Nouri en het EK Vrouwenvoetbal

Ik hoef maar even aan hem te denken en ik schiet al weer vol; ik hoef maar over hem te praten en de tranen wellen van zelf in mijn ogen, nog steeds. Uitgerekend de jongen die de belichaming was van wat voetbal zo prachtig en heerlijk maakt kan die belichaming niet meer zijn, kan zelfs eigenlijk niet meer leven. Het kan zijn dat ik Abdelhak Nouri als klein jochie in levende lijve heb zien voetballen op De Toekomst, ik herinner het me niet meer. Ik heb hem wel in de Arena gezien, maar verder vooral op tv en op filmpjes op internet. En je begrijpt meteen waarom hij liefkozend Appie werd genoemd. Het joch nam je totaal voor hem in. Door zijn weergaloos spel, door een talent, wat maar eens in de zoveel jaar zich ontbolstert. Maar ook door hoe hij was: het plezier, zijn positieve, opgewekte instelling, zijn gedrag, wars van nare trekjes en misplaatste ijdelheid. Een verfijnde jongen in spel en gedrag zonder een belegen braafheid. Een rolmodel voor de Marokkaanse jeugd. Maar ik zou dat willen uitbreiden tot een rolmodel voor iedereen en zeker voor het voetbal. 

Een rolmodel die de Oranjevrouwen op het zondag geopende EK in hun eerste wedstrijd lieten zien. Hartstochtelijke inzet, aanvallend voetbal in de beste traditie van de zgn. Hollandse school en geen gemekker tegen de scheidsrechter, geen malle en gemene overtredingen, spattend spelplezier. Natuurlijk ook nog vol fouten, maar is het mannenvoetbal dan zo volmaakt? Met de waarschijnlijk grotere waarde die Nouri zou verwerven in Ajax’ eerste elftal, zou het Ajax-spel dat onder Bosz begon nog meer glans krijgen. Zeker met jongeren van zijn generatie als Van de Beek en De Jong. Het zal niet zo zijn, althans niet met Appie. Als je hem zag spelen bekroop me al de vraag of hij met dat frèle lichaam zich wel staande zou kunnen houden in het fysieke geweld waarin het voetbal zo vaak verworden is. Of hij zich daar door heen wist te dansen, zoals Cruijff. Het was wellicht de reden, waarom hij niet al jonger tot de hoofdmacht doordrong. We zullen het niet meer weten. Op zaterdag 8 juli kwam in één fatale klap een einde aan alle hooggespannen verwachtingen, aan een blij vooruitzicht, maar erger nog aan een beloftevol leven, werd in één klap een gezin in diepe rouw gedompeld en Ajax, de hele voetbalwereld een bron van plezier ontnomen. Voor zijn team en met name voor de staf een helse klus om die rouw om te buigen tot prestaties die een waar eer betoon zijn aan de bloem Nouri, in de knop gebroken. Hopelijk kan daarbij het Nederlands vrouwenteam daarvoor een inspiratiebron vormen.

Jo de Roo 80 jaar

Gisterochtend ging de telefoon. Gerard Koel aan de lijn. De voormalig Olympisch Kampioen van Tokyo 1964, sprintkanon, fameus baanwielrenner en 30 jaar achtereen als chauffeur van de NOS-radio actief in de Tour de France mag dan al weer decennia in Hoogerheide wonen, het blijft een Amsterdammer die direct ter zake komt: “Klaas, vandaag wordt Jo de Roo 80 en hij krijgt een verrassingsfeestje eind van de middag. Heb je zin om mee te gaan”?  Daar hoef ik niet lang over na te denken. Jo de Roo, één van vroege wielerhelden, van wie ik alles uitknipte en in een album plakte. (Helaas had mijn vader al mijn albums, over hem, over de Tour, over voetbal etc, etc weggegooid, toen ik op me zelf ging wonen in Utrecht. Ik kan me er nog kwaad om maken!) Jo de Roo, die ik in ons kerkje hier heb geïnterviewd; die meermalen daarna naar culturele avonden kwam, met zijn lieve (tweede) vrouw. Dus voegde ik bij Gerard en Tineke en reden we gedrieën, op de dag dat Fabiu Aru die verschrikkelijke klim naar Plateau des Belle Filles won, naar Wemeldinge. In een gloednieuw restaurant op edik, gerund door oud-renner Peter Hoonert, verzamelde zich een grote schare oud-renners uit Nederland en België en hun vrouwen om op het moment suprême zich muisstil te houden. De Roo was in de veronderstelling met z’n gezin wat te gaan eten en werd plotseling de zaal binnengevoerd, waar uit zeker honderd kelen een enthousiast Lang zal hij leven opklonk. Hij was totaal verbouwereerd en begon verlegen en bescheiden zoals hij van nature is handen te schudden,  als enige gehuld in korte broek. Er was een zangduo, de glazen gingen rond, er waren toespraken, heerlijke hapjes werd rondgedeeld en de stemming werd steeds beter. Behalve jan Janssen en zijn vrouw kende ik aanvankelijk niemand, maar dat werd spoedig anders. Ik raakte in gesprek met Theo Smit (Frisol), Cor Schuuring (Tokyo 64), Gerben Karstens, Roger Rosiers (winnaar Parijs-Roubaix 1971, met 1’26″ voorsprong op Van Springel, Basso, Janssen, Merckx, Leman, R. de Vlaeminck en Gimondi) en nog velen meer. En daar was Suske Verhaegen, een oud-renner die een uniek eigen wielermuseum heeft in Grobbendonk en de (internationale) vereniging van ex-renners heeft opgericht en bestuurt. Ik kreeg z’n kaartje en een button met de woorden: “zo nu bent ge ook lid; het kost ge niks, want ik betaal alles”. De vriendelijke Vlaming had na het wielrennen beter geboerd dan met koersen. Uiteraard werd er voluit gesproken over het uit de Tour zetten van Sagan. Geen van de oud-renners had daar begrip voor: zwaar overdreven, Cavendish wilde door een muizengat en als je al gestraft bent, kun je niet nog eens een andere, zwaardere straf krijgen, zo ging het heen en weer tussen de kenners. Sommigen vermoedden dat er druk was van Franse kant om de mare te helpen in het veroveren van de groene trui. Veel van die oud-renners zagen er trouwens nog patent uit, zoals Gerben Karstens (toch al 77), Koel (76), Smit, Schuuring en Janssen. Ze zitten dan ook nog wekelijks op de fiets, ontmoeten elkaar bij voortduur. Grote animator is de man die zijn fortuin verdiende met bidons e.d. en die dat fortuin graag deelt met zijn helden van weleer. Na afloop mochten we een bidon met beeltenis van De Roo meenemen. Natuurlijk was er ook familie van de knappe en rappe Zeeuw en nog een paar types, zoals ik : meer sportief voor de buis en  met meer liefde voor de pedaalridders dan zelf voor lange tijd in het zadel te klimmen, zoals een gepensioneerde oncoloog van het Radboudziekenhuis. Jo’s vrouw vroeg of ik ook een woordje wilde spreken en bij het weggaan nodigde ze mij bij hen thuis uit, omdat ze zo genoten hadden van de avonden in ons kerkje. Als jonge jongen zag ik Jo de Roo voorbijflitsen in de Ronde van Kortenhoef, die jaarlijks van 1960 tot 1988 door de legendarische Geurt Pos werd georganiseerd en grote winnaars heeft gekend, met Jo als eerste en nu mocht ik me wentelen in een levend plakboek. 

