Verhuizing

In augustus werd de teerling geworpen: ik verlaat Ossendrecht. En nu zit ik tussen de dozen. Per 1 december ben ik inwoner van Naarden en bewoner van een appartement in een serviceflat. Bijna negen jaar woon ik op de zogeheten Brabantse Wal. Daar wilde ik eigenlijk ook niet heen, maar ik kon de roep van de Protestantse Gemeente van Woensdrecht uiteindelijk niet weerstaan. Begin van dit jaar achtte ik dat beantwoording en invulling van die roep genoeg was geweest en met ingang van 1 juli was ik predikant af hier. Na het besluit te stoppen volgde een lang nadenken over hoe nu verder en vooral ook waar. Het liefst terug naar het midden van het land, het allerliefst naar Amsterdam, waar ik 25 jaar met overwegend plezier gewoond had. Maar de wet en dus het bezwaar van een weinig gevulde bankrekening en verwachte inkomsten stond dat behoorlijk in de weg. Via internet ondernam ik een zoektocht naar geschikte woonplekken buiten de Randstad. Tot ik in andere uithoeken van ons land terecht kwam. Maar dan kon ik net zo goed op de Brabantse Wal blijven, waar ik per slot in die negen jaar vriendschappen had opgebouwd, het landschap mij dierbaar was geworden en waar ik contacten had opgebouwd die mij konden helpen een bevredigende wending te geven in mijn arbeidzaam bestaan. Maar er kwam intussen werk op mijn pad in het midden van het land, zoals het leiden van een Bijbelgroep van de vrijzinnige gemeente Vrijburg in Amsterdam. Familie en oudere vrienden wonen er. Ik ging regelmatig naar Ajax. De afstand van globaal 140 kilometer ging me steeds meer tegenstaan. Hoevaak had ik niet leuke bijeenkomsten, zoals verjaardagen, moeten laten lopen vanwege die afstand, de tijd die er mee gemoeid was. Ik voelde de pijn van het afscheid als predikant in contacten, goede contacten, die ik nog had met gemeenteleden. Los laten, geen bemoeienis meer, gemeente moet zonder mij een eigen weg vinden etc. Ik overwoog in Transsylvanië te gaan wonen, waar ik veertig jaar geleden had gewoond en waar ik de laatste jaren weer vaker was geweest en me thuis voelde, geprikkeld door de transitie waarin het land verkeert, aangestoken door het elan van een jonge generatie. Even flikkerde het idee op bij een vriend te wonen in zijn prachtige grote landhuis in Zuid-Frankrijk. En zo werd ik heen en weer geslingerd. Totdat in genoemd schitterend onderkomen in de Gers het besluit viel vol te gaan voor een appartement in een Naardense serviceflat, een mogelijkheid al eerder door een van mijn broers geopperd. Mijn vriend bedacht een actie, waardoor het mogelijk was dat appartement aan te kopen. Een actie die slaagde en dus zit ik nu tussen de dozen. De laatste dozen met boeken die ik opruim en schenk aan de tweedehands boekenmarkt van mijn voormalige gemeente. Het initiatief tot zo’n driemaandelijkse boekenmarkt ,waarvan de opbrengst naar een goed doel gaat, had ik zelf nog genomen zo’n acht jaar geleden. Ik moet wel opruimen, want ik ga kleiner wonen.  Dat opruimen gaat niet zonder pijn. Niet alleen, omdat het wegdoen van boeken me aan m’n hart gaat, maar ook omdat ik elke doos me doet beseffen, dat het hier voorbij is. Zoals bij elke verhuizing eerder in mijn leven – en dat zijn er nog al wat geweest – doet het me zeer. Het meest, omdat ik mensen zal missen, die nog steeds hier mijn leven draaglijk maken, me opheffen uit het alleen-zijn, helpen in het gevecht tegen eenzaamheid. Die zal ik daar ook vinden, die zijn er als familie in Huizen, mijn geboorteplaats en waar ik ben opgegroeid; als vrienden in Amsterdam, Utrecht, Nederhorst den Berg, Vreeland. Maar toch….

Een vrolijke dag

Op de vraag waarom hij op het bordes onder zijn blauwe pak witte puntschoenen met bloemmotieven droeg, antwoordde de kersverse minister van Volksgezondheid, Hugo de Jonge: ” omdat het vandaag een vrolijke dag is”.  Het was ons al vooruitgesneld – en dus al voor de beëdiging van het nieuwe kabinet onderwerp van gesprek – dat de voormalige CDA-wethouder graag zijn voeten schoeide met opvallende stappers. Als hij gisteren daarvan was afgeweken, dan zou het journaille ogenblikkelijk gevraagd hebben, waarom hij voor degelijk schoeisel gekozen had. Nu heb ik zelf deze nieuwkomer van 40 gekend toen hij nog hele kleine schoentjes droeg aan zijn peutervoetjes. De kleur er van herinner ik me niet meer. Hugo de Jonge is namelijk de zoon van de jongste zuster van mijn ex-vrouw. Zijn vader is een collega, die als predikant op de kansels stond van Hervormd Bruinisse, Alphen aan de Rijn en Zaamslag. Hij studeerde in Leiden, waar mijn schoonfamilie woonde en ik herinner hem  als vrolijk, maar degelijk confessioneel en politiek gezien een hartstochtelijk aanhanger van de CHU, de stroming waar ook Buma uit voortkomt. Een oom van de nieuwe minister en broer van zijn vader was hoogleraar Nieuwe Testament, eerst in Leiden en later in Amsterdam of omgekeerd. De kleine Hugo was een jaar of vier toen ik scheidde en hij dus buiten mijn gezichtsveld raakte. En nu is hij aangetreden met schoenen die passen bij een vrolijke dag. Toen Plasterk voor het eerst minister werd, tooide hij zich met een opvallende hoed. Het werd zijn kenmerk, terug te vinden in menig cartoon. In het afgelopen kabinet heb ik hem nooit meer met die hoed gezien. Ben dus benieuwd hoe lang De Jonge het volhoudt met opvallend schoeisel in de Tweede Kamer te verschijnen, het journaille tegemoet te treden of bij een andere gelegenheid zich aan de buitenwereld te vertonen, nadat hij eerst zijn kinderen heeft uitgezwaaid als ze naar school gaan. Dat laatste vertelde hij bij Pauw, die besefte dat je op zo’n vrolijke dag als de installatie van een nieuw kabinet een gesprek vooral wat luchtig moet houden en niet al direct moet belasten met hevig kritische vragen waarop de nieuwe bewindslieden – in zijn geval de drie vice-premiers – in feite nog geen antwoord kunnen geven. Een verademing vergeleken met het lange programma van de NOS, waarin door ene Albert Bos  en Nynke de Zoete  nieuwe ministers aan een kruisverhoor werden onderworpen. Kritisch vragen wordt verward met drammerigheid en scoringsdrift, een veel voorkomend euvel m.i. in Den Haag. Vragen waarop nooit het antwoord komt wat de scoringsgeile journalist wil horen, waarbij het dus altijd blijft bij schieten naast het doel of hooguit tegen paal of lat.

