Dr.J.F.van Hengel: markante man en zijn opmerkelijk boek

In het huis-aan-huis bezorgde blad De Naarder Courant bevindt zich wekelijks een rubriek Uitgelezen. Daarin beschrijft ene Klaas Oostrom een boek en biedt de mogelijkheid dat boek bij hem aan te schaffen, waarvan de opbrengst naar een goed doel gaat. Laatst bood hij het boek Honderd jaar Heemschut aan. Ik had interesse en belde. Echter het boek was al verkocht. Ik raakte met hem aan de praat en vertelde hem van mijn interesse voor boeken over Het Gooi. Daarvan had hij nog wel wat in huis; ik moest maar langs komen. Dat heb ik gedaan en zo kon ik een mooi boek bemachtigen over de buitenplaatsen van ‘s Graveland. Maar hij had een nog grotere verrassing voor mij in petto. Van de zolder, waar hij tienduizend (sic !) boeken heeft opgeslagen – hij krijgt bijna dagelijks boeken aangeboden als gevolg van zijn al tien jaar bestaande rubriek – bracht hij een boek mee getiteld: ‘Geneeskundige Plaatsbeschrijving van Het Gooiland’ door dr. J.F. van Hengel, Lid van den Geneeskundige Raad voor Noord-Holland’ , zoals op de titelpagina staat vermeld. Het betreft hier een facsimile van een uitgave uit 1875. De facsimile zelf is van 1987, gedrukt in een oplage van 1000 exemplaren en voorzien van een nawoord van Johan van Minnen, wellicht de voormalige journalist van de Vara.

Dit boek is het resultaat van een initiatief van Thorbecke, die als minister van binnenlandse zaken ook volksgezondheid in zijn portefeuille had. Er was daarvoor nog geen eigen departement. In 1865 ontwierp hij voor zijn kabinet de eerste geneeskundige wetten en hij gaf aan de geneeskundige Inspecteurs de wens te kennen “dat zij de bouwstoffen moeten samenbrengen voor een aanstaande medische topografie des lands”. Thorbeckes aansporing leverde echter slechts vier van deze topgrafieen op: van Zeeland, Friesland, Overijssel en Limburg. En dus ook Het Gooi ” waarvan de eenmalige waarde nog eens wordt onderstreept doordat het slechts hier, en hier alleen, om de gevraagde ‘geneeskundige’ plaatsbeschrijving in medisch-geographische zin gaat”. Aldus Van Minnen. Hij voegt er aan toe: “Visie zowel als pietluttigheid doen af en toe aan Multatuli denken”.

Visie – gekoppeld aan daadkracht – kan Van Hengel ( geb.1811 in Grootebroek) inderdaad niet ontzegd worden. Hij was als medicus afgestudeerd op het terrein van besmettelijke ziekten in het algemeen en buiktyphus in het bijzonder. Op advies van zijn Utrechtse mentor Suerman vestigt hij zich in 1838 in Hilversum, het toen ook al grootste dorp van Het Gooi, met dan bijna vierduizend inwoners. Er is maar één verharde weg, die tussen ‘s Graveland en Amersfoort, de spoorweg liet nog op zich wachten. Hij wordt direct geconfronteerd met de erbarmelijke omstandigheden waarin de boeren en de arbeiders in de textielwereld, de spinnerijen en weverijen, van de tapijtfabrieken zich bevinden. En hij stuit op grote weerstand van de notabelen om ziekten met vaccinatie te bestrijden en schrijft zijn leidsman ” nee, ik heb geen moed daar te gaan wonen. de bevolking toch is al te zeer behept met vooroordelen en verknocht aan oude traditiën. De voorgangers van de gemeente, van kindsbeen af in Hilversum, zijn geheel blind voor het verkeerde, zodat ik weinig kans heb er verbetering te kunnen aanbrengen”. Suerman blijft hem porren toch aan zijn taak te beginnen ,met het advies gebruik te maken “van de machtige hefboom van de drukpers”. En zo gaat hij toch aan de slag. Als gemeentelijk geneesheer en als pleitbezorger van betere hygiëne en dito leefomstandigheden. Hij organiseert gratis voedselverschaffing, inenting tegen de pokken en strijdt voor waterleiding ter vervanging van de veelal vervuilde, besmette openbare en private regenbakken. Als de voorjaarsschoonmaak er aan komt doet hij een oproep in de krant om kleding, speelgoed en prentenboeken niet weg te gooien, maar aan een door hem opgericht comité van dames te schenken terwille van kinderen der armen. Het gevecht om waterleiding kent Multatuliaanse trekken, omdat de weerstand van Erfgooiers groot is, die in Van Hengel een hinderlijke nieuwlichter zien. Erfgooiers voeren het gezag over de heidevelden, noodzakelijk voor de waterwinning en zij weigeren dat gezag af te staan. Pas in 1886 wordt Hilversum op de waterleiding aan gesloten. De ‘soeploods’ van de ‘Vereniging tot Uitdeling van Warme Spijzen’ houdt het vol tot 1929, waarna het met een batig saldo van tienduizend gulden gaat in ‘Maatschappelijk Hulpbetoon’. Van Hengel bindt ook de strijd aan tegen ontucht, liederlijkheid en drankmisbruik: ”er is voorwaar geen grooter vijand van huiselijke welvaart dan de jenever; en de sterke drank is buiten twijfel ook één der eerste oorzaken van armoede in het Gooiland: ”er is voorwaar geen grooter vijand van huiselijke welvaart dan de jenever; en de sterke drank is buiten twijfel ook één der eerste oorzaken van armoede in het Gooiland.”  Onder zijn projecten mag ook het streven genoemd worden om Hilversum te bombarderen tot ‘Hohen Luftkurort’. Het geaccidenteerd terrein tot 27 meter boven Amsterdams Peil, met volgens hem minder mist, lijkt hem uitermate geschikt voor de vestiging van een kuuroord. Echter een bron met ‘spa-water’ wordt niet gevonden en wat rest is een villa ‘Trompenberg’ op de gelijknamige heuvel, de oprichting in Hilversum in 1875 van de Nederlandse Kruisvereniging en het sanatorium Heideheuvel als ‘heilzaam toevlucht voor lijders aan astma en tbc uit de minder gegoede klasse’.

Naast zijn drukke praktijk werkt Van Hengel aan een uitgebreid boek oer de geneeskundige en hygiënische toestand van heel Het Gooi. Hij kreeg daarbij hulp van een co-auteur, dr. S.Stratingh Tresling, wiens naam echter niet op het titelblad staat vermeld. Hij was een jongere collega, geboren in 1836, arts te Havelte en uiteindelijk ook de opvolger van Van Hengel in Hilversum. Hij was het die al het door Van Hengel verzamelde materiaal ordende, schiftte en drukrijp maakte. Hele stukken geschrift zijn van zijn hand, waarin hij ‘Dr. Van Hengel’ als derde persoon opvoert.

Het boek begint met een uitvoerige ‘natuurkundige plaatsbeschrijving’ van Het Gooi, met als onderdelen de geografie, de hydrografie, de metereologie, de flora en de fauna, de antropologie. Er volgen bladzijden vol statistische gegevens over de bevolking van Het Gooi en van Hilversum in het bijzonder, waaronder ook sterftelijsten met oorzaken van overlijden. Hoofdstuk 3 gaat over de maatschappelijke toestand, onder verdeeld in landbouw, veeteelt, visserij van Huizen, neringen, beroepen en ambachten, fabrieken, communicatie middelen, armoede, soorten huizen, verlichting, ziekenhuizen , kroegen, gevangenis, begraafplaatsen, voedseldranken , kleding, scholen, schadelijk vuil. Hoofdstuk vier  doet uitvoerig verslag van de gezondheidstoestand; hoofdstuk vijf tenslotte heet Klimatologische geneeskundige plaatsbeschrijving en handelt over verlossing, conceptie, menstruatie; verder over beplanting en badinrichting. Het boek kent talrijke bijlagen vol tekeningen en lijsten, velen uitvouwbaar.  Wat Van Minnen pietluttig noemt, zou ik eerder omschrijven als nauwgezet, precies, punctueel.

