BWV 97 – In allen meinen Taten

Van Bach zelf weten we dat deze cantate gecomponeerd is in 1734, maar voor welke gelegenheid is onbekend. Hij schreef hem dus in een periode dat hij al lang geleden de productie van wekelijkse cantates had gestaakt. Natuurlijk klonken er wel cantates , maar hij herhaalde dan cantates uit de jaargangen dat hij wel productief was, voerde die van anderen uit. En zo af en toe componeerde hij er nog eens een tot een tot nu bekend aantal van twaalf. Wellicht om lacunes in de jaargang 1724/25 op te vullen. dat kan hier ook het geval zijn, maar voor welke zondag? 

De tekst is van de hand van een voormalige geneeskundestudent uit Leipzig, die toen al over een dichtader beschikte. Deze Paul Fleming werd in 1609 geboren en sterft 31 jarige leeftijd aan de ontberingen van een lange en riskante gezantschapsreis van 1633 tot 1640 naar Moskou en Perzië. Voor zijn vertrek schrijft hij een ‘reislied’, waarin hij het vertrouwen uitspreekt in Gods hand te zijn ‘ wat er ook gebeurt’: ‘Ich ziehe in ferne Lande’. Het lied bestaat uit 15 coupletten , op de melodie van het dan populaire afscheidslied ‘Insbruck, Ich muss dich lassen’ van de Renaissance-componist Heinrich Isaac (1450-1517). In 1555 is in Neurenberg door een onbekende tekstdichter dit wereldlijk lied ‘vergeestelijkt’ tot ‘O Welt, ich muss dich lassen’. de melodie bleef die dus van Isaac en heeft Bach ook bewerkt in zowel de Mattheus als de Johannes Passion. Zeer bekend is de vertolking er van door Johannes Brahms – Opus 122, uit 1896 – , één van zijn laatste werken.

Na Flemings dood, kort na zijn thuiskomst, werd zijn lied ingekort tot negen coupletten met een minder specifieke strekking en vond het al spoedig een plek in de liedboeken. Het zijn deze negen strofen die Bach gebruikt voor zijn cantate, waarbij hij in dit geval niet alleen de eerste en de laatste strofe letterlijk overneemt voor het openingskoor en slotkoraal, maar ook – in tegenstelling tot in zijn koraalcantates uit 1724/25 – de andere strofen. De strofen 2,4,6 en 8 voor aria’s; strofe 7 voor een duet en slechts twee strofen (3 en 5) voor en recitatief. De instrumentale bezetting is sober: 2 hobo’s, strijkers en continuo. De teksten hebben een heel eenvoudige structuur en een strak rijmschema : aabccb. 

1. KOOR
In allen meinen Taten
Laß ich den Höchsten raten,
Der alles kann und hat;
Er muß zu allen Dingen,
Solls anders wohl gelingen,
Selbst geben Rat und Tat.

Ik was deze zomer in Celle, zo’n 80 km van Lüneburg. Twee jaar verbleef Bach daar in zijn jonge jaren, in een schoolinternaat bij de imposante Michaelskerk.  Door en met een medeleerling komt hij vandaar uit in hertogelijk slot in Celle, waar de kasteelvrouwe van Franse afkomst muziek uit haar vaderland laat spelen door het hoforkest. Franse dansmuziek, o.a. van Lully. Het vormt Bach voor de rest van zijn leven. Bach laat zich heel goed verstaan vanuit de dansmuziek. Welnu, deze cantate opent met een Franse Ouverture, door Lully in Versailles ontwikkeld. Het is de muziek waarop de Zonnekoning plechtig binnen schreed in het langzame Grave, met een ritme van kort/lang – kort/lang, in een vierkwarts maat- hier te horen inde strijkers die a.h.w. pijlen afschieten; daarna volgt een snel fugatisch deel, waarna het langzame deel weer terugkeert, normaal gesproken, maar Bach laat deze herhaling hier achterwege. Het Grave is voor de instrumenten: strijkers en dubbelrietblazers, inclusief fagot in wat in voetbaltermen een positiespel heet. Het koor komt bij het vivace aan bod. De hobo’s en strijkers reiken een motief aan, waarna de sopraan de hoofdmelodie in lange noten zingt en de andere stemmen een fugatisch vlechtwerk voren met de instrumenten.  Tussen de koraalregels horen we korte instrumentale tussenspelen, maar tussen e regels 3 en 4 klinkt die uitgebreider. In dat ritornel spelen de twee hobo’s en de fagot als een trio, met na elke halve maat een nieuwe inzet van het fuga-motief, en dan telkens één toon lager. Dit is ook kenmerkend voor de Franse ouverture. ( zie ook Bachs 1e orkestsuite). Als de zes regels gezongen en gespeeld zijn worden de laatste drie regels nog eens herhaald, i.p.v. polyfoon, nu homofoon en dus de sopraan niet meer de rol heeft van ‘cantus firmus’.         Het feit dat Bach met zo’n ‘koninklijke’ ouverture begint kan een aanwijzing zijn voor de gelegenheid, waarvoor hij de cantate schreef. Van Hengel suggereert o.a. het begin van het kerkelijk jaar, 1e Kerstdag of de installatie van een nieuw stadsbestuur. De tekst zelf geeft ook aanleiding tot dit begin, want er is sprake van de ‘ Höchste’, in wiens zegenrijke handen ons leven en onze levensreis ligt.