Vorstenhuizen 10

‘Waarom zit een koning op een troon’?, is de titel van het vijfde hoofdstuk van Von Schönburgs boek. De schrijver stelt zich voor dat hij opnieuw geboren wordt als huisleraar aan een koninklijk hof. Wat zal hij de troonopvolger dan leren over die troon? Hij zal hem vertellen dat bij de Egyptenaren de troon zelf als een godheid werd vereerd. Dat bij de Romeinen de legen keizermeel op munten werd afgebeeld en dat juist door dat hij leeg was er ee enorme suggestieve macht vanuit ging. Hij zou hem vertellen dat in Byzantium de keizer op gewone dagen op de rechter helft van de troon plaats nam en op feestdagen op de linker helft, omdat hij dan wijken moest voor God zelf, die onzichtbaar plaats nam op de rechter helft. Hij zou hem vertellen dat de Germaanse koningen geen troon kenden en dat in de Middeleeuwen tronen niet van goud waren, maar eenvoudig van hout of steen. Hij zou hem vertellen dat Karel de Grote rond 800 een kapel liet bouwen in Aken, op een plek die voor de oude Germanen als cultusplaats gold en dat hij daarin een troon liet bouwen van stenen, die uit de tempel van Jeruzalem kwamen. Meer dan dertig keizers lieten zich vervolgens op deze troon kronen, omdat zij het als een heilige plek beschouwden. Hij zou hem vertellen dat zelfs Napoleon de aantrekkingskracht van die troon niet kon weerstaan en dat zijn vrouw Joséphine de Beauharnais er op stond ook een ogenblik op die troon wilde plaats nemen, waardoor ze volgens Victor Hugo een hardnekkige blaasontsteking opliep. Hij zou hem bovenal vertellen dat de legendarische Stone of Scone zelf in staat was onderscheid te maken tussen een rechtmatige en een onrechtmatige heerser! Deze troon was de troon van de Schotten, voor hen een magische steen, het midden van de wereld, waarop Jacob had gerust in de woestijn, toen hij de droom van de ladder kreeg. Op zijn sterfbed profeteert de aartsvader aan zijn zonen dat God het volk der joden op een dag het Beloofde Land zal binnen leiden en dat alle koningen van Israël gezalfd zullen worden op de steen die zijn hoofdkussen was.  En zo geschiedde. De Babyloniërs veroverden Jeruzalem, verwoestten de tempel, alleen de steen kan gered worden door de hand van Jeremia, die vervolgens met de steen en de dochter van de koning wegvlucht en na lange omzwervingen op het eiland rand belandt. De koningsdochter, door de Ieren Tamar Tephi genoemd, huwt met Eochaidh Heremon, een van de machtigste Ierse vorsten. de dochter schenkt hem de stee, waarop voortaan de Ierse koningen worden gekroond. Ze noemen de steen Lia Zal, in Gaelic ‘steen van het lot’.  In oude geschriften van Ierse monniken heet het dat de steen zelf beslist wie koning zal zijn. Bij de koningskeuze door de stamoudsten moet een kandidaat zijn voet op de steen plaatsen. Als de steen dan een donker, diep geluid voortbracht, als een roep uit een andere wereld, dan was er sprake van de juiste kandidaat; zweeg de steen dan moest opnieuw gekozen worden. Maar zeggen de getuigenissen van de monniken: sinds Christus’ dood aan het kruis, roept de steen niet meer tijdens de koningsverkiezing, want niet de steen, maar het kruis is het middelpunt van de wereld. Toch bleven de Ieren de steen als troon voor hun koningen gebruiken. Vele eeuwen later maakte de Ierse koning Fergus zich op om de onbewoonde westkust van de Schotse Hooglanden aan zijn rijk toe te voegen en dus ook daar koning te zijn. maar zonder steen ging dat niet en die ging dus mee. Vijfhonderd jaar lang werden de Schotse koningen op de Steen gekroond. Het was Edward I van Engeland die de strijd aanbond met de Schotten en hen in 1296 onderwierp en de  Stone of Scone –  naam die de Schotten gaven – en dus de troon meenam naar London en daar een houten troon omheen liet bouwen.  Op een dag, zo staat geschreven, zal de steen weer terugkeren in Schotland en zal het weer een eigen koning hebben.  Tot zover de legende die Von Schönburg aan de kroonprins zou vertellen als een verhaaltje voor het slapen gaan. “Inzwischen wird mein jonger Kronprinz sicher eingeschlafen sein und davon traümen  selbst einmal auf diesem Stein zu sitzen”.    Hij vervolgt dat sinds de 13e eeuw alle Engelse koningen bij hun kroning op genoemde steen plaats hebben genomen, tot en met Elisabeth II. Met dit ritueel wordt symbolisch een verbinding gelegd met Jeruzalem en het Davidisch koningschap. (De Fransen deden dat met de zalving). David geldt als het oerbeeld van de juiste, Gode welgevallige koning, de door God zelf geroepen koning, met de belofte dat zijn huis tot het einde der tijden zal regeren. Genealogen aan het Engelse hof zijn sinds tijden in de weer om bewijzen en aanwijzingen te vinden van de directe afstamming van het koningshuis van prinses Tamar Tephi. Alles is er opgericht om te staven dat het Engelse koningshuis het ‘nieuwe huis van David’ is, wiens heerschappij geen einde zal kennen. Maar dat alleen onder de voorwaarde dat ook toekomstige koningen op de Stone of Scone gekroond zal worden. Echter: deze troon staat sinds 1996 niet meer in de Westminster Abbey! Tony Blair liet de steen op 15 november 1996 als teken van verzoening in een feestelijke ceremonie naar Edinburgh brengen. Voor traditiebewuste Engelsen werd hij daarmee een verrader, voor de Schotten versterkte hij de droom om zich eenmaal van Engeland te kunnen afscheiden. De houten troon is leeg: een nachtmerrie voor Engelse monarchisten. Voor Engelse en Schotten beide is het egaal of de geschiedenis van de Steen historisch is of een legende. Maatgevend is niet wat werkelijk geschied is, maar wat eeuwen gedacht is. ‘Die innere Wahrheit der Legenden ist  mächtiger als die äussere der Geschichtlichkeit”. Zo sluit Von Schönburg dit hoofdstuk af.

 

Vorstenhuizen 9

Voor leden van nog functionerende koningshuizen is een zekere wereldvreemdheid geen manco, aldus Alexander von Schönburg. Het wordt pas onaangenaam voor deze hoogheden als zij in het ‘voorgeborchte’ tussen koninklijk verleden en burgerlijke existentie verkeren. Alexanders eigen echtgenote bijvoorbeeld telt bijna alleen koningen en keizerinnen onder haar voorgeslacht, onder wie de heilige Elisabeth van Thüringen en koningin Victoria en ze is in een familie groot geworden die sinds zo’n duizend jaar daarop geconditioneerd is om in een paleis te wonen, waarbij derhalve alle dagelijkse beslommeringen van hen afgenomen worden door hulpvaardige lieden. Sinds twee generaties echter moet haar familie zich staande houden in een burgerlijke wereld, waarvoor ze niet gepredisponeerd is. Het erfelijk gebrek aan aandacht en bekommernis voor de banale details van het dagelijks leven. Deze handicap leidt er bijvoorbeeld toe dat men in een trein stapt naar Frankfurt an der Oder, terwijl men naar Frankrijk am Main wil. 