In 1976 gaat Van Hengel met pensioen om vervolgens nog een poosje waar te nemen op Urk. Vandaar roept hij ‘vermogende personen van het Gooi’ op “een bijdrage te leveren ten behoeve van een tehuis waar oude vissers kunnen worden verpleegd”. Maar op Urk doet hij ook iets wat pas in 2005 wordt ontdekt. De Utrechtse hoogleraar Pieter Harting (1812 -1885) deed als o.a. bioloog en fysisch geograaf onderzoek naar de Urkers, omdat hij veronderstelde dat zij de afstammelingen zijn van de oer-Nederlander. Ten behoeve van zijn onderzoek ontvreemdde Van Hengel drie schedels uit Urkse graven ten behoeve van Hartings onderzoek. In een brief aan Harting maakt Van Hengel zelf melding van die ontvreemding èn ruil: hij verwisselde ze met drie Hilversumse schedels die hij met oververf beschilderde om ze ouder te doen lijken. Het waren Urkers met historisch bewustzijn die in het Utrechtse universiteitsmuseum de Urker schedels hadden zien liggen en die actie zijn gaan ondernemen, hetgeen leidde tot het comité Urker schedels. Pas op 5 juni 2010 keerden de schedels op Urk terug, waar ze op 20 juli plechtig naar Urkse traditie werden herbegraven, op het kerkhof van de kerk op de kop van Urk, bij het monumentale vissersmonument.

Wat is er nog van Van Hengel tastbaar over? Op de Oude Begraafplaats achter het postkantoor ende Kerkbrink vindt men zijn graf: nr.11, kavel 5. Maar geen steen! Die is er wel voor zijn rechterhand dr. Tresling, fors uitgepakt ook nog. Er is wel een plaquette aangebracht aan het pand waar hij destijds aan de Kerkbrink woonde en later een apotheek werd. En er is een laan naar hem genoemd.

unknown-1 unknown graf van Tresling

dr-van-hengel  hengel

 

Zandbergen / Jan Tabak

Ik heb geen hekel aan winkelen, maar wat ik echt leuk vind is ‘kringloop-winkelen’. Kringloopwinkels zijn er te kust en te keur, ook in Het Gooi. Afgelopen week wandelde ik weer eens die van mijn geboortedorp Huizen binnen. De boekenafdeling krijgt immer mijn meeste aandacht. Ik zoek naar drukwerk wat met de geschiedenis van Het Gooi in het algemeen en Huizen in het bijzonder te maken heeft. Ik vond exemplaren van het tijdschrift van de stichtingen ‘Tussen Vecht en Eem’ en “Vrienden van het Gooi’., waaronder een dik nummer over Bussum, mei 1983. Daarin een uitvoerig artikel van W.G.M. Cerutti over het gebied waar ik nu woon, over de geschiedenis juist ook van Zandbergen, de naam van de serviceflat, waarin ik woon. Die geschiedenis blijkt alles te maken te hebben met die van het fameuze Hotel Jan Tabak. Sterker nog: ‘Jan Tabak’ stond ooit op de plek, waar ik nu vanaf mijn balkon uitkijk op een rotonde, kloeke beuken, een voetbalveldgroot gazon met vijver, waarin dag en nacht de kikkers kwaken en scholeksters, eenden, witte kwikstaarten, merels, lijsters en duiven naar voedsel zoeken.

Het Gooi was eeuwenlang agrarisch gebied, voor het grootste gedeelte sinds 1300 in gemeenschappelijk gebruik, waaruit het fenomeen van de erfgooiers ontstond. Het Gooi kende vanouds vijf dorpen en een heuse stad. Huizen, Blaricum, Bussum, Laren, Hilversum, min of meer ‘onderdanig’ aan grote stadsbroer Naarden.  De dorpen zijn vanouds brinkdorpen, met er omheen de engen, waarop van alles verbouwd werd, daar weer omheen heidevelden (schapen) en op lagere gronden de meenten (weiden), de grootste bij Huizen. Naarden werd in 1350 verwoest tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten, lag al kwetsbaar voor overstromingen en werd ‘hoger’ gebouwd op de huidige plek. Zeer strategisch gelegen op de smalle corridor tussen moeras en veengebied en Naardermeer aan de weg naar Amsterdam,  de Duitslandroute (Hamburglijn). In 1142 werd al bepaald dat de stad een vrij schootsveld moest hebben om de vijand geen dekking te geven. Binnen een straal van 1750 meter mochten geen bouwwerken opgetrokken worden. De Spanjaarden veroverden de stad evengoed en moordden de bevolking uit. Na dat rampjaar 1572 werden de vestingwerken gebouwd, die een eeuw later niet bleken te voldoen, want de Fransen konden in 1672 de stad zonder slag of stoot veroveren. In 1685 werden nieuwe vestingwerken voltooid, waarvan we tot op vandaag kunnen genieten. Er kwamen twee toegangspoorten: de Amsterdamse en de Utrechtse poort. In die 17e eeuw kwam de weg van A’dam naar A’foort door de stad lopen. (Voorheen ging hij om Naarden heen door Bussum) Aan die weg woon ik dus, eeuwen een belangrijke schakel tussen Amsterdam, het oosten van het land en Duitsland, m.n. Hamburg. Personen, post- en goederenvervoer deed er 88 uur over om van Amsterdam in Hamburg of omgekeerd te geraken. De straatweg liep en loopt langs Bussum. Bussum was in de 17e eeuw een gehucht van 350 personen, terwijl Naarden ruim 2000 inwoners telde en  bestuurlijk en vooral ook economisch de baas over Bussum was. Wie in Bussum iets van de grond wilde krijgen had toestemming van de stad nodig, die om eigen inwoners te beschermen daar nog al zuinigjes, met voorwaarden omgeven, mee omging. Er was één man die doorzette en van de nieuwe verkeerssituatie ruimschoots wist te profiteren. Dat was Jan Jacobsz, een zgn. ‘flessiaan’, dwz slijter/caféhouder in Bussum. Zijn bijnaam was Toebaxman. Misschien verkocht hij naast drank ook tabak, misschien verbouwde hij zelf tabak, misschien was hij zelf een verwoed roker, misschien was en deed hij het allemaal: we weten niet hoe hij aan zijn bijnaam kwam. Hoe het ook zij deze Jan Tabak richt rond de tijd dat de vestingwerken klaar zijn, dus 1685 , een verzoek aan de vroedschap van Naarden om een logement te beginnen. De vroedschap gaat akkoord en Jan verlaat café annex slijterij en bouwt een logement een paar honderd meter buiten de vesting richting Amersfoort aan de linkerkant van de weg, langs de Galgesloot, tegenover de Galgesteeg. De steeg is nu de Godelindeweg, de sloot is er nog en loopt vanaf de Thierensweg/L.Hortensiuslaan langs het voormalig diaconessenhuis en nu nieuwe appartementen. Jan’s logement werd gebouwd precies op de plek waar ik nu woon. Hj noemde zijn herberg Sandbergen of Sandberg, vermoedelijk omdat het terrein toen nog al geaccidenteerd was en niet afgevlakt. In de volksmond werd zijn logement al spoedig Jan Tabak genoemd!

