Gij zult delen

In deze tijd van het jaar krijgen leden van de kerk een acceptgirokaart in de bus voor een bijdrage aan de solidariteitskas. Uit die kas krijgen plaatselijke gemeenten steun voor het overbruggen van tijdelijke problemen. De afdracht is verplicht en bedraagt 10 euro per lid. Wij vragen die verplichting tot eigen verantwoordelijkheid te maken, vandaar die acceptgirokaart die bij alle leden wordt rondgebracht. Elk jaar schrijf ik daar een soort aanbevelingsbrief bij. Die van dit jaar vindt u hieronder.

GIJ ZULT DELEN

Wie de goede gewoonte kent van regelmatig kerkbezoek weet dat we in een reeks zitten over de  Tien Geboden. Of nog beter, zoals Exodus ze zelf noemt de Tien Woorden. Het laatste Woord vóór de kerst is het achtste. De laatste twee komen eind januari aan bod. Dan weet u dat al vast. Het achtste luidt: Gij zult niet stelen. Kort en krachtig. Een overduidelijke regel, zult u zeggen. Daar zit geen woord Spaans bij. Behoeft dit woord nog toelichting? Je moet van andermans spullen afblijven, punt uit. Alleen spullen? Hoe zit het met ideeën, plannen, gedachten? Nu wordt het al gecompliceerder. want luidt het gezegde niet: ‘beter goed gejat dan slecht bedacht’? Neem mijn eigen werk. Ter voorbereiding van de preken heb ik de beschikbaarheid over diverse zgn. commentaren en over preken van anderen. Daaruit put ik soms , schaamteloos en zonder schuldgevoel.

Om het nog wat ingewikkelder te maken: in de Bijbel, zeker in het O.T. staat het achtste gebod in de context van een samenleving, waarin eigendom nooit absoluut is. Sterker nog: bezit hoor je te delen met wie niets heeft, de armen en weerlozen. Met name de profeten Hosea, Amos en het boek Leviticus zijn hier zeer duidelijk in. Het gaat er om dat niemand uit de gemeenschap verloren mag gaan. De Middeleeuwse theoloog Thomas van Aquino heeft dat in zijn hoofdwerk ‘Summma Theologiae’  als volgt uitgewerkt:

  1. Mensen genieten er persoonlijk van om een eigen deel van Gods schepping te kunnen bezitten en gebruiken.
  2. 2.     Op deze manier wordt er via privé-eigendom een maatschappelijke orde gecreëerd waarin mensen de vruchten van de aarde kunnen delen.
  3. 3.     Deze maatschappelijk vastgelegde eigendomsverhoudingen zorgen voor onderlinge politieke vrede. Mensen hoeven hun bezit niet met geweld tegen anderen te verdedigen.

Dit pleidooi op Bijbelse gronden heeft op veel plekken, ook in ons land, vorm gekregen in de zogenaamde meenten. In het Gooi heeft dat gemeenschappelijk gebruik van gronden het langst bestaan. En het vervult me met enige trots dat ik zelf ook een Erfgooier genoemd mocht worden, ofschoon ik geen gebruik heb gemaakt vee te laten weiden op de meent.

In ‘Erfenis zonder testament’, het boek dat Maarten van Buuren en Hans Achterhuis schreven over de Tien Geboden, pleit laatstgenoemde in zijn behandeling van het achtste gebod voor het opnieuw instellen van meenten, voor een economie , gebaseerd op delen.

Dat moet ons als leden van de kerk-gemeen-schap aanspreken. Tot het ideaal van onze gemeenschap behoort het alles delen en tegen achterbaksheid op dit punt: Handelingen 4 en 5 (Ananias en Saffira).

Juist een kerkgemeenschap mag voorgaan in het delen, niet alleen van elkaars lusten, maar ook van elkaars lasten.

Kortom: solidariteit behoort tot ons wezen.

ds. Klaas Vos

BWV 101 – Nimm von uns, Herr, du treuer Gott

Een cantate uit de jaargang koraalcantates voor de tiende zondag na Trinitatis, 13 augustus 1724. De evangelielezing van die zondag is Lukas 19: 41-48, waarin Jezus de verwoesting van Jeruzalem aankondigt. Toen Lucas zijn evangelie schreef was die verwoesting al een feit (Titus) en dus slaat deze profetie op het einde der tijden. In tegenstelling tot cantate BWV 46 wordt deze profetie in BWV 101 nauwelijks verwerkt. Het gaat ook om een koraalcantate, gebaseerd dus op een kerkgezang van die zondag, in dit geval op de door Martin Moller in 1584 vervaardigde ‘Nimm von uns Herr, du treuer Gott die schwere Straf und grosse Not’. Geen studeerkamertekst, maar ontstaan ten tijde van een pestepidemie, waarin de toevlucht gezocht wordt tot de God die zowel gericht houdt als ook daaruit redt. De oorzakelijke relatie zonde en ellende komt ons gruwelijk voor, stuit tegen de borst. Maar nadenken over daden waarmee wij de plank misslaan en de gevolgen ervan kan , denk ik, nooit geen kwaad. De tekst van Moller werd/wordt gezongen op de wijs van Luthers Duitstalige versie van het Onze Vader. Zeven strofen kent Mollers koraal, zeven delen kent ook de cantate. Zoals gebruikelijk worden het eerste couplet en het laatste integraal overgenomen in begin en slotdeel. De tussenliggende delen beginnen met de eerste regel van het betreffende couplet – met uitzondering van deel 2 – en citeren daaruit nog meer dan in andere koraalcantates het geval is. De cantate staat voor het grootste deel in de sombere, ernstige toonsoort d-klein. In de as staat de aria voor bas (deel 4). Bach schrijft drie soorten hobo’s voor. Naast twee gewone hobo’s ook twee ‘taille’s , een tenor-hobo, een kwint lager gestemd en bovendien nog een ‘oboe da caccia’, met z’n weldadig zachte timbre.

1. KOOR
Nimm von uns Herr, du treuer Gott,
Die schwere Straf und große Not,
Die wir mit Sünden ohne Zahl
Verdienet haben allzumal.
Behüt für Krieg und teurer Zeit,
Für Seuchen, Feur und großem Leid.

In het openingsdeel zet Bach nog de melodie van een ander gezang van Luther als tegenwicht tegenover die van het Onze Vader. En wel van het lied ‘Dies sind die heilge zehn Gebot’ . De tekst spreekt van straf en nood, een tweeledig loon van de zonde, wat zich dus als zodanig muzikaal vertaald. Gardiner noemt het een “dubbelloops doctrinair salvo”.  Het zevenstemming orkest van hobo’s en strijkers opent met die tegenmelodie, eerst bespiegelend, maar al snel overgaand tot stevige dissonanten als hamerslagen die de ‘schwere Straf und Not’ verklanken. Daarnaast keert steeds een zucht-motief terug, bestaande uit drie noten, beginnend met een sprong die alle intervallen kan beslaan, gevolgd door een gebonden interval van een secunde. Ook dat draagt bij aan de expressie van de zwaarte van de zonde en aan de verontrustende sfeer van het stuk. Het orkest opereert van begin tot eind zelfstandig, onafhankelijk van het koor en schetst een door oorlog geteisterd landschap ( regel 5: ‘Krieg und teurer Zeit’). Daarin ingebed zingt het koor, met de sopraan als ‘cantus firmus’ die de melodie in lange noten zingt. De andere stemmen, elkaar imiterend, kondigen die melodie al aan. Zo ontstaat een motet in oude renaissance-stijl (stile antico), onderstreept door de verdubbeling van de stemmen door een zink en drie trombones. De sopraan wordt niet alleen door de zink begeleid, maar een octaaf hoger ook door de traverso. Het verband tussen orkest en koor is er in die zin, dat het orkestmotief van de ‘Tien geboden’ domineert bij de regels 3 en 4 en het zucht-motief bij de regels 1,2,5 en 6. Na regel 4 wordt het woord ‘allzumal’ ( = zonder meer- dubbel en dwars) herhaald, terwijl het orkest het inleidend ritornel volledig herhaald en de sopraan even uit haar cantus-firmusrol stapt. Ondanks het archaïsch karakter van dit 8 minuten durend deel – langer dan welk vergelijkbaar koor uit de hele jaargang – is het volgens Gardiner door de wringende harmonieën ook weer zo modern dat het al aan Beethoven en Brahms doet denken.