We hadden het eerder over de degeneratie van koningen vanwege inteelt. Het was koningin Victoria die dat gevaar al zag voor de ontdekking van de gentechnologie. In een brief aan haar oudste dochter Vicky, de moeder van keizer Wilhelm II en betbetovergrootmoeder van Von Schönburg vrouw, schrijft ze dat het haar uitdrukkelijke wens is dat er donkerogige prinsen en prinsessen voor haar kinderen gevonden worden. In navolging van haar echtgenoot zegt ze dat alleen maar blonde haren en blauwe ogen het bloed lymfatisch maken. “We hebben een beetje sterk bloed nodig”. Een precieze voorstelling van wat er mis was met het bloed van de Engelse koninklijke familie zal Victoria niet gehad hebben. Het huidige onderzoek is daarin veel verder. In de zestiger jaren van de vorige eeuw verscheen ‘George III and the Mad-Business’ van Richard Hunter en Ida Macalpine. Hun these luidt dat George III (1738-1820), die als voorvader van Victoria as krankzinnig de geschiedenis is ingegaan,, niet leed aan schizofrenie of aan een psychose, maar aan een aan inteelt gerelateerde stofwisselingsstoornis leed, genaamd porphyria. Een van de verschijnselen van de ziekte is manische aanvallen. De Britse historicus John C.G.Röhl ondernam een poging om te bewijzen dat het gehele nageslacht van Victoria leed aan een neiging tot porphyria. Maar daarvoor had hij ontlasting nodig, omdat de ziekte alleen vast te stellen is aan een enzym die aan ontlasting vast te stellen is. Aangezien Queen Victoria negen kinderen had, die zelf ook zich flink hebben voortgeplant, zijn er thans zo’n achthonderd nakomelingen, onder wie ook de kinderen van Von Schönburg. Vrijwel niemand was bereid Röhl zijn of haar excrementen te verstrekken. Droogkomisch schrijft Von Schönburg : “Leider werden wie wohl nie wissenschaftliche Gewissheit darüber erlangen, warum Prinz Charles mit Blumen spricht”.  

De eerste Engelse koning uit het Huis Hannover, George I (1660-1727), sprak geen Engels en was gewend in Hannover zonder ‘storend’ parlement te regeren. In Engeland kon hij het parlement moeilijk afschaffen en dus besloot hij überhaupt niet te regeren en zich elke avond te bezatten met meegebracht bier uit Hannover. Zijn opvolgers zo schrijft Von Schönburg waren bijna allemaal of enigszins krankzinnig, een beetje zwakzinnig of allebei tegelijk. George II (1683-1760) haatte alles wat maar naar ontwikkeling en wetenschap rook. Zijn vrouw, Caroline von Ansbach, moest stiekem lezen. Als de koning haar betrapte op dit heimelijke genoegen, barstte hij uit in een woedeaanval. De opvolger van ‘Mad King George’, George IV (1762- 1830) ging de geschiedenis in als de grootste hypochonder van zijn tijd, op de voet gevolgd door zijn nicht Queen Victoria, die ook nog onder zware depressies leed. Haar zoon ‘Bertie’, de latere Edward VII (1841-1910) gold als kind als opvallend als ‘lernfaul’ (te lui om te leren), later ontwikkelde hij een enorme vraatzucht en diverse tics. Zo kende hij de gewoonte om van al zijn gasten hun exacte gewicht te documenteren. Berti’s oudste zoon Albert Victor, bijgenaamd Eddie, gold zelfs in de ogen van zijn ouders als een uitgesproken ‘Schwachkopf’. Zij deden hun uiterste best om hem vooruit te helpen, huurden de beste leraren van het land in om hem klaar te stomen voor een studie in Cambridge. Allemaal tevergeefs, blijkens een door zijn ouders zelf uitgebracht bulletin, waarin vermeld staat dat ” Zijne Koninklijke Hoogheid moeite heeft te begrijpen, wat met het begrip ‘lezen’ bedoeld wordt”. Eddie overleed noch eerder dan zijn vader en dus werd deze opgevolgd door George V (1865-1936) De grootvader van de huidige koningin was totaal niet geïnteresseerd in geestelijke zaken. Zijn totale onwetendheid op het gebeid van politiek, wetenschap en cultuur koesterde hij als een ereteken. Zijn oudste zoon, Edward, beschouwde het als z’n eerste plicht het wilde leven van de twintiger jaren voluit te benutten, terwijl zijn jongere broer Henry zijn dagen hoofdzakelijk doorbracht met het kijken naar tekenfilms. Koning Olaf van Noorwegen liet hij eenmaal een uur wachten, omdat hij zich niet kon losmaken van een Popeye the Sailor -film.  Edward was overigens maar kort koning, vanwege zijn huwelijk met de al tweemaal gescheiden Amerikaanse Willis Simpson. Zijn broer Albert volgde hem als George VI  (1895-1952) op. Deze stotterde, maar de vader van Elisabeth bleek een gelukstreffer en bleek de meest ‘normale’ van alle Hannovers inmiddels Windsors. Met zoveel zonderlingen is het eigenlijk verrassend, aldus Von Schönburg, dat onder deze vaak weinig competente vorsten Groot Brittannië kon uitgroeien tot een machtig wereldrijk en heden ten dage over een monarchie beschikt die waarschijnlijk tot de stabielste van allen behoort. Waarschijnlijk ligt het geheim van een functionerende monarchie juist niet in de wijsheid van de man of vrouw op de troon, maar daarin dat het ambt van koning zo groot is, dat de persoon van de vorst daarachter verdwijnt. “Entscheidend für einen König ist schlicht dass er da ist, das man ihn sieht, so wie den Kirchturm über der Stadt”. Volgens Max Weber ligt het beslissende voordeel van een constitutionele monarchie boven een republiek juist in het feit dat zijn betekenis symbolisch van aard is. Hij begrenst het machtsstreven  van politici formeel daardoor, dat de hoogste positie in de staat eens voor al bezet is. Deze functie is politiek gezien “die praktisch wichtigste”.