Op 30 maart 1692 logeert Constantijn Huygens de Jongere, sinds 1672 secretaris van stadhouder Willem III in Jan Tabak. In zijn Journaal geen woord over verblijf en het eten, maar alleen over “een lange meydt en een lange dochter”.  De naamgever en stichter van het logement overlijdt in 1701 en wordt op 9 oktober begraven in de Naardense Grote Kerk. Een broer of neef of wellicht zoon,  Piet Tabak, volgt hem op, daarna wordt diens zoon Jan de eigenaar. Halverwege 18e eeuw, eind van die eeuw en begin 19e eeuw vinden steeds verkopen plaats. Inmiddels was het meer dan een herberg alleen. Er was een kegelbaan bij gekomen, een kolfbaan en een tuin met hoge bomen, prieeltjes en plantage met lommerrijke lanen. Daardoor was het ook een aantrekkelijke plek voor de Naardense burgers. 

30f3614140eaad5527adf779522329fdbe10534d  Jan Tabak op de plek van Zandbergen

Op 18 oktober 1813 lijdt Napoleon een zeer gevoelige nederlaag bij Leipzig. De Fransen in ons land krijgen de zenuwen en beginnen weg te trekken. Het wordt hen zo benauwd dat ze zich in sommige plaatsen terugtrekken en verschansen, zo ook in Naarden. Baron Guétard de la Porte neemt zeker 2000 man met zich mee, zo’n beetje een verdubbeling van het inwonertal.  Bussum wordt geplunderd om aan voedsel te komen. En om een vrij schootsveld te hebben en zicht op troepenbewegingen wordt de omgeving ‘geschoren’. Een troepenmacht van Pruisen, Kozakken, Amsterdamse schutterij en Gooise boeren o.l.v. kolonel Van den Bosch vormde een blokkade rond Naarden. Daarbij gebruikten ze Jan Tabak als hoofdkwartier. De Fransen merken dat op en slagen er in om op 8 december het logement in brand te steken. Overigens is genoemde Van den Bosch ook de man die Frederiksoord stichtte, minister was en gouverneur in Indië. Op 12 mei 1814 gaven de Fransen zich over. Er was enorme schade. 

Aan het einde van de 18e eeuw kwamen op afgezande gronden kwekerijen op. Een zekere Jacob Bolten begon als eerste in Het Gooi met een bescheiden zaak iets voorbij Zandbergen, maar dan aan de andere kant van de Amersfoortsestraatweg. Dit Kweeklust lag waar nu de Brediusflats staan. Een boomkwekerij bezat deze Bolten op het huidige Rembrandtkwartier, gelegen tussen Amersfoortsestraatweg, Godelindeweg, Hortensiuslaan, Brinklaan en Brediusweg, een prachtige buurt van ruime huizen, vaarten en bomen. Nog steeds vinden we vrij veel kwekerijen langs de Naarderstraat vanaf de vesting tot aan waar nu oude gebouwen van de Chemische Fabriek worden afgebroken. Daar ook nog een kloek gebouw dat herinnert aan de in 1889 opgerichte Koninklijke Beetwortelzaadcultuur Kuhn en Co. De oprichter was een nazaat van de dochter van .J.P. van Rossum die in 1815 het terrein van Zandbergen na de verwoesting had gekocht. Hij was getrouwd in 1808 met een dochter van de eigenaar van het buiten Valkeveen. Het echtpaar kreeg tien kinderen, van wie de oudste dochter trouwde met een Dudok van Heel, een nog immer bekende familie in deze contreien. Van Rossum bouwt op het terrein van Zandbergen een buitenverblijf, verwerft nog meer gronden en gebouwen in de buurt, zoals Berghuis, een prachtig hoog huis schuin tegenover de vroegere Chemische fabriek. Zandbergen en Berghuis vormden een mooi aaneengesloten geheel,  onherstelbaar van elkaar gescheiden en verminkt door de aanleg van Rijksweg 1 om Naarden heen.  Het huidige Berghuis werd in 1913 gebouwd door de familie Dudok van Heel.

Van Rossum was een energieke duizendpoot, die naast de handel in suiker en tabak actief was in de bestrijding van de aardappelziekte door het invoeren van Amerikaanse soorten en zich manifesteerde in de aanschaf van grote gebieden ten oosten van Naarden, die hij liet verfraaien door de aanleg van tuinen, parken, panorama’s, lanen, maar ook benutte voor afgravingen.  Hij en zijn kinderen waren de eigenaars van buitens als Gravenveld, Venusberg, Oud- en Nieuw-Valkeveen, Flevorama, Berghuis, Schoonzicht en Kommerrust. Op de plek van het oude Jan Tabak bouwt Van Rossum villa Zandbergen. Later komt op die plek villa De Bongerd, bewoond door de familie Dudok van Heel, die ca 1960 wordt afgebroken en dan volgt dus de bouw van de serviceflat, ook weer Zandbergen geheten.

In 1826 bouwt de artillerie-commandant van Naarden, majoor P.F.de Seyff, een paar honderd meter van het oude Jan Tabak aan de andere zijde van de Amersfoortsestraatweg een nieuwe herberg, die hij Zandhoeve noemt. Hij krijgt concurrentie van een zekere J.W.Leenders die in 1829 grond koopt naast de Zandhoeve en daar een logement op  bouwt dat hij Nieuw Jan Tabak noemt. In 1835 brandt dit af en koopt majoor De Seyff, de geblakerde restanten van leenders, koopt nog wat extra grond er bij, in 1844 nog weer een stuk en zo ontstaat een behoorlijk terrein voor een nog groter logement. De Seyff geraakt in financiële moeilijkheden , moet de boel verkopen en in 1851 komt het logement in handen van A.Bredius, de eigenaar van buskruitmolen De Krijgsman bij Muiden en inmiddels ook al eigenaar van landgoed Oud-Bussum, in de 16e eeuw eigendom van Paulus van Loo, baljuw van Gooiland en drost van Muiden en daarna van de familie Hinlopen, bij wie Vondel regelmatig logeerde. Nog steeds zien we op gebouwen van het landgoed een hinde, een verwijzing naar die familie. Bredius koestert en verfraait zijn bezit. Een deel staat nog immer bekend als het Bosch van Bredius. De Brediusweg is nog steeds de belangrijkste weg vanuit Huizen het dorp Bussum in. Overigens werd vanaf het begin van het logement niet van Zandhoeve gesproken, maar altijd van Jan Tabak. Zandhoeve brandt af in 1858. Bredius bouwt op dezelfde plek een buitenplaats, dat hij in 1866 verlaat en als hotel Zandhoeve oftewel Jan Tabak verpacht. Met wat uitbreidingen en vernieuwingen is dat het hotel dat we tot in de zeventiger jaren van de vorige eeuw hebben gekend. In 1882 kwam de Gooische stoomtram (Gooische moordenaar genoemd, omdat er nog al wat mensen onder haar wielen verongelukten) langs Jan Tabak te lopen, wat de uitspanning nog geliefder maakte. In 1895 verkocht de kleinzoon van Bredius het gehele familiebezit aan Henry Tindal, die het al weer in 1901 van de hand moest doen. Het omvatte alle gronden ten noorden van de A’foortsestraatweg, vanaf het Beethovenpark tot en met het terrein van het Blindeninstituut en wat daar achter ligt tot en met Bikbergen, het IJzeren Veld en Tames tot aan de Sijsjesberg. Het kwam in handen van Van Woensel Kooy. Hij liet op het terrein van de oude hoeve Oud -Bussum door de bekende architect K.P.C. de Bazel de Hofstede of Melkerij Oud-Bussum bouwen, voltooid in 1906. Een modelboerderij, waarvan Floris Vos, volgens overlevering een voorvader van me, mede-directeur was. Van Woensel Kooy overleed echter al op 25 jarige leeftijd, in 1903. Het ging al snel bergafwaarts en in 1908 wordt het gehele bezit gesplitst  geveild, waarbij Oud-Bussum in handen komt van een Exploitatie Mij. En Jan Tabak eigendom werd van J.C.A van Aken. Deze laat het restaureren en het koetshuis afbreken. In 1918 komt het in handen van het echtpaar Van Buuren-Oostermeijer, die de accommodatie verbetert en ook tennisbanen laat aanleggen. Gedurende de oorlog vorderen de Duitsers het hotel. Op 30 maart 1945 raakt het ernstig beschadigd door een Engelse beschieting. Op 27 oktober 1945 kan Jan Tabak heropend worden, inmiddels in handen van het echtpaar Speerstra. Er vonden nog  meer renovaties plaats tot de exploitatie gestopt werd in 1977. In 1981 werd het afgebroken, maar op de plek verrees een Golden Tulip met dezelfde naam en nu is het een NH Hotel, met de officiële naam Jan Tabak. 