2.  ARIA ( T)
Handle nicht nach deinen Rechten
Mit uns bösen Sündenknechten,
Laß das Schwert der Feinde ruhn!
Höchster, höre unser Flehen,
Dass wir nicht durch sündlich Tun
Wie Jerusalem vergehen!

Oorspronkelijke Moller-tekst:

2. Erbarm dich deiner bösen Knecht.
Wir bitten Gnad und nicht das Recht;
Denn so du, Herr, den rechten Lohn
Uns geben wolltst nach unserm Thun,
So müßt die ganze Welt vergehn
Und könnt kein Mensch vor dir bestehn.

 Dit is het enige deel dat  - met de laatste regel – naar de evangelielezing verwijst en geen verband heeft met tekst en melodie van het koraal van Moller. Er is hier sprake van een triosonate voor tenor, continuo en traverso.  In het continuo spelen de cello en violen (bas) pizzicato, terwijl de traverso zich kan tonen in een virtuoze solo. Bach beschikte in die periode over een zeer capabele fluitspeler. In latere uitvoeringen werd deze partij gespeeld door een viool. De plausibele verklaring is dat de traverse-speler niet meer beschikbaar was. Het wordt echter ook wel gezien als een compositorische verbetering. Zo ook de Neue Bachausgabe. Van Hengel is het daar niet mee eens en ik ben geneigd hem daarin te volgen. De tenor zingt een geheel eigen solopartij, ontleent dus geen muziek aan de instrumentele. ‘Ruhn’ krijgt een lange noot, ‘Höchster’ een buiging, ‘Flehen’ een serie zuchten en ‘vergehen’ dalende lijnen. De traverso/viool-solo contrasteert in de verklanking van “een verwoestende storm, een koppige zondaar dan wel een frivole losbol. In het ‘langs elkaar heen praten’ van beide solisten kan men ook de eenzaamheid van de smekeling zien”. (Van Hengel)

3. ARIOSO/RECITATIEF (S)
Ach! Herr Gott, durch die Treue dein
Wird unser Land in Frieden und Ruhe sein.
Wenn uns ein Unglückswetter droht,
   So rufen wir,
Barmherziger Gott, zu dir
In solcher Not:
Mit Trost und Rettung uns erschein!
Du kannst dem feindlichen Zerstören
Durch deine Macht und Hilfe wehren.
Beweis an uns deine große Gnad
Und straf uns nicht auf frischer Tat,
   Wenn unsre Füsse wanken wollten
Und wir aus Schwachheit straucheln sollten.
Wohn uns mit deiner Güte bei
  Und gib, dass wir
Nur nach dem Guten streben,
Damit allhier
Und auch in jenem Leben
Dein Zorn und Grimm fern von uns sei.

Het hele koraalvers zit er in ( vetgedrukt). Ze worden door de sopraan als ritmisch arioso gezongen, becommentarieerd in een vrij recitatief. De begeleiding is in handen van alleen het continuo. De koraalregels worden gezongen in 3/4 maat en in d-klein, terwijl het recitatief naar opgewektere toonsoorten verschuift in de gebruikelijke 4/4 maat. De sopraan horen we soms in versieringen. De bas van het continuo kent een terugkerend motief.

4. ARIA (B)
Warum willst du so zornig sein?
Es schlagen deines Eifers Flammen
Schon über unserm Haupt zusammen.
Ach, stelle doch die Strafen ein
Und trag aus väterlicher Huld
Mit unserm schwachen Fleisch Geduld!

Oorspronkelijke tekst.

4. Warum willt du doch zornig sein
Über uns arme Würmelein?
Weißt du doch wohl, du großer Gott,
Daß wir nichts sind als Erd und Rot;
Es ist ja vor deim Angesicht
Unser Schwachheit verborgen nicht.

Alleen de 1e regel stamt uit het lied van Moller, de vijf regels er na zijn van de onbekende tekstdichter van de cantate. In de laatste regel is er enige overeenkomst: ‘Schwachheit’ tegenover ‘schwachen Fleisch’. Deze aria voor bas is het centrum van de cantate, waarin  Gods woede als een gebed om zijn geduld van stuivertje wisselen. En dat in elke regel, die de ene keer gezongen en de andere keer gespeeld wordt. De bas wordt begeleid door drie hobo’s en een fagot (als continuoinstrument). Gardiner noemt de drie hobo’s drie boze eenden, ” die zijn getransformeerd tot een soort saxofoontrio vanaf la lettre”. Bach experimenteert door drie tempi te gebruiken. Als in een opera begint het met Vivace, waarin de toorn van God opvlammen in de houtblazers; er wordt overgeschakeld naar Andante, waarin de bas tot twee keer toe met de 1e regel “in naïeve onschuld” (Van Hengel) aan God vraagt waarom hij zo boos is. In een Adagio volgt het 2e deel van het koraal, de bede om geduld, waarbij de bas ondersteund wordt de vertolking van het gehele koraal door het vierstemmig houtblazerskoor. De toehoorders horen de melodie die bij Luthers lied van het Onze Vader past. Die associatie zal bij de hoorders opgeroepen zijn, zoals Van Hengel waarschijnlijk terecht veronderstelt. Op deze manier konden zij meebidden met de bas. Het dreigend en woeste begin keert tenslotte terug: onzekerheid over de verhoring van het gebed.

5. ARIOSO/RECITATIEF (T)
Die Sünd hat uns verderbet sehr.
   So müssen auch die Frömmsten sagen
Und mit betränten Augen klagen:
Der Teufel plagt uns noch viel mehr.
   Ja, dieser böse Geist,
Der schon von Anbeginn ein Mörder heißt,
Sucht uns um unser Heil zu bringen
Und als ein Löwe zu verschlingen.
Die Welt, auch unser Fleisch und Blut
Uns allezeit verführen tut.
   Wir treffen hier auf dieser schmalen Bahn
Sehr viel Hindernis im Guten an.
Solch Elend kennst du, Herr, allein:
   Hilf, Helfer, hilf uns Schwachen,
Du kannst uns stärker machen!
Ach, lass uns dir befohlen sein.

Wat beschreven is onder deel 3 geldt ook voor dit deel.

6. DUET (S, A)
Gedenk an
 Jesu bittern Tod!
Nimm, Vater, deines Sohnes Schmerzen
Und seiner Wunden Pein zu Herzen,
Die sind ja für die ganze Welt
Die Zahlung und das Lösegeld;
   Erzeig auch mir zu aller Zeit,
Barmherzger Gott, Barmherzigkeit!
Ich seufze stets in meiner Not:
Gedenk an Jesu bittern Tod!

Oorspronkelijke tekst:

6. Gedenk an deins Sohns bittern Tod,
Sieh an sein heilig Wunden rot,
Die sind ja für die ganze Welt
Die Zahlung und das Lösegeld,
Des trösten wir uns allezeit
Und hoffen auf Barmherzigkeit

Drie regels uit Mollers tekst worden overgenomen, waarbij regel 1, die aan het eind herhaald wordt, ‘deins Sohn’s’ vervangen is door ‘Jesu’. Een dubbel-duet van sopraan en alt en van traverso en oboe da caccia. De hobo begint met lange noten de melodie van het koraal te spelen, waarbij de traverso hem begeleidt met smekende lieflijke gebaren, in het ritme van een siciliano (een wiegende dansvorm uit Sicilië ) in 12/8 maat als een fraai contrapunt. Daarna wisselen de twee van rol. En evenzo doen de sopraan en alt, beurtelings begeleid door één der instrumenten met hun pastorale thema als contrapunt. De regels 3 en 4 van het koraal klinken licht gevarieerd bij alle vier stemmen als in een fuga en we horen het nog eens als canon; tenslotte regel 1 opnieuw, waarbij de sopraan met de fluit begint, dan alt en hobo en tenslotte hobo en fluit in afwisseling. de toegevoegde teksten tussen de koraalregels worden begeleid door continuo. Van Hengel verwijst wat betreft de siciliano naar de ‘herdersmuziek’ in het Weihnachtsoratorium en het Erbarme dich; Gardiner echter naar ‘Aus Liebe’, de grote sopraanaria uit de M.P. “Als dat zo is diende dit duet als een voorstudie voor de passie, die mijns inziens Bach nog vers voor de geest stond bij het hoogtepunt van zijn tweede jaargang, dat op Goede Vrijdag 1725 zijn beslag diende te krijgen”, zo schrijft hij in zijn monumentale  Bach-biografie. 