 

Vorstenhuizen 8

‘Waarom mag een koning niet al te intelligent zijn?’ is de titel van het vierde hoofdstuk uit het boek van Alexander von Schönburg. Bij mij riep die titel direct de persconferentie uit het geheugen, waarop Maxima Willem Alexander als ‘een beetje dom’ kwalificeerde. Alexander begint zijn hoofdstuk met de aanbeveling van zijn inmiddels gestorven zwager, vorst Johannes von Thurn und Taxi, met de Zweedse koning Carl Gustaf uitsluitend te praten over auto’s. De schrijver dacht dat zijn zwager overdreef, tot hij de koning zelf ontmoette in het huis van een Duitse neef van de koning aan het Starnberger Meer. Voor de deur stond een nagelnieuwe Maserati. De koning was nogal zwijgzaam. Wat hij zei was slechts dit: “Morgen rijden we over de Tauern-autobaan richting Italië, brrrrm,brrrm!”. Iedereen knikte vriendelijk en ging vervolgens verder met hun gesprek. Enkele minuten later hoorden ze de koning opnieuw opgewekt mededelen: “En overmorgen rijden we via Milaan naar Florence, brrrmm,brrmm, brrmmmmm!”.                           Volgende anekdote: Het Deense kroonprinsenpaar Frederik en Mary brachten een bezoek aan de EU-commissie in Brussel. Na afloop stelt de Deense pers wat banale vragen. Maar, schrijft Von Schönburg, prins Frederik verstaat de kunst die banaliteit in zijn antwoorden te overtreffen. ‘Wat heeft het bezoek u gebracht’? ‘Wij hadden heel veel….eh .. aan het bezoek; we hebben in ieder geval een …eh …een idee gekregen, ook op lichamelijke aard en wijze. Wij hebben ook de , hoe heten ze ook al weer, oh ja, de commissarissen ontmoet. Heel aardig. Spannend! Ik bedoel  om ze te horen als we bijeenwaren bij spijs en drank, zoals men zegt’. Von Schönburg voegt er fijntjes aan toe dat de onnozelheid van de Deense kroonprins – als men bedenkt hoe intelligent en ontwikkeld zijn moeder is – enigermate verrassend is, zeker ook omdat zijn vader helemaal niet uit zo’n oude familie afkomstig is, dat hij het recht heeft gedegenereerd te zijn. 

Ontwikkeling – Bildung met een goed Duits woord – genoot volgens de schrijver alleen aan het Franse hof enige achting. Aan de andere hoven werd daar met minachting op neer gekeken als ordinair. Typisch voor de meeste Europese hoven was veeleer figuren zoals de laatste koning van Saksen, Friedrich August III, die, die toen hij bij zijn bezoek aan de tentoonstelling van de ‘Blaue Reiter’ in Dresden aan Franz Marc werd voorgesteld aan deze vroeg: ” Waarom heeft U de paarden blauw geschilderd?”. Toen de kunstenaar antwoordde : ” Zo zie ik dat, majesteit”, zei de vorst:  ” Och, arme man, heeft u dat al lang?”  Ander voorbeeld: Keizer Ferdinand I van Oostenrijk – de ‘Goedmoedige’ genoemd – schoot tijdens een jachtpartij een arend uit de lucht. Toen men hem het dier presenteerde, was hij bitter teleurgesteld dat de vogel maar één kop had, op zijn familiewapen had hij er toch twee! Van deze goedmoedige Ferdinand is in de literatuur slechts één samenhangende zin te vinden: “Ich bin der Kaiser, und ich will Knödel!”

Ter verontschuldiging moet wel aangevoerd worden dat vanwege de dynastieke huwelijkspolitiek , die eeuwen lang min of meer op een systematische incest uitliep, nauwelijks grote geesten voortgebracht konden worden. de in 1914 in Sarajevo vermoorde kroonprins Franz Ferdinand heeft zich daar eens over uitgelaten: “Wanneer iemand van ons een huwelijkskandidaat op het og had, werd er in haar of zijn stamboom altijd wel een kleinigheidje gevonden, die een huwelijk verbood en zo komt het dat bij ons man en vrouw zeker twintig keer aan elkaar verwant zijn. “Das Resultat ist, das von den Kindern die Hälfte Trottel ( sukkels) und Epileptiker sind”. De kroonprins zelf doorbrak die politiek door onder zijn stand te huwen met een eenvoudige gravin, de oergroottante van Von Schönburg.

Vorstenhuizen 7

We vervolgen onze gang door het nog immer fascinerende boek van Alexander von Schönburg  over koningen en vorstenhuizen. In hoofdstuk drie stelt hij de vraag hoe koningen opgroeien. De Hertog van Saint-Smon, die de schrijver typeert als de voorvader van de moderne roddeljournalistiek en aan het hof van Lodewijk IV opereerde, was de mening toegedaan dat de grootste bedreiging voor koningskinderen ‘het afschuwelijke gif van de aartsslijmerij’ is. Dat daar zit veel in, aldus Van Schönburg. Van de opvoeder van Lodewijk IV is bekend dat hij niet zelden al ‘ja’ zei, voordat zijn leerling een vraag stelde. Het slijmen en vleien kwam vooral tot grote blok aan het Habsburgse hof in Wenen. Het was een permanente bron van vermaak in de Weense Kaffeehaus-Society.  Alfred Polgar, een Oostenrijks-Joodse journalist, die zijn land in 1938 ontvluchtte, bedacht een beroemd geworden spel voor in genoemd café: ‘Der Erzherzog wird geprüft’. Een speler nam de rol op zich van examinerende geschiedenisprofessor, een ander de rol van aartshertog. De professor moest voor de hertog een vraag bedenken, die onmogelijk fout beantwoord kon worden. De hertog wint als hij toch in staat is een fout antwoord te geven, de professor als hij in staat is het foute antwoord zo te interpreteren dat deze toch juist was. Von Schönburg geeft het volgende voorbeeld: “Keizerlijke hoogheid, hoe langt duurde de dertigjarige oorlog?”. “Zeven jaar”. “Helemaal goed, keizerlijke hoogheid! Want toen werd er niet ‘s nachts gevochten, waarmee de helft van de oorlogstijd al wegvalt. Ook op zon- en feestdagen werd niet gevochten en wanneer we ook nog de historisch vastgelegde gevechtspauzes er af trekken, komen we precies op zeven jaar. Gefeliciteerd, keizerlijke hoogheid”!

Prins William studeerde op Eton en daarvan is bekend dat eenmaal een van zijn schilderingen, gemaakt tijdens het kunstonderricht, in de bibliotheek werd tentoongesteld. Zijn leraren loofden hem als een begaafd schilder, te vergelijken met Mark Rothko. William was zelf geschokt: hij was nimmer van plan om abstract te schilderen, hij wilde een huis schilderen, waartoe hij niet in staat was. Dit gedrag van zijn leraren correspondeerde ook niet met wat hij en Harry van hun moeder leerden, namelijk een zo normaal mogelijk leven en behandeling. Het gedrag past ook eigenlijk niet bij Eton, waar weliswaar kinderen uit rijke aristocratische families en die van buitenlandse heersers studeerden, maar waar onderling geen rangonderscheid wordt gemaakt. Williams grootmoeder kreeg nog privéles, zijn vader werd naar het bitter strenge ver in Schotland gelegen Gordonstoun gestuurd, William genoot bescherming in het op loopafstand van Windsor Castle gelegen Eton, waar pubers omgeschoold werden tot jong volwassenen. Zijn universitaire studie voltrok zich niet in Cambridge of Oxford, maar in het Schotse St.Andrew’s, publicitair gezien veel meer in de luwte. Met een paar vrienden, onder wie Kate Middleton – een dochter van een zakenman, met wie William op 29 april 2011 in het huwelijk trad, wat haar de titel Hertogin van Cambridge opleverde – huurde William een klein studentenkot en profileerde zich als kok van spaghetti met tomatensaus.  De pers liet hem behoorlijk met rust. Wel verschenen om de paar maanden foto’s, tot plezier van heel Engeland, waarop we o.a. zien dat de prins in de supermarkt familiepakken chips en sixpacks bier- ‘also den Grundnahrungsmitteln des durchschnittlichen Engländers’ – , inslaat, die hij , zoals de pers gretig noteerde, ‘met kleingeld uit eigen zak betaalt’. William is een enorme motorliefhebber. Op een Dayton 600 of een Honda Blackbird raast hij graag door het land en wordt daarbij ook wel eens vanwege snelheidsovertreding aangehouden. Niets liever heeft hij dan ‘normaal’ behandeld te worden en dus gewoon een boete te krijgen. Hij is teleurgesteld als de politieman als e prins zijn helm heeft afgezet salueert en hem onbestraft verder laat rijden, wat in de regel het geval is.