bht30_1h2t

 

 

En nogmaals nevenbedrijven visserij

Van mijn opa heb ik twee unieke voorwerpen geërfd van zwaar koper, die herinneren aan het feit dat mijn opa Vos naast boer ook voor de visserij werkte. Het is altijd aardig om deze voorwerpen aan gasten bij mij thuis te laten zien en hen te laten raden wat het zijn. Het zijn tangen die je als je ze opent een reeks uithollingen laat zien. Sluit je de tangen dan zie als je goed kijkt over de lengte tussen de handvaten en het scharnierstuk ragfijne gaatjes. Daarin goot je gesmolten lood die de uithollingen vulden en zo uiteindelijk verstijfden tot loden ‘kogels’ die dienden om de netten te verzwaren. Dat werk deed mijn opa en zijn voorouders; tevens werden op het terrein rond zijn boerderij de netten getaand – wellicht ook zeil en touw. Taan werd gemaakt van boombast en was om schimmel en verrotting te voorkomen. De boerderij van ons Vossen lag tussen de Melkweg en de Taanderstraat. Behalve taanderijen kende het dorp zeilmakerijen, waarvan Huizen er twee kende: dat van Loosman en dat van Goedhart. Het bedrijf van Loosman (vroeger Kok) was gevestigd ‘an de dijk’, dus aan de noordkant, waar de laatste huizen stonden. Die van Goedhart meer vooraan in het dorp aan de Havenstraat. Bij die zeilmakerijen kon men ook terecht voor het touwwerk, het lood soorten garen et. En dan waren er nog de scheepswerven. Na de aanleg van de haven kwam vijf jaar later de eerste werf, die van Boelen en Boissevain uit Amsterdam. In 1868 werd deze overgenomen door Jacob Schaap. Deze was aannemer en geen scheepstimmerman, maar met behulp van vaklieden uit Friesland en Kampen kon het bedrijf succesvol draaien tot 1924. In 1882 kwam een tweede werf, die van de firma Lindeboom en Kooy. Die laatste werf is uiteindelijk  in 1916 overgenomen door Joost Kok.  Op elf jarige leeftijd kwam zijn zoon Janus al op die werf te werken. Er worden botters gerepareerd en nieuwe gebouwd, niet alleen voor Huizen, maar ook voor Bunschoten, Volendam, Harderwijk, Elburg en Urk. De Laatste botter voor ons dorp kwam in 1918 van de helling. Voor Maassluis werd een Noordzeebotter gebouwd. In 1933 bouwde Janus Kok de laatste vissersbotter en was hij inmiddels al overgeschakeld naar de bouw van plezierjachten. En uiteraard wel het reparatiewerk aan vissersschuiten. Zoals eerder vermeld zag het gemeentebestuur nauwelijks toekomst voor de visserij en activeerde tot omscholing als bouwvakker. Die visie bracht ook mee dat men ook in de scheepswerf weinig toekomst zag. De werf was gevestigd op terrein die Kok in erfpacht had van de gemeente. Rond de haven rukte in de dertiger jaren de industrie op. De werf lag in de weg van deze moderne ontwikkeling. Kok wild niet wijken en kon  van Stad en Lande van Gooiland een stuk grond kopen aan de uiterste noord-oostzijde van de haven. Hij moest vervolgens een heel gevecht leveren om van de gemeente vergunning te krijgen voor het bouwen van een werf. De oude bouwloods werd herbouwd, maar ging in 1967 door brand verloren. Kok verwierf een grote faam in het bouw van otterjachten en de restauratie van ronde- en platbodems.

Nogmaals nevenbedrijven visserij

De gerookte vis moest aan de man gebracht worden. Dat deden de zgn. kruiers, die met kruiwagens op pad gingen en later ook met karren, waarvoor  paarden als ook honden gespannen werden. Die kruiers en karlui kenden een enorme actie radius. Circa 1900 waren er wel vierhonderd in het dorp, waarvan er zeventig Amsterdam aandeden, honderd Rotterdam, Den Haag, Leiden en Haarlem en veertig in Utrecht en omstreken. Men trok ook naar Tilburg, Den Bosch, Arnhem en Nijmegen. Van wie het afzetgebied te ver van het dorp lag bleef van maandag tot vrijdag weg en kwam in het weekend terug in het dorp. Er werd ook gevent in Duitsland, m.n. in het Ruhrgebied. Die zgn. Duitse kruiers handelden ook in kaas. De aanleg van spoorwegen zorgde voor meer mogelijkheden. De honden die hun leven sleten – letterlijk ook – onder de kar, werden na de werkdag gewoon de straat opgestuurd, waar ze overlast veroorzaakten, vooral s’nachts als ze het op kippen gemunt hadden. Dus kwam er een politieverordening die het verbood honden van 8 uur ‘s avonds tot 6 uur s morgens los te laten lopen. De karlui met paard en wagen vervoerden de vis vooral s nachts; de voerlui lagen half onder dekens voorin de wagen, de paarden kenden de weg; men reed in groepen en de voorste rekende af met de tolbazen en zo reed men in zes uur naar Utrecht. Er werd naast haring, (van februari tot Pasen) vooral in bot, aal en garnalen (van mei tot oktober) en s winters in  Noordzeevis als schelvis en kabeljauw, gehandeld.  In de Jordaan was levende garnaal een zeer gewild artikel. Men leverde naast burgers aan ziekenhuizen en instellingen; een visbakkerij leverde aan legerplaatsen in Amersfoort en Soesterberg. Na  WO. II waren er nog 150 visventers, waarvan zeventig in de naaste omgeving, veertig in Amsterdam en twintig elders. In 1977 was er nog slechts één over.  Vis werd kaas en zo ontstonden grote kaasventers, wereldbedrijven zelfs, zoals Westland, van wie de oervader nog een zetschipper was bij iemand anders. 

Nevenbedrijven

Peter Dorleijn schrijft in het Huizer deel van zijn ‘Van gaand en staand want’, dat nergens aan de West- en Zuidwal van de Zuiderzee visserij en vishandel zo met elkaar verweven waren als in Huizen. Bij de handel waren net zo veel mensen betrokken als bij de visserij zelf. Niet alleen stimuleerde de visserij de handel en andere nevenbedrijven, maar het omgekeerde was ook het geval. Bijna alle handgebaren beschikten zelf over een of meerdere botters om de vis op te kopen. Enfin in de handel ging het naast de hangebazen om kruiers en karlui. 