Weerzien in Cluj 4

zondag 18 juni

Na een rustige zaterdag van stad snuiven, rusten, lezen, mijmeren op  een terras achter koffie of bier, korte gesprekjes en een heerlijk avondmaal, start ik de zondag met een buiten-ontbijtje en bezoek daarna de kerkdienst in de kerk van de Twee Torens, vlak bij het Instituut. De gemeente van deze kerk kent ook twee voorgangers. De ene, Székely József, studeerde ook in Nederland en vond daar zijn vrouw, afkomstig uit Frederiksoord. Hij is een belangrijke figuur in de huidige kerk, die hamert op kerkvernieuwing en op het belang en de verbetering van de prediking. De ander heet Adorjáni Lászlo, spreekt voortreffelijk Engels, tekent geestige cartoons en is een broer van Zoltán, die studeerde toen ik aan het Instituut verbleef en is al weer jaren hoogleraar NT. Hij gaat in deze dienst voor, vooraf gegaan door een doopdienst. Na afloop laat Székely me het door hem opgerichte museum zien in een van de grote torens. Het betreft de geschiedenis van de zgn. Hochstadt , de wijk die vanaf de kerk zich richting oosten uitstrekte en tot de zeventiger jaren van de vorige eeuw bestond uit kleine boerderijen, die de binnenstad voorzag van groenten en fruit. Vanaf de zeventiger jaren begon het Ceausescu-regime de honderden (Hongaarstalige) boertjes te verdrijven, hun huizen weg te bulldozeren, hun gronden te onteigenen, zonder enige vorm van inspraak om plaats te maken voor afschuwelijk lelijke en slecht gebouwde torenflats, waarin plattelanders van Roemeense origine gedropt werden die opeens van landbouwers industriearbeiders moesten worden. De sociale gevolgen voor zowel oorspronkelijke als nieuwe bevolking waren gigantisch: ontreddering, verpaupering, ziekte, sterven, zelfmoord op grote schaal. Indrukwekkende foto’s laten zien hoe de nieuwe stad oprukt en ontredderde, angstige en verdrietige boertjes bedreigt.  De middag gebruik voor ontspannen lezen en ‘s avonds ben ik op bezoek bij Jenei Tamás, die een voortreffelijk maal tevoorschijn tovert, begeleid door prima wijnen. We halen herinneringen op van veertig jaar geleden, hij vertelt over zijn loopbaan als predikant, die begon in de Bukowina, waar hij als vrijgezel zonder auto een parochie zo groot als Nederland had te bedienen. Door de hele provincie verspreid woonden Hongaars Hervormden, enkelingen of bijeen in kleine huisgemeenten. De Ceausescu-politiek was er op gericht om de Hongaarse minderheid te versplinteren. Afgestudeerden kregen alleen een baan in Roemeenstalige gebieden en Roemenen werden zoveel mogelijk naar Hongaarstalige gebieden gestuurd. Tamás liet zich niet uit het veld slaan en probeerde zo goed en zo kwaad als het ging zijn diasporagemeente te versterken en op te bouwen. dat bleef bij de overheid niet onopgemerkt en dus werd hij daarvoor gestraft en moest een aantal maanden uit zijn werk weg om bij een bouwbedrijf te gaan werken. Na een aantal jaren werd hij naar een betere plek overgeplaatst, ontmoette zijn vrouw uit Hongarije. Deze woont met hun drie dochters al weer een tijd in haar geboorteland, omdat de Roemeense overheid weigert hen het Roemeens staatsburgerschap toe te kennen. Dus heeft Tamás besloten over drie maanden, als hij met emeritaat gaat, naar Hongarije te verhuizen, waar met graagte de overheid hem het staatsburgerschap van dat land zal geven.

maandag 19, dinsdag 20 juni

Deze dagen geniet ik weer met volle teugen van het weer, van terrassen, van de sfeer in de stad, heb momenten dat ik lees, bezoek een boekwinkel en ga ook naar een pedicure/manicure. Verder een aantal mooie gesprekken. Met Sógor Arpád, de studentenpastor, die me vertelt dat hij een eigen pastoraal/therapeutische aanpak heeft ontwikkeld: de schaakmethode. Hij voert zijn gesprekken rond het schaakbord, waarin of met de studenten schaakt of hen dat leert. Schaken is keuzes maken en staat symbool daarin voor het leven, waarin het ook om het maken van goede keuzes gaat. De keus op het schaakbord leidt in zijn gesprekken tot de keuzen op het levensbord. Ik spreek met Csalogh Béla over de specifieke problematiek van de Hongaarse kerk: het toegenomen individualisme, gebrek aan samenwerking tussen predikanten, de moeite die studenten hebben om voor het ambt te kiezen in hun nog ouderwets gestructureerde kerk en over homoseksualiteit, een nog zeer heikel onderwerp. Met behulp en onder stimulans van de Juhász Stichting is aantal jaren geleden een pastoraal getint boek verschenen dat gratis onder studenten en predikanten verspreid wordt om zo een open gesprek er over te stimuleren. Wat in het boekje ontbreekt is een persoonlijk verhaal van iemand die uit het oude denken zich heeft bevrijd. Ik spreek met hem er over of ik op dit punt niet van dienste kan zijn. Dat leg ik ook voor aan Beke Boroká, de vrouwelijke voorzitter van de predikantenbond. Zij staat open voor een bijdrage van mijn kant, maar moet dat wel voorleggen aan haar leden. Met haar spreek ik ook over het belang van pastoraat aan de predikanten zelf, ook in ons land een ondergeschoven kind.

