Vorstenhuizen 9

Voor leden van nog functionerende koningshuizen is een zekere wereldvreemdheid geen manco, aldus Alexander von Schönburg. Het wordt pas onaangenaam voor deze hoogheden als zij in het ‘voorgeborchte’ tussen koninklijk verleden en burgerlijke existentie verkeren. Alexanders eigen echtgenote bijvoorbeeld telt bijna alleen koningen en keizerinnen onder haar voorgeslacht, onder wie de heilige Elisabeth van Thüringen en koningin Victoria en ze is in een familie groot geworden die sinds zo’n duizend jaar daarop geconditioneerd is om in een paleis te wonen, waarbij derhalve alle dagelijkse beslommeringen van hen afgenomen worden door hulpvaardige lieden. Sinds twee generaties echter moet haar familie zich staande houden in een burgerlijke wereld, waarvoor ze niet gepredisponeerd is. Het erfelijk gebrek aan aandacht en bekommernis voor de banale details van het dagelijks leven. Deze handicap leidt er bijvoorbeeld toe dat men in een trein stapt naar Frankfurt an der Oder, terwijl men naar Frankrijk am Main wil. 

We hadden het eerder over de degeneratie van koningen vanwege inteelt. Het was koningin Victoria die dat gevaar al zag voor de ontdekking van de gentechnologie. In een brief aan haar oudste dochter Vicky, de moeder van keizer Wilhelm II en betbetovergrootmoeder van Von Schönburg vrouw, schrijft ze dat het haar uitdrukkelijke wens is dat er donkerogige prinsen en prinsessen voor haar kinderen gevonden worden. In navolging van haar echtgenoot zegt ze dat alleen maar blonde haren en blauwe ogen het bloed lymfatisch maken. “We hebben een beetje sterk bloed nodig”. Een precieze voorstelling van wat er mis was met het bloed van de Engelse koninklijke familie zal Victoria niet gehad hebben. Het huidige onderzoek is daarin veel verder. In de zestiger jaren van de vorige eeuw verscheen ‘George III and the Mad-Business’ van Richard Hunter en Ida Macalpine. Hun these luidt dat George III (1738-1820), die als voorvader van Victoria as krankzinnig de geschiedenis is ingegaan,, niet leed aan schizofrenie of aan een psychose, maar aan een aan inteelt gerelateerde stofwisselingsstoornis leed, genaamd porphyria. Een van de verschijnselen van de ziekte is manische aanvallen. De Britse historicus John C.G.Röhl ondernam een poging om te bewijzen dat het gehele nageslacht van Victoria leed aan een neiging tot porphyria. Maar daarvoor had hij ontlasting nodig, omdat de ziekte alleen vast te stellen is aan een enzym die aan ontlasting vast te stellen is. Aangezien Queen Victoria negen kinderen had, die zelf ook zich flink hebben voortgeplant, zijn er thans zo’n achthonderd nakomelingen, onder wie ook de kinderen van Von Schönburg. Vrijwel niemand was bereid Röhl zijn of haar excrementen te verstrekken. Droogkomisch schrijft Von Schönburg : “Leider werden wie wohl nie wissenschaftliche Gewissheit darüber erlangen, warum Prinz Charles mit Blumen spricht”.  

De eerste Engelse koning uit het Huis Hannover, George I (1660-1727), sprak geen Engels en was gewend in Hannover zonder ‘storend’ parlement te regeren. In Engeland kon hij het parlement moeilijk afschaffen en dus besloot hij überhaupt niet te regeren en zich elke avond te bezatten met meegebracht bier uit Hannover. Zijn opvolgers zo schrijft Von Schönburg waren bijna allemaal of enigszins krankzinnig, een beetje zwakzinnig of allebei tegelijk. George II (1683-1760) haatte alles wat maar naar ontwikkeling en wetenschap rook. Zijn vrouw, Caroline von Ansbach, moest stiekem lezen. Als de koning haar betrapte op dit heimelijke genoegen, barstte hij uit in een woedeaanval. De opvolger van ‘Mad King George’, George IV (1762- 1830) ging de geschiedenis in als de grootste hypochonder van zijn tijd, op de voet gevolgd door zijn nicht Queen Victoria, die ook nog onder zware depressies leed. Haar zoon ‘Bertie’, de latere Edward VII (1841-1910) gold als kind als opvallend als ‘lernfaul’ (te lui om te leren), later ontwikkelde hij een enorme vraatzucht en diverse tics. Zo kende hij de gewoonte om van al zijn gasten hun exacte gewicht te documenteren. Berti’s oudste zoon Albert Victor, bijgenaamd Eddie, gold zelfs in de ogen van zijn ouders als een uitgesproken ‘Schwachkopf’. Zij deden hun uiterste best om hem vooruit te helpen, huurden de beste leraren van het land in om hem klaar te stomen voor een studie in Cambridge. Allemaal tevergeefs, blijkens een door zijn ouders zelf uitgebracht bulletin, waarin vermeld staat dat ” Zijne Koninklijke Hoogheid moeite heeft te begrijpen, wat met het begrip ‘lezen’ bedoeld wordt”. Eddie overleed noch eerder dan zijn vader en dus werd deze opgevolgd door George V (1865-1936) De grootvader van de huidige koningin was totaal niet geïnteresseerd in geestelijke zaken. Zijn totale onwetendheid op het gebeid van politiek, wetenschap en cultuur koesterde hij als een ereteken. Zijn oudste zoon, Edward, beschouwde het als z’n eerste plicht het wilde leven van de twintiger jaren voluit te benutten, terwijl zijn jongere broer Henry zijn dagen hoofdzakelijk doorbracht met het kijken naar tekenfilms. Koning Olaf van Noorwegen liet hij eenmaal een uur wachten, omdat hij zich niet kon losmaken van een Popeye the Sailor -film.  Edward was overigens maar kort koning, vanwege zijn huwelijk met de al tweemaal gescheiden Amerikaanse Willis Simpson. Zijn broer Albert volgde hem als George VI  (1895-1952) op. Deze stotterde, maar de vader van Elisabeth bleek een gelukstreffer en bleek de meest ‘normale’ van alle Hannovers inmiddels Windsors. Met zoveel zonderlingen is het eigenlijk verrassend, aldus Von Schönburg, dat onder deze vaak weinig competente vorsten Groot Brittannië kon uitgroeien tot een machtig wereldrijk en heden ten dage over een monarchie beschikt die waarschijnlijk tot de stabielste van allen behoort. Waarschijnlijk ligt het geheim van een functionerende monarchie juist niet in de wijsheid van de man of vrouw op de troon, maar daarin dat het ambt van koning zo groot is, dat de persoon van de vorst daarachter verdwijnt. “Entscheidend für einen König ist schlicht dass er da ist, das man ihn sieht, so wie den Kirchturm über der Stadt”. Volgens Max Weber ligt het beslissende voordeel van een constitutionele monarchie boven een republiek juist in het feit dat zijn betekenis symbolisch van aard is. Hij begrenst het machtsstreven  van politici formeel daardoor, dat de hoogste positie in de staat eens voor al bezet is. Deze functie is politiek gezien “die praktisch wichtigste”.