Hangebazen

Al voor 1800 waren er hangen in het dorp. Hangen , omdat de vis aan stangen gehangen werd om ze te roken. Het ging daarbij om de haring, gerookt een bokking genoemd. Ik mag er nog immer graag van smullen. Zo’n twee honderd jaar geleden brachten de Huizers Harderwijker bokkingen op de markt, maar die kon nog niet tippen aan de smaak van de ‘oprechte Harderwijker’ vis. Onbeschaamd ventten de Huizers dus wel met wat als de beste bokking werd beschouwd toen. Na de opening van de haven in 1854 breidde het aantal hanges zich enorm uit. Hangebazen of combinaties van opkopers zetten zoals gezegd eigen schepen in om de gevangen vis in Enkhuizen of Urk te kopen of ook al op zee, direct van de vissers. Het waren vooral deze schuiten die Huizen beroemd maakten over de beste vloot te beschikken. In de belangrijkste aanvoerhavens kende men commissiekopers. De haring werd zo snel mogelijk naar Huizen gevaren. En van de haven op platte karren in manden naar de hangen gebracht. De rokerijen zagen er allemaal hetzelfde uit. Vier even grote langgerekte werkruimtes van 35 bij 7 meter, slecht en ruw gebouwd met allerlei mogelijkheden om rook en stank makkelijk te laten ontsnappen. Voor wie er werkten was het onaangenaam: tochtig en koud. Het werk ging dag en nacht door. Koude pekel, lage verdiensten. De laatste hangen werden gedurende WO.I gebouwd. De meeste Huizer haring werd in Duitsland verkocht, zeker tachtig procent. Na 1918 viel die handel stil en was het feitelijk met de rokerij-business gedaan. 

De haring kwam in het voorste gedeelte binnen, waar die gepekeld werd en op speten gestoken; hier werkten zo’n zestig man. In de tussenruimte werd de haring gerookt en in de derde verpakt. Er was nog een vierde ruimte met woning van de handgebaar en ruimte voor de mandenmakers. Buiten de haringtijd was er weinig te doen en dus had de baas slechts één knecht in vaste dienst; in de drukke tijd kwamen er  zeven , acht knechten bij, die meestal in de hangen bleven slapen. Voor het meest arbeidsintensieve onderdeel, het spieten op z’n Huizers van de haringen aan ijzeren staven, werden het meest vrouwen en meisjes ingezet. Als een schuit de haven binnenvoer gingen de knechten het dorp door om ze op te roepen, desnoods ‘s nachts. Dan werd er op de ramen geklopt en geroepen: ‘Spieten!’. De vers binnengekomen haring werd schoongemaakt en daarna in grote houten troggen van 80 cm hoog gestort. Daar werd zout over gestrooid en daarna werd er water in de bakken gepompt. Bleef de vis drijven dan was de pekel sterk genoeg en liet men het zaakje een uur staan. Het was een natte bedoening, vandaar dat de vloer van het voorste deel hellend afliep zodat het water en het afval  weg kon lopen in een goot die naar een zinkput liep of bij hangen aan de haven daarin uitmondde. Eén voor één werden de haringen uit de pekel gehaald en door de linkerkieuw en de bek aan de 90 cm lange, vingerdikke spiet geregen. Haringen waarvan de kop afgescheurd was bij het uit de netten halen werden aan dunne ijzeren spietjes geschoven. Er gingen twintig haringen op een spiet en hoe sneller de spietsters waren hoe hoger de verdiensten ( drie cent per spiet) De geregen spieten werden op schragen gelegd, de knechts zorgden voor vingerdikke ruimten tussen de haringen, het zgn. strippen. Vervolgens werden de rookruimtes volgehangen. Deze waren zo’n vijf meter hoog en vanaf twee meter werden de spieten in richels gehangen, met draagbalken. De knechten stonden wijdbeens op de richels  en pakten de door de vrouwen omhoog gestoken steen aan en legden ze op hun plaats. Men begon helemaal bovenin. In één hang werden soms wel vijfhonderd spieten te roken gehangen, dus 10.000 haringen. Het roken vond plaats boven een gesmoord vuur van  zaagsel, eiken spanen en houtafval – mot – van bijvoorbeeld klompenmakerijen. De houdbaarheid van het product werd bepaald door de duur van het roken en de sterkte van de pekel. Bokking voor bijvoorbeeld Duitsland kwam uit een sterke pekel en werd tien tot twaalf uur gerookt en werd ‘take bokkes’ genoemd, ‘laffe bokkes’ was licht gezouten en werd drie tot vier uur gerookt. In beide gevallen mocht het vuur niet te heet zijn. Het mocht ook niet gaar gerookt zijn, want het was bestemd als bakbokking. ‘Harde bokkes’ werd juist boven een flink heet vuur gehangen gedurende zeven , acht uur.  Na het roken werd de vis afgekoeld en naar de opslagruimte gebracht. De vis werd vanaf de spieten in manden of kistjes geschoven. Mandenmakerijen waren veelal een deel van het hangebedrijf.

En nogmaals de visserij

De in 1937 geboren Utrechter Peter Dorleijn schreef een een prachtige reeks kloeke boekwerken over de Zuiderzeevisserij – Van gaand en staand want – , met een deel over Huizen en Bunschoten-Spakenburg. Hij geeft een schat aan informatie, waar ik rijk uit kan putten. Maar de stoere mannen en jongens visten niet alleen op de Zuiderzee. Er waren er ook die de zeegaten kozen naar de Noordzee. Omstreeks 1800 was deze (kust)visserij voor Urk, Enkhuizen en Volendam zelfs de noodzaak. Voor Enkhuizen en Volendam blijft dat zo tot het eind van de 19e eeuw. Urk heeft deze traditie voortgezet en geldt nu nog steeds als een van de belangrijkste vissersplaatsen, waar het brood verdient wordt niet alleen meer op de Noordzee, maar ook veel verder. Eind vorige eeuw waren er Urker vissers actief bij de Falkland Eilanden, waar op makreel gevist werd ende hier als Hollandse makreel werd verkocht! Op beperkte schaal waren er ook Huizers actief op de Noordzee, waarmee kort voor 1800 aangevangen werd. Je moest daarvoor wel een consent bezitten. Er is zo’n ‘permissiebiljet’ bekend van Dirk Brasser, ‘voerende de Schuit Huizen in ‘t Gooiland No.45′. (Er was een HZ 45 die op de Zuiderzee viste, van de gebroeders Koeman, waarover de in Leersum woonachtige Dick Schaap – ook van 1937 – een aardig boekje schreef, een uitgave van de Historische Kring Huizen, wie lid wordt krijgt dit cadeau. In 2005 schafte de gemeente Huizen deze botter aan. Omgedoopt tot de Gebroeders Schaap wordt hij door een stichting in de vaart gehouden voor tochtjes,excursies. Wie 25 euro jaarlijks doneert kan gratis mee) Terug naar Dirk Brasser, van wie op de achterkant van zijn consent vermeld wordt dat hij 41 jaar oud was en blauwe ogen had en licht haar, zijn knecht Jan Ruiter was 43 jaar en kende bruine ogen en donker haar. Een soort ‘pasfoto’ derhalve. Uit een boek over de visserij van Jan Bout uit 1907 blijkt dat ook halverwege de 19e eeuw op de Noordzee door Huizers werd gevist. Men viste in het voorjaar op schelvis, kabeljauw en schol. De opening van het Noordzeekanaal in 1876 maakte het voor de Huizer vissers aantrekkelijker om aan Noordzeekustvisserij te doen. De weg werd aanzienlijk bekort en IJmuiden vormde een aantrekkelijke haven. Huizers hadden graag Volendammer knechts aan boord, want aldus Jan Kes uit Volendam: ‘als de zon onderging, gingen zij ook, maar een Volendammer hield z’n doppen wel open!’. Er waren Urkers die vanuit IJmuiden visten die naar Huizen verhuisden, want dichterbij de visbron. Genoemd worden o.a. de gebroeders Lammert en Jan Brans. Het vissen op de Noordzee was niet zonder gevaar. De Noordzeebotters waren wel wat groter dan die op de Zuiderzee, maar bij storm waren het toch notendopjes; de kans overboord te slaan was niet gering. Van de bekende broers Hein, Aart en IJp Veerman, naar hun vader alle drie aangeduid als ‘van Aart’, was het IJp die bij Petten verdronken is, omdat hij niet op tijd terug kon naar IJmuiden. Hij is nooit gevonden en liet een vrouw en vijf kinderen achter. Hein van Art heeft het vissen op de Noordzee het langst volgehouden. Zijn schuit is uiteindelijk bij de gebroeders Westland als HZ1 in de vaart gekomen. De HZ1 heeft het Bijbels gezegde van de eerste en de laatste op geheel eigen wijze waar gemaakt: deze eerste was de laatste botter die vanuit ons dorp viste. En een van de gebroeders Westland was getrouwd met een zuster van mijn opoe Vos-Visser en zo is de cirkel ook zo weer rond.