7. KORAAL
Leit uns mit deiner rechten Hand
Und segne unser Stadt und Land;
Gib uns allzeit dein heilges Wort,
Behüt für’s Teufels List und Mord;
Verleih ein selges Stündelein,
Auf dass wir ewig bei dir sein.

Alle zangers en instrumentalisten worden ingezet voor een ongecompliceerd slot.                      Een stevig, vastberaden gebed.

 

 

 

 

 

Ajax-voetballers 1- Klaas Bakker

Een jongen van Amsterdam-Noord, geboren op 22 april 1926, die in de jeugd begon bij De Volewijckers en midden in de oorlog (1943) in het eerste kwam. Hij werd aanvoerder en toen vertrok hij naar Ajax, waar hij als linksbinnen tussen 1951 en 1957 181 wedstrijden in het rood-wit speelde en zodoende lid werd van de ‘Club van 100′, de lijst van spelers die meer dan honderd wedstrijden speelden voor de club. Hij debuteerde in september 1951 met twee doelpunten tegen Sneek. Hij maakte de overgang mee van de amateurtijd naar de (semi)professionele periode. In een wedstrijd tegen DOS (13 november 1955) wist hij zes keer te scoren, later geëvenaard door Johan Cruijff. Als amateur maakte hij 20 doelpunten; als semiprof  26. Van beroep was hij procuratiehouder. Die kwaliteit bezorgde hem het penningmeesterschap van de club in 1987/88. Hij zat ook lange tijd in de ledenraad. Op 3 januari 2016 stierf hij op 89-jarige leeftijd.

Klaas_Bakker_(1954)694Klaas Bakker-gehurkt uiterst links.

1af91aa4-4427-453f-b919-93fbd4b2fa94_Klaas Bakker 2 Klaas Bakker scoort tegen Be Quick- 16 maart 1952

Trump jr.

Een aantal weken terug was ik weer eens uit logeren bij mijn Friese vrienden aan de Langweerder Wielen. Altijd dagen van echte ontspanning: lezen, goede gesprekken, een uitstapje, samen eten, een goed glas en samen ook naar tv kijken. Ook op de vaderlandse buis was het vol op campagne, vol op Clinton-Trump. Mijn vriendin en mij vielen tegelijk op dat Trump heel vaak die brede mond tuitte tot een rondje. ‘Dat mondje’, riepen we gelijktijdig. Sindsdien is hij tussen ons ‘Het Mondje’.                                                                                    ’Het Mondje’ , met hem krijgt niet alleen Amerika, maar de hele wereld van doen de komende vier jaar. Wat ik al lang vreesde werd harde werkelijkheid. Ik werd er bijkans letterlijk misselijk van. En dat gevoel is nog steeds niet weg, ondanks zijn eerste verzoenende, gematigde speech. Weer zag ik dat mondje, dat vies getuite mondje, maar mijn aandacht werd nog meer getrokken door dat jonge ventje schuin achter hem. Trump jr: wat ging er om in dat bleek weggetrokken ventje in zijn zwarte pak en witte stropdas? Heel on-Amerikaaans straalde hij totaal niet, geen spat vreugde in zijn ogen, geen enkele houding van trots op zijn vader. Hij stond er als een loden pop, tegen wil en dank, leek het.  Had waarschijnlijk uren moeten kijken naar de uitslagen. Daarom zag hij er zo bleek weggetrokken uit wellicht. Of zou hij zijn vader ook afschuwelijk vinden en had hij ook liever Clinton zien winnen?

Het grote speculeren is begonnen waarom Het Mondje tegen bijna ieders verwachting in gewonnen had en hoe hij zal optreden vanaf januari. De meeste commentatoren en analisten zijn het er over eens dat woede van velen op de politieke elite, belichaamd in Hillary Clinton, Het Mondje in het zadel hebben geholpen. Misschien speelde een aversie tegen Obama als zwarte president ook een rol  en degenen die moeite hebben zwarten hebben vaak ook moeite met een hoofdrol voor een vrouw. Clinton zelf heeft zelf ook bijgedragen aan haar verlies: tegenstanders wegzetten als onnozele stupids, verwaarlozen van haar achterban in belangrijke staten zoals Ohio en Wisconsin, geur van onbetrouwbaarheid. Overigens zou zij in een normale rechtstreekse verkiezingsprocedure de winnaar zijn geweest.

Terug naar de woede, die ook bij de Brexit en het Oekraïne-referendum – die in mijn ogen door de meeste partijen – de sufferds – veel te snel en ondoordacht van raadgevend tot bindend werd gepromoveerd – een drijvende kracht was en wellicht ook zal bij onze verkiezingen in maart. Ik kan in dit verband een ieder aanraden het pas verschenen boek van collega Rikko Voorberg aan te schaffen: De dominee leert vloeken. Behartigenswaardig en lezenswaardig schrijft hij daarin ook over ‘woede’. Tegelijk denk ik aan dat joch van tien, Trump jr., die misschien wel woedend is dat zijn comfortabel leven als rijkeluiszoontje met de keus van het Amerikaanse volk ook drastisch veranderd is.

                                               

Ook ik ben een allochtoon

De Vossen, waartoe ik behoor woonden al in de Middeleeuwen in Huizen (NH). Toch ben ook ik een allochtoon. Bijna acht jaar geleden kwam ik hier op de Brabantse Wal wonen, eerst in Hoogerheide en sinds een aantal jaren in Ossendrecht. Vooral in laatst genoemde dorp voel en merk ik dat ik ‘van buiten’ kom. Ossendrecht kent veel plezierige mensen, met een gemoedelijke inslag en vriendelijk in de omgang. Maar diepgaande contacten ontstaan niet. Je komt niet verder dan de voordeur en soms bereik je het halletje, maar dat is het dan ook wel. Het zal zeker meespelen dat ik predikant ben, maar anderen die ‘van buiten’ komen, kennen dezelfde ervaring. Intensieve contacten heb ik hier met leden van mijn gemeente, uiteraard ook door mijn functie, maar ook omdat het merendeel ook geen allochtonen is en veelal uit het westen komt, net zoals ik zelf. Onze kerkgemeenschap als zodanig is allochtoon. Dat merken we waar het gaat om gezamenlijke activiteiten als herdenkingen en festiviteiten. Dan worden we nog al eens overgeslagen, terwijl de RK -gemeenschap er wel bij betrokken wordt. Let wel, er is geen sprake van vijandschap, het blijft in een gemoedelijke sfeer, wat ook past bij de aard van de bevolking hier. Maar toch. Wat Ossendrecht betreft gaat het nog een stap verder. Veel Ossendrechters moeten weinig tot niets hebben van de andere dorpen, met wie men toch één burgerlijke gemeente vormt. Er wordt vooral neergekeken op Hoogerheide. Laatst sprak nog een Ossendrechter – penningmeester van de lokale- de gehele gemeente betreffende – PVDA – die er niet aan moest denken om in Hoogerheide te wonen. Een wegwerpgebaar begeleidde zijn vurige uitspraak. Is het niet raar om in dit verband het woord allochtoon te gebruiken?  feitelijk wel. Ik hoor het woord hier nooit, anders dan in de gebruikelijke zin: mensen van buiten Nederland. En daar moeten ze met name hier in Ossendrecht ook niet veel van hebben. Een aantal jaren terug was er sprake van de mogelijke komst van een AZC. Binnen een mum van tijd hing half Ossendrecht vol met posters en spandoeken met in kapitale letters een NEE! Jan Rot, die toen nog in ons dorp woonde had van de weeromstuit een dapper JA opgehangen. In de gehele gemeente is overigens weinig animo voor een AZC. Het huisvesten van het verplichte aantal statushouders gaat al redelijk moeizaam.  Waarom ik toch het woord allochtoon gebruik in enger verband, is ingegeven door wat ik meemaakte in Vreeland, begin jaren tachtig. Ik was er net predikant en kwam uit de kast, zoals dat heet. Vreeland was eeuwen een boerendorp en van daaraan gerelateerde ambachtslieden en middenstanders en mensen die geld verdienden in het riet en op de rivier de Vecht. verder ook wat oude adel. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw werd een grote nieuwbouwwijk gebouwd, waar mensen van buiten kwamen wonen, werkzaam meest in Amsterdam. Dat werd toen import genoemd. Maar in mijn tijd hoorde je al het woord allochtoon, in onderscheid van de autochtonen, de oorspronkelijke bewoners. Mijn ‘coming out’ veroorzaakte veel turbulentie en zorgde voor scheiding der geesten. De scheidslijn liep deels tussen de autochtonen en allochtonen. Deels, want bijvoorbeeld mijn toenmalige kerkenraad, waarin zowel boeren en andere autochtonen in zaten alsmede import/allochtonen, bleef volledig achter mij staan. Enfin, het moest komen tot een gemeentebijeenkomst in de kerk, waarin iedereen z’n zegje kon doen. van die gelegenheid werd gebruik gemaakt door de eigenaar van het plaatselijk benzinestation, tevens eigenaar van een snackbar in Hilversum. Hij wierp zich op als vertegenwoordiger van de oorspronkelijke bewoners en drukte dat als volgt uit: ” Wij, autonomen achten een homofiele dominee onaanvaardbaar …..”. Ik had moeite om een (schater)lachen te onderdrukken. Het was duidelijk dat hij autochtonen bedoelde, maar wist meer van de klok dan van de klepel. In de geologie betekent allochtoon ( letterlijk ‘van een andere aarde’) gesteenten dat bij een overschuiving bovenop komt te liggen en autochtoon komt dan juist onder te liggen. In dorpen met een sterke import was en is dat ook altijd een sterk gevoel: de oorspronkelijke bevolking werd de onderliggende partij, de import de bovenliggende. In Vreeland speelde dat zeker ook mee in het conflict rond mijn bekentenis van anders geaard te zijn. Onvrede van eerder – rond liturgie, soort predikanten die er kwamen bijvoorbeeld – vonden nu een uitweg.