 

Vorstenhuizen 8

‘Waarom mag een koning niet al te intelligent zijn?’ is de titel van het vierde hoofdstuk uit het boek van Alexander von Schönburg. Bij mij riep die titel direct de persconferentie uit het geheugen, waarop Maxima Willem Alexander als ‘een beetje dom’ kwalificeerde. Alexander begint zijn hoofdstuk met de aanbeveling van zijn inmiddels gestorven zwager, vorst Johannes von Thurn und Taxi, met de Zweedse koning Carl Gustaf uitsluitend te praten over auto’s. De schrijver dacht dat zijn zwager overdreef, tot hij de koning zelf ontmoette in het huis van een Duitse neef van de koning aan het Starnberger Meer. Voor de deur stond een nagelnieuwe Maserati. De koning was nogal zwijgzaam. Wat hij zei was slechts dit: “Morgen rijden we over de Tauern-autobaan richting Italië, brrrrm,brrrm!”. Iedereen knikte vriendelijk en ging vervolgens verder met hun gesprek. Enkele minuten later hoorden ze de koning opnieuw opgewekt mededelen: “En overmorgen rijden we via Milaan naar Florence, brrrmm,brrmm, brrmmmmm!”.                           Volgende anekdote: Het Deense kroonprinsenpaar Frederik en Mary brachten een bezoek aan de EU-commissie in Brussel. Na afloop stelt de Deense pers wat banale vragen. Maar, schrijft Von Schönburg, prins Frederik verstaat de kunst die banaliteit in zijn antwoorden te overtreffen. ‘Wat heeft het bezoek u gebracht’? ‘Wij hadden heel veel….eh .. aan het bezoek; we hebben in ieder geval een …eh …een idee gekregen, ook op lichamelijke aard en wijze. Wij hebben ook de , hoe heten ze ook al weer, oh ja, de commissarissen ontmoet. Heel aardig. Spannend! Ik bedoel  om ze te horen als we bijeenwaren bij spijs en drank, zoals men zegt’. Von Schönburg voegt er fijntjes aan toe dat de onnozelheid van de Deense kroonprins – als men bedenkt hoe intelligent en ontwikkeld zijn moeder is – enigermate verrassend is, zeker ook omdat zijn vader helemaal niet uit zo’n oude familie afkomstig is, dat hij het recht heeft gedegenereerd te zijn. 

Ontwikkeling – Bildung met een goed Duits woord – genoot volgens de schrijver alleen aan het Franse hof enige achting. Aan de andere hoven werd daar met minachting op neer gekeken als ordinair. Typisch voor de meeste Europese hoven was veeleer figuren zoals de laatste koning van Saksen, Friedrich August III, die, die toen hij bij zijn bezoek aan de tentoonstelling van de ‘Blaue Reiter’ in Dresden aan Franz Marc werd voorgesteld aan deze vroeg: ” Waarom heeft U de paarden blauw geschilderd?”. Toen de kunstenaar antwoordde : ” Zo zie ik dat, majesteit”, zei de vorst:  ” Och, arme man, heeft u dat al lang?”  Ander voorbeeld: Keizer Ferdinand I van Oostenrijk – de ‘Goedmoedige’ genoemd – schoot tijdens een jachtpartij een arend uit de lucht. Toen men hem het dier presenteerde, was hij bitter teleurgesteld dat de vogel maar één kop had, op zijn familiewapen had hij er toch twee! Van deze goedmoedige Ferdinand is in de literatuur slechts één samenhangende zin te vinden: “Ich bin der Kaiser, und ich will Knödel!”

Ter verontschuldiging moet wel aangevoerd worden dat vanwege de dynastieke huwelijkspolitiek , die eeuwen lang min of meer op een systematische incest uitliep, nauwelijks grote geesten voortgebracht konden worden. de in 1914 in Sarajevo vermoorde kroonprins Franz Ferdinand heeft zich daar eens over uitgelaten: “Wanneer iemand van ons een huwelijkskandidaat op het og had, werd er in haar of zijn stamboom altijd wel een kleinigheidje gevonden, die een huwelijk verbood en zo komt het dat bij ons man en vrouw zeker twintig keer aan elkaar verwant zijn. “Das Resultat ist, das von den Kindern die Hälfte Trottel ( sukkels) und Epileptiker sind”. De kroonprins zelf doorbrak die politiek door onder zijn stand te huwen met een eenvoudige gravin, de oergroottante van Von Schönburg.

Vorstenhuizen 7

We vervolgen onze gang door het nog immer fascinerende boek van Alexander von Schönburg  over koningen en vorstenhuizen. In hoofdstuk drie stelt hij de vraag hoe koningen opgroeien. De Hertog van Saint-Smon, die de schrijver typeert als de voorvader van de moderne roddeljournalistiek en aan het hof van Lodewijk IV opereerde, was de mening toegedaan dat de grootste bedreiging voor koningskinderen ‘het afschuwelijke gif van de aartsslijmerij’ is. Dat daar zit veel in, aldus Van Schönburg. Van de opvoeder van Lodewijk IV is bekend dat hij niet zelden al ‘ja’ zei, voordat zijn leerling een vraag stelde. Het slijmen en vleien kwam vooral tot grote blok aan het Habsburgse hof in Wenen. Het was een permanente bron van vermaak in de Weense Kaffeehaus-Society.  Alfred Polgar, een Oostenrijks-Joodse journalist, die zijn land in 1938 ontvluchtte, bedacht een beroemd geworden spel voor in genoemd café: ‘Der Erzherzog wird geprüft’. Een speler nam de rol op zich van examinerende geschiedenisprofessor, een ander de rol van aartshertog. De professor moest voor de hertog een vraag bedenken, die onmogelijk fout beantwoord kon worden. De hertog wint als hij toch in staat is een fout antwoord te geven, de professor als hij in staat is het foute antwoord zo te interpreteren dat deze toch juist was. Von Schönburg geeft het volgende voorbeeld: “Keizerlijke hoogheid, hoe langt duurde de dertigjarige oorlog?”. “Zeven jaar”. “Helemaal goed, keizerlijke hoogheid! Want toen werd er niet ‘s nachts gevochten, waarmee de helft van de oorlogstijd al wegvalt. Ook op zon- en feestdagen werd niet gevochten en wanneer we ook nog de historisch vastgelegde gevechtspauzes er af trekken, komen we precies op zeven jaar. Gefeliciteerd, keizerlijke hoogheid”!

Prins William studeerde op Eton en daarvan is bekend dat eenmaal een van zijn schilderingen, gemaakt tijdens het kunstonderricht, in de bibliotheek werd tentoongesteld. Zijn leraren loofden hem als een begaafd schilder, te vergelijken met Mark Rothko. William was zelf geschokt: hij was nimmer van plan om abstract te schilderen, hij wilde een huis schilderen, waartoe hij niet in staat was. Dit gedrag van zijn leraren correspondeerde ook niet met wat hij en Harry van hun moeder leerden, namelijk een zo normaal mogelijk leven en behandeling. Het gedrag past ook eigenlijk niet bij Eton, waar weliswaar kinderen uit rijke aristocratische families en die van buitenlandse heersers studeerden, maar waar onderling geen rangonderscheid wordt gemaakt. Williams grootmoeder kreeg nog privéles, zijn vader werd naar het bitter strenge ver in Schotland gelegen Gordonstoun gestuurd, William genoot bescherming in het op loopafstand van Windsor Castle gelegen Eton, waar pubers omgeschoold werden tot jong volwassenen. Zijn universitaire studie voltrok zich niet in Cambridge of Oxford, maar in het Schotse St.Andrew’s, publicitair gezien veel meer in de luwte. Met een paar vrienden, onder wie Kate Middleton – een dochter van een zakenman, met wie William op 29 april 2011 in het huwelijk trad, wat haar de titel Hertogin van Cambridge opleverde – huurde William een klein studentenkot en profileerde zich als kok van spaghetti met tomatensaus.  De pers liet hem behoorlijk met rust. Wel verschenen om de paar maanden foto’s, tot plezier van heel Engeland, waarop we o.a. zien dat de prins in de supermarkt familiepakken chips en sixpacks bier- ‘also den Grundnahrungsmitteln des durchschnittlichen Engländers’ – , inslaat, die hij , zoals de pers gretig noteerde, ‘met kleingeld uit eigen zak betaalt’. William is een enorme motorliefhebber. Op een Dayton 600 of een Honda Blackbird raast hij graag door het land en wordt daarbij ook wel eens vanwege snelheidsovertreding aangehouden. Niets liever heeft hij dan ‘normaal’ behandeld te worden en dus gewoon een boete te krijgen. Hij is teleurgesteld als de politieman als e prins zijn helm heeft afgezet salueert en hem onbestraft verder laat rijden, wat in de regel het geval is.