Het hoofddoel van koninklijke opvoeding ligt volgens Von Schönburg van ouds niet op het overdragen van de meest omvattende ‘Bildung’. Het zich ‘in de salon’ gedragen en opstellen vormt de hoofdmaart, behoort tot kern van de ‘koningsdiscipline’. Altijd goed gemutst zijn, nooit chagrijnig, een geïnteresseerde indruk maken, ook wanneer een gesprek dodelijk saai is. Aan het Deense hof heeft men een efficiënte trainingsmethode ontwikkelt om ongeïnspireerde gesprekken op niveau te houden. Er wordt geoefend met leren fauteuils, waaraan een kaart bevestigd is met opschriften als “de Engelse ambassadeur’, ‘de bisschop van X’, ‘de president van het gerechtshof’ etc. Wie het voor elkaar krijgt om met een meubelstuk te spreken, is voor het leven in de salon goed toegerust. De huidige Deense koningin Margarete leerde als jong meisje, met haar zusters en andere verwanten in de koningsloge van de opera de indruk te wekken van een gezelschap met levendige gedachtenuitwisseling. Zij wenden zich aan fluisterend tot honderd te tellen. “1,2,3,4,5,6″, fluisterde de kroonprinses. “7,8,9,10,11″, antwoordde haar jongere zuster. “12,13,14″, zei haar jongste zus. Enzovoort. Het werkte voortreffelijk, het publiek was verrukt over de koningskinderen: ‘wat onderhouden ze zich onderling goed’!

Tsaar Nicolaas I  vatte onbedoeld komisch zijn opvoeding als volgt samen: “Eigenlijk zijn wij opgegroeid als elk ander kind, afgezien natuurlijk daarvan, dat elk van ons vanaf de geboorte de beschikking had over een kindermeisje, twee dienstmeiden, vier kameniers, een ziekenzuster, twee butlers, acht dienaren, twee persoonlijke gardisten en acht chauffeurs”. Het kindermeisje of nanny is een verschijnsel van de 19e eeuw,  door Catharina de Grote geïntroduceerd. Zij had een sterke voorliefde voor kindermeisjes uit Engeland.  Daarna werd het mode, wereldwijd. De Engelse nanny had volgens de schrijver een obsessie met frisse lucht, havermout en thee en veroverde daarmee de kinderkamer. Nanny’s stamden – in tegenstelling tot de gevreesde gouvernantes – meestal uit arbeidersmilieus en zorgden met hun resolute aard voor opruiming in de weinig kindgerichte praal en pronk van het hof. Ethel Howard, een legendarische nanny aan het Pruisische hof en later in Japan, zag het als haar voornaamste taak voor heilzame onrust te zorgen in de kinderkamer. Als ze er achter komt dat de aan haar toevertrouwde prins nog nooit sneeuw in zijn handen heeft gehad, liet ze hem, terwijl het hem niet was toegestaan, in de vrieskou naar buiten gaan voor een paar emmers sneeuw en die naar de bovenste etage van het Neue Paleis in Potsdam te dragen voor een opwindend sneeuwballengevecht in de kinderkamer.                                                            

Nanny’s waren geliefd, gouvernantes gehaat. Zij stamden hoofdzakelijk uit verarmde adel, wat hen een diepgeworteld ressentiment gaf tegenover hun broodheren. En dat leefden ze uit op hun kinderen, samen met de eveneens gehate huisleraren. Ze voelden zich ook verheven boven de nanny’s. Vanaf hun zevende kwamen de kinderen onder hun schrikbewind, waaruit de prinsen ontsnapten als ze oud genoeg waren voor de cadettenschool; de prinsessen moesten hun kwellingen veel langer ondergaan en doorstaan. Midden 20e eeuw begonnen de vorstenhuizen hun jongens naar internaten, hun meisjes naar pensionaten te sturen, de meeste gouvernantes werden overbodig. Nanny’s functioneren nog tot op de dag van vandaag.

Vorstenhuizen 6

Een regeringsvorm gebaseerd op erfopvolging heeft behoefte aan legitimatie daarvan. De vooraanstaande antropoloog sir James George Frazer heeft aangetoond dat vanouds over heel de wereld het koningsschap gezien werd als een heerschappij van goddelijke oorsprong. Deze voorstelling is zo oud als de mensheid zelf. De vroege Germaanse vorsten waren er van overtuigd zelf van goden af te stammen. Die goddelijke status van vorsten gaf ze ook de rol van middelaar tussen god en mens. De vorst was altijd tegelijk een magiër, een priester. Zo’n bevoorrechte positie is of lijkt benijdenswaardig, maar is tegelijk zeer precair. Het volk verwacht dat de vorst garant staat voor zon en regen op de goede tijden in verband met een goede oogst; voor gezondheid zorg draagt. Zo niet, dan kan dat voor hem onaangename gevolgen hebben. Het koningsschap is zodoende wellicht vaker een last dan een lust. De vorst leeft in een gouden kooi en in een rituele dwangbuis. De Japanse Mikado’s hadden daar al vroeg wat op gevonden door de last van het keizerschap op de hals te leggen van hun nog onmondige kinderen en de uitvoering van de macht in de handen te leggen van de shogun. In West-Afrika is het nog steeds zo, schrijft Alexander von Schönburg, wiens boek we nog immer volgen, dat als een koning sterft een familieberaad wordt gehouden voor het aanwijzen van de opvolger. Die gekozen wordt wordt vervolgens vast gepakt, geboeid en in een hut geworpen, waar hij gevangen gehouden wordt totdat hij instemt met zijn verkiezing. Van prins William is bekend dat hij een behoorlijke aversie had en wellicht nog heeft tegen zijn voorbestemming. Het schijnt dat hij eens in familiekring die aversie kenbaar maakte en dat zijn jongere broer Harry toen gezegd heeft: ‘If you won’t do it, I will’.  Von Schönburg refereert vervolgens dan aan een uitspraak van Erasmus over het koningschap: ‘wie zich zelf geschikt acht daarvoor, is juist het minst geschikt’. Dat brengt mij op een interview die ik met VPRO-collega Ger Jochems jaren geleden had met kardinaal Daneels in het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen. In die tijd was Johannes Paulus II dermate ernstig ziek, dat het kwestie van tijd was dat gezocht moest worden naar een opvolger. De speculaties in de media daarover waren al vol aan de gang. Eén van de gedoodverfde kandidaten was de beminnelijke Daneels. Hij was zogezegd ‘papibele’. Nu luidt het gezegde ‘wie als paus het conclaaf binnen gaat, komt er als kardinaal weer uit’. Wij vroegen Daneels wat die geruchten met hem deden, hoe hij er mee omging. Hij sprak toen de onsterfelijke woorden: ‘wie paus wil worden is of te seniel of te jong en ambitieus om te beseffen wat het inhoudt; de lieve Heer zelf zou niet eens het willen zijn’. Het priesterlijke koningschap van de Germaanse volken is door de komst van het christendom een zware slag toegebracht, zo schrijft Van Schönburg. Een heidense dwaalleer, die ooit helemaal verdwenen is, maar vooral in het volksbewustzijn zijn rol bleef spelen. Denk ten onzent aan het nog immer bij velen levende drievoudig snoer God, Nederland en Oranje. De hele Bijbel kun je lezen als verzetsliteratuur tegen een goddelijk gesanctioneerde ongebreidelde macht.  De machtsvraag speelt vanaf het begin: wie heeft het voor het zeggen en wat heeft hij te zeggen, met het oog waarop en op wie. Denk alleen al aan de Jozefgeschiedenis en aan de strijd met Farao. De God wiens Naam inhoudt er te zijn voor zijn volk, voor mensen, is de ware Koning. ‘School voor koningen’ heet terecht het boek van F.O. van Gennep over de Samuël-boeken. Het volk wil zijn als de andere volkeren en willen een echte koning van eigen vlees en bloed, hebben niet maar genoeg aan de Naam als hun koning. Die koning krijgen ze, maar de eerste de beste, Saul, blijkt niet te voldoen aan hoe de Ene het koningschap ingevuld wil zien. Dan volgt David, de minst geschikte. Jezus, als ultieme zoon van David, beantwoordt ook niet aan ons natuurlijk beeld van een koning. Een schertsfiguur eigenlijk, met een kribbe als wieg, een executiepaal als troon en daartussen een zwervend bestaan zonder vast woonadres, laat staan een Huis ten Bosch, Buckingham Palace, een Vaticaan. 