Welnu: van hogerhand wordt ons nu min of meer bevolen het woord ‘allochtoon’ niet meer te gebruiken. Ik kan daar inkomen. Maar om dat woord dan te vervangen door een andere typering, lijkt me lood-om-oud-ijzer. Een Nederlander is gewoon een Nederland, ongeacht kleur, herkomst of lengte van verblijf van hem of geslachten voor hem/haar. In de meeste gevallen is het van weinig nut en ook ongewenst om land van herkomst toe te voegen, zoals Turkse of Marokkaanse.  van veel nieuwe Nederlanders kun je ook niet zien of weten, waar ze vandaan komen. Voor heel veel allochtonen zou het trouwens wel eens goed zijn dat ze op z’n minst gelijkwaardig komen te liggen of zelfs ook bovenliggende partij te worden.

 

BWV 100 – Was Gott tut, das ist wohlgetan

De derde cantate van Bach met deze titel, de eerste regel van de eerste strofe van het bekende lied van Samuel Rodigast (1649-1708). Het is het enige lied waardoor deze docent aan de universiteit van Jena en conrector van een Berlijns gymnasium nog bekendheid geniet. Hij schreef het voor Severus Gastorius, cantor in Jena, in 1675, toen deze hartsvriend ernstig ziek was. Dat raakte hem zo dat Gastorius er een melodie bij componeerde. BWV 99 is de oudste (1724), BWV 98 stamt uit 1726 en deze uit de jaren 1732- 1735, met waarschijnlijk heruitvoeringen in ’37 en ’42. BWV 100 is niet voor een bepaalde zondag bestemd. Waarvoor wel is onduidelijk, vanwege de herhalingen moet het wel een bestemming zijn, die terugkeerde. Afwijkend is vooral, dat Bach het gehele zesdelige lied integraal overneemt. De cantate kent geen recitatieven.

1. (Vs 1) KOOR
Was Gott tut, das ist wohlgetan,
es bleibt gerecht sein Wille;
wie er fängt meine Sachen an,
will ich ihm halten stille.
Er ist mein Gott,
der in der Not
mich wohl weiß zu erhalten;
drum laß ich ihn nur walten.

Het openingskoor ontleent Bach aan BWV 99, maar koor en orkest treden tegenover elkaar in een scherp contrast. het begint met een levendig voorspel van strijkers, twee hoorns en pauken van 16 maten. Na het slotakkoord verwacht je het koor, maar er volgen eerst nog vier maten van een virtuoze hobo d’amore en dito traverso. Plotseling begint dan het koor met de sopraan als cantus firmus , die de de koraalmelodie in dubbelganger noten zingt. Dat koor is een baken van onverstoorbaarheid temidden van de orkestturbulentie. In het turbulente bestaan geeft het Godsvertrouwen een rots van rust. Die rotsvastigheid zit al in de kwartsprong aan het begin, een sprong, waarmeehuet Wilhelmus ook begint.

2. (Vs 2) DUET (A,T)
Was Gott tut, das ist wohlgetan,
er wird mich nicht betrügen;
er führet mich auf rechter Bahn,
so laß ich mich begnügen
an seiner Huld
und hab Geduld,
er wird mein Unglück wenden,
es steht in seinen Händen.

Na het rijke, weelderige openingskoor volgt een sober duet voor alt en tenor, slechts begeleid door het continuo. Maar hoor hoe de bas daarvan een bodem legt van betrouwbaarheid. De twee stemmen volgen elkaar op de ‘rechte Bahn’ in een canon: daar gaan ze, dan de een voorop, dan de ander; hun zinnen beginnen steeds met de genoemde kwartsprong. ‘Geduld’ klinkt zevenvoudig: als een volle week, als een leven lang. Dit duet past in de oude traditie van de polyfonie.

3. (Vs 3) ARIA (S)
Was Gott tut, das ist wohlgetan,
er wird mich wohl bedenken;
er, als mein Arzt und Wundermann,
wird mir nicht Gift einschenken
vor Arzenei.
Gott ist getreu,
drum will ich auf ihn bauen
und seiner Gnade trauen.

De traverso weeft lange slingers rond de sopraan. Een virtuose solo, die veel van de speler vraagt. De sopraan zingt een siciliano van langzame, gepuncteerde noten in een 6/8 maat, vergelijkbaar met het ‘Erbarme dich’. De koraalmelodie staat hier in mineur, herkenbaar in de inzetten van de kwartsprong en de eerste noten van de drie volgende maten.

4. (Vs 4) ARIA (B)
Was Gott tut, das ist wohlgetan,
er ist mein Licht, mein Leben,
der mir nichts Böses gönnen kann,
ich will mich ihm ergeben
in Freud und Leid!
Es kommt die Zeit,
da öffentlich erscheinet,
wie treulich er es meinet.

In deze strofe excelleren de bas en strijkers, luchtig, dansant, met levendige syncopen als verklanking van God als ‘mein Licht, mein Leben’. ‘Freud und Leid’ krijgt zijn verklanking in de strijkers, die van forte naar piano gaan.

5. (Vs 5) ARIA (A)
Was Gott tut, das ist wohlgetan,
muß ich den Kelch gleich schmecken,
der bitter ist nach meinem Wahn,
laß ich mich doch nicht schrecken,
weil doch zuletzt
ich werd ergötzt
mit süßem Trost im Herzen;
da weichen alle Schmerzen.

De tekst spreekt van een bittere kelk, symbool voor het lijden. De toon is derhalve klaaglijker in deze aria voor alt en hobo d’amore. De toonsoort is wederom mineur: e klein, maar de maatsoort 12/8, die hier staat voor het pastorale. Het is de goede herder die in het ondraaglijk leven troost = moed geeft.

6. (Vs 6) KORAAL
Was Gott tut, das ist wohlgetan,
darbei will ich verbleiben.
Es mag mich auf die rauhe Bahn
Not, Tod und Elend treiben,
so wird Gott mich
ganz väterlich
in seinen Armen halten;
drum laß ich ihn nur walten.

Het koor zingt het slotcouplet in een gangbare vierstemmige zetting, maar ingekaderd in een uitgebreide concertbegeleiding. Ook hier speelt Bach leentjebuur bij zich zelf : zijn Antritts-cantate van 30 mei 1723 (BWV 75). ( Op enkele noten in regel 1 en 8 na). Ter verhoging voegt hij ook hier twee hoorns en pauken toe, met een zelfstandiger rol dan in deel 1. De ritornel- tussenstukken – worden uitgebreid tot zeven maten in totaal (7!) 