Nogmaals Huizer visserij

Huizen kreeg dus  laat een haven, die ook nog eens een kwartier lopen van het dorp kwam te liggen. De vissers kwamen de meeste keren vrijdagsavonds thuis; een enkele keer op zaterdag en dan in voor- en najaar. Moeder de vrouw bakte de zelf meegebrachte vis. Wij aten thuis elke zaterdagavond gebakken vis, een lekkerbekje of een gebakken bokking (haring). Nooit op vrijdag, dat zal wel te rooms gevonden zijn. Maar wellicht herinnert het visje op zaterdag nog aan het gezin waar opoe uit voortkwam, in naam en werk Vissers. Het aan boord brengen of van boord halen van kostmand, netten etc. geschiedde met kruiwagens. Vaak liet men ‘s maandagsmorgens de kruiwagen aan de haven staan en die werd dan teruggebracht door een jong joch of een kind die daar een grijpstuiver voor ontving. 

Net als in Marken en Bunschoten lagen de botters in twee rijen aan de wal. De eerste rij met de kop tegen de kade; de tweede rij met de kont aan de kont van de eerste. Die twee vormden meestal een span en het aan wal liggen werd per week gewisseld. De Huizer haven kende heel lange pieren; het duurde dus wel even voor je op open zee was. Als de wind de haven inblies was het behoorlijk moeizaam om buitengaats te geraken. Dan liep er één man op de dijk te trekken en in de botter probeerde de ander met een boom te duwen. Als dekhaven binnen gevaren moest worden met die inpandige wind, dan werden de zeilen gestreken  en werden de schepen ook via de dijk binnengetrokken. De linkerpier – van Huizen uitgezien – was een geliefde plek voor een zondagse wandeling. Aan het eind was er een kleine vuurtoren en kon er gezeten worden en genoten van wind en zeelucht. Voordat de zuiveringsinstallatie er kwam wandelde je het eerste stuk wel door een walm van stank van de op het open water gestorte rioolafval, vooral stront dus. 

Als de visserij eigenlijk al over zijn hoogtepunt heen is komt er begin 20e eeuw in ons dorp een vissersvereniging: “Ons Belang’. En in diezelfde tijd kwam er een visafslag: zomer 1907. In 1964 hield Ons Belang op te bestaan en was het twee jaar later ook met de visafslag gedaan. De Huizer vissers waren al steeds meer verdwenen of omgeschoold tot bouwvakker, maar de visafslag bleek populair onder vooral Bunschoter, Harderwijker en Lemster vissers.  Klaas Vos was vanaf 1929 tot het einde afslager. Hij was op z’n twaalfde knechtje geworden op de botter van zijn vader. Zijn oom was afslager, maar overleed en hij werd diens opvolger. Na 1933 werd er steeds meer snoekbaars in het IJsselmeer gevangen, waarvan de prijs na de oorlog steeds gunstiger werd. In Huizen kregen de vissers vaak de hoogste prijs. De voortschrijdende inpolderingen zorgden voor steeds minder aanvoer. En zo viel uiteindelijk het doek. Als kind herinner ik me de afslag nog goed en mocht ik er graag een kijkje nemen. De luidklok van de afslag kreeg een bestemming in West-Afrika in een zendingskerk. De dochter van de Huizer gemeentesecretaris werkte er en Klaas Vos gunde haar gaarne deze 35 kilo wegende klok.

VVV

Wie geen onbekende reiziger is in de voetbalwereld weet dat VVV staat voor Venlose Voetbal Vereniging. Daarnaast weet vrijwel iedereen , zeker elke soort reiziger, dat het ook kan staan voor Vereniging voor Vreemdelingen Verkeer. Ik zou daar een derde betekenis aan toe willen voegen. En wel Vijanden van Vroeger nu Vrienden.

Door een flinke verkoudheid met wat verhoging gehinderd besloot ik de wedstrijd van mijn club tegen Heracles niet lijfelijk te bezoeken in de Amsterdam Arena, maar thuis te volgen via Fox Sports. Daar zag ik allereerst dat in hun studio Ronald de Boer en John de Wolf samen de wedstrijd van commentaar voorzagen. Dat wil zeggen ze deden dat al bij de wedstrijd ervoor van FC Twente tegen Feyenoord en een tweede wedstrijd ging in één moeite, maar wel dubbeltarief vermoed ik, door. Tijdens de wedstrijd in de Arena kregen wij thuiskijkers een shot te zien van – ja, zagen wij dat goed, was dit geen zinsbegoocheling —  Louis van Gaal gebroederlijk naast Sjaak Swart in diens – door anderen gefinancierde – skybox en daarnaast de dames Swart en Van Gaal. Het was een week na Pasen en dus van het besef dat wonderen de wereld niet uit zijn. En dit moest ook wel zo iets zijn, want de haat en nijd tussen Swart en Van Gaal was al decennia zo diep en breed als Het Kanaal. Toen dit shot uitgezonden werd had ik toevallig een zeer goede vriend aan de telefoon die ook de wedstrijd zag en dus ook dit tafereel. Zijn verbazing schoot een recordhoogte in. Hij had namelijk zowel een boek als een docu over de zelfbenoemde Mister Ajax gemaakt en had uitspraken over zijn afkeer van Van Gaal op band staan die de docu niet hebben gehaald, want te grof. Toen ik later het duo De Boer- De Wolf weer zag, ging een ander deurtje in mijn geheugenmagazijn open. Die waren in een ver verleden ook niet bepaald vrienden. Niet omdat de een bij Ajax en de ander bij Feyenoord speelde, maar omdat de Wolf  De Boer – en andere Ajacieden – met kaarten bleek te naaien, zo ernstig dat Advocaat als toenmalig bondscoach tijden het WK van 1994 in Amerika hem op het vliegtuig zette onder de smoes dat de langharige Feyenoorder een blessure had waarvan hij niet meer tijdig zou herstellen.