Vorstenhuizen 5

Je kan dan wel als toekomstig koning geboren zijn, het is nog geen garantie dat je het wordt , zekere niet waneer. Prins Charles lijkt te moeten wachten tot hij een ons weegt. Als zijn moeder zo oud wordt als haar moeder dan is hij over de tachtig als hij eindelijk gekroond kan worden. Als hij er dan nog zin in heeft en zijn beurt aan ‘Fikkie’ geeft, aan zijn oudste zoon derhalve. Ik heb de indruk dat Charles zich wel vermaakt, maar al decennia is zijn leven wat de troon betreft gelijk een stationair draaiende auto: tot een echte rit komt het niet. Een tragisch voorbeeld, zo schrijft Alexander von Schönburg, wiens boek we nog steeds volgen, kent Charles in Friederich III van Pruisen, gehuwd met de oudste dochter van Koningin Victoria. Die stond z’n hele leven te trappelen van ongeduld om zijn vader te mogen opvolgen en plannen ontwierp om in tegenstelling tot zijn vader van Duitsland een liberale, constitutionele monarchie te maken naar Engels model. Als dan zijn vader eindelijk de laatste adem uitblies en hij z’n droom kon verwezenlijken, kreeg hij al spoedig kanker en stierf na een ambtsperiode van slechts 99 dagen. En zo kwam zijn zoon Wilhelm II voor decennia op de Duitse troon.                                        De huidige queen is zelf ook een goed voorbeeld van de ironie van de geschiedenis. Haar oom Edward was als oudste voorbestemd voor de troon, besteeg die ook als Edward VIII in 1936, maar moest daar een jaar later weer vanaf dalen vanwege zijn voorgenomen huwelijk met de al tweemaal gescheiden Amerikaanse Wallis Simpson. En zo was het de beurt aan Elisabeths vader Albert, de stotteraar, die als George VI tot aan zijn dood in 1952 Buckingham Palace bewoonde. Tot verdriet van zijn vrouw, ook een Elisabeth, die Edward z’n escapade haar leven lang kwalijk heeft genomen. Deze ironie der geschiedenis, die vaker voorkwam, wordt passend bij zo iets als een koningschap gezien als een ‘ingrijpen van hogerhand’. Een oeroude gedachte, substantieel onderdeel van de mythologie en ook te vinden in de Bijbel, in de figuur van David, die juist als jongste tot koning geroepen en gezalfd wordt.  Het oudst bekende historische document  ( 4000 voor Christus), waarin het woord ‘koning’ voorkomt, een Sumerische koningslijst, begint met de woorden: “Wanneer het koningschap eenmaal vanuit de hemel is neergedaald …”.           Deze kern van het koningschap illustreert Van Schönburg aan de hand van de ontluisterende geschiedenis van de Franse revolutie op dit punt. In de herfst van dat jaar rammen soldaten met rode mutsen de deuren kapot van de basiliek van St.Denis, waar sinds eeuwen de Franse koningen hun laatste rustplaats vinden. Ze worden gevolgd door een hysterische mensenmassa, die zich stort op de graven, ze openbreken om die te plunderen. Er valt echter niet veel te halen, want de koningen werden slechts in een eenvoudige lijnwaad begraven. De eerste vroegere ‘tiran’ die het moet ontgelden is Henry IV ( Hugenoot geworden, die weer katholiek werd – Parijs is mij wel een mis waard, kundig koning, tolerant:Edict van Nantes). Toen de eikenhouten deksel van zijn kist opensprong bleek zijn lijk na 180 jaar nog in opmerkelijk goede conditie. Hij werd als een pop tegen een pilaar gezet, waar op een aantal dagen het gepeupel zijn woede kon botvieren. Wat er toen nog van over was werd in een drie meter diep graf naast de kerk gesmeten. Lodewijk XIII was als volgende aan de beurt, maar die moet zo gestonken hebben, dat men hem met rust liet. Bij Lodewijk XIV werd zijn buik opengereten en een soldaat trok hem een zwart geworden tand uit om die als een trofee de opgewonden massa te tonen.  En zo ging men door, van de ene vorst naar de andere.  Bijna alle symbolen van het meer dan duizend jarige koninkrijk werden vernield, maar als men niet dat ene attribuut zou bemachtigen en vernietigen zou de revolutie onvoltooid blijven. Dat attribuut betrof een flesje.  Een glazen flesje van een paar centimeter, gevuld met een roodachtige substantie. Volgens de overlevering bevatte dit flesje de olie, waarmee de Merovinger koning Clovis I eind vijfde eeuw gezalfd werd na zijn doop tot christen. De legende wil dat deze olie door de Heilige Geest in de vorm van een duif aan de dopende bisschop geschonken was. Alle koningen na Clovis werden met de zelfde olie tot koning gezalfd. Een zalving, waarmee het Franse koningshuis zich verbonden wist met het Bijbelse davidische koningsschap. Von Schönburg schrijft dat weliswaar de Franse geschiedschrijving sinds de Verlichting de historiciteit van de mythe van het koningsschap belachelijk had gemaakt, echter de bezetenheid waarmee jacht gemaakt werd op de ampul toont aan dat de kracht van de mythe ook onder sceptici nog hardnekkig voortleefde en dat het voortbestaan van dat kleine flesje  een gevaar voor de republiek zou blijven. Dat flesje bevond zich niet in St.Denis, maar in Reims. Op 16 september 1793 wordt per decreet besloten een voormalige protestantse predikant, ene Ruhl, een Duitse Elzasser, de opdracht te geven naar reims af te reizen om de ampul zeker te stellen en te vernietigen. Op 7 oktober van dat jaar werd de bevolking van Reims samengeroepen op het voormalige Place Royale om de vernietiging bij te wonen. Ruhl beklimt onder tromgeroffel de sokkel van het voormalige ruiterstandbeeld van Lodewijk XV, toont de joelende menigte de ampul, die hij betitelt als ‘heilige rammelaar van een nar’, houdt een vlammend betoog, laat zich door de burgemeester een hamer aanreiken en slaat vervolgens de ampul in stukken. Echter: er waren een paar veel minder radicale revolutionairen, die voor Ruhls komst zoveel mogelijk balsem uit het flesje hebben gehaald en overgegoten in een nog kleiner flesje en die hebben verstopt tot het einde van de revolutie. Tot 1970 bevond dat flesje zich in de schatkamer van de aartsbisschop van Reims, sinds 1970 kan men het achter pantserglas bewonderen in het stadsmuseum van de stad. Conclusie van Von Schönburg: ” Erst durch diepe Musealisierung hat man der Ampulle ihren Zauber geraubt. Die Revolutionäre damals haben ihn durch ihre Jagd verstärkt”.