woensdag 21 juni

In de bibliotheek heb ik een ontmoeting met de bibliothecaris, die mijn werkstuk dat ik destijds schreef te voorschijn heeft getoverd en dat hij voor mij wil digitaliseren en zo toesturen. Het werkstuk gaat over Barths periode als predikant van Safenwil. Zelf bezit ik geen exemplaar, ook niet in de oorspronkelijk Nederlandse versie. Wellicht kan t.z.t. daar zelf voor zorgen: een een goede training voor m’n toch wat weggezakte Hongaars.     ‘s Middags voeg ik mij bij Jenei wederom om met hem in zijn handige bestelbusachtige auto naar Bonchida te rijden, zo’n 40 kilometer oostelijk van Cluj. In dat dorp bevinden zich de resten van het immense kasteelcomplex van een van de oudste en voornaamste Hongaarse adelijke geslachten, de Bánffi’s. Het werd het Versailles van Transsylvanië genoemd, het wordt bij stukken en beetjes gerestaureerd en op het immense terrein vinden nu grote cultuurfestivals plaats. Dit complex wordt ook beschreven in het prachtige boek van Jaap Scholten, Kameraad Baron. Het is ook in het Hongaars vertaald en vindt onder de Hongaren gretig aftrek. We voegen ons bij de predikant van Bonchida die tegenover het kasteel woont en ook in Nederland studeerde. Na het kasteel bekeken we zijn kerk, het van oorsprong oudste kerkje (11e eeuw) van Transsylvanië. Sporen van de grafelijke familie vinden we terug in de fraaie kansel en de avondmaalstafel. In Cluj trakteer ik Tamás op een maal op het terras van het voormalig onderkomen van de vrijmetselaars, nu een modern en prima restaurant.                                                                       De volgende ochtend spreek ik nog eenmaal met Csabá, drink nog een koffie in Big Ben en neem een taxi naar het vliegveld. Daar begint het wachten: voor de incheck, voor de bagagecontrole, voor de paspoortcontrole, voor de gate, in de bus, in het vliegtuig. Ik realiseer me dat vliegen dan wel efficiënt is, goedkoop en snel, maar dat in dat wachten en uiteindelijk snelle vertrek de sfeer van een verblijf wordt afgebroken en snel tot herinneringen worden. Een land geleidelijk naderen en binnenkomen en zo ook weer verlaten is eigenlijk veel beter. De volgende keer ga ik toch weer met de auto, want terugkom ik. Het thuisgevoel, wat ik kende, heeft dat lamlendige vliegveldverblijf en het vliegen zelf me uiteindelijk niet afgenomen.

Weerzien in Cluj 3

maandag 12 t/m donderdagmiddag 15 juni

Van maandag t/m woensdag werd er drie dagdelen gewerkt aan de verhalen van Gideon en Simson in het boek Richteren en aandacht besteed aan stukken Bijbelse Theologie van Karel Deurloo die met onderhavige verhalen te maken hebben. Klaas Spronk, O.T. icus aan de VU had de leiding, bijgestaan door zijn collega Balogh Csabá van het Instituut in Cluj. Deze nam ook een deel van het tolken voor zijn rekening, maar het leeuwendeel op dat gebeid werd geleverd door de onvermoeibare en immer goedgeluimde Sógor Géza. Teksten werden gelezen in Hongaars en Nederlands, met de Hebreeuwse grondtekst er naast. Er werd volop gediscussieerd over de betekenis. Woensdagavond werd een film bekeken over Mozes – even iets heel anders, maar toch ook gericht op interpretatie van de filmmaker van een bekende Bijbelse figuur. Donderdagochtend werd besteed aan diverse vormen van toepassing van met name het Simson-verhaal. De een kwam met preekschetsen, de ander met een voorbede, van mijn hand werden een aantal liederen gezongen, die ik destijds maakte bij de serie over Simson in ons Ossendrechts kerkje. 

donderdagmiddag 15 – vrijdag 16 juni

Na de weer voortreffelijke warme lunch – in R. wordt tweemaal warm gegeten – vertrokken acht Nederlanders in een busje van het Instituut naar de Bukowina. Ries Nieuwkoop achter het stuur. Via Dej en Bistrita reden we het prachtige landschap van de Karpaten in. De steeds hoger slingerende weg was aanmerkelijk beter dan veertig jaar geleden, dan tien jaar geleden zelfs. Nieuw asfalt en af en toe stukken om de traag voortkruipende vrachtwagens te kunnen passeren. Schilderachtige houten huizen en kerkjes, nieuwe orthodoxe kerken – na de omwenteling zijn er liefst 4000 gebouwd! – , de traditionele ovaal toelopende hooioppers, cirkelende roofvogels. We reden door het drukke stadje Viatra Dornei en doken daarna naar beneden om halt te houden in een lief dorp, waar ons pension stond voor de overnachting. We werden zeer hartelijk ontvangen; er kwam bier op tafel, we betrokken onze kamers en ‘s avonds wachtte een zeer uitgebreid rijk maal, met een huislikeur vooraf en heerlijke wijn bij de dampende spijzen. Nazit met een digestief. De volgende morgen een ontbijt van eieren, vleeswaren, kaas, tomaten, ui en vruchten. In totaal kostte de hele grap voor ons achten niet meer dan 300 euro. In dit dorp Moldovita staat het eerste klooster met zijn fraaie beschilderingen dat we die vrijdag bezochten. Een non van een mannelijk postuur en geheel in het zwart, waarbij alleen haar gezicht ontbloot was gaf in helder Duits minutieus en gedreven uitleg bij de schilderingen, wat eigenlijk één groot Grieks -orthodox bijbels theologisch verhaal bevat, wat een paar maal op de buitenmuren terugkeert. Dat geldt ook voor de hal en de binnenzijde van de kerk, in drieën gedeeld, naar de indeling van de Bijbelse tempel. We bezochten nog twee kloosters, zonder gids: in Voronets en in Humurului. Daarna ineen stadje in de buurt een prima pizza en vervolgens weer terug naar Georgheni. Daar nog een laatste avondeten en overnachting in het langgerekte op een heuvelkam gelegen dorp. Een geologische eigenaardigheid van dit dorp mag niet onvermeld blijven. In de bewerking van de grond en bij het bouwen van huizen treffen de bewoners in de leemachtige grond voortdurend geometrisch zuivere bollen in diverse grootten aan. Alsof ze door een machine rond geslepen zijn. In alle tuinen liggen wel van dat soort bollen, de meeste in de omvang van middeleeuwse stenen kogels die uit katapulten tegen stadsmuren geslingerd werden.   Enfin, Nederlandse en Hongaarse collega’s namen hartelijk afscheid. Ik zelf vertrok naar het Instituut, waar ik onderdak vond in een nieuwe eenvoudige doch aangename gastenkamer voor omgerekend 12 euro per nacht.