De zondag na Pasen zag ik dus tweemaal het wonder van een verzoening, zo lijkt het. Al eerder was het een klein wondertje dat Koeman en Van Gaal weer goed met elkaar gesproken hadden. Vandaar een nieuwe betekenis van VVV. Of is het allemaal nep, een politiek moment, zoals op wat de kerk Goede Vrijdag is gaan noemen , Pilatus en Herodes op één dag vrienden werden. Vanwege J.C.  En dat brengt me op die andere J.C, wiens naam garant staat voor veel nostalgische bewondering en ophemeling, maar ook g voor gehannes en gedoe, met als laatste een revolutie bij de club die hij (mede) groot heeft gemaakt en die hem de ruimte gaf groot te worden. Eindelijk is de kogel door deze kerk en gaat de Amsterdam Arena echt zijn naam dragen. Cruijff en Van Gaal was ook niet bepaald een vriendenduo, heel zacht uitgedrukt.  Mij doet de herdoop van de Arena niet zoveel. Terwijl als voetballer JC mijn absolute idool was. Maar een tijdlang heb ik te dicht bij het vuur gezeten, weliswaar niet in de keuken, maar toch zeker in de bijkeuken van mijn club om te zien wat een ellende Cruijff met zijn revolutie heeft uitgericht, met gevolgen tot op de dag van vandaag. Cruijjf was een meester aan de bal en een meester in de rancune. Vraag dat ook maar aan Willy van der Kuijlen; aan Van Beveren kan het niet meer gevraagd worden.  Zou het nu ook zo maar kunnen dat latere generaties de naamgeving van de Amsterdam Arena gispen, zoals nu van diverse zijden gedaan wordt ter zake bijvoorbeeld de Coentunnel?

En hebben de bewoners van het Stadionplein die protesteren tegen de herdoop van hun plein niet gelijk? Zeker nu JC een heel stadion naar zich vernoemd krijgt? Leuk terzijde: ecologisch/economisch zijn de boer en de wolf ook niet bepaald vrienden!

 

 

 

 

Vissers als familie – dl. 3

We gaan verder met het interview dat  Tijmen Visser, oom van vader, broer dus van mijn opoe, gaf aan Peter Dorleijn. In dit interview bevestigt hij dat overopa Visser twee schuiten bezat, de HZ 206 en de 207. Met de 206 viste hij op de Noordzee, maar volgens Tijmen was daar geen droog brood te verdienen toen. ” Met een los dek: hadden ze in de zijn inkepingen, in ‘t ruim ook, en daar losse planken op. ‘t Was levensgevaarlijk! Vader heeft wel es verteld dat ie zes uur gelaveerd had om de IJmuider haven binnen te komen.”  De schuit was eigenlijk te oud om ver de zee in te gaan en dus werd hij verkocht, in 1899. ‘s Winters kon er zeker zes, zeven weken niet gevist worden. Dan werden de netten geboet of er werden nieuwe gebreid. Ook kon je dan als jochie naar de visserijschool. ” Wat je d’r leerde, wisten we allemaal al: splitsen, knopen, breien en boeten. Dan hadden we meester Kooiker en , dat weet ik nog wel, ‘n keer vertelde ie hoe de zon oprees. Ik zeg: ‘Nou, meneer, als jongen zijnde, als  de zon onderging, dan klom ik gauw in de mast: dan stond ie nog ‘n heel stuk hoger”. Masten moesten gesmeerd worden, werk van jonge jongens. Dat werd aan het eind van de winter gedaan. De vallen ( zeillijnen) waren er uit, alleen de dirk bleef zitten. (De dirk is de lijn waarmee de giek wordt opgehaald) ” Die dee je om je gat en dan hesen ze je omhoog en dan op ‘t lest moest je op de dirkehanepoot gaan staan.  Om de mast te kunnen smeren legde men twee botters bij elkaar langszij en hees met beider kleiverval een stutter horizontaal omhoog. De man die ging smeren stond bij de onder handen te nemen mast op die stutter. Hij begon bovenaan en men liet hem verder zakken naarmate het werk vorderde. En aan de dirk hing de harpuispot, dat was ‘n ijzeren pot. Want harpuis kookte je met hars en lijnolie , op ‘n heel klein vuurtje”.  Overgrootvader Jan overlijd op 7 december 1910. Tijmen: ” Onze vader had naar Utrecht geweest met ‘n broer van me, want die z’n amandelen moesten geknipt. Wij, Jacob, Jan en ik moesten wat aan de spieringnetten veranderen, want hij had gezegd: ‘Ik ga vanavond nog naar zee’. Het was 28 november. En hij is ziek thuisgekomen; de laatste woorden die ik van ‘m gehoord heb, waren: ‘Hèhè, wat ben ik ziek’. Hij is praktisch niet meer bij kennis geweest; ‘n dubbele longontsteking; moeder meestal an ‘t bed. ‘s Woensdagsmorgens 7 december om zes uur gingen m’n twee jongere broers werken op de kweek. Toen zegt vader nog: ‘Jonges,pak je maar goed in, want ik het ‘t ook met ‘n kou gekregen’. Da’s ‘t leste wat ze van vader gehoord hebben, want om kwart over zevenen riep moeder ons: ‘Keinder, vader sterft!’. s Maandags is hij begraven. En we kregen nergens van, geen uitkering, niks. Nooit gehad, ook niet van de Zuiderzee”. Na het overlijden wordt de oudste , Jacob, schipper. Hij is dan 22. In 1916 trouwt deze en neemt een eigen botter. Jan wordt dan de schipper, maar deze trouwt een jaar later en wordt Tijmen schipper, op 21 jarige leeftijd. Hij moest nog voor acht man de kost verdienen. Hij wordt ondersteund door een oudere knecht, Klaas van Pietje Westland. “…die was als een vader voor me. Ik weet nog goed, toen ik voor ‘t eerst schipper werd: ‘t was op ‘n maandag, met spiering visser. Wakkeren en wakkeren de wind! Nou die schuiten gingen zuidoever, op Harderwijk an. Ik denk: ‘Lieve stakkerd, dat wordt ‘n haven aandoen’. ‘Klaas’, zeg ik, ‘neem jij ‘t roer van me over?’ ‘Nee’, zegt ie, ‘vooruit is de wegschoor’. Hij nam ‘t niet over; ik was er meteen door ook”.  Tijmen vaart tot z’n vijfentwintigste, de laatste keer op 9 december 1919. Er komen berichten dat de Zuiderzee wordt drooggemaakt. De een na de ander verkocht z’n schuit. Hij heeft zelf inmiddels al zes jaar verkering, besluit ook de schuit te verkopen en te gaan trouwen. De schuit komt in Bunschoten terecht en later in Lemmer. Aan de wal drijft hij met z’n vrouw een kruidenierswinkeltje als filiaalhouder van een Edammer. Die Edammer was ook arm en kon niet voldoende voorraad leveren voor  z’n winkeltjes ( behalve in Edam en Huizen ook nog één in Bunschoten) “Wij hadden geen droog brood, dus dat moest ophouden. En toen ben ik aan ‘t venten gegaan, met ‘n vrachtfiets; kist er op, kaas en boter. Helemaal naar Zeist toe, Muijen, Weesp.”. Tien, twintig jaar ploeteren, financiële zorgen, zoals aflossen hypotheek. Een hart dat teveel belast wordt. Gelukkig ontvangt hij in ’33 Erfgooiersgeld en kan een motorbakfiets kopen en zo redt hij het. “Ik heb altijd voor m’n brood gezorgd, maar m’n hart was op zee”. Ik was nog een schoolkind en hij al in mijn ogen oude man toen hij met kaas en boter ook bij ons kwam. Vrolijk en vriendelijk, aardig en moeder fleurde ook op. In de documentatie die ik over deze familietak va me heb ontvangen staan foto’s van alle  kinderen van overopa Ebbetje afgedrukt, ook van haar zelf en ineens valt mij de gelijkenis op tussen oom Tijmen – mijn vaders oom Tijmen dus – en mijn vader en Tijmen lijkt sprekend op zijn moeder, een Zeeman. Ik lijk op mijn beurt op mijn vader. Ik mag dan de stamhouder zijn van de Vossen, maar qua uiterlijk een ik een echte ‘muis’, een voortzetting van de Zeemannen-tak. Wat de Vossen betreft zal met mijn dood deze tak vrijwel voorgoed uitsterven. Ik heb nog een jongere neef, ook Klaas Vos geheten, maar ook hij heeft geen kinderen. Wat de Vissers-Zeeman-lijn betreft gaat het nog wel even door. heb ik nog meer dan alleen een uiterlijk geërfd? Hang naar vroomheid wellicht? Hang naar water, naar zee, dat zeker. Ik hou van het boerenland, van vee, Vossen-invloed, maar ook van het water, de vrijheid er op, de wind, de weidse luchten, de geuren, het losraken van te veel aan besognes. Ik heb nooit het geld gehad voor een boot, zou ook te lui geweest zijn om die te onderhouden en wellicht ook te schijterig als het op het water te wild zou worden. Wandelen in de vrije natuur, vogels spotten en tochtjes te voet, of achter het stuur langs waterwegen, riviertjes, meren is een fijn alternatief.