Vorstenhuizen 4

“Hoe wordt men koning?”, is de vraag die Alexander von Schönburg in het tweede hoofdstuk van zijn juweel van een boek beantwoordt. Als met het einde van de Eerste Wereldoorlog ook het Ottomaanse Rijk aan zijn eind komt, vragen in Europa meerdere tronen om nieuwe bezetting. De Albanese regering zet daartoe een opmerkelijke stap: ze plaatst een advertentie in de Evening Standard, waarin men leden van de  Engelse landadel oproept te solliciteren. Helaas komen de meeste reacties vanuit de Londense ‘grachtengordel’ en van o.a. een conservatief parlementslied en een Amerikaanse fabrikant van blikken doosjes. Met de kroon van Griekenland wordt onder alle vorstenfamilies van Europa geleurd “wie Sauerbier”. Uiteindelijk komt men uit bij prins Georg von Schleswig-Holstein, die pas toestemt om naar Athene te vertrekken als zijn oom, de koning van Denemarken, dreigt zijn maandelijkse toelage te schrappen. Bulgarije heeft nog meer moeite een passende koning te vinden. Eerst wordt Alexander von Battenberg, uit het Huis Hessen-Darmstadt, op de vers geschapen troon gezet, maar daar al na zeven jaar van verdreven. Een Russische groothertog, een Deense prins en een Roemeense vorst bedanken vervolgens feestelijk voor de eer. In wanhoop zwerven de Bulgaarse scouts van slot naar slot, tot ze in een Weens koffiehuis stuiten op prins Ferdinand von Sachsen-Coburg. Een uitstekende kandidaat, zo lijkt het. Hij is pas 26 jaar, ziet er goed uit, welvarend, enigszins ijdel, maar via zijn vader aan het Engelse koningshuis en via zijn moeder aan het Franse koningshuis verwant. De jongeman valt als een blok voor het aanbod: ” Ik beschouw het als mijn heilige plicht mijn voet zo snel mogelijk op Bulgaarse bodem te zetten”. Zijn tante, Queen Victoria, reageert op het bericht van zijn benoeming bepaald niet ‘amused’. Aan haar prime-minister, Lord Salisbury, bericht zij dat haar verwante totaal niet geschikt is. Hij is “zwak, excentriek en vrouwelijk….dit moet verhinderd worden”. Maar hij wordt het wel, wordt niet populair in Bulgarije en is de grootvader van Simeon die na de val van het communisme bij de eerste vrije verkiezingen van Bulgarije tot minister-president van het land gekozen wordt en zijn land de Europese Unie binnenleidt. Als Albanië per advertentie een koning zoekt, heeft men al een koning gehad. Het land komt al in 1912 onder het juk van het Ottomaanse Rijk vandaan en de grootmachten besluiten  in dat behoorlijk onherbergzame bergstaatje een monarchie te vestigen. Gek genoeg zijn er dan kandidaten genoeg. Een Franse en een Italiaanse markgraaf bieden zich zelf aan; koning Nicolaas van Montenegro beveelt zijn zoon Mirko aan; het Vaticaan pleit voor prins Lodewijk uit het Huis Bonaparte en uit Cairo meldt zich prins Achmed Fuad. uiteindelijk valt de keus op de in Potsdam levende vorst Wilhelm zu Wied. Hij is protestant, een denominatie die in Albanië juist niet voorkomt en juist daarom wordt hij uitverkoren om zo neutraal de in het land levende moslims, katholieken en grieks-orthodoxen te kunnen verbinden. Zijn verre neef, keizer Wilhelm II, wiens leger hij dient als cavalerie-officier, waarschuwt hem: Wie zijn geestelijke gezondheid hem lief is, gaat met met een grote boog om de Balkan heen! Von Wied is getrouwd met Sophie von Schönburg-Waldenburg – tante van de schrijver – en zij, verrukt van het perspectief koningin te kunnen worden, trekt haar man over de streep. Het loopt op een fiasco uit. De zogenaamde verwachte neutraliteit zorgt voor rumoer en volksopstanden, die de naïeve Sophie denkt te kunnen indammen door op de zee bij Tirana wat te gaan spelevaren. De Albanezen zijn totaal niet onder de indruk en het gevolg is dat een kanonneerboot van de Duitse marine Wilhelm en zijn echtgenoot in ijltempo het land uit moet brengen, nog geen zes maanden na de troonsbestijging. De zoektocht naar een nieuwe koning gaat dan weer opnieuw beginnen tot uiteindelijk een zoon van een herenboer uit het Albanese achterland, Ahmed Zogu, de macht grijpt. Deze putschist is journalist, sticht een republiek, maar eenmaal vast in het zadel roept hij zichzelf uit tot koning: koning Zog I.  Tot zover de vermarkting van tronen in Oost- en Zuidoost-Europa. De volgende aflevering van dit feuilleton over hen die als toekomstig koning geboren worden en andersoortige troonsbestijgingen.

