voetstuk geplaatst en dan kan het misgaan, vooral als hij zelf in zijn heiligheid gelooft. Enfin, bij mij groeit het haar niet meer in volle glorie, ik moet het kort houden. Er valt weinig eer aan te behalen en dus geef ik er zo weinig mogelijk geld voor uit en neem bij tijd en wijle plaats in de stoel van een allochtone 10 euro-kapper. Door het vaardig hanteren van de tondeuse ben ik in 5 minuten weer toonbaar voor de buitenwereld. De naam van de kapperszaak is Oscar, maar waarom hij zo heet? De eigenaar en man die me altijd onder handen neemt heet absoluut niet zo, maar kent een moslimnaam. Is hij Marokkaan, Algerijn, Irakees, Koerd: ik zou het niet weten. Hij is vriendelijk en vaardig en met regelmaat wordt het haar van de klanten bijeen geveegd. Maar dat doet altijd de ravissant donker opgemaakte vrouw die er werkt en vrouwelijke klanten helpt. Het wordt kennelijk als vrouwenkarwei gezien. Als ik haar dat zie doen, keren mijn gedachten altijd terug naar de kapper uit mijn kindertijd. Kapper Bout, een neef van mijn moeder, met een knecht, Aart Vos, die volgens mijn vader beter knipte dan Bout. Ik vond het heerlijk om naar de kapper te gaan. Mijn haar groeide toen nog wel welig, maar het werd ook toen goed kort gehouden, waarbij behalve de tondeuse vooral ook de schaar zijn werk deed. De kapper raakte je hoofd aan en dat vond ik aangenaam. Wachten op je beurt vond ik eveneens een genoegen: ik genoot van het geklets en gekeuvel (geroddel) van de mannen die ook op hun beurt wachtten, waarbij de kapper zich ook niet onbetuigd liet. Knecht Vos was veel zwijgzamer en ook dat vond juist mijn vader aangenamer; hij hield niet van het ‘geouwehoer’ en vond moeders neef ook een beetje een zije sok. Met grote regelmaat werd het gevallen haar bijeengeveegd, de kapper trok plots een luik open en met een grote zwiep verdween al ons haar in een donker gat. Fascinerend vond ik dat. Hoe groot was dat gat? Wat gebeurde er met al dat Huizer haar?  Bij Oscar verdwijnt het in een zak. Haar van goede kwaliteit wordt gebruikt voor pruiken of extensions, weet ik nu. Was dat toen ook al zo? Ik weet niet meer wat voor blaadjes er toen bij kapper Bout lagen. Ik kan me niet voorstellen dat in het oerdegelijke, orthodoxe Huizen ondeugende blaadjes op de tafel lagen. Of misschien toch ook al zo’n blad als De Lach? Roddelbladen werden kappersblaadjes genoemd. Maar die waren er in de vijftiger jaren nog niet. Bij Oscar liggen ze wel, naast van die glossy’s vol modellen van kunstig geknipte koppen. Ik hoop er zo weinig mogelijk tijd voor te hebben, omdat ik nu niet meer graag op een beurt wacht. En er heerst de stilte van een wachtkamer bij de tandarts. Daarom ga ik nooit op vrijdagmiddag en zaterdag, want dan zit de zaak vol met pubers van allochtone en autochtone herkomst die wekelijks de kapper bezoeken om hun ijdelheid bot te vieren. Patroontjes in het haar bijwerken; de nieuwste trends laten aanbrengen, de geringste haargroei trimmen. Die minuscule stukjes haar die op de vloer dwarrelen zullen vrees ik nooit een nieuw leven als pruik verwerven. Elke suggestie van een Simsonkop wordt rigoureus uitgebannen. En ik moet eerlijk zeggen, dat ik daar ook met zekere afgunst naar kijk: koppen, glorieus in hun artistieke frisheid.

Zwarte ibis

Eindelijk licht en lucht van voorjaar. De geur van gras kriebelde voor het eerst tot spontane niesbuien. Ik liep met vriend Rob over de paden en weiden van het Bentwoud in een voor het eerst aangenaam zonnetje en een lichte bries om het hoofd. Hier en daar nog sneeuwresten. Een modderig parkeerterrein vol auto’s van hondenuitlaters en van een paar vogelspotters, die zich met hun enorme telelenzen hadden geposteerd en niet van hun plek kwamen. Wij zwierven en wij zagen ze wederom: blauwe kiekendieven, van de vrouwelijke kunne. ‘Er moeten ook mannetjes zijn’, zei zo’n aan de ‘grond genagelde’ spotter, toen we hem passeerden. ‘Ik heb verdorie een uur onder m’n schuilnet gezeten en heb niets gezien’, zei een ander die er nu de brui aangaf. Wij zagen van heel dichtbij een torenvalk op de uitkijk zitten van een boomtop: prachtige spiedende ogen, schitterend verenkleed, extra opgelicht door het middaglicht.  Een buizerd wiekte ons voorbij en weer zagen we kiekendieven zweven, de witte stuit duidelijk zichtbaar en kenmerk van de vrouwelijke variant. Intussen al zwervend een uur lang uitgewaaid. Maar het mooiste moest nog komen. Vriend Rob stuurde naar de Starrevaart, dwars door het aan een wetering liggende Stompwijk, waar een carnavalsoptocht van over tien dagen pontificaal werd aangekondigd. We sloegen rechtsaf om over de A4 de vaart, die geen vaart is maar een plas, te bereiken. Er stond een jongeman met telelens naar iets te loeren. Wij keken en zagen: hij had zwarte ibissen in het vizier! De auto gestopt en ons bij hem gevoegd. Vier van deze van oorsprong Zuid-Europese vogel stonden met hun wulpachtige kromme snavel in het drassige weiland naar voedsel te pikken. Een nomadische vogel die in ons land niet broedt en eigenlijk in april-juni of september- november hier sporadisch waargenomen kan worden nu vol in het vizier op Valentijnsdag! 