Al met al weer zo’n heerlijke cantate die je uittilt boven alles, hieronder uitgevoerd door de Ned. Bachvereniging o.l.v. Jos van Veldhoven

 

BWV 99 – Was Gott tut, das ist wohlgetan

De tweede cantate met dezelfde titel en op basis van het koraal dat Samuel Rodigast in 1674 schreef. Alleen deze is twee jaar eerder door Bach gecomponeerd dan BWV 98. De indeling was al gemaakt toen men eind jaren ’50 achter de data kwam, waarin de totaal drie cantates het licht zagen. De derde – BWV 100 – is uit 1734. De oudste, deze dus, behoort tot de jaargang van de koraalcantates, waarbij opening- en slotkoor gelijk zijn aan die van Rodigast en de tussenliggende coupletten vrij worden hergedicht. BWV 99 is gecomponeerd voor 17 september 1714, de vijftiende zondag na Trinitatis, met op het rooster Mattheus 6: 23 -34, het stuk over een zorgeloos bestaan en een puur vertrouwen op God. Rodigast schreef zijn piëtistisch lied voor een ernstig zieke vriend, Severus Gastorius, cantor in Jena. Op ons komt de tekst wellicht al te vroom en te gelaten over en roept zelfs wellicht weerzin op. Bij Gert Oost is dat zeker het geval. Hij voerde de cantate wel uit in de Geertekerk te Utrecht, maar in zijn boek ‘Aan de hand van Bach’, waarin hij de hele cantatencyclus die hij uitvoerde bespreekt, besteedt hij aan deze cantate nauwelijks inhoudelijk aandacht; het blijft bij mopperen en aversie. Ik kan me er wel in vinden, in zoverre dat het een soort algemene houding van gelovigen kan worden, waarbij elke spirit wordt neergeslagen als tot dood bier. Maar het leven kent crises, zeker wanneer de dood grijnst, dat het enige houvast dat je hebt de overgave aan Zijn trouw is. 

Enfin, Bach pakt het zo aan, dat hij tussen de hoekdelen in G-groot (majeur dus) de solostukken in mineur schrijft. Het lijden dat mensen groot kan treffen is – dat mag de gemeente geloven – ingebed in de trouw en niet aflatende zorg van God. Van Hengel veronderstelt dat de emeritus conrector van de Thomasschool, Andreas Stübel, de tekstdichter is van de cantate. wat wel zeker is dat Bach in die tijd de beschikking had over een virtuoze traversospeler, waarschijnlijk Friedrich Gottlieb Wild (1700-1762), toen rechtenstudent en later leerling van Bach. Hij speelt een hoofdrol in de cantate.

1. KOOR
Was Gott tut, das ist wohlgetan,
es bleibt gerecht sein Wille;
wie er fängt meine Sachen an,
will ich ihm halten stille.
Er ist mein Gott,
der in der Not
mich wohl weiß zu erhalten;
drum laß ich ihn nur walten.

De acht regels van het eerste couplet worden in acht vocale episoden gezongen, met de koraalmelodie door de sopraanpartij, die versterkt wordt door een hoorn. De andere stemmen volgen, met homofone begeleiding. Het zijn de instrumentalisten die er uit springen. Strijkers en continuo beginnen opgewekt en na 16 maten volgt niet de inzet van het koor, maar gaan 1e viool, hobo d’amore en de virtuoze traverso aan de slag. Een miniconcert, waartegen het koor zijn passages laat horen. 

2. RECITATIEF (B)
Sein Wort der Wahrheit stehet fest
und wird mich nicht betrügen,
weil es die Gläubigen nicht fallen
noch verderben läßt.
Ja, weil es mich den Weg zum Leben führet,
so faßt mein Herze sich
und lässet sich begnügen
an Gottes Vatertreu und Huld
und hat Geduld,
wenn mich ein Unfall rühret.
Gott kann mit seinen Allmachtshänden
mein Unglück wenden.

Het bas-recitatief is een bewerking van het tweede couplet, waarbij de dichter drie regels handhaaft (dichtgedrukte regels). Het sluit af met een arioso, waarin een lange coloratuur  zeer beeldend op ‘wenden’.

3. ARIA (T)
Erschüttre dich nur nicht, verzagte Seele,
wenn dir der Kreuzeskelch so bitter schmeckt.
Gott ist dein weiser Arzt und Wundermann,
so dir kein tödlich Gift einschenken kann,
obgleich die Süßigkeit verborgen steckt.

De tenor wordt begeleid door traverso en continuo. de tekst roept op om niet ‘geschokt’ te zijn, maar het ‘erschüttre’ wordt wel muzikaal verbeeld, maar met valse accenten op de 1e lettergreep, ook van ‘verzakte’, wellicht als ontkenning te interpreteren (Van Hengel). In de tekst komt de bitter smakende Kreuzeskelch voor, die Bach illustreert met halve wrange tonen buiten de toonladder en dus met extra kruizen. Het tweede deel spreekt van God als ‘Arzt und Wundermann’. Dat metafoor wordt uitgebreid met een beeld ontleend aan Spreuken 23: 30-32, waarin sprake is van een gif dat wel zoet smaakt, maar dodelijk is in haar uitwerking. Ook dat hoor je verklankt.

4. RECITATIEF (A)
Nun, der von Ewigkeit geschloßne Bund
bleibt meines Glaubens Grund.
Er spricht mit Zuversicht
im Tod und Leben:
Gott ist mein Licht,
ihm will ich mich ergeben.
«Und haben alle Tage
gleich ihre eigne Plage
»,
doch auf das überstandne Leid,
wenn man genug geweinet,
kommt endlich die Errettungszeit,
da Gottes treuer Sinn erscheinet.

5. ARIA / DUET (S, A)
Wenn des Kreuzes Bitterkeiten
mit des Fleisches Schwachheit streiten,
ist es dennoch wohlgetan.
Wer das Kreuz durch falschen Wahn
sich vor unerträglich schätzet,
wird auch künftig nicht ergötzet.

In het recitatief voor alt is 1 regel uit de oorspronkelijke tekst overgenomen. Het begint ‘secco’ en eindigt als ‘arioso’. Het is een parafrase op de slotzin uit de evangelielezing van die zondag. “Maak u niet bezorgd over de dag van morgen, zoekt eerst het Koninkrijk van God, want elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.”  

Het duet is een kwintet, waarin het continuo het instrumentale duet van hobo d’amore en traverso begeleidt en het vocale duet van sopraan en alt. De dichter verwijst tweemaal naar het kruis en ‘Fleisches Schwachheit’ verwijst naar de epistellezing van de zondag: Galaten 6 en wel vers 8. De instrumentalisten imiteren elkaar, spelen gelijkwaardig en de zangers nemen hun thema over. Je hoort de strijd uit het eerste deel tussen de bitterheden van kruis en de zwakheid van het vlees. Van Hengel noemt het muzikaal gewriemel, maar op ‘ dennoch wohlgetan’ klinkt eenmaal de triomf. In het tweede deel zijn het de vocalisten die een thema neerzetten, dat op hun beurt de instrumentalisten over nemen. Maar op de slotregel klinkt de muziek weer van het begin.

6. KORAAL
Was Gott tut, das ist wohlgetan,
dabei will ich verbleiben;
es mag mich auf die rauhe Bahn
Not, Tod und Elend treiben,
so wird Gott mich
ganz väterlich
in seinen Armen halten,
drum laß ich ihn nur walten.

Het slotkoraal is rechttoe-rechtaan wat harmonisering betreft. Het klinkt krachtig overtuigend. Alle blazers versterken de sopraan, de strijkers begeleiden de andere stemmen. Van dit zeer populaire koraal heeft Bach overigens vele vierstemmige zettingen gecomponeerd.

ZWINGLI EN EEN ORANJE OP DE HUNSRÜCK

Terwijl ik de eerste slok van de bestelde koffie neem, gaat in het huis tegenover het terras waar ik zit knarsend een raam open in de bovenste verdieping. Er verschijnt het gerimpelde hoofd van een dame die haar hoge leeftijd nog wil verbloemen door haar haar te zwarten en haar lippen zwaar rood te stiften. Spiedend kijkt ze rond. Als ze haar hals zou rekken naar rechts zou ze nog net de achterkant van de imposante slotkerk van het schilderachtige stadje waar ze woont kunnen zien. Misschien is ze er wel gedoopt, misschien komt ze er nog wekelijks.  Ik kom er net vandaan.  