Het hoofddoel van koninklijke opvoeding ligt volgens Von Schönburg van ouds niet op het overdragen van de meest omvattende ‘Bildung’. Het zich ‘in de salon’ gedragen en opstellen vormt de hoofdmaart, behoort tot kern van de ‘koningsdiscipline’. Altijd goed gemutst zijn, nooit chagrijnig, een geïnteresseerde indruk maken, ook wanneer een gesprek dodelijk saai is. Aan het Deense hof heeft men een efficiënte trainingsmethode ontwikkelt om ongeïnspireerde gesprekken op niveau te houden. Er wordt geoefend met leren fauteuils, waaraan een kaart bevestigd is met opschriften als “de Engelse ambassadeur’, ‘de bisschop van X’, ‘de president van het gerechtshof’ etc. Wie het voor elkaar krijgt om met een meubelstuk te spreken, is voor het leven in de salon goed toegerust. De huidige Deense koningin Margarete leerde als jong meisje, met haar zusters en andere verwanten in de koningsloge van de opera de indruk te wekken van een gezelschap met levendige gedachtenuitwisseling. Zij wenden zich aan fluisterend tot honderd te tellen. “1,2,3,4,5,6″, fluisterde de kroonprinses. “7,8,9,10,11″, antwoordde haar jongere zuster. “12,13,14″, zei haar jongste zus. Enzovoort. Het werkte voortreffelijk, het publiek was verrukt over de koningskinderen: ‘wat onderhouden ze zich onderling goed’!

Tsaar Nicolaas I  vatte onbedoeld komisch zijn opvoeding als volgt samen: “Eigenlijk zijn wij opgegroeid als elk ander kind, afgezien natuurlijk daarvan, dat elk van ons vanaf de geboorte de beschikking had over een kindermeisje, twee dienstmeiden, vier kameniers, een ziekenzuster, twee butlers, acht dienaren, twee persoonlijke gardisten en acht chauffeurs”. Het kindermeisje of nanny is een verschijnsel van de 19e eeuw,  door Catharina de Grote geïntroduceerd. Zij had een sterke voorliefde voor kindermeisjes uit Engeland.  Daarna werd het mode, wereldwijd. De Engelse nanny had volgens de schrijver een obsessie met frisse lucht, havermout en thee en veroverde daarmee de kinderkamer. Nanny’s stamden – in tegenstelling tot de gevreesde gouvernantes – meestal uit arbeidersmilieus en zorgden met hun resolute aard voor opruiming in de weinig kindgerichte praal en pronk van het hof. Ethel Howard, een legendarische nanny aan het Pruisische hof en later in Japan, zag het als haar voornaamste taak voor heilzame onrust te zorgen in de kinderkamer. Als ze er achter komt dat de aan haar toevertrouwde prins nog nooit sneeuw in zijn handen heeft gehad, liet ze hem, terwijl het hem niet was toegestaan, in de vrieskou naar buiten gaan voor een paar emmers sneeuw en die naar de bovenste etage van het Neue Paleis in Potsdam te dragen voor een opwindend sneeuwballengevecht in de kinderkamer.                                                            

Nanny’s waren geliefd, gouvernantes gehaat. Zij stamden hoofdzakelijk uit verarmde adel, wat hen een diepgeworteld ressentiment gaf tegenover hun broodheren. En dat leefden ze uit op hun kinderen, samen met de eveneens gehate huisleraren. Ze voelden zich ook verheven boven de nanny’s. Vanaf hun zevende kwamen de kinderen onder hun schrikbewind, waaruit de prinsen ontsnapten als ze oud genoeg waren voor de cadettenschool; de prinsessen moesten hun kwellingen veel langer ondergaan en doorstaan. Midden 20e eeuw begonnen de vorstenhuizen hun jongens naar internaten, hun meisjes naar pensionaten te sturen, de meeste gouvernantes werden overbodig. Nanny’s functioneren nog tot op de dag van vandaag.

Vorstenhuizen 6

Een regeringsvorm gebaseerd op erfopvolging heeft behoefte aan legitimatie daarvan. De vooraanstaande antropoloog sir James George Frazer heeft aangetoond dat vanouds over heel de wereld het koningsschap gezien werd als een heerschappij van goddelijke oorsprong. Deze voorstelling is zo oud als de mensheid zelf. De vroege Germaanse vorsten waren er van overtuigd zelf van goden af te stammen. Die goddelijke status van vorsten gaf ze ook de rol van middelaar tussen god en mens. De vorst was altijd tegelijk een magiër, een priester. Zo’n bevoorrechte positie is of lijkt benijdenswaardig, maar is tegelijk zeer precair. Het volk verwacht dat de vorst garant staat voor zon en regen op de goede tijden in verband met een goede oogst; voor gezondheid zorg draagt. Zo niet, dan kan dat voor hem onaangename gevolgen hebben. Het koningsschap is zodoende wellicht vaker een last dan een lust. De vorst leeft in een gouden kooi en in een rituele dwangbuis. De Japanse Mikado’s hadden daar al vroeg wat op gevonden door de last van het keizerschap op de hals te leggen van hun nog onmondige kinderen en de uitvoering van de macht in de handen te leggen van de shogun. In West-Afrika is het nog steeds zo, schrijft Alexander von Schönburg, wiens boek we nog immer volgen, dat als een koning sterft een familieberaad wordt gehouden voor het aanwijzen van de opvolger. Die gekozen wordt wordt vervolgens vast gepakt, geboeid en in een hut geworpen, waar hij gevangen gehouden wordt totdat hij instemt met zijn verkiezing. Van prins William is bekend dat hij een behoorlijke aversie had en wellicht nog heeft tegen zijn voorbestemming. Het schijnt dat hij eens in familiekring die aversie kenbaar maakte en dat zijn jongere broer Harry toen gezegd heeft: ‘If you won’t do it, I will’.  Von Schönburg refereert vervolgens dan aan een uitspraak van Erasmus over het koningschap: ‘wie zich zelf geschikt acht daarvoor, is juist het minst geschikt’. Dat brengt mij op een interview die ik met VPRO-collega Ger Jochems jaren geleden had met kardinaal Daneels in het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen. In die tijd was Johannes Paulus II dermate ernstig ziek, dat het kwestie van tijd was dat gezocht moest worden naar een opvolger. De speculaties in de media daarover waren al vol aan de gang. Eén van de gedoodverfde kandidaten was de beminnelijke Daneels. Hij was zogezegd ‘papibele’. Nu luidt het gezegde ‘wie als paus het conclaaf binnen gaat, komt er als kardinaal weer uit’. Wij vroegen Daneels wat die geruchten met hem deden, hoe hij er mee omging. Hij sprak toen de onsterfelijke woorden: ‘wie paus wil worden is of te seniel of te jong en ambitieus om te beseffen wat het inhoudt; de lieve Heer zelf zou niet eens het willen zijn’. Het priesterlijke koningschap van de Germaanse volken is door de komst van het christendom een zware slag toegebracht, zo schrijft Van Schönburg. Een heidense dwaalleer, die ooit helemaal verdwenen is, maar vooral in het volksbewustzijn zijn rol bleef spelen. Denk ten onzent aan het nog immer bij velen levende drievoudig snoer God, Nederland en Oranje. De hele Bijbel kun je lezen als verzetsliteratuur tegen een goddelijk gesanctioneerde ongebreidelde macht.  De machtsvraag speelt vanaf het begin: wie heeft het voor het zeggen en wat heeft hij te zeggen, met het oog waarop en op wie. Denk alleen al aan de Jozefgeschiedenis en aan de strijd met Farao. De God wiens Naam inhoudt er te zijn voor zijn volk, voor mensen, is de ware Koning. ‘School voor koningen’ heet terecht het boek van F.O. van Gennep over de Samuël-boeken. Het volk wil zijn als de andere volkeren en willen een echte koning van eigen vlees en bloed, hebben niet maar genoeg aan de Naam als hun koning. Die koning krijgen ze, maar de eerste de beste, Saul, blijkt niet te voldoen aan hoe de Ene het koningschap ingevuld wil zien. Dan volgt David, de minst geschikte. Jezus, als ultieme zoon van David, beantwoordt ook niet aan ons natuurlijk beeld van een koning. Een schertsfiguur eigenlijk, met een kribbe als wieg, een executiepaal als troon en daartussen een zwervend bestaan zonder vast woonadres, laat staan een Huis ten Bosch, Buckingham Palace, een Vaticaan. 