Weerzien in Cluj 2

Zaterdag 10 juni

Collega Nieuwkoop gebruikt deze dag om een vriend op te zoeken in de gevangenis van Bistrita, een stad zo’n 160 kilometer noordoostelijk van Cluj. Ik rijd met hem mee. Het is stralend zomers weer. We rijden door het dal van de Somes, langs  het oude stadje Gherla, waarvan de bevolking oorspronkelijk Armeens is en een Armeens-Orthodoxe kathedraal het centrum van het stadje domineert. We passeren Dej en buigen dan af richting de noordelijke Karpaten. In Bistrita zet Nieuwkoop mij af aan de rand van het centrum. Na een gezamenlijke uitstekende koffie gaat hij naar de gevangenis en wandel ik op mijn gemak door het rustige stadje, bezoek de eeuwenoude Luthers Kerk van de zgn Saksen die eeuwen geleden naar Transsylvanië trokken en zich vooral in het zuiden als het noorden van Transsylvanië zich vestigden. Ze bouwden burchtkerken, waarin de bevolking in tijden van vijandelijke invallen zich kon terugtrekken en bouwden een aantal dorpen tot steden, tot in totaal Sieben Burgen, waardoor Transsylvanië in het Duits nog altijd Siebenbürgen heet. Transsylvanië betekent ‘achter het woud’, de Nederlandse vertaling van het Roemeense Ardeal of Transylvania, wat feitelijk een vertaling is van het Hongaarse Erdély. De zeven steden overigens zijn Bistritz/Bistrita/Beszterce; Klausenburg/Cluj/Kolozsvár; Hermannstadt/Sibiu/Nagyszeben; Kronstadt/Brasov/Brassó; Mediasch/Medias/Medgyes; Mühlbach/Sebes/Szászsebes en Schässburg/Sigisoara/Segesvár.                                                            Achter de kerk in renovatie strekt zich een brede en lange winkelboulevard uit met een tiental aangename terrassen. Oude mannen kuieren op hun gemak. Gezinnetjes flaneren en likken ijsjes. Tweedehands kledingzaakjes, die je bij bosjes ziet in Roemenië, worden druk bezocht. Een enkeling schiet de moderne winkel van Vodafone (leidend in dit land) binnen. Parallel aan de boulevard loopt de nog drukker met winkels bezette smalle hoofdstraat, met steegjes naar afgetakelde buurten aan de rand van het centrum. Ik bezoek nog het Goldschmiedehaus, een middeleeuws pand, waar de Saksische goudsmeden hun beurs hadden. De ruimten zijn imposant, maar kaal, slechts een paar voorwerpen uit glorieuze gouden tijden zijn overgebleven. Op een kleine boerenmarkt naast de oude stadskerk koop ik een heerlijk stuk schapenkaas. Op het terras waar Ries Nieuwkoop en ik  elkaar weer ontmoeten heb ik nog net tijd voor een koele pils (het Roemeense bier is een stuk lekkerder dan het duurdere  en in zgn. betere kringen  onbegrijpelijk populaire Heineken). Aan het eind van de middag arriveren we in Georgheni/Györgyfalva, waar we eerst een bezoek brengen aan Antal József, die in 1975 in het dorp predikant werd, in Nederland studeerde als een van de laatste onder het Ceausescu-regime en wiens zoon nu de kansel in het dorp beklimt. Ries brengt verslag uit van zijn bezoek aan de gevangenis, want ook hij is een zoon van József. Samen met Wilken Veen, Adriaan Deurloo en Klaas Spronk – de eerste twee deelnemers en de laatste leider van de cursusweek – zal ik de komende nachten doorbrengen in het door hem zelf gebouwde maar vanwege zijn detentie wat verwaarloosde ruim bemeten huis van de gevangen zoon. Tegen de avond haalt Ries mijn huisgenoten  en Wout van der Spek op van het vliegveld en genieten we bij Antal jr een door zijn vrouw bereid maal aan de keukentafel van de pastorie. Wout en de overige Nederlandse en een aantal Hongaarse collega’s brengen de nachten door in Bethlen Háza, zoals het conferentieoord heet. 

zondag 11 juni

We nemen deel aan de kerkdienst van het Instituut, helaas wegens verbouwing niet gehouden in de fraaie aula, maar in een bovenzaal van het gebouw dat de eeuwenoude vleugels verbindt, ontstaan na de wending. Hoogleraren en studenten verschijnen allemaal diep in het zwart. De dienst wordt geleid door de NT’cus Visky Béla, een zeer vriendelijke vijftiger. Liturgisch verschilt de dienst niets van die van veertig jaar geleden. In de prediking kan uiteraard veel vrijer gesproken worden, ofschoon voor zover ik goed beoordelen kon deze preek nogal een hoog essayistisch gehalte had en weinig sociaal-maatschappelijk betrokken. Na afloop ontmoet ik een oude bekende van veertig jaar terug, de nog immer goedlachse Jenei Tamás. Hij was de laatste 18 jaar directeur van het Instituut voor de Catechese en woont nog een paar maanden in het huis, waar we destijds kind aan huis waren omdat daar genoemde Juhász en zijn gezin woonde en in een ander appartement het gezin van Dobri János, een strijdbare predikant, met hoofd en hart onverschrokken op de goede plek. Met Tamás spreek ik af volgende week bij hem het avondeten te gebruiken. Wij drinken koffie, eerst met de studenten en daarna in het appartement van Visky Béla, een van de hoogleraarswoningen van het Instituut. Tot slot krijgen we een rondleiding in de bibliotheek, met een groot aantal incunabelen en o.a. een van de oudste uitgaven van Calvijns Institutie. De huidige bibliothecaris heeft een kleine maar mooie expositie ingericht. De bibliotheek barst uit z’n voegen, mede door talrijke schenkingen uit het buitenland. Op de onderverdieping van het gebouw waar we de kerkdienst bijwoonden wordt hard gewerkt aan uitbreiding van de bibliotheek. In september zal die geopend worden door de Hongaarse premier Victor Orban, omdat de Hongaarse staat nog al wat geld in gebouw en bibliotheek gestoken heeft. We lunchen in Georgheni/Györgyfalva en luieren de middag door. Tegen de avond druppelen de overige deelnemers aan de cursusweek binnen. Onder hen van Hongaarse zijde Sógor Géza, zoon van een predikantenechtpaar, waar we wellicht het liefste kwamen, woonachtig zo’n 60 km ten zuiden van Cluj. Hij was openhartig, modern van denken, moedig, juist ook in zijn preken en zij was de spreekwoordelijke Hongaarse vrijheid in optima forma. Net als bij ons thuis hadden ze 5 kinderen en net als bij ons verdeeld in vier jongens en een meisje, met dit verschil dat bij ons zij de jongste was en bij hen de oudste. De oudste zoon, Csabá, is lid van het Europese parlement. Géza, de een na jongste is predikant en studeerde en woonde 5 jaar in Kampen en spreekt voortreffelijk Nederlands en zal gedurende de cursusweek als tolk fungeren. De jongste, Arpád, heb ik ook ontmoet, want hij woont op het Instituut als studentenpastor. Na het avondeten starten we de cursusweek met een uitgebreide kennismaking. Met steeds goed gevulde glazen praten we lang na in aangename avondkoelte. ‘s Nachts hoor ik de melancholieke roep van een bosuil.

 

 

Weerzien in Cluj 1

Alsof ik in tropisch Afrika was geland! Toen ik afgelopen donderdag uit het vliegtuig de eerste stappen zette op de trap naar het beton trad ik de hitte van een sauna binnen. Eindhoven, vier uur ‘s middags! Twee uur vliegen van Cluj, Roemenië, waar het ook heet was voor de tijd van het jaar, maar nog altijd vijf graden minder warm. Twee weken was ik weer eens in het land waar ik veertig jaar geleden twee jaar had gewoond. Het was in meerdere opzichten een warm weerzien. Na het verblijf van ’76 tot ’78 was ik vaker terug geweest, maar dit keer bleek het anders, intenser vooral. 