Meisenheim, dat is het stadje , waarin de hoger gelegen slotkerk domineert. Meisenheim am Glan, waarvan het water , bruin van het meegevoerde zand van de heuvels, na de hevige regenval, hoog tegen de kaden klotst. Meisenheim in de Hunsrück, waar die schitterende serie van Edgar Reitz, Heimat, zich afspeelt en ook opgenomen is. Voor de regisseur refereert de titel niet alleen naar zijn eigen geboortegrond, maar staat het voor een andere wereld, waarin we ons als mensen ‘thuis’ voelen en weten, waarnaar we verlangen. Het staat voor ‘ deze wereld Anders’, naar wat de Bijbel het Koninkrijk Gods noemt.  En zijn kerken niet de plekken, waar dat zondag aan zondag verkondigd mag en moet worden?  En is dat ook niet eeuwen gebeurd, tot de dag van vandaag, in alle toonaarden, met alle misslagen, zoekend en tastend, gebrekkig en gebroken in die laatgotische slotkerk, waarvan de bouw begon in 1479 en in 1504 voleindigd werd?

Om het plateau waarop de kerk ligt loopt de Glan, die al in de 10e eeuw rond een voorganger van de kerk stroomde en rond het er naast gelegen kasteel van de Graven zu Veldenz, die er tot halverwege de 15e eeuw resideerden, waarna tot eind 18e eeuw de Hertogen van Pfalz-Zweibrücken er de scepter zwaaiden. Zij gebruikten het slot achtereenvolgens als residentie, nevenresidentie en als weduwenverblijf. Het slot ligt nog immer naast de kerk in de vorm , zoals de dochter van de Engelse koning Georg III, gehuwd met de landgraaf van Hessen-Homburg, dan eigenaar van Meisenheim, het in de 19e eeuw tot zomerresidentie liet ombouwen. Tegen het plateau van kerk en burcht is het stadje opgebouwd, met nog talrijke stokoude huizen, diversen van voornaam niveau, in soms prachtige kleuren en in het fameuze vakwerk, een adequate term, want dat is het ook als het de eeuwen trotseert.  Aan de oever van de Glan werd al gewoond in de keltische en romeinse tijd. Dat geldt voor de hele Hunsrück, een laaggebergte met weidse uitzichten, begrensd door de Rijn in het oosten, de Moezel in het noorden, de Nahe in het zuiden en de Saar in het westen. Een vulkanisch gebied, waar edelstenen werden gewonnen en tot 1950 vooral leisteen. Waar – vaak steil omhoog – ettelijke wijngaarden bloeien en o.a. de Spätburgunder leveren. Waardoorheen van Saarburg tot Koblenz de Hunsrückhöhenstrasse loopt en van Trier tot Bingen (Hildegard!) de zogeheten Via Ausonius, een Romeinse heerweg, liep.

De torenklokken slaan luid het elfde uur over het dromerige stadje, terwijl twee inwoonsters elkaar ontmoeten, de een op de fiets, de ander te voet. Ze voeren gesprek in gebarentaal.

 In 1523 wordt in de slotkerk de RK liturgie vervangen door de Lutherse.  Een vroege overgang. Dat heeft alles te maken met  het gebied waartoe Meisenheim politiek behoort, de Pfalz.  In die tijd was Heidelberg daarvan de hoofdstad, waar de keurvorst zetelt in een machtig en voor die tijd modern kasteel. In 1518 bezocht Luther de stad al om zijn 95 stellingen te verdedigen. Hij ontmoet er studenten die zelf bekende hervormers werden, zoals Martin Bucer. De toenmalige keurvorst Lodewijk V bleef zelf weliswaar katholiek, maar legde de reformatie geen strobreed in de weg, ook niet na de Rijksdag van Worms, waar Luther in de ban werd gedaan. Zodoende kon het lutheranisme zich gestaag verbreiden onder de bevolking.  Dat tolerante beleid wordt nog actiever voortgezet onder Lodewijks opvolger Frederik II die zelf zich in 1545 bekeert tot de nieuwe leer. Na zijn dood in 1556 wordt hij als keurvorst opgevolgd door zijn neef Otto Hendrik, die drie jaar later  al ook zijn laatste adem uitblaast  en in zijn plaats bestijgt de keurvorstelijke troon de man aan wie we de Heidelberger Cathechismus te danken hebben. In de discussie tussen lutheranen en calvinisten kiest hij partij voor laatstgenoemden.  Zijn tweede echtgenote is een Nederlandse, Amalia van Nieuwenaar-Alpen, eerder gehuwd met Hendrik van Brederode, een van de edelen die in 1566 het beroemde Smeekschrift aanbood aan Margaretha van Parma.

Terwijl ik deze kennis opduikel uit verworven materiaal, is mijn kop koffie leeg en heeft het kleurrijke oudje zich weer teruggetrokken in haar bovenwoning. Ik bestel nog een koffie en bekijk de foto’s die ik in de slotkerk heb gemaakt. Het is een hallenkerk met drie schepen en een machtige, rijk versierde toren, breed van onderen en in geledingen taps de hoogte in stuwend. Stervormige ribgewelven, een rococo-kansel en een Stumm-orgel uit de 18e eeuw. Ruim en intiem tegelijk voel je er direct thuis. In de kerk liggen diverse hertogelijke en grafelijke vorsten begraven. Uitgebreide stambomen zijn op een plaquette te lezen. Zorgvuldig lezend ontdek ik dat er een Oranje tussen zit! En wel een dochter van Willem van Oranje, uit zijn huwelijk met Charlotte de Bourbon. Ze staat als Amalia van Nassau vermeld,  maar googelend vis ik uit dat ze officieel Emilia heet, met als toevoeging Secunda (de Tweede) Antwerpiana, ter onderscheid van haar oudere halfzuster met dezelfde naam en omdat ze in Antwerpen geboren werd, 9 december 1581. Ze wordt opgevoed door de vierde echtgenote van Willem de Zwijger, Louise de Coligny en trekt met haar oudere zuster Luise Juliana mee naar Heidelberg , nadat deze gehuwd was met keurvorst Frederik IV. Daar ontmoet ze Friedrich Kasimir, paltsgraaf van Zweibrücken-Landsberg, die ze op 4 juli 1616 haar ja-woord geeft. Deze paltsgravenfamilie was een aftakking van de hertogen van Pfalz-Zweibrücken, op hun beurt weer een zijtak van het beroemde Beierse Huis Wittelsbach.  Of overigens Emilia Secunda in de kerk begraven ligt is me niet helemaal duidelijk.  Zij stierf op 28 september 1657 op al heel lang tot een ruïne vervallen slot Landsberg.

 

Bij het verlaten van de kerk valt me een grote langwerpige bronzen plaquette op met de beeltenis van Ulrich Zwingli. Eronder een tekst die door duisternis in het portaal moeilijk te lezen is. Gewend aan het schaarse licht verneem ik dat van 21 tot 23 september 1529 de Zwitserse kerkhervormer (1484-1531) op het slot verbleef. Vandaar reisde hij af naar Marburg voor een gesprek met Maarten Luther en nog acht andere hervormers.  Op 3 oktober 1529 ondertekenden de tien gespreksdeelnemers de Marburger Artikel “welche den Auspunkt für Beratungen bildeten die zur gemeinsamen evangelischen Bekenntnisgrundlage führten mit dem Ziel die Einheit der Christen zu verkündigen”.

Het staat er mooi en hoopvol geformuleerd, op deze plaquette, aangebracht tijdens het Reformatiefeest van 1979. Het was landgraaf Philip van Hessen die de twee kerkhervormers bij elkaar bracht om vooral hun diepgaand meningsverschil aangaande de betekenis van het Avondmaal bij te leggen. Luther komt met 15 artikelen, waarvan de laatste die over het gewraakte leerstuk. En dat formuleert nu juist dat ze het eens zijn dat ze het oneens zijn hierover. Alle veertien andere artikelen geven geen problemen. Ofschoon die ook  na het uiteengaan van de tien deelnemers verschillend worden geïnterpreteerd. Philips hoop op eenheid, ook als grondslag voor een politiek bondgenootschap, slaat de bodem in; de artikelen krijgen nooit officiële geldigheid. Het blijft hangen in hoop, tot de dag van vandaag.

Meer dan hoopvol is de inzet van de huidige ‘Evangelische’ kerkgemeenschap voor de vooral in Duitsland toegestroomde vluchtelingen. Merkels adagium – wir schaffen das – wordt serieus genomen. De hele week door organiseert de kerk bijeenkomsten voor vluchtelingen, voor mannen en vrouwen gezamenlijk en apart, voor kinderen en jongeren. Er zijn taal- en inburgeringscursussen, er is sociale hulp, er worden maaltijden georganiseerd en alles wordt gecommuniceerd in het Duits en het Arabisch.