Vorstenhuizen 5

Je kan dan wel als toekomstig koning geboren zijn, het is nog geen garantie dat je het wordt , zekere niet waneer. Prins Charles lijkt te moeten wachten tot hij een ons weegt. Als zijn moeder zo oud wordt als haar moeder dan is hij over de tachtig als hij eindelijk gekroond kan worden. Als hij er dan nog zin in heeft en zijn beurt aan ‘Fikkie’ geeft, aan zijn oudste zoon derhalve. Ik heb de indruk dat Charles zich wel vermaakt, maar al decennia is zijn leven wat de troon betreft gelijk een stationair draaiende auto: tot een echte rit komt het niet. Een tragisch voorbeeld, zo schrijft Alexander von Schönburg, wiens boek we nog steeds volgen, kent Charles in Friederich III van Pruisen, gehuwd met de oudste dochter van Koningin Victoria. Die stond z’n hele leven te trappelen van ongeduld om zijn vader te mogen opvolgen en plannen ontwierp om in tegenstelling tot zijn vader van Duitsland een liberale, constitutionele monarchie te maken naar Engels model. Als dan zijn vader eindelijk de laatste adem uitblies en hij z’n droom kon verwezenlijken, kreeg hij al spoedig kanker en stierf na een ambtsperiode van slechts 99 dagen. En zo kwam zijn zoon Wilhelm II voor decennia op de Duitse troon.                                        De huidige queen is zelf ook een goed voorbeeld van de ironie van de geschiedenis. Haar oom Edward was als oudste voorbestemd voor de troon, besteeg die ook als Edward VIII in 1936, maar moest daar een jaar later weer vanaf dalen vanwege zijn voorgenomen huwelijk met de al tweemaal gescheiden Amerikaanse Wallis Simpson. En zo was het de beurt aan Elisabeths vader Albert, de stotteraar, die als George VI tot aan zijn dood in 1952 Buckingham Palace bewoonde. Tot verdriet van zijn vrouw, ook een Elisabeth, die Edward z’n escapade haar leven lang kwalijk heeft genomen. Deze ironie der geschiedenis, die vaker voorkwam, wordt passend bij zo iets als een koningschap gezien als een ‘ingrijpen van hogerhand’. Een oeroude gedachte, substantieel onderdeel van de mythologie en ook te vinden in de Bijbel, in de figuur van David, die juist als jongste tot koning geroepen en gezalfd wordt.  Het oudst bekende historische document  ( 4000 voor Christus), waarin het woord ‘koning’ voorkomt, een Sumerische koningslijst, begint met de woorden: “Wanneer het koningschap eenmaal vanuit de hemel is neergedaald …”.           Deze kern van het koningschap illustreert Van Schönburg aan de hand van de ontluisterende geschiedenis van de Franse revolutie op dit punt. In de herfst van dat jaar rammen soldaten met rode mutsen de deuren kapot van de basiliek van St.Denis, waar sinds eeuwen de Franse koningen hun laatste rustplaats vinden. Ze worden gevolgd door een hysterische mensenmassa, die zich stort op de graven, ze openbreken om die te plunderen. Er valt echter niet veel te halen, want de koningen werden slechts in een eenvoudige lijnwaad begraven. De eerste vroegere ‘tiran’ die het moet ontgelden is Henry IV ( Hugenoot geworden, die weer katholiek werd – Parijs is mij wel een mis waard, kundig koning, tolerant:Edict van Nantes). Toen de eikenhouten deksel van zijn kist opensprong bleek zijn lijk na 180 jaar nog in opmerkelijk goede conditie. Hij werd als een pop tegen een pilaar gezet, waar op een aantal dagen het gepeupel zijn woede kon botvieren. Wat er toen nog van over was werd in een drie meter diep graf naast de kerk gesmeten. Lodewijk XIII was als volgende aan de beurt, maar die moet zo gestonken hebben, dat men hem met rust liet. Bij Lodewijk XIV werd zijn buik opengereten en een soldaat trok hem een zwart geworden tand uit om die als een trofee de opgewonden massa te tonen.  En zo ging men door, van de ene vorst naar de andere.  Bijna alle symbolen van het meer dan duizend jarige koninkrijk werden vernield, maar als men niet dat ene attribuut zou bemachtigen en vernietigen zou de revolutie onvoltooid blijven. Dat attribuut betrof een flesje.  Een glazen flesje van een paar centimeter, gevuld met een roodachtige substantie. Volgens de overlevering bevatte dit flesje de olie, waarmee de Merovinger koning Clovis I eind vijfde eeuw gezalfd werd na zijn doop tot christen. De legende wil dat deze olie door de Heilige Geest in de vorm van een duif aan de dopende bisschop geschonken was. Alle koningen na Clovis werden met de zelfde olie tot koning gezalfd. Een zalving, waarmee het Franse koningshuis zich verbonden wist met het Bijbelse davidische koningsschap. Von Schönburg schrijft dat weliswaar de Franse geschiedschrijving sinds de Verlichting de historiciteit van de mythe van het koningsschap belachelijk had gemaakt, echter de bezetenheid waarmee jacht gemaakt werd op de ampul toont aan dat de kracht van de mythe ook onder sceptici nog hardnekkig voortleefde en dat het voortbestaan van dat kleine flesje  een gevaar voor de republiek zou blijven. Dat flesje bevond zich niet in St.Denis, maar in Reims. Op 16 september 1793 wordt per decreet besloten een voormalige protestantse predikant, ene Ruhl, een Duitse Elzasser, de opdracht te geven naar reims af te reizen om de ampul zeker te stellen en te vernietigen. Op 7 oktober van dat jaar werd de bevolking van Reims samengeroepen op het voormalige Place Royale om de vernietiging bij te wonen. Ruhl beklimt onder tromgeroffel de sokkel van het voormalige ruiterstandbeeld van Lodewijk XV, toont de joelende menigte de ampul, die hij betitelt als ‘heilige rammelaar van een nar’, houdt een vlammend betoog, laat zich door de burgemeester een hamer aanreiken en slaat vervolgens de ampul in stukken. Echter: er waren een paar veel minder radicale revolutionairen, die voor Ruhls komst zoveel mogelijk balsem uit het flesje hebben gehaald en overgegoten in een nog kleiner flesje en die hebben verstopt tot het einde van de revolutie. Tot 1970 bevond dat flesje zich in de schatkamer van de aartsbisschop van Reims, sinds 1970 kan men het achter pantserglas bewonderen in het stadsmuseum van de stad. Conclusie van Von Schönburg: ” Erst durch diepe Musealisierung hat man der Ampulle ihren Zauber geraubt. Die Revolutionäre damals haben ihn durch ihre Jagd verstärkt”.