Donderdag 8 juni

De dag voor mijn vertrek had Hans den Daas mij flink geholpen met het schonen van mijn voor- en achtertuin en het verwijderen van versleten tuinmeubilair. Vlak voor mijn vertrek stond hij in lichte paniek voor mijn deur: hij was zijn portemonnaie kwijt. Ik was juist bezig de mijne te ontdoen van allerlei pasjes die ik in Cluj niet nodig zou hebben. Hans kon zijn beurs noch bij mij binnen noch in de tuin vinden en vlak na hem stapte ik in mijn auto voor de rit naar Eindhoven. De benzinemeter gaf aan dat ik onderweg bij moest tanken. Toen bleek dat ik bij de herordening van mijn portemonnaie geen bankpas meegestegen te hebben. Paniek bij mij. Ik had nog wel een creditkaart bij mij, die ik nauwelijks gebruik en waarvan ik de pincode niet wist. Ik had nog tien euro op zak en dat was voldoende om P8 van het vliegveld te bereiken, waar ik mijn auto voor de komende weken zou stallen. Op het vliegveld zou ik medereizigers naar Cluj ontmoeten die net als ik zondagavond in een dorp in de buurt van Cluj zouden samenkomen voor een cursusweek over Richteren, georganiseerd door de Juhász Stichting. De organisator van de cursus, collega Ries Nieuwkoop zou ik ook treffen. Er zat niets anders op dan hem om geld te leen vragen. In afwachting van hun komst probeerde ik telefonisch de ANWB te bellen voor een nieuwe pincode van mijn bij hen verkregen creditkaart. Ik kwam er niet doorheen en intussen zag ik mijn medereizigers verschijnen. Ik beëindigde mijn vergeefse wachten op verbinding en stak mijn mobiel in mijn borstzak en toen voelde ik iets zitten, wat mijn bankpas bleek te zijn. Blijkbaar achteloos daarin gestoken toen Hans den Daas in zijn paniek voor m’n deur stond. Ik voelde me kilo’s lichter, de steen in mijn maag vergruizelde. Na een kalme vlucht landden we onder een zwaar bewolkte lucht op een fris, vernieuwd en fleurig Cluj Airport. Veertig jaar geleden oogde het aftands, grauw en grimmig. Heel het land was een somber en droevig stemmende zwart-witfoto. De meegereisde Nederlandse collega’s werden opgehaald door Roemeens-Hongaarse collega’s, waar ze het weekend zouden doorbrengen, kennis zouden maken met het leven en werk in een dorpsparochie en zelfs een in het Hongaars vertaalde preek zouden voordragen. Ries werd opgehaald door een jongen uit Georgheni/Györgyfalva, waar het conferentiehuis stond waarin de studieweek gehouden zou worden. Ik mocht meerijden en werd afgezet bij het hotel, dat ik had geboekt voor geen geen 40 euro per nacht, inclusief ontbijt. ‘s Avonds liet ik me vervoeren per taxi naar het fraaie hoofdplein van de stad met z’n talrijke aangename terrassen. Ik voelde me direct thuis. Oude herinneringen mengden zich de relaxte bevrijde atmosfeer van nu. 

De Juhász Stichting.

Deze stichting is in 1995 opgericht met als doel  ’arme’ studenten van de Protestantse Theologische Universiteit in Cluj – afkomstig uit de Hongaarssprekende Református, Lutherse en Unitarische kerken in Transsylvanie – financieel te ondersteunen alsmede de bij- en nascholing van predikanten en het theologisch-wetenschappelijk onderzoek. In dat kader worden ook al jaren studieweken georganiseerd, samen met Nederlandse collega’s, die daarvoor slechts 250 euro, inclusief verblijf en maaltijden betalen, terwijl de Hongaarse collega’s een klein bedrag bijdragen. De stichting is genoemd naar professor István Juhász (1915-1984), een internationaal in hoog aanzien staand hoogleraar kerkgeschiedenis aan het toenmalige ‘Verenigd Protestants Theologisch Instituut met universitaire graad’ van Cluj/Kolozsvár en Sibiu/Hermannstadt. Ondanks de toenmalige immense onderdrukking van staatswege lukte het hem de ontwikkeling van de theologische hogeschool en van de studenten te bevorderen, mede door het onderhouden van internationale oecumenische contacten. Voor de Nederlandse studenten die vanaf 1968 gedurende twee jaar in Cluj aan het instituut verbleven was hij een onmisbare vraagbaak en vertrouwensfiguur. Bijdragen aan de stichting zijn van harte welkom op NL95 RABO 0302707700 t.n.v.de stichting te Zwolle. De stichting heeft een ANBI-erkenning. Zie verder: www.juhasz-stichting.nl

Vrijdag 9 juni

Ries Nieuwkoop, bestuurslid van de Juhász Stichting en motor achter de studieweken en nog veel meer, haalt me op bij het hotel voor een dagje besprekingen en ontmoetingen in de stad. Onder andere bij Exit, de uitgeverij van Hongaarstalige theologische en culturele boeken. Ook drukken zij werken voor andere uitgeverijen. Ze hebben onderdak gevonden in het 18e eeuwse pand dat veertig jaar geleden het onderkomen vormde van de deken en het dekenaat van Hongaars Hervormd Cluj, zeg maar de kerkelijke ‘baas’ van een regionaal onderdeel van het bisdom. De Hongaarse kerken kennen vanouds bisdommen en dus bisschoppen, weliswaar gekozen door een synode, maar met een behoorlijke bestuurlijke macht. Transsylvanië telt twee bisdommen, globaal een Noord- en een Zuidbisdom, met zetels in resp. Oradea en Cluj. Bij Exit worden ook Nederlandse werken uitgegeven, vertaald in het Hongaars door diverse predikanten die langere tijd in Nederland studeerden en onze taal machtig zijn geworden. na de omwenteling kwam er een behoorlijke stroom op gang van jonge predikanten die hetzij in Utrecht hetzij in Kampen terecht kwamen. De Juhász Stichting  stimuleert en financiert de bovengenoemde uitgaven, die dan vaak ook weer de basis vormen van de studieweken. Hongaarse predikanten kunnen de uitgaven voor een luttel bedragje aanschaffen. Zo zijn o.a. boeken van Karel Deurloo op de (Roemeens) Hongaarse markt verschenen.  In hetzelfde pand is ook een ontwerpbureau gevestigd. Zij hebben naast de ontwerpen voor de boeken van Exit ook een geheel eigen markt gecreëerd van posters, folders, boekillustraties etc. Drijvende kracht is een man die zelf als cartoonist steeds meer bekendheid geniet.

Appelvink en dominee – 2 limericks

In de voormalige pastorie en al weer ruim tien jaar ons kerkelijk centrum heb ik nog een werkkamer, waar ik overigens in de praktijk weinig gebruik van heb gemaakt. Gisteren echter gaf ik er een interview aan een journalist van de streekkrant, de Woensdrechtbode en zag zodoende een tweetal limericks liggen, die ik ooit op een A4-tje gefabriekt had. Bij deze:

Op een appelvink

Een appelvink te Ossendrecht                                                                                                                    kwam in een perenbos terecht                                                                                                                     hij zong zich daar uit z’n veren                                                                                                                     om tegen de peren zich te keren                                                                                                                 die prompt appelig werden zo wordt gezegd.

Op een dominee

Een dominee van Bergen                                                                                                                                           wist z’n gemeenteleden flink te tergen                                                                                                       Hij voelde zich een hele reus                                                                                                                                 en liet hen dus geen andere keus                                                                                                                                   dan zich te kleineren tot dwergen.