Unknown

 

De middag was nu al goed, maar de Starrevaart bracht nog meer vogelgenot. In de ruime kijkhut een viertal oudere Leidenaren – duidelijk hoorbaar aan hun tongval – met prachtige telelenzen en ons zeer behulpzaam bij het spotten van een keur aan eendensoorten. Naast talrijke smienten zagen we wintertalingen, tafeleenden, slobeenden, brilduikers, pijlstaarten en nonnetjes dobberen. Pijlstaarten hadden Rob en ik nog nooit gezien en de anderen nog nooit zo van dichtbij. Opgewekt en met verende tred liepen we weer naar het parkeerterrein. Terug in Leiden bij mijn auto was een oud mannetje een verwilderde boereneend aan het voederen en op de terugweg naar huis zag ik bij Alphen aan de Rijn een boer die voor het eerst een tiental koeien de wei in had gestuurd. Het was een wonderschone middag!

Unknown-1  wintertaling

Unknown-2  pijlstaart

Unknown-3  slobeend

Unknown-4  tafeleend

Unknown-5  brilduiker

Unknown-6  nonnetje

Kiekendieven

Voor vogelliefhebbers is het bijna een ‘must’: de Vogeldagboeken van Adri de Groot. Adri de Groot woont in het Groene Hart in de buurt van Zoetermeer en trekt er dagelijks op uit met zijn telelens om vogels te spotten en te fotograferen. Hij ‘vangt’ de meest bijzondere gevederde vrienden en zet prachtige foto’s op zijn website, waarop je je gratis kunt abonneren. De meeste van zijn vogelvondsten treft hij aan in het natuurgebied De Wilck bij Hazerswoude, het Bentwoud bij Benthuizen, het Westerpark in Zoetermeer en de Starrevaart bij die plaats. Regelmatig reist hij ook af naar het havengebied van Scheveningen.  Nieuwsgierig geworden naar deze plekken vol verrassingen toog ik gisteren met vriend Rob, woonachtig in Leiden, naar een paar van die plekken. Eerst naar De Wilck, waar Rob vaak komt om te vissen en daar Adri ontmoette met zijn telelens. Op drie punten staan roestige schermen op een verhoging met kijkgaten. Door het drassige ruige weidegebied kun je wandelen, mits de toegangshekken niet vergrendeld zijn. Helaas is dat nu het geval. Vanwege de kleine zwaan die er is neergestreken. De Groot was er nu niet en helaas konden we de zeldzame kleine zwaan ook niet in het vizier van onze kijkers krijgen. Wel duizenden smienten, honderden kieviten en een  groot aantal grote zilverreigers. Vanaf twee plekken zochten we het natuurgebied af, aanvankelijk miezerde het nog, maar spoedig trok de lucht open en koesterden we ons in een bleek zonnetje. Na een voortreffelijke uitsmijter in De Egelantier te Hazerswoude-Dorp trokken we naar het Bentwoud, een recent aangelegd natuurgebied, met een rand van hoge bomen, bosjes van jonge bomen en gronden van riet en ruigten, doorsneden door sloten en wandelpaden. Het parkeerterrein stond aardig vol met auto’s van hondenuitlaters, maar er verschenen ook meerdere vogelaars, de meesten uitgerust met telelenzen. Een vrouw vertelde ons dat zij bij Bleiswijk fraters had gespot en liet ons de foto’s er van zien. De Groot had ze onlangs in Scheveningen weten te ‘vangen’. Een man met snor kwam gretig op ons af, in zijn kielzog zijn vrouw met het gezicht van iemand die graag iets anders had gedaan. “Zijn hier ook roofvogels?” Zonder kijker kon je torenvalken zien hangen, wegwieken of rusten op een paal of boomtak. Maar hij bedoelde buizerds. Mijn hemel, buizerds, moet je daarvoor naar het Bentwoud. Het miegelt in ons land van de buizerds. En zie daar, daar klapwiekt ook in het Bentwoud aan onze snufferd voorbij. Veel interessanter is dan de mededeling van een man die zegt dat er blauwe kiekendieven moeten zijn. De vrouw van de fraters is intussen ons voorbij gestiefeld en heeft haar telelens op de driepoot gezet en roept opeens dat ze bruine kiekendieven heeft gespot. En ook een ijsvogel. Die is inmiddels gevlogen en krijgen we niet in het vizier. Wel die kiekendieven. Twee stuks, zwevend, rustend, opvliegend. Maar dat zijn geen bruine, maar de beloofde blauwe: een vrouwtje en een jong. Aanvankelijk gingen we mee met de determinatie van het frater-vrouwtje, maar met name Rob had al snel zijn twijfels. Dan is het handig een vogelboek bij je te hebben en toen werd duidelijk dat het frater-vrouwtje dan wel een enorme telelens meetorste en wij slechts kijkers (wel goede), maar dat het nog niets zegt over de kwaliteit van het waarnemen. Daar kun je bij Adri de Groot wel van op aan en dus is het dagelijks openen van zijn mail immer een opwindend genot.