Meisenheim, rijk aan verleden, maar ook rijk aan inzet en oog en oor voor noden in het heden.

 

BWV 98 – Was Gott tut, das ist wohlgetan

Er zijn drie cantates met dezelfde titel en dus aanvangstekst. In tegenstelling tot BWV 99 en BWV 100 is nummer 98 geen koraalcantate. Weliswaar opent de cantate met een koraal, maar eindigt er niet mee. Althans niet in de gebruikelijke vorm. Bach componeerde deze cantate voor zondag 10 november 1726, de 21 zondag na Trinitatis. De evangelielezing is uit Johannes 4 het verhaal van de genezing van de zoon van een koninklijke hoveling. De onbekende tekstdichter knoopt daarbij aan in algemene zin: de gelovende mag er op vertrouwen, dat zijn gebed om redding gehoor vindt. De cantate kent een zeer intiem karakter en is niet alleen de kortste die Bach schiep, maar kent het meest de toon van kamermuziek.

1. KOOR
Was Gott tut, das ist wohlgetan,
es bleibt gerecht sein Wille.
Wie er fängt meine Sachen an,
will ich ihm halten stille.
Er ist mein Gott,
der in der Not
mich wohl weiß zu erhalten;
drum laß ich ihn nur walten.

Bovengenoemd karakter openbaart zich in het bijzonder in het openingskoor. Formeel komt het in de buurt van het begin van een koraalcantate: de liedmelodie in de sopraan is gedeeltelijk ingevoegd in de zelfstandige instrumentale partij.  Maar de betekenis van de instrumentale bijdrage is sterk ingeperkt en wordt slechts belichaamd door de strijkers, waarin de 1e viool sterk domineert en de andere strijkers naar de achtergrond ‘verdwijnen’. Ondertussen spelen de hobo’s (hobo 1 en 2 en de oboe da caccia) mee met de zangstem. En dat is bij een koraalcantate wel anders, waarin het concertante samenspel van de instrumenten sterk naar voren treedt. Het koordeel is ook overwegend homofoon in akkoorden, alleen de slotregel is vrij polyfoon en onder de lang aangehouden slottoon van de liedmelodie verder uitgedijd. Het is de moeite waard te wijzen op expressieve vioolthematiek, waarin we het heen en weer zwenken tussen twijfel en vertrouwen horen uitgebeeld. Wat nog wordt versterkt door het afwisselen van strijders en koor, die elkaar pas tegen het eind vinden.

2. RECITATIEF (T)
Ach Gott! Wenn wirst du mich einmal
von meiner Leiden Qual,
von meiner Angst befreien?
Wie lange soll ich Tag und Nacht
um Hülfe schreien?
Und ist kein Retter da!
Der Herr ist denen allen nah,
die seiner Macht
und seiner Huld vertrauen.
Drum will ich meine Zuversicht
auf Gott alleine bauen,
denn er verläßt die Seinen nicht.

3. ARIA (S)
Hört, ihr Augen, auf zu weinen!
Trag ich doch
mit Geduld mein schweres Joch.
Gott der Vater, lebet noch;
von den Seinen
läßt er keinen.
Hört auf zu weinen!
Hört, ihr Augen, auf zu weinen!

Dan volgen twee koppels recitatief en aria, waarbij tenor en sopraan samengaan en vervolgens alt en bas. De recitatieven zijn eenvoudig van opzet, met secco begeleiding van het continuo. De twee aria’s kennen een voorgeschreven instrumentale begeleiding. de sopraan krijgt een solohobo mee; de bas een koor van 1e en 2e violen.

4. RECITATIEF (A)
Gott hat ein Herz,
das des Erbarmens Überfluß.
Und wenn der Mund vor seinen Ohren klagt
und ihm des Kreuzes Schmerz
im Glauben und Vertrauen sagt,
so bricht in ihm das Herz,
daß er sich über uns erbarmen muß.
Er hält sein Wort;
er saget: Klopfet an,
so wird euch aufgetan.
Drum laßt uns alsofort,
wenn wir in höchsten Nöten schweben,
das Herz zu Gott allein erheben.

5. ARIA (B)
Meinen Jesum laß ich nicht,
bis mich erst sein Angesicht
wird erhöhen oder segnen.
Er allein
soll mein Schutz in allem sein,
was mir Übels kann begegnen.

Omdat de basaria het slot is van de cantate doet Bach er iets bijzonders mee. Hij neemt de beginregel over van het door Christian Keymann in 1658 geschreven koraal ‘Meinen Jesum lass ich nicht’ over en laat de bas ook variëren op de melodie die daar bij hoort. Dat geeft de aria een tweeledig doel: het is de persoonlijke belijdenis van de enkele gelovige, maar ook zo van die van de gehele gemeente.  

PS. Eduard van Hengel rapporteert het volgende:

 

Onbekende tekstdichter: In de 2015 aflevering van het internettijdschrift Understanding Bach rapporteert Christine Blanken (Bach Archiv Leipzig) de vondst van een bundel cantateteksten uit 1728 van de hand van de latere pastor Christoph Birkmann (1703 – 1771) die van 1724 tot 1727 in Leipzig studeerde, zong en speelde onder Bachs leiding, en gaandeweg van wiskunde, natuurwetenschap en muziek overstapte naar theologie.
Hij zou nu in aanmerking komen als tekstdichter van o.m. de cantates BWV 169, 56, 49, 98, 55, 52, 58, 82 die Bach in het najaar van 1726 uitvoerde.

BWV 97 – In allen meinen Taten

Van Bach zelf weten we dat deze cantate gecomponeerd is in 1734, maar voor welke gelegenheid is onbekend. Hij schreef hem dus in een periode dat hij al lang geleden de productie van wekelijkse cantates had gestaakt. Natuurlijk klonken er wel cantates , maar hij herhaalde dan cantates uit de jaargangen dat hij wel productief was, voerde die van anderen uit. En zo af en toe componeerde hij er nog eens een tot een tot nu bekend aantal van twaalf. Wellicht om lacunes in de jaargang 1724/25 op te vullen. dat kan hier ook het geval zijn, maar voor welke zondag? 

De tekst is van de hand van een voormalige geneeskundestudent uit Leipzig, die toen al over een dichtader beschikte. Deze Paul Fleming werd in 1609 geboren en sterft 31 jarige leeftijd aan de ontberingen van een lange en riskante gezantschapsreis van 1633 tot 1640 naar Moskou en Perzië. Voor zijn vertrek schrijft hij een ‘reislied’, waarin hij het vertrouwen uitspreekt in Gods hand te zijn ‘ wat er ook gebeurt’: ‘Ich ziehe in ferne Lande’. Het lied bestaat uit 15 coupletten , op de melodie van het dan populaire afscheidslied ‘Insbruck, Ich muss dich lassen’ van de Renaissance-componist Heinrich Isaac (1450-1517). In 1555 is in Neurenberg door een onbekende tekstdichter dit wereldlijk lied ‘vergeestelijkt’ tot ‘O Welt, ich muss dich lassen’. de melodie bleef die dus van Isaac en heeft Bach ook bewerkt in zowel de Mattheus als de Johannes Passion. Zeer bekend is de vertolking er van door Johannes Brahms – Opus 122, uit 1896 – , één van zijn laatste werken.

Na Flemings dood, kort na zijn thuiskomst, werd zijn lied ingekort tot negen coupletten met een minder specifieke strekking en vond het al spoedig een plek in de liedboeken. Het zijn deze negen strofen die Bach gebruikt voor zijn cantate, waarbij hij in dit geval niet alleen de eerste en de laatste strofe letterlijk overneemt voor het openingskoor en slotkoraal, maar ook – in tegenstelling tot in zijn koraalcantates uit 1724/25 – de andere strofen. De strofen 2,4,6 en 8 voor aria’s; strofe 7 voor een duet en slechts twee strofen (3 en 5) voor en recitatief. De instrumentale bezetting is sober: 2 hobo’s, strijkers en continuo. De teksten hebben een heel eenvoudige structuur en een strak rijmschema : aabccb. 

1. KOOR
In allen meinen Taten
Laß ich den Höchsten raten,
Der alles kann und hat;
Er muß zu allen Dingen,
Solls anders wohl gelingen,
Selbst geben Rat und Tat.