Vorstenhuizen 4

“Hoe wordt men koning?”, is de vraag die Alexander von Schönburg in het tweede hoofdstuk van zijn juweel van een boek beantwoordt. Als met het einde van de Eerste Wereldoorlog ook het Ottomaanse Rijk aan zijn eind komt, vragen in Europa meerdere tronen om nieuwe bezetting. De Albanese regering zet daartoe een opmerkelijke stap: ze plaatst een advertentie in de Evening Standard, waarin men leden van de  Engelse landadel oproept te solliciteren. Helaas komen de meeste reacties vanuit de Londense ‘grachtengordel’ en van o.a. een conservatief parlementslied en een Amerikaanse fabrikant van blikken doosjes. Met de kroon van Griekenland wordt onder alle vorstenfamilies van Europa geleurd “wie Sauerbier”. Uiteindelijk komt men uit bij prins Georg von Schleswig-Holstein, die pas toestemt om naar Athene te vertrekken als zijn oom, de koning van Denemarken, dreigt zijn maandelijkse toelage te schrappen. Bulgarije heeft nog meer moeite een passende koning te vinden. Eerst wordt Alexander von Battenberg, uit het Huis Hessen-Darmstadt, op de vers geschapen troon gezet, maar daar al na zeven jaar van verdreven. Een Russische groothertog, een Deense prins en een Roemeense vorst bedanken vervolgens feestelijk voor de eer. In wanhoop zwerven de Bulgaarse scouts van slot naar slot, tot ze in een Weens koffiehuis stuiten op prins Ferdinand von Sachsen-Coburg. Een uitstekende kandidaat, zo lijkt het. Hij is pas 26 jaar, ziet er goed uit, welvarend, enigszins ijdel, maar via zijn vader aan het Engelse koningshuis en via zijn moeder aan het Franse koningshuis verwant. De jongeman valt als een blok voor het aanbod: ” Ik beschouw het als mijn heilige plicht mijn voet zo snel mogelijk op Bulgaarse bodem te zetten”. Zijn tante, Queen Victoria, reageert op het bericht van zijn benoeming bepaald niet ‘amused’. Aan haar prime-minister, Lord Salisbury, bericht zij dat haar verwante totaal niet geschikt is. Hij is “zwak, excentriek en vrouwelijk….dit moet verhinderd worden”. Maar hij wordt het wel, wordt niet populair in Bulgarije en is de grootvader van Simeon die na de val van het communisme bij de eerste vrije verkiezingen van Bulgarije tot minister-president van het land gekozen wordt en zijn land de Europese Unie binnenleidt. Als Albanië per advertentie een koning zoekt, heeft men al een koning gehad. Het land komt al in 1912 onder het juk van het Ottomaanse Rijk vandaan en de grootmachten besluiten  in dat behoorlijk onherbergzame bergstaatje een monarchie te vestigen. Gek genoeg zijn er dan kandidaten genoeg. Een Franse en een Italiaanse markgraaf bieden zich zelf aan; koning Nicolaas van Montenegro beveelt zijn zoon Mirko aan; het Vaticaan pleit voor prins Lodewijk uit het Huis Bonaparte en uit Cairo meldt zich prins Achmed Fuad. uiteindelijk valt de keus op de in Potsdam levende vorst Wilhelm zu Wied. Hij is protestant, een denominatie die in Albanië juist niet voorkomt en juist daarom wordt hij uitverkoren om zo neutraal de in het land levende moslims, katholieken en grieks-orthodoxen te kunnen verbinden. Zijn verre neef, keizer Wilhelm II, wiens leger hij dient als cavalerie-officier, waarschuwt hem: Wie zijn geestelijke gezondheid hem lief is, gaat met met een grote boog om de Balkan heen! Von Wied is getrouwd met Sophie von Schönburg-Waldenburg – tante van de schrijver – en zij, verrukt van het perspectief koningin te kunnen worden, trekt haar man over de streep. Het loopt op een fiasco uit. De zogenaamde verwachte neutraliteit zorgt voor rumoer en volksopstanden, die de naïeve Sophie denkt te kunnen indammen door op de zee bij Tirana wat te gaan spelevaren. De Albanezen zijn totaal niet onder de indruk en het gevolg is dat een kanonneerboot van de Duitse marine Wilhelm en zijn echtgenoot in ijltempo het land uit moet brengen, nog geen zes maanden na de troonsbestijging. De zoektocht naar een nieuwe koning gaat dan weer opnieuw beginnen tot uiteindelijk een zoon van een herenboer uit het Albanese achterland, Ahmed Zogu, de macht grijpt. Deze putschist is journalist, sticht een republiek, maar eenmaal vast in het zadel roept hij zichzelf uit tot koning: koning Zog I.  Tot zover de vermarkting van tronen in Oost- en Zuidoost-Europa. De volgende aflevering van dit feuilleton over hen die als toekomstig koning geboren worden en andersoortige troonsbestijgingen.

Vorstenhuizen 3

Het boek van Alexander von Schönburg is te leuk om niet met u te delen. Zijn eerste echte hoofdstuk gaat over de aanspreektitel van koningen. Boven het hoofdstuk staat het opschrift op het lievelingskussen van de Engelse prinses Margaret: ‘It’s not easy being a Princess’. Geestige stimulans tot verder lezen. Hij beschrijft een diner in Parijs op alpine hoogte van de high society. Mevrouw Chric (haar man is dan president), de zuster van Jacky Onassis, een handje vol Rothschilds, de hertog van Marlborough en een broer van de Saoedische koning. Eregast: koningin Rania van Jordanië. Een jeugdige Rothschild krijgt de instructie tegenover de koningin geen diepe buiging te maken, een handkus volstaat. Hij vraagt hoe hij haar moet aanspreken. Ten antwoord krijgt hij dat hij moet wachten tot hij aangesproken wordt. Om elke faux pas te vermijden is het eigenlijk het beste om helemaal niets te zeggen. Toch komt er een moment dat je wel een aanspreektitel moet gebruiken. Van Schönburg vertelt dat eens koningin Silvia van Zweden meedeed aan de Duitse versie van ‘Wedden dat..?’ (sic!) De presentator Thomas Gottschalk sprak haar consequent aan met ‘Hoheit’. En dat was helemaal verkeerd. Hooghied is de aanspreektitel voor leden in de periferie van een koninklijke familie. De enige juiste aanspreektitel is ‘Herr’, Heer of ‘Herrin’ oftewel Madam en dan elk in eigen taal. Madam is afgeleid van het Latijnse  mea domina oftewel mijn heerin. In Spaans nog terug te vinden als Senor en Senora. In Rusland werd de tsaar door de boeren vroeger zelfs getutoyeerd. Hun privilege was het hem aan te spreken als Tsaar en als ‘jij’. Liefkozend noemden ze hem ook ‘vadertje tsaar’. In de synagoge is het de gewoonte om waar JHWH staat Adonai te zeggen. De Naam is in al zijn nabijheid toch een mysterie waarover we niet kunnen beschikken niet in ons spreken en dus ook niet in ons doen. maar de vervangbaar is niet ‘Majesteit’ of Hoogheid, Opperwezen, maar gewoner ‘Heer’. De aanspreektitel voor een predikant is ‘dominee’, afgeleid van ‘dominus’, heer. Hij is in dienst van de Heer, van zijn spreken.VDM. (Verbi Divini Minister, dienaar van het goddelijk woord) Laat God de Koning ook maar spreken en wij zwijgen. Augustinus zei: ‘wij spreken om niet helemaal te hoeven zwijgen’. Toch werd en wordt er wat op kerkelijk erf af gekakeld, gedelibereerd, met woorden van modder gegooid, gebabbeld, geroddeld, tegen God aan gekletst, gebetweterd wie en wat Hij is en ga zo maar door. En in zijn naam en zgn. dienst kletsen dominees ook soms maar raak; ik zal me er ook aan schuldig gemaakt hebben. Zwijgen is dus goud. En toch staat de Bijbel ook vol met woorden aan God gericht. Maar dat zijn of lofzangen of roepen om ontferming, zelfs in de vorm van verwensingen, zoals bij Job. Werkelijke woorden uit het hart gegrepen, uit het barse leven geroepen mogen aan de Here God als koning zonder schroom gericht worden.