Het altijd boeiende en broeiende Ajax

Niemand had het zien aankomen, zeker ook de naar verluid goed ingevoerde journalisten van V.I., Telegraaf, AD niet. Maar nu de kruitdampen wat opgetrokken zijn volgens mij een paar conclusies te trekken.  Peter Bosz blijkt een ware leerling te zijn van Ronald Koeman, die op een zelfde leeftijd na een jaar PSV ook een financieel aantrekkelijke trein zag langs komen en daar gulzig bij in stapte. Clubliefde bestaat niet, bij spelers niet, bij trainers niet, althans de meeste niet. Des temeer respect voor Frank de Boer die in tijden waarin het nog meer broeide bij Ajax doorging net zo lang (of wellicht te lang) tot de sportieve grens bereikt was onder zijn leiding.  Natuurlijk zal er ook nu onenigheid geweest zijn, Van der Sar was er zelf duidelijk in. Maar ik vrees dat bepaalde media, vooral De Telegraaf,  handenwrijvend het strontje tot een enorme koeienvlaai hebben opgeblazen. Wat niet wegneemt dat de structuur van Ajax op z’n minst vreemd en onhelder is. Dennis Bergkamp als lid van het alles bepalende technisch Hart is de baas over de trainer, onder wie hij juist ondergeschikt is als assistent. Dat is vragen om botsingen. En ik blijf zeggen dat wat steeds het Plan Cruijff genoemd wordt is in feite altijd leidend geweest voor Ajax: vooral zelf spelers opleiden, aantrekkelijk en winnend voetbal spelen en spelers aantrekken die je niet in huis hebt – want hoe goed je ook opleidt, er zijn altijd mindere lichtingen – ‘ hetzij als talent hetzij als routinier van toegevoegde waarde. En ook dat gaat regelmatig mis, omdat Ajax,  hoe groot de naam als opleidingsinstituut wereldwijd ook is, niet het voetbalparadijs is, maar een club die altijd boeit en waarin het vooral altijd broeit. De geest van JC blijft altijd hangen, ook na zijn dood, ten goede, maar ook soms ten kwade.

 

Afscheid als predikant van Woensdrecht in enige foto’s van Leo den Heijer

Het was op de Pinksterzondag van 4 juni een geweldig afscheid. Warme, humoristische toespraken; muziek van cantorij en gitarist/zanger; indrukwekkend gesprek met Rikko Voorberg, jonge collega die nieuwe kerkvormen beoefent in Amsterdam, doop en aanbieding van een 40 tal zelf geschreven kerkliederen, veel cadeaus etc, etc.

 

dsc_5886  Ietje en Shirin van de Born uit Vreeland

dsc_5891  Mijn zes jaar jongere broer Erik en zijn vrouw Erna uit Huizen

dsc_5893 Voorzitter van kerkenraad Hans den Daas speecht.

dsc_5900 Speech Gery Luijendijk namens de Meeleesgroep

dsc_5934 Zanger-gitarist Wim Steenbakker

dsc_5946 Cantorij o.l.v. Karel Smagge

dsc_5962 Aanbieding boekje eigen liederen aan Hans den Daas

dsc_5965 Idem aan Loes van Arkel, spil van de culturele avonden

dsc_5967 En eveneens aan Gerti van Elsäcker, onze vaste organist

Afscheid

In de laatste uitgaven van ons regionale kerkblad schreef ik de volgende stukken t.g.v. mijn afscheid als predikant van de gemeente.

AFSCHEID 1 

Weemoed kiert door de luiken van mijn ziel. Nog drie diensten en dan is er het afscheid. Ruim acht jaar mocht ik in jullie midden dienen. Dienen als een dienaar van het goddelijk woord, een VDM. Dat was de roeping, de opdracht, de bedoeling. Dat besef heb ik wel voortdurend gehad, maar ontsnapte me ook voortdurend. Het ‘simul justus et peccator’ – het tegelijk gerechtvaardigd te zijn en zondaar – geldt ook mij, juist ook mij als predikant. Omdat de aanspraak ‘dominee’ gemakkelijk tot domineren leidt met eigen woorden, eigen gedachten, plannen, opvattingen en de positie van beroepen vrijgestelde schielijk, bewust of onbewust tot een verkeerde dominantie leidt: niet die in een kwetsbaar en royaal en loyaal dienen, maar een eigenmachtig, eigen belang dienend heersen. Ik zal voor teleurstelling en wellicht zelfs wrevel, weerstand en boosheid aanleiding hebben gegeven. Wellicht hebben mensen zich door mijn toedoen zich van onze gemeenschap afgewend. Mea culpa, mea maxima culpa!

U mag gerust weten dat ik me menigmaal tekort geschoten heb gevoeld. Machteloos en eenzaam ook. Het ambt van VDM vraagt meer dan welk percentage dienstverband ook. Het geloof dat het gehoor van het Woord wil wekken is ook bij of misschien wel juist bij een predikant ‘van nature’ zwak of zelfs droog als de grond in Soedan. Ook hij moet het hebben van scheppen water uit de Bron, van de frisse, schoonvegende en kracht gevende adem van de Geest.

Toch overheerst de dankbaarheid om te hebben mogen werken in jullie midden. Er waren koude douches, maar in het geheel heb ik jullie als een warm bad mogen ervaren.

Betrokkenheid, leergierigheid, inzet van talent en tijd, voor de gemeenschap, voor elkaar, voor mij persoonlijk.

Het was voor mij een waagstuk om na 25 jaar Amsterdam en een buitenkerkelijk bestaan naar het zeker voor Amsterdammers verre Woensdrecht te verkassen, maar het was voor jullie helemaal een waagstuk om mij te beroepen. Mijn verleden en mijn jarenlange buitenkerkelijkheid en daarmee gepaard gaande gebrek aan ervaring bleek een hinderpaal bij eerdere sollicitaties. Voor jullie was dat juist een voordeel en na aanvankelijk wikken en wegen, aarzeling en twijfel gaf dat vertrouwen voor mij de doorslag.

En zo mocht ik op 1 maart 2009 bevestigd worden door de man die mij in Amsterdam weer aan kerkelijke wal getrokken had en daarmee niet alleen een collega, maar ook een vriend werd, Ad van Nieuwpoort, nu predikant in Bloemendaal en kreeg ik namens jullie allen een nieuwe toga omgehangen om daarmee intrede te doen met de woorden van Johannes de Doper: ‘zie het lam Gods dat de zonden der wereld wegdraagt’. Het was schitterend lenteweer. Dat was het de volgende dag ook toen Leo den Heijer voor mijn deur verscheen en mij meenam het Markiezaat in, waar de wereld van de Schepping me verrukte. Van de lofzang op het Lam naar het schouwtoneel van de glorie van de Naam. Diezelfde week volgde al een begrafenis en stonden we op de dodenakker, het ‘kerkhof’ van Ossendrecht. Akker, hof, ja: want als zaad worden we gezaaid om te bloeien in de nieuwe Hof van Eden die we vanwege dat Lam verwachten mogen. Mijn tijd en ambtswerk was goed begonnen.