Ik was deze zomer in Celle, zo’n 80 km van Lüneburg. Twee jaar verbleef Bach daar in zijn jonge jaren, in een schoolinternaat bij de imposante Michaelskerk.  Door en met een medeleerling komt hij vandaar uit in hertogelijk slot in Celle, waar de kasteelvrouwe van Franse afkomst muziek uit haar vaderland laat spelen door het hoforkest. Franse dansmuziek, o.a. van Lully. Het vormt Bach voor de rest van zijn leven. Bach laat zich heel goed verstaan vanuit de dansmuziek. Welnu, deze cantate opent met een Franse Ouverture, door Lully in Versailles ontwikkeld. Het is de muziek waarop de Zonnekoning plechtig binnen schreed in het langzame Grave, met een ritme van kort/lang – kort/lang, in een vierkwarts maat- hier te horen inde strijkers die a.h.w. pijlen afschieten; daarna volgt een snel fugatisch deel, waarna het langzame deel weer terugkeert, normaal gesproken, maar Bach laat deze herhaling hier achterwege. Het Grave is voor de instrumenten: strijkers en dubbelrietblazers, inclusief fagot in wat in voetbaltermen een positiespel heet. Het koor komt bij het vivace aan bod. De hobo’s en strijkers reiken een motief aan, waarna de sopraan de hoofdmelodie in lange noten zingt en de andere stemmen een fugatisch vlechtwerk voren met de instrumenten.  Tussen de koraalregels horen we korte instrumentale tussenspelen, maar tussen e regels 3 en 4 klinkt die uitgebreider. In dat ritornel spelen de twee hobo’s en de fagot als een trio, met na elke halve maat een nieuwe inzet van het fuga-motief, en dan telkens één toon lager. Dit is ook kenmerkend voor de Franse ouverture. ( zie ook Bachs 1e orkestsuite). Als de zes regels gezongen en gespeeld zijn worden de laatste drie regels nog eens herhaald, i.p.v. polyfoon, nu homofoon en dus de sopraan niet meer de rol heeft van ‘cantus firmus’.         Het feit dat Bach met zo’n ‘koninklijke’ ouverture begint kan een aanwijzing zijn voor de gelegenheid, waarvoor hij de cantate schreef. Van Hengel suggereert o.a. het begin van het kerkelijk jaar, 1e Kerstdag of de installatie van een nieuw stadsbestuur. De tekst zelf geeft ook aanleiding tot dit begin, want er is sprake van de ‘ Höchste’, in wiens zegenrijke handen ons leven en onze levensreis ligt.

2. ARIA (B)
Nichts ist es spat und frühe
Um alle meine Mühe,
Mein Sorgen ist umsonst.
Er mags mit meinen Sachen
Nach seinem Willen machen,
Ich stells in seine Gunst.

De vier aria’s verdeelt Bach mooi over de vier stemmen, in de volgorde van laag naar hoog. de eerste is dus voor bas. Je kunt gerust je lot in Gods hand leggen, zo zingt hij met eenvoudige continuo-begeleiding. De instrumentale inleiding weliswaar zangerig, maar ook wat  zwaarmoedig. Deze neemt e bas over, terwijl het continuo dan overgaat naar een actieve, dynamische begeleiding. In syncopen hoor je het zuchten van ‘Mein Sorgen’ en een lange noot verklankt de stevigheid van het Gods vertrouwen: ‘Ich stells in seinen Gunst’. Bas en cello passen zeer goed bij de ‘moeiten’ en ‘zorgen’ waarvan sprake is. Het ritme  (6/8) is die van de ‘gigue’, bekend vanuit de Franse suite.

3. RECITATIEF (T)
Es kann mir nichts geschehen,
Als was er hat versehen,
Und was mir selig ist:
Ich nehm es, wie ers gibet;
Was ihm von mir beliebet,
Das hab ich auch erkiest.

4. ARIA (T)
Ich traue seiner Gnaden,
Die mich vor allem Schaden,
Vor allem Übel schützt.
Leb ich nach seinen Gesetzen,
So wird mich nichts verletzen,
Nichts fehlen, was mir nützt.

De tenor-aria krijgt de opmaat van een eenvoudig kort recitatief. Hij kan ook kort zijn: mij kan niets gebeuren, want en dan komt de aria: Gods genade beschermt en houdt me schadevrij en als ik me houd aan wat Hij wil, dan deert me niets en ontbreekt me niets: je hoort ps. 23 erin doorklinken. De sfeer van de aria is warm en zorgeloos. In de vierkwartsmaat van een Allemande leven de tenor en de soloviool  zich virtuoos uit.

De virtuositeit van de vioolpartij is uniek in Bachs cantatewerk en herinnert aan de sonates en partita’s voor soloviool uit Bachs Köthener tijd (1717 – 1723): dartele 32-sten, dubbelgrepen, polyfonie, arpeggio’s over drie en vier noten in complexe ritmen. Je kunt vermoeden dat Bach deze extravagante solo componeerde ter gelegenheid van het bezoek van een bevriende vioolvirtuoos, zoals bij BWV 83 inmiddels plausibel is gemaakt voor de Dresdener concertmeester Johann Georg Pisendel. De aria is geschreven in een modern-galant idioom, waarvoor Bachs zonen hun oude vader geprezen zouden hebben. Muziek-rhetorisch vallen de pauzes na het herhaalde nichts op, die door de violist met arpeggio’s worden gevuld, en enige harmonische vertroebeling die de woorden Schaden en Übel illustreert. (Van Hengel)

5. RECITATIEF (A)
Er wolle meiner Sünden
In Gnaden mich entbinden,
Durchstreichen meine Schuld!
Er wird auf mein Verbrechen
Nicht stracks das Urteil sprechen
Und haben noch Geduld.

6. ARIA (A)
Leg ich mich späte nieder,
Erwache frühe wieder,
Lieg oder ziehe fort,
In Schwachheit und in Banden,
Und was mir stößt zuhanden,
So tröstet mich sein Wort.

Zowel in het recitatief als in de aria begeleiden strijkers de alt. In de tekst is sprake van neerliggen en weer opstaan en dat hoor je dan ook. De eerste viool is in gesprek met de alt, de andere strijkers dienen in een ondersteunende rol. De harmonie is rijk, de klankkleur donker. C klein is de toonsoort, maar als ‘so tröstet’ zich aandient horen we een triomfantelijk majeur.

7. ARIA / DUET (S, B)
Hat er es denn beschlossen,
So will ich unverdrossen
An mein Verhängnis gehn!
Kein Unfall unter allen
Soll mir zu harte fallen,
Ich will ihn überstehn.

Sopraan, bas en continuo vormen een trio van een springerig karakter. Centraal staat het woord ‘Verhängnis’, wat in die tijd als ‘levenslot in Gods hand’ geïnterpreteerd werd en niet nu als ‘noodlot’ wordt vertaald. Daarom wordt er ingezet met twee stijgende toonladders en wordt dat in Gods handen zijn muzikaal vertaald in een canon, waarbij eerst de sopraan voorop gaat en de bas volgt en in het tweede deel de sopraan de bas volgt. Tenslotte wordt he hele tekst verkort herhaald, met de bas voorop in het eerste en de sopraan in het tweede deel. 

8. ARIA (S)
Ihm hab ich mich ergeben
Zu sterben und zu leben,
Sobald er mir gebeut.
Es sei heut oder morgen,
Dafür laß ich ihn sorgen;
Er weiß die rechte Zeit.

De totale overgave aan God – wat er ook gebeurt – wordt verwoord door de sopraan , in een liefelijk kwartet met twee hobo’s en het continuo. Het is zorgeloos, muzikaal uitgedrukt in noten die te laat komen, zgn. voorhouden; versieringen, seufzer, lange triolen-guirlandes en terts- en sextparalellen.

9. KORAAL
So sein nun, Seele, deine
Und traue dem alleine,
Der dich erschaffen hat;
Es gehe, wie es gehe,
Dein Vater in der Höhe
Weiß allen Sachen Rat.

De gehele gemeente stemt in met de sopraan. De twee hobo’s ondersteunen de sopraanstem en de drie kansrijkers ondersteunen niet, maar mogen zich uitleven in drie zelfstandige bovenstemmen. Dit zevenstemming koraal brengt daarmee het openingskoor in herinnering.