Wat geef je een koning als geschenk? Het antwoord is zonneklaar: of iets heel duurs of een schetsartikel, een onnozel kleinigheidje. Maar nooit iets daar tussen in. De grondslag voor deze cultuur is gelegd door kalief Harun Al-Rashid, wiens rijk in de 9e eeuw zich uitstrekte van de Indus tot het Atlasgebergte. Hij gaf een gezant van Karel de Grote voor zijn vorst een witte olifant cadeau. De olifant bereikte ongeschonden Aken en de keizer was zo verrukt van het geschenk dat hij de olifant op zijn tochten meenam. Dat duurde helaas maar enige jaren: de olifant stierf aan een opgelopen longontsteking. In 1540 bracht Zigismond II van Polen voor Ferdinand I van Oostenrijk een bijna twee-en een half meter lange hoorn van een eenhoorn mee. In die tijd geloofde men nog in het bestaan van het fabeldier. Feitelijk handelde het om de slagtand van een narwal, zoals de Deense natuurkundige Ole Worm in de 17e eeuw bewees. Ferdinand I liet de hoorn overigens naar Innsbruck sturen om het door de toenmalige topbeeldhouwer van het land, Silvester Lechner, te laten omwerken tot een rijk versierd pronkstuk, nog immer te bezichtigen in de Weense Hofburcht. Het is met schenken van iets waardevols wel uitkijken geblazen, want hoe duur ook, zo’n geschenk kan toch lelijk zijn en bij een tegenbezoek is het wel de bedoeling dat je zo’n geschenk laat zien. Van Schönburg noemt als voorbeeld de spuuglelijke miniversie van het Indonesische presidentieel paleis in witgoud dat koningin Elisabeth uit Jakarta meebracht. Dieren kun gebeter ook niet geven. De Engelse koningin heeft er heel wat gekregen, zeg gerust opgedrongen gekregen, die allemaal in de Londense dierentuin terecht kwamen. Het gaat hier om een witte stier (van de Zoeloe-koning), de olifant Jumbo (van de president van Kameroen), ettelijke schildpadden, drie luiaards, twee grizzlyberen, een krokodil een dwergnijlpaard. De ambtenaren proberen van te voren al met verwijzing naar de Britse quarantainevoorschriften dierengeschenken te voorkomen, maar niet altijd succesvol. De koningin neemt zelf altijd iets kleins mee, iets ‘persoonlijks’, zoals een wollen sjaal met schotse ruiten of een houten sierkastje uit het atelier van haar neef David Linley. Op grote geschenken wordt gereageerd door zelf dan juist iets kleins te geven. Zo kreeg prins Charles van de toenmalige Saoudische kroonprins Abdullah een Aston Martin van 130.000 euro cadeau. Zijn tegengeschenk: een aquarel van eigen hand. Van Imelda Marcos kreeg hij een speedboot, die hij vervolgens verkocht met de opbrengst voor een liefdadigheidsorganisatie. Met kerst geeft de Engelse koninklijke familie elkaar principieel alleen maar schetsartikelen. Zo kwam prinses Margaret aan het kussen, waarmee dit hoofdstuk opent: een kerstgeschenk van haar zuster de queen. Harry kreeg eens een G-string badpak, waarmee Sacha Baron Cohen als Borat beroemd werd. De koningin zelf de zingende vis ‘Big Mouth Billy Bass’, waarvan ze zo begeesterd raakte dat ze er 24 stuks van kocht als kerstcadeau voor uitgezochte oude vrienden. Buckingham Palace ontvangt ieder jaar trouwens acht- tot twaalfduizend geschenken van onderdanen. Die allemaal op springstof onderzocht moeten worden, gecatalogiseerd en opgeslagen worden. En bedankbrieven geschreven worden, een dagtaak voor één secretaris.  Onmiddellijk moeten we nu denken aan die geweldige conference van Wim Sonneveld als ceremoniemeester tijdens het defilé op 30 april tijdens de regeerperiode van Juliana. (krentenmikken, achter de rododendrons etc.)  Over de offercultuur in de Bijbel valt op dit punt ook nog heel wat te schrijven. Eén citaat: ‘Het offer van de goddeloze ( en dat is iemand die Tora niet doet) is een gruwel’ (Spreuken 15: 28).                  Met een fraaie anekdote sluit het hoofdstuk en ook mijn stuk af. De  Engelse koningin bezocht het naar genoemde ziekenhuis van King’s Lynn in Norfolk. Van een patiënt, Betty Hyde kreeg ze een banaan cadeau. Dat vroeg om uitleg. Welnu Betty revancheerde zich daarmee voor een banaan, die zij als vijfjarig meisje van de toen jonge prinses Elisabeth kreeg, toen deze met haar moeder in de oorlog eveneens een ziekenhuis bezocht. 

Waterliniepad 2

Bij Werkendam gebleven, bij Werkendam dus nu begonnen, aan de oostelijke kant van het dorp; het dorp waar Anton Mussert geboren werd, een naam die nu Werkendam niet meer voor komt. Werkendam is goed protestant, met een grote Hervormde kerk: Gereformeerde Bond en rechts-confessioneel en een behoorlijk forse Gereformeerde Kerk. Verder vinden mensen geestelijk onderdak bij Chr. Gereformeerden, Gereformeerde Gemeente, Oud-Gereformeerden, Hersteld Hervormden en Vrije Gereformeerden en dan is de lijst vast nog niet compleet.  Werkendam – genoemd naar het riviertje De Werken, een verdwenen zijtak van de Alm – ligt ten zuiden van de splitsing van de Boven Merwede in de Beneden en Nieuwe Merwede.  In 1641 verwoestte een brand 81 huizen en in 1812 trokken de Kozakken door het dorp. De plaatselijke voetbalclub heeft die naam als geuzennaam overgenomen: Kozakken Boys, een geduchte naam in het zaterdagvoetbal. Werkendam ligt aan de rand van de Biesbosch, waar veel Werkendammers hun kost verdienden als griend- en rietwerkers en daarvoor de hele week in de Biesbosch bleven. Aan hen dankt het dorp de naam ‘de Vrouwenhemel’. Tijdens de oorlog speelden diverse Werkendammers een rol van betekenis als ‘crosser’: onderduikers,Engelse piloten, verzetsstrijders, voedsel en medicijnen werden na het najaar van ’44 van het bezette deel van ons land overgebracht door de door de Duitsers gevreesde Biesbosch naar het al bevrijde zuiden. Werkendam is nu een dorp van schippers en weg- en waterbouwers.