AFSCHEID 2

Mijn eerste gemeente was Vreeland, maar die periode was zo specifiek, kort en hevig en lag al zover achter mij dat ik eigenlijk opnieuw moest beginnen en jullie in veel opzichten mijn eerste gemeente opnieuw werd. Gelukkig had ik een goede voorbereiding genoten in de Amsterdamse Thomaskerk, toch een soort leervicariaat en had ondanks een lange ‘kerkloze’ tijd mijn denken over kerk en theologie niet helemaal stil gestaan en uiteraard was mijn opleiding en vorming van destijds niet vergeefs. Net als met zwemmen en autorijden: eenmaal geleerd, pak je de essentie snel weer op. Zo leerde ik bij Van der Werf, de veel te jong overleden fameuze Utrechtse Dompredikant, de essentie van de gemeente onder te verdelen in de drieslag vieren, leren, dienen. Het zijn accenten die samenhangen. want in een viering wordt er ook geleerd en heeft een pastorale uitwerking en is ook dienstbetoon. Het leren versterkt het vieren en kent ook een pastorale dienende kant en zo kent het dienen ook een vierende en lerende kant. Maar de drieslag geeft wel een hanteerbare structuur aan het werk van de gemeente. De zondagse viering is hartslag, middelpuntvliedend en middelpuntzoekend gebeuren. As en uitgangspunt. vandaar volop tijd en aandacht voor een sterk mogelijke liturgie, voor uitleg en verkondiging, voor de gebeden, voor een zorgvuldige keus van de liederen. De bestaande orde van dienst bood een goed uitgangspunt. We hebben wel andere accenten aangebracht, zoals een vaste plek voor de Oudtestamentische belijdenis – het Sjema, Hoor Israël – en de keus van de Naardense Bijbel als kanselbijbel, vanwege de grotere berouwbaarheid van haar vertaling. In de kerk klinken steeds meer geluiden dat zo’n klassieke liturgie niet meer van onze tijd is, vervreemdend werkt, niet alleen voor jongeren. Ik snap de argumenten en kan er ook wel in meegaan. Maar is er een goed alternatief? Top 2000diensten? Maar is dat niet te modieus en van kortdurende betekenis, van voorbijgaande aard, zoals de beatmissen destijds? In het begin kenden we nog jeugddiensten, maar de anima werd steeds minder, ook omdat onze kleine gemeenschap een steeds kleinere doelgroep kende. Hier biedt de inmiddels betrachte samenwerking op de Brabantse Wal kansen of is het daarvoor al niet te laat? In mijn eerste jaar kwam een groep wat oudere jongelui bij mij thuis voor gesprek en bezieling. Het leidde ook tot het zelf vormgeven van een viering in de trant van wat ik destijds leerde op Wieringen. Het was een mooi begin, waarvan ik hoopte op voortzetting. Maar onder de groep bestond geen animo meer; het bleek het begin van het einde van de hele groep helaas. dankzij de inzet van met name Meta van Geest en Klaas Boonstra bestaat er nog een jeugdclub, die maandelijks bij elkaar komt op zondag. Maar hoe lang nog? Wellicht is een andere aanpak nodig, niet alleen voor jongeren, maar voor iedereen aan de zgn. rand van de kerk. Een soort Pop Up groep, zoals Rikko Voorberg die heeft in Amsterdam: kleine groep die s zondags bijeenkomt voor maaltijd die uitloopt in moderne vorm van avondmaal, gesprek n.a.v. een Bijbelverhaal, ontmoeting en inspiratie tot bepaalde acties , bijvoorbeeld voor vluchtelingen. Tijdstip: zondags rond het middaguur.

Wat de jongste jeugd betreft vond ik het van groot belang om ze tijdens de dienst ruim aandacht te geven middels interactieve gesprekken. Helaas liep ook deze categorie in aantal drastisch terug, juist ook omdat de ouders om diverse redenen afhaakten. Verdrietig, net zoals de aanstelling van twee jeugdouderlingen ook niet het beoogde resultaat opleverde. Enfin, de volgende keer verder over ‘leren en dienen’.

AFSCHEID 3

Nog even over het slot van mijn vorige bijdrage. Dat jongeren de weg naar de kerk niet meer vinden, betekent niet dat ze buiten de genade van de Ene vallen. Hij gaat met ieder van hen een eigen weg. Dat geldt trouwens voor ons allemaal

voor ons allemaal. De kerkgemeenschap mag voorhoedebeweging zijn van iets veel groters: het koningschap van de Ene over heel de aarde. Dat betekent dat de kerk ook zich niet mag en niet hoeft op te sluiten in zich zelf.  Vieringen zijn ook trainingen tot dienstbaarheid , aan elkaar, maar ook aan de wereld om ons heen. Je kunt ook zeggen dat het een ‘warming up ‘ is voor de wedstrijd buiten in de publieke ruimte. Dat geldt voor iedere ‘speler’ individueel en voor ons als ‘team’. Vandaar dat we besloten tot extra taal- en inburgeringscursussen voor statushouders; vandaar tweedehandsboekenmarkten ten behoeve van een diaconaal doel; vandaar banden met de Voedselbank, vandaar initiatief tot oprichting van Dynamisch Woensdrecht, een denk- en doe-club voor duurzaamheid. En dat laatste kwam voort uit een culturele avond met Jan Rotmans.  Die culturele avonden waren ook bedoeld ter inspiratie, tot lering (en zeker ook vermaak) voor onze gemeenschap en nadrukkelijk ook voor de ‘wereldlijke’ gemeenschap. Een kerk zonder open vensters en deuren wordt een sekte. Maar door die openheid is er ook invloed en inbreng van buitenaf. De kerk kan van de wereld leren. Het is in Numeri de niet-jood Hobab aan wie Mozes vraagt de weg te wijzen naar het Beloofde Land. Op die avonden kwamen dienen en leren samen. Maar dat gold en geldt ook voor het ‘meelezen’, leerhuisavonden, filosofische kring. Het gaat om leren en trainen, maar het is ook pastoraat. Dat geldt ook voor de vieringen: wie verstek laat gaan, mist een huisbezoek, een Groot Huisbezoek, als u begrijpt wat ik bedoel en mist de aandacht van anderen, het gesprek, het samen delen en wisselen van gedachten en zorgen. Een collega zei ooit tegen een vrouw die hem verweet dat zij hem nooit op bezoek zag: “maar ik zie u ook nooit”. Persoonlijk vond ik het individuele huisbezoek vaak lastig. Niet waar het om een echte crisis gaat. Maar wat is een echte crisis? Zo heb ik steken laten vallen, omdat ik een situatie anders inschatte dan de persoon in kwestie. Natuurlijk geldt  het excuus van de parttimer. Feitelijk en eigenlijk kan het niet : parttime dominee. Het is een totaalberoep, met zoveel kanten en zoveel borden, waarop je schaken moet. Een dominee kan wel even uit het werk stappen, maar het werk stapt nooit uit de predikant. En dat is ook goed. Maar dan kan het moment komen dat je het toch niet meer trekken kunt. En dat moment kwam voor mij eerder dan ik aanvankelijk wilde, vanwege overbelasting, met de dreiging van een burn out.  Het moment van ‘het is mooi geweest’. En het ìs ook mooi geweest! Dank zij jullie heb ik goede, mooie jaren gekend en door jullie steeds weer inspiratie gevonden. Mijn dank is derhalve groot.