Vissers als familie – dl. 2

Zeventien kinderen baarde overopoe Visser-Zeeman. De oudste, Jacob, werd in 1888 geboren en was nog altijd zes jonger als mijn opa Klaas. Een jaar later volgt een meisje, maar die leeft slechts een paar weken; zij, Jannetje, is er één van een tweeling. Haar zusje Harmpje, wordt tachtig en huwt met Joost Westland, de man die de laatste Huizer botter zou bevaren en de opa was van mijn achternicht Hannie, met wie ik zowel tegelijk op de lagere school, de mulo  als ook de kweekschool zat en een dag vóór mij geboren werd. Overopoe raakte al snel weer in verwachting, wederom een meisje, die zeer gebruikelijk in die tijd naar haar overleden zusje werd genoemd. Opnieuw een Jannetje dus en zij zou mijn opoe worden. Zij huwde de achtjaar oudere Klaas en overleed tien jaar na haar man, op tachtig jarige leeftijd, 25 januari 1970. Het laatste jaar dementeerde ze, woonde een tijdje bij ons in, totdat dat echt niet meer ging. In een verpleeghuis in Bussum kreeg ze na een val longontsteking die zeer hevig uitpakte met hoge koortsen. Het zou niet lang meer duren. Mijn ouders er heen. Maar kwamen terug en dat herhaalde zich een aantal dagen. Zelfs veertig graden koorts overleefde het oersterke hart van opoe; pas bij 41 graden bezweek opoe; een week lang had ze gevochten tegen een onvermijdelijk einde. Of ze stierf zoals haar moeder, in die ‘ volle verzekerdheid des geloofs’, was zeer de vraag. Het stond volgens mij in elk geval zo niet op de kaart. In plaatsen als Huizen was – en voor velen geldt dat  nog wel , denk ik – het heel belangrijk hoe je ‘heengaat’. Aan laatste woorden wordt een groot gewicht toegekend. ‘Hettie nog wat azeit’? (heeft hij nog wat gezegd),  was een gevleugelde vraag. Naar de hemel gaan is het uiteindelijke levensdoel, maar dat is een hele kunst, ook een hele gunst en ook als je aanvaarden kunt dat Jezus aan het kruis de toegang er toe voor jou heeft geopend, is er toch enige of juist grote onzekerheid, omdat wij opgegroeid zijn met de leer van het raadsbesluit van God de Vader, waarin hij enigen heeft uitverkoren tot eeuwig leven, maar velen ook verworpen tot eeuwig onheil, zeg maar de hel. Een paspoort naar de hel heb je, dat is je hele zijn zelf als onverlost mens. Je bent zelf dat hellepaspoort en zaak is om gedurende je leven, die heel kortstondig kan zijn, om als verloste de weg naar de hemel te verkrijgen.  Enfin, mijn opoe worstelde volgens mijn ouders de laatste week zichtbaar met haar einde, maar dat kan ook interpretatie zijn vanuit bovengenoemde opvatting, waarin angst een groter rol speelt dan liefde, dat is duidelijk. Het kan ook gewoon zijn dat haar gevecht een puur lichamelijke was. Een sterk lichaam met een ijzersterk hart dat vecht voor overleving. Het paste wel bij opoe, die een sterke persoonlijkheid bezat. Volgens mijn vader zelfs keihard kon zijn. Geen warme moeder, die haar kinderen de sneden brood die ze sneed van het tegen haar borst geklemde brood toewierp onder de kreet : hier heb je eten. Met die zelfde hardheid gooide ze met emmers water Duitse soldaten van het boerenerf, zo wil het verhaal. Ik had als oudste kleinzoon niets te duchten van opoe; zij was tegen mij aardig en stopte me af en toe iets lekkers of een dubbeltje toe. Mijn opoe kreeg zelf op haar beurt dertien kinderen, te beginnen dus toen ze al dertig was. Toen opoe zestien was kreeg ze nog een broertje, de laatste, die ook Jan werd genoemd, in 1892 was de eerste Jan geboren. Een vier jaar jongere broer van opoe kwam vaak bij ons over de vloer.  Een heel aardige man, jaren lang ook ouderling. Hij was onze kaasboer. Terwijl hij als visser begonnen was op een schuit van zijn vader. Hij vertelt daar zelf over in een interview met Peter Dorleyn in de uitgave ‘Van gaand en staand want’: ” Ik kwam met twaalf jaar bij vader aan boord”. Samen met z’n oudere broer Jan namen ze de plaats in van oudste broer Jacob, die in dienst moest. Twee jaar later komt hij aan boord van een neef van zijn moeder, omdat diens knecht ziek geworden was.  ” Dus ik wat oliegoed gekregen en bij de man aan boord; dat was ‘s maandags. De hele week ruig, vrijdags ook, maar we hebben een keer gehaald en zijn in Urk gekomen; de schipper met die knecht zijn daar met de haring naar de afslag gegaan. We hadden een kapot net uitgestoken en een ander voor in de plaats genomen; dat kapotte net heb ik uitgespoeld en direct opgehesen om te drogen. Toen hoorde ik dat ‘r gezegd werd: ‘D’r is een Gooier verdronken’. En nou zal ik meteen alles maar vertellen: ik ben nooit benauwd geweest op zee, maar deze ene keer – als kind zijnde – was ik bang voor verdrinken. ‘Heden hij, morgen gij’. Maar ik durfde dat niet tegen die schipper te zeggen en ook niet tegen m’n vader”.  Het hele weekend blijft het ruig weer, op zaterdagmiddag wordt toch uitgevaren om Huizen te bereiken, maar het Gooi lag recht in de wind, men kan amper Harderwijk halen, waar de knecht vandaan komt. Het is de bedoeling dat Tijmen daar overblijft en de schipper met de trein naar Huizen gaat. “s Avonds, toen we brood gegeten hadden, met die knecht mee naar z’n huis toe: ‘n huis met kleine kinderen, vreemd. Ik denk: ‘ Dat wordt wat als ik daar de hele zondag wezen moet’. Ik was ‘n beetje blok, hè, geen goeie kleren bij je. ‘s Nachts de schipper en ik weer aan boord en zondagsmorgens hewwe koffie gekookt en brood gegeten. Hij gaat de wal op, en ik ga met ‘m mee:’ Waar ga je naar toe?’ zegt ie. ‘Ik ga naar m’n moeder toe’, zeg ik. ‘Dan moet je het deurtje sluiten’. En ik met hem mee. Net ‘s zondagsmorgens , onder ‘t luiden van de kerkklokken, kwamen we an; moeder was niet naar de kerk. Wat was ik blij dat ik ‘r zag.”