Enfin, ik parkeer mijn auto bij het grote busstation. Het is de bedoeling dat ik naar Woudrichem loop en vandaar de bus neem. In een halte zit een meisje met ‘oortjes’ in. Die ze vriendelijk verwijdert als ik haar informeer naar de bus die ik terug moet nemen. Het is de bus die zij moet hebben richting het oude zalmstadje tegenover slot Loevestein. En die komt er al snel aan. Als ik verneem dat die bus steeds slechts eenmaal per uur gaat, besluit ik om nu de bus te nemen en dan vanuit Woudrichem terug te lopen. De bus blijkt overigens een streekbus en blijft tot Woudrichem slechts het meisje en ik als passagiers te vervoeren. Meisje blijft zitten, ik loop honderd meter en ben dan bij de grote Middeleeuwse kerk, waar vandaan mijn tocht begint. Maar eerst koffie op het terras van een ijssalon. Het is verrukkelijk wandelweer. Woudrichem of Woerkum, zoals ze zelf zeggen heb ik al eens uitgebreid bezocht, met zijn gevangenistoren bij de Merwede, het visserijmuseum, met veel over de vroegere zalmvangst, de genoemde  - gotische Martinikerk. (In het stadje is Dokter Tinus van SBS6 opgenomen en diverse scènes voor de film Oorlogswinter).  Ik loop de Bagijnestraat uit , klim de wal op die rond het stadje ligt, loop een houten brug over de stadsgracht over en kom op een dijk voor fietsers en wandelaars. Daar waar de Merwededijk aansluiting krijgt met een autoweg uit het stadje duik ik De Aanwas in, een buitendijks natuurgebied van weiden en bosschages. De vogels fluiten, graspiepers vliegen op, er bloeit van alles in het weelderig groen en een man met hond komt me tegemoet. Na ruim 1 km kom ik door een draaihekje op het terrein van de jachthaven van Sleeuwijk. Een dorp van ruim 5000 inwoners, met veel nieuwbouw, behorend tot de gemeente Werkendam. Het ligt aan de Boven-Merwede met een prachtig zicht op Gorinchem. Na de jachthaven komt al snel het haventje van de veerpont voor fietsers en wandelaars naar Gorcum, waaraan Sleeuwijk eeuwenlang z’n betekenis aan heeft ontleend. Voor het eerst wordt die al in 1327 genoemd. In 1811 stak keizerin Marie Louise van Oostenrijk, de vrouw van Napoleon, met dit veer de Merwede over. Dat gaf het veer de haar bijnaam: Het veer van Keizerin Marie Louise. Het werd een tijdlang aangeprezen als ‘de kortste weg naar Parijs’. Het veer verloor belang na de bouw van de Merwedebrug in 1961.  Na het veerhaventje loop ik nog een stukje over de duik en daal dan de dijk af, langs een 19e eeuwse Rijks Peilschaal, ontdekt en vrijgekomen na vrij recente dijkwerkzaamheden. Deze peilschaal, waarmee de waterstanden konden worden afgelezen. ligt in de dijk zelf. Ik wandel achter een man twee honden uit door de zgn. Groes, een buitendijks natuurgebied, waar tegen het water hooglanders grazen en het pad me langs honderdtallen letterlijk bloeiende reuze balsemienen voert. Terugbuigend naar de dijk staan in het struweel met mos begroeide brugpijlers, overblijfsels van de planning van een eerdere brug over de Merwede. Een aantal kilometers loop ik langs een vaart achter de eerste huizen van Sleeuwijk langs, kom ik aan de weg naar het dorp, Transvaal, die ik over het fietspad volg tot aan de Rijkstraatweg, steek de A27 over en dan ligt daar weer het busstation, waar mijn auto geparkeerd staat. Zo’n tien kilometer ruim gelopen. Ik eet een boterhammetje en ga op weg naar het diep in de Biesbosch gelegen Biesboschmuseum. Op de terugweg koop ik bij een als kraam ingerichte container kersen, aardbeien en pruimen. Ik ben niet de enige, er staat een aardige rij , begerig naar vers geoogst fruit.

img_1118 Woudrichem, zicht op Merwede.

img_1123 Buitendijks tussen Woudrichem en Sleeuwijk

img_1126  Rijks Peilschaal bij Sleeuwijk

img_1129 Reuze balsemien

img_1130 kerkje Ned.Gereformeerden Sleeuwijk

 

Vorstenhuizen 2

Terug naar het boek van Alexander von Schönburg over vorstenhuizen en koningen. Hij vraagt zich af of het wel kies is hierover te schrijven, omdat hij ook geheimen zal moeten prijsgeven. Tast dat het instituut niet aan? In 1867 merkte de Engelse staatsgeleerde Walter Bagehot op “dat het mysterie de kern uitmaakt van het koningschap: we mogen geen daglicht daarover binnenlaten”. In de huidige tijd, waarin vele prominenten dringen om de hoogste staat van beroemdheid, zijn het de alleen de ‘royals’ die dat zijn vanwege hun zijn en niet zoals al die anderen vanwege hun rijkdom, prestaties, schoonheid of misdaden.  Eind zestiger jaren van de vorige eeuw ontving de Engelse documentairemaker Richard Cawston van Buckingham Palace de opdracht een film te maken, waarin de Windsors moesten worden geportretteerd als een ‘gans normale familie’. Dit tot afschuw van de beroemde David Attenborough: “Het gehele instituut van de monarchie is gebaseerd op de mystiek van het stamhoofd in zijn stamhoofdentent. Zodra een lid van de stam toegang krijgt tot het binnenste van deze tent is het gehele systeem van het stamhoofdwegen aan verval onderhevig- en de stam zal daaraan te gronde gaan”. Diverse royals slaan steeds meer zijn dringende waarschuwing in de wind. Het lijkt er steeds meer op dat ze zo nadrukkelijk als ‘gewoon’ willen overkomen. Zo liet de Spaanse koning en zijn vrouw zich fotograferen op een gewoon strand met in aluminiumfolie gewikkelde broodjes en prins Charles en zijn zonen toonden in tijdschriften dat zij ‘gewoon’ spiegeleieren bakken en bij de supermarkt inkopen doen. In het boek een foto van de Queen die met hoed (uiteraard) en boeketje in haar gehandschoende handen een bezoek brengt aan een MCDonalds.  Hij wijst  ook op onze eigen Juliana als een koningin op de fiets. Van het prachtige boek van Jolanda Withuis over de grootmoeder van Willem Alexander weten we dat Juliana haar leven geworsteld heeft met evenwicht vinden tussen haar status en het gewoon mens zijn. De vraag is dus of de royals zelf in hun drang naar ‘gewoon zijn’ niet meewerken aan hun eigen ondergang? En is dat niet maar goed ook? Is het niet passé? Of helpt het juist de onderdanen om het mysterie draaglijk te maken en te houden? 

Het opmerkelijke is, zo schrift hij, is dat twee honderd jaar geleden de koningshuizen er veel slechter voorstonden. Neem het jaar 1801: Frankrijk had gebroken met de oudste Europese erfmonarchie; in Engeland bracht George III zijn dagen in een dwangbuis door; in Madrid regeerde Karel IV, omdat de rechtmatige koning, zijn oudere broer Filip krankzinnig verklaard was; in Kopenhagen sloeg bij tijd en wijle Christian VII het paleisgelijke meubilair kort en klein, terwijl aan het hof in St. Petersburg tsaar Paul I zich amuseerde met het kapot smijten van borden om daarna handenwrijvend toe te zien hoe zijn lakeien zich haastten om de gebroken boel op te ruimen. Honderd jaar geleden zag het er ook niet best uit. Tsaar Alexander II werd vermoord, evenals keizerin Sissi van Oostenrijk. De 20e eeuw begint met de aanslag op Umberto I van Italië; een paar jaar later delen Karel I van Portugal en de koning van Griekenland zijn lot. Daarna volgt het drama van Sarajewo, de beginknal van WO.I en tenslotte wordt de (bijna) gehele tsarenfamilie uitgemoord. De huidige toestand is feitelijk veel rustiger, sterker nog er is hier en daar sprake van royal-manie: in ons land en heel sterk rond Diana. Er zijn weliswaar vorstenhuizen verdwenen, die Alexander neo-monarchieën noemt, omdat ze laat ontstaan zijn en geconstrueerd, zoals in Griekenland, Bulgarije, Albanië en Perzië. Maar er is in Spanje een monarchie teruggekeerd en de rest van de vorstenhuizen staan bepaald niet te wankelen. Misschien behoort wel tot het wezen van het koningsschap dat het uiteindelijk immuun is voor moderne aanvallen. Het meest verbreide misverstand onder de burgerlijke bevolking is volgens hem de aanname dat de adel een bijzondere sympathie voor koningen koestert. Hij schrijft dat het tegendeel het geval is, dat juist vijandigheid  typisch is voor de hoge adel.  In de geschiedenis is het juist de hoge adel geweest die de ergste tegenstanders waren van de koningen. Daarom namen keizers en koningen hen ook in dienst aan het hof, niet omdat zij ze vertrouwden, maar om zo hun gevaar in te dammen en met beloningen koest te houden en door vernederingen klein te houden. Von Schönburg komt met een voorbeeld uit zijn eigen familiegeschiedenis. Het gaat om vorst Michael Galitzin, die diende aan het hof in St.Petersburg. Hij had de tsarin Anna Iwanowna geërgerd door met een Italiaanse katholiek meisje te trouwen. Toen deze overleed, dwong zijn meesteres hem te huwen met een dienstmeid, die volgens de beschrijvingen ook nog eens uitgesproken lelijk was. Op last van de tsarin werd de huwelijksceremonie tot een waar spektakel opgetuigd, zoals nog niet eerder in Rusland vertoont. Het bruidspaar werd in processie door de stad geleid, aangevoerd door zwijnengeiten, honden en koeien; de hofpoëet droeg een gedicht voor met als titel: ‘Jubelzang op het idiote bruiloftspaar’. Hun huwelijksnacht moesten ze doorbrengen in gigantisch paleis van ijs en werden door de tsaren hoogst persoonlijk naar het in ijs uitgehouwen huwelijksbed gebracht. Ze overleefden de kwelling ternauwernood. “Die Zarin amüsierte sich köstlich”.                                                                                 Tot slot: Von Schönburg onthult dat Queen Elisabeth door haar neven en nichten ‘Lillibet’ wordt genoemd, terwijl haar man haar ‘causale’, ‘worstje’ noemt.