In de week na Pinksteren vertrek naar Roemenië voor een studieweek met Nederlandse en  Roemeens-Hongaarse collega’s en voor ontmoetingen met bekenden uit de tijd dat ik onder de Hongaarse minderheid woonde. Dan is het aftellen echt begonnen. Van 28 juni t/m 2 juli is er nog het gemeenschappelijk reisje naar Drenthe met de gemeente Vught. Maandag 3 juli begint dan een leven-zonder-Ossendrecht. Het zal wennen zijn, heel erg wennen.

Overigens: of ik verhuizen ga, is nog onduidelijk. Voorlopig blijf ik nog hier wonen om eerst bij te komen en in huis en hoofd opruiming te houden.

Afscheid (4)

Een gemeente bedoelt gemeenschap te zijn, in ‘liefde bloeiende’, naar de titel van een rederijkerskamer in de tijd van Vondel en Hooft. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. De liefde bloedt soms meer dan dat zij bloeit. Praktiserende liefde vraagt om training. Die training voltrekt zich spelenderwijs in ontmoetingen. Waarin je ook inderdaad ont-moet: geen dwang en drang, maar open, ontvankelijk van oor, hart, hoofd en handen. De centrale ontmoeting vindt plaats elke zondagmorgen. Hij, de Ene wil ons ontmoeten, in zijn openheid van hart en armen en wij ontmoeten gesterkt en getraind elkaar. Daarom vond ik vanaf het begin het van belang om elke zondag na afloop bij elkaar op de koffie en de thee te komen. En probeerde zelf zo lang mogelijk beschikbaar te zijn voor gesprek. Of er rond de gevulde kopjes ook veel nagesprek over de dienst was , weet ik niet. Heb wel eens gedacht om dat te als een onderdeel te organiseren, maar het is wellicht te veel van het goede. Een gemeente als de onze vraagt ook om ontmoetingen, omdat we zo verspreid wonen over zoveel dorpen en zelfs leden van over de dorps- en landsgrenzen kennen. De kracht van jullie als gemeente is dat er zovelen zijn die bereid zijn tot deelname aan de diverse ontmoetingen (meelezen, leerhuizen, reisjes, culturele avonden, boekenmarkt, taalcursus etc) en tot het mede organiseren en vorm geven van die ontmoetingsmomenten. Ik vond het heerlijk om dat te mogen stimuleren, entameren, initiëren, te delegeren en mee te doen. Jullie boden me ruimte om me voorganger te zijn, zoals ik dacht dat naar eer en geweten dat het beste was. Ruimte ook om nog veel te leren, want eigenlijk waren jullie mijn eerste gemeente. Ruimte ook om te mogen botsen, steken te laten vallen, te vallen en weer op te staan. Ik besef ook dat ik soms te veel vroeg en wilde. In mijn hoofd staat het nooit stil aan ideeën en plannen. Meer doen met kunst, gedichten, nog meer leerhuisvormen, alternatieve vieringen, nog meer doen met muziek, een uitgebreider reisprogramma, maaltijden, een kerkcafé. Maar er staan ‘wetten in de weg en praktische bezwaren’ (Elsschot): kleine gemeenschap en dus kleiner draagvlak en menskracht, mijn eigen grenzen en chaos. Nog één ontmoetingsvorm wil ik noemen: die van het onderling huisbezoek. Het draagt elkanders lasten kan niet meer aan predikant en ouderlingen overgelaten worden. Dat is al een hele tijd zo, mede ook omdat het zo moeilijk is ouderlingen te vinden. We hebben er nu feitelijk maar één, Wolter Smit, die overigens heel veel aan bezoek en aandacht doet. Gelukkig zijn er daarnaast een aantal dames die trouw bezoekwerk doen. Maar toch breng ik nog eenmaal mijn idee van adoptie onder jullie aandacht: elk nog ‘gezond’ gemeentelid neemt één of twee aan huis gebondene voor zijn of haar rekening voor een regelmatig bezoekje.

Enfin, nu het afscheid zelf. Een heerlijke ochtenddienst om te doen en zelf ook door verrijkt te worden en een fantastische bijeenkomst ’s middags, zoals iemand mij schreef:

“naast inwoners van Ossendrecht, Steenbergen, Vreeland en Vught inwoners van Breda: een ware Pinkstergemeenschap. Een mooie afspiegeling van wat zich ongeveer 2000 jaar geleden in Jeruzalem heeft voltrokken”.

Thuis gekomen viel mijn mond open van verbazing van wat in het kistje zat. ‘Een substantiëel bedrag’ noemde onze voorzitter het in zijn warme en geestige toespraak. Wel, dat kun je wel zeggen. Heel hartelijk dank voor deze grote blijk van waardering! Er waren meer warme, eerlijke en stimulerende toespraken. Ik ga ze hier niet allemaal noemen. Ik was blij met de bijdrage van de jonge collega Rikko Voorberg ( koop zijn boek, ‘De dominee leert vloeken’ en dan begrijpt u waarom). Ik dank de cantorij, de jonge zanger/gitarist Wim Steenbakker; de jongelui, sommigen in Ajax-outfit (het waarom ontging me die middag, hoe dom kun je zijn) die zich vaardig toonden als obers van drank en spijzen. Tijdens mijn speech bedankte ik met name de sprekers. Op deze plaats wil ik toch nog een paar anderen onder jullie bedanken. Naast de kerkenraad in hun wisselende samenstelling wil ik in het bijzonder Marjan Smit zeer bedanken voor het nauwgezet verzorgen van de liturgieboekjes – waarbij ik het haar vaak lastig maakte door wijzingen op het laatst – en onze bijdragen in het kerkblad. Naast de kosters van alle jaren in het bijzonder het beheerdersechtpaar Henny en Geert Tamboer, die altijd klaar stonden en zoveel handen uit de mouwen staken. Naast de diverse organisten in het bijzonder Gerti van Elsäcker, die als geen ander aanvoelt hoe en wat er gespeeld moet worden, hartelijk en warm, mede-liturg. Ik dank Karel Smagge voor het dusdanig leiden van de cantorij dat hun bijdrage immer een verrijking was. In de loop der jaren mochten contacten opgebouwd worden die boven het zakelijke uit zijn gaan stijgen. Vriendschappen die ik koester en die hopelijk zullen blijven, zeker nu ik voorlopig nog hier blijf wonen.

Ik dank jullie allen voor het vertrouwen, voor de warmte, geborgenheid, voor stimulans en uitgestoken handen, zeker toen ik vanwege knie en ander ongemak uitgeschakeld was.

Johann Sebastian Bach schreef onder elk werk van zijn hand: S.D.G of ook wel voluit Soli Deo Gloria.

Daar sluit ik me van harte bij aan!