Vorstenhuizen 3

Het boek van Alexander von Schönburg is te leuk om niet met u te delen. Zijn eerste echte hoofdstuk gaat over de aanspreektitel van koningen. Boven het hoofdstuk staat het opschrift op het lievelingskussen van de Engelse prinses Margaret: ‘It’s not easy being a Princess’. Geestige stimulans tot verder lezen. Hij beschrijft een diner in Parijs op alpine hoogte van de high society. Mevrouw Chric (haar man is dan president), de zuster van Jacky Onassis, een handje vol Rothschilds, de hertog van Marlborough en een broer van de Saoedische koning. Eregast: koningin Rania van Jordanië. Een jeugdige Rothschild krijgt de instructie tegenover de koningin geen diepe buiging te maken, een handkus volstaat. Hij vraagt hoe hij haar moet aanspreken. Ten antwoord krijgt hij dat hij moet wachten tot hij aangesproken wordt. Om elke faux pas te vermijden is het eigenlijk het beste om helemaal niets te zeggen. Toch komt er een moment dat je wel een aanspreektitel moet gebruiken. Van Schönburg vertelt dat eens koningin Silvia van Zweden meedeed aan de Duitse versie van ‘Wedden dat..?’ (sic!) De presentator Thomas Gottschalk sprak haar consequent aan met ‘Hoheit’. En dat was helemaal verkeerd. Hooghied is de aanspreektitel voor leden in de periferie van een koninklijke familie. De enige juiste aanspreektitel is ‘Herr’, Heer of ‘Herrin’ oftewel Madam en dan elk in eigen taal. Madam is afgeleid van het Latijnse  mea domina oftewel mijn heerin. In Spaans nog terug te vinden als Senor en Senora. In Rusland werd de tsaar door de boeren vroeger zelfs getutoyeerd. Hun privilege was het hem aan te spreken als Tsaar en als ‘jij’. Liefkozend noemden ze hem ook ‘vadertje tsaar’. In de synagoge is het de gewoonte om waar JHWH staat Adonai te zeggen. De Naam is in al zijn nabijheid toch een mysterie waarover we niet kunnen beschikken niet in ons spreken en dus ook niet in ons doen. maar de vervangbaar is niet ‘Majesteit’ of Hoogheid, Opperwezen, maar gewoner ‘Heer’. De aanspreektitel voor een predikant is ‘dominee’, afgeleid van ‘dominus’, heer. Hij is in dienst van de Heer, van zijn spreken.VDM. (Verbi Divini Minister, dienaar van het goddelijk woord) Laat God de Koning ook maar spreken en wij zwijgen. Augustinus zei: ‘wij spreken om niet helemaal te hoeven zwijgen’. Toch werd en wordt er wat op kerkelijk erf af gekakeld, gedelibereerd, met woorden van modder gegooid, gebabbeld, geroddeld, tegen God aan gekletst, gebetweterd wie en wat Hij is en ga zo maar door. En in zijn naam en zgn. dienst kletsen dominees ook soms maar raak; ik zal me er ook aan schuldig gemaakt hebben. Zwijgen is dus goud. En toch staat de Bijbel ook vol met woorden aan God gericht. Maar dat zijn of lofzangen of roepen om ontferming, zelfs in de vorm van verwensingen, zoals bij Job. Werkelijke woorden uit het hart gegrepen, uit het barse leven geroepen mogen aan de Here God als koning zonder schroom gericht worden.

Wat geef je een koning als geschenk? Het antwoord is zonneklaar: of iets heel duurs of een schetsartikel, een onnozel kleinigheidje. Maar nooit iets daar tussen in. De grondslag voor deze cultuur is gelegd door kalief Harun Al-Rashid, wiens rijk in de 9e eeuw zich uitstrekte van de Indus tot het Atlasgebergte. Hij gaf een gezant van Karel de Grote voor zijn vorst een witte olifant cadeau. De olifant bereikte ongeschonden Aken en de keizer was zo verrukt van het geschenk dat hij de olifant op zijn tochten meenam. Dat duurde helaas maar enige jaren: de olifant stierf aan een opgelopen longontsteking. In 1540 bracht Zigismond II van Polen voor Ferdinand I van Oostenrijk een bijna twee-en een half meter lange hoorn van een eenhoorn mee. In die tijd geloofde men nog in het bestaan van het fabeldier. Feitelijk handelde het om de slagtand van een narwal, zoals de Deense natuurkundige Ole Worm in de 17e eeuw bewees. Ferdinand I liet de hoorn overigens naar Innsbruck sturen om het door de toenmalige topbeeldhouwer van het land, Silvester Lechner, te laten omwerken tot een rijk versierd pronkstuk, nog immer te bezichtigen in de Weense Hofburcht. Het is met schenken van iets waardevols wel uitkijken geblazen, want hoe duur ook, zo’n geschenk kan toch lelijk zijn en bij een tegenbezoek is het wel de bedoeling dat je zo’n geschenk laat zien. Van Schönburg noemt als voorbeeld de spuuglelijke miniversie van het Indonesische presidentieel paleis in witgoud dat koningin Elisabeth uit Jakarta meebracht. Dieren kun gebeter ook niet geven. De Engelse koningin heeft er heel wat gekregen, zeg gerust opgedrongen gekregen, die allemaal in de Londense dierentuin terecht kwamen. Het gaat hier om een witte stier (van de Zoeloe-koning), de olifant Jumbo (van de president van Kameroen), ettelijke schildpadden, drie luiaards, twee grizzlyberen, een krokodil een dwergnijlpaard. De ambtenaren proberen van te voren al met verwijzing naar de Britse quarantainevoorschriften dierengeschenken te voorkomen, maar niet altijd succesvol. De koningin neemt zelf altijd iets kleins mee, iets ‘persoonlijks’, zoals een wollen sjaal met schotse ruiten of een houten sierkastje uit het atelier van haar neef David Linley. Op grote geschenken wordt gereageerd door zelf dan juist iets kleins te geven. Zo kreeg prins Charles van de toenmalige Saoudische kroonprins Abdullah een Aston Martin van 130.000 euro cadeau. Zijn tegengeschenk: een aquarel van eigen hand. Van Imelda Marcos kreeg hij een speedboot, die hij vervolgens verkocht met de opbrengst voor een liefdadigheidsorganisatie. Met kerst geeft de Engelse koninklijke familie elkaar principieel alleen maar schetsartikelen. Zo kwam prinses Margaret aan het kussen, waarmee dit hoofdstuk opent: een kerstgeschenk van haar zuster de queen. Harry kreeg eens een G-string badpak, waarmee Sacha Baron Cohen als Borat beroemd werd. De koningin zelf de zingende vis ‘Big Mouth Billy Bass’, waarvan ze zo begeesterd raakte dat ze er 24 stuks van kocht als kerstcadeau voor uitgezochte oude vrienden. Buckingham Palace ontvangt ieder jaar trouwens acht- tot twaalfduizend geschenken van onderdanen. Die allemaal op springstof onderzocht moeten worden, gecatalogiseerd en opgeslagen worden. En bedankbrieven geschreven worden, een dagtaak voor één secretaris.  Onmiddellijk moeten we nu denken aan die geweldige conference van Wim Sonneveld als ceremoniemeester tijdens het defilé op 30 april tijdens de regeerperiode van Juliana. (krentenmikken, achter de rododendrons etc.)  Over de offercultuur in de Bijbel valt op dit punt ook nog heel wat te schrijven. Eén citaat: ‘Het offer van de goddeloze ( en dat is iemand die Tora niet doet) is een gruwel’ (Spreuken 15: 28).                  Met een fraaie anekdote sluit het hoofdstuk en ook mijn stuk af. De  Engelse koningin bezocht het naar genoemde ziekenhuis van King’s Lynn in Norfolk. Van een patiënt, Betty Hyde kreeg ze een banaan cadeau. Dat vroeg om uitleg. Welnu Betty revancheerde zich daarmee voor een banaan, die zij als vijfjarig meisje van de toen jonge prinses Elisabeth kreeg, toen deze met haar moeder in de oorlog eveneens een ziekenhuis bezocht.