Waterliniepad 1

In mijn jeugd was ik een fietser. Niet alleen naar school of het treinstation om vandaar per spoor naar Utrecht te gaan (kweekschool), maar ook in mijn vrije tijd: heel het Gooi door en verder, door weer en wind naar wedstrijden van mijn FC Huizen tegen Spakenburg en IJsselmeervogels; in de studententijd vanuit Utrecht grote tochten door Lopikerwaard, over de Utrechtse Heuvelrug. Wandelen deden we met vrienden op zondagmiddag en doorkruisten zo het mooie Gooi. Fietsen vind ik nu weinig meer aan. Te druk, te veel in gruwelijke pakjes gehulde hardfietsers, agressief, dictatoriaal ruimte opeisend. Ik ben meer gaan wandelen, maar sinds de nieuwe knie daarin toch een terugval. Gelukkig de draad weer opgepakt en zo wandelen met z’n drieën het Pelgrimspad, met vijf het Grootfrieslandpad en ben ik zelf vorige week vrijdag begonnen aan het Waterliniepad. Die loopt van Weesp naar Fort Steurgat ,even buiten Werkendam. Of omgekeerd, zo als ik doe. Het is een pad langs de Nieuwe Hollandse Waterlinie, een zgn. themapad derhalve. Die waterlinie beslaat een strook polderland van ongeveer 5 km breedte tussen Muiden en de Biesbosch en kon in tijden van oorlogsdreiging tot 40 à 50 cm onder water gezet worden. De linie is aangelegd tussen 1815 en 1940. Bestaande polderdijken werden er in opgenomen, inundatiedijken speciaal er voor aangelegd, er kwamen sluizen en duikers; wat niet beschermd kon worden door water kreeg bescherming vanuit en door forten en batterijen: tussen 1815 en 1885 werden er zo’n zestig aangelegd. Fort Steurgat is er zo een, tegenwoordig een wooncomplex met acht luxe appartementen en drie villa’s. Het fort ligt aan de rand van de Biesbosch, even ten zuidwesten van Werkendam. Dit fort moest de dijk langs de Merwede afsluiten en de rivier en Biesbosch onder controle houden. Het bestond uit een kruithuis, een bomvrije schuilplaats voor geschut van 30 bij 20 meter en een kazerne van 60 bij 23 meter, met elkaar verbonden door een ‘opteren’, een gewelfde tunnel. Het fort is omgeven door een ringgracht. Het werd in 1881-1882 gebouwd als sluitstuk van de linie, maar verouderde al snel, omdat het niet bestand bleek tegen brisantgranaten ondanks haar dikke muren. Het lot van de veroudering deelde het fort met tientallen andere. De brisantgranaat was een vinding van de Krupp-fabriek in Essen. In de meidagen van ’40 was een brisantgranaat overbodig vanwege de flexibelere inzet van parachutisten, de gehele waterlinie bleek een farce. De wandeling gaat vanaf het fort naar de rand van Werkendam, over een brug, langs het benzinestation van Kieboom, waar ik mijn auto heb geparkeerd, rechtsaf langs een restaurant en dan klim ik een dijk op, waarover een fiets- en wandelpad geasfalteerd is, die eerst de jachthaven rondt en vervolgens bijna 3 km me langs het Steurgat voert. Het is prachtig weer, wel veel wind en veel wolken die soms dreigen met een bui, maar nooit verder komen dan een paar spatten. Er komt me een enkele wandelaar tegemoet en soms wat fietsers die duidelijk meer moeite met de wind hebben. Die fietsers komen van het pontje Steur een overzet naar de polders richting Dordrecht. Bij het pontje zelf aanbeland wacht een groepje fietsers voor een overzet. daarvoor baseerde ik een eenzame hengelaar en een oude man in een even oude boot, met aan zijn zijde een forse herdershond. Iets voorbij het pontje steek ik het polderland in, eet een boterhammetje aan een picknicktafel onder hoge bomen en ik steek de Bruine Kil over een enigszins kronkelende vaart en daar komt een dilemma. De papieren gids zegt dat ik rechtdoor moet, maar het rood-gele marketingsteken wijst naar links een dammetje op, achter een prikkeldraadomheining langs en dan via een klaphekje een brede strook langs de genoemde vaart op. Ik volg het teken, want het kan een na het verschijnen van het boekje een wijziging zijn. Al snel stuit ik op een groep forse  grazende koeien en kalveren. Maar zij kijken me slechts lodderig aan en ik kan ze met gemak passeren. Even verder word ik opgeschrikt door fladderend lawaai en zie een buizerd vlak voor mijn ogen uit het struweel aan de rechterzijde van de strook grasland schieten. Ik had al eerder z’n pieuw-geroep gehoord. Zeker 2 km struin en soms strompel ik langs de vaart en kom dan in een bocht bij een sloot die ik per plank en ijzeren leuning over kan. Het teken wijst nu duidelijk naar rechts naar een strook langs een gemaaide akker. Die stuit op de Grote Waardweg en daar ontbreekt elk marketingsteken. Volgens het boekje loopt de route nog verder het land in, langs de Bakkerskil ( een kil is een oud woord voor kreek) en dan linksaf weer richting Werkendam. Op de plek waar ik sta is geen doorsteek naar die Bakkerskil en dus ga ik linksaf de Grote Waardweg op en zie dan weer een pad langs een akker richting die kil. Op het veld er naast is een boer aan het maaien, mij tegemoet en hij stopt, springt z’n machine uit en zegt dat ik verkeerd loop, voor de wandelroute moet ik terug. Waar ik nu loop mag ik niet lopen en bovendien loopt het ook dood. Ik weet wat me te doen staat, loop niet terug, maar over de asfaltweg nog een stuk door en sla dan rechtsaf over een asfaltweg naar de Kille, het uiteinde van het dorp Nieuwendijk, waar ik weer de markeringstekens vind. Nog even een stop met een laatste boterham en dan de dijk op, die na de laatste huizen van het dorp overgaat in een wandel- en fietspad en kom bij de Papsluis, uit 1815. Het is een ontwerp van Jan Blanken van het toen bijzonder technische waaiertype. Achter de sluis doemt Werk aan de Bakkerskil op, een fort op de Schenkeldijk, eind jaren zeventig van de 19e eeuw gebouwd om de Papsluis te beschermen. Er zit nu een uitspanning in. Ik merk dat ondanks het prachtige weer de harde wind z’n tol begint te eisen; ik raak vermoeider en wordt trager in mijn tempo. Ik besluit een kleine afsteek te maken via een lokale route, klaphekken door, langs de bakkerskil en dan weer op de Grote Waardweg naar de rand van Werkendam. Langs de Waardweg een vrij nieuw oorlogsmonument in de vorm van twee vleugels van een propeller en vliegtuigmotor. Tijdens de oorlog crashte hier een Britse Lancaster, veel bemanningsleden kwamen om. Het vliegtuig en bemanningsleden werden pas in 2014 geborgen. Door een nieuw industrieterrein wandel ik weer naar de jachthaven terug naar mijn auto. de teller op de app van mijn mobiel staat op bijna 15 km. Ik beloon me zelf met een cornetto. Heerlijk als de middag zelf.

img_1086      het Steurgat, man met hond in boot img_1088   Pontje Steur

img_1114 oorlogsmonument