2. ARIA (B)
Nichts ist es spat und frühe
Um alle meine Mühe,
Mein Sorgen ist umsonst.
Er mags mit meinen Sachen
Nach seinem Willen machen,
Ich stells in seine Gunst.

De vier aria’s verdeelt Bach mooi over de vier stemmen, in de volgorde van laag naar hoog. de eerste is dus voor bas. Je kunt gerust je lot in Gods hand leggen, zo zingt hij met eenvoudige continuo-begeleiding. De instrumentale inleiding weliswaar zangerig, maar ook wat  zwaarmoedig. Deze neemt e bas over, terwijl het continuo dan overgaat naar een actieve, dynamische begeleiding. In syncopen hoor je het zuchten van ‘Mein Sorgen’ en een lange noot verklankt de stevigheid van het Gods vertrouwen: ‘Ich stells in seinen Gunst’. Bas en cello passen zeer goed bij de ‘moeiten’ en ‘zorgen’ waarvan sprake is. Het ritme  (6/8) is die van de ‘gigue’, bekend vanuit de Franse suite.

3. RECITATIEF (T)
Es kann mir nichts geschehen,
Als was er hat versehen,
Und was mir selig ist:
Ich nehm es, wie ers gibet;
Was ihm von mir beliebet,
Das hab ich auch erkiest.

4. ARIA (T)
Ich traue seiner Gnaden,
Die mich vor allem Schaden,
Vor allem Übel schützt.
Leb ich nach seinen Gesetzen,
So wird mich nichts verletzen,
Nichts fehlen, was mir nützt.

De tenor-aria krijgt de opmaat van een eenvoudig kort recitatief. Hij kan ook kort zijn: mij kan niets gebeuren, want en dan komt de aria: Gods genade beschermt en houdt me schadevrij en als ik me houd aan wat Hij wil, dan deert me niets en ontbreekt me niets: je hoort ps. 23 erin doorklinken. De sfeer van de aria is warm en zorgeloos. In de vierkwartsmaat van een Allemande leven de tenor en de soloviool  zich virtuoos uit.

De virtuositeit van de vioolpartij is uniek in Bachs cantatewerk en herinnert aan de sonates en partita’s voor soloviool uit Bachs Köthener tijd (1717 – 1723): dartele 32-sten, dubbelgrepen, polyfonie, arpeggio’s over drie en vier noten in complexe ritmen. Je kunt vermoeden dat Bach deze extravagante solo componeerde ter gelegenheid van het bezoek van een bevriende vioolvirtuoos, zoals bij BWV 83 inmiddels plausibel is gemaakt voor de Dresdener concertmeester Johann Georg Pisendel. De aria is geschreven in een modern-galant idioom, waarvoor Bachs zonen hun oude vader geprezen zouden hebben. Muziek-rhetorisch vallen de pauzes na het herhaalde nichts op, die door de violist met arpeggio’s worden gevuld, en enige harmonische vertroebeling die de woorden Schaden en Übel illustreert. (Van Hengel)

5. RECITATIEF (A)
Er wolle meiner Sünden
In Gnaden mich entbinden,
Durchstreichen meine Schuld!
Er wird auf mein Verbrechen
Nicht stracks das Urteil sprechen
Und haben noch Geduld.

6. ARIA (A)
Leg ich mich späte nieder,
Erwache frühe wieder,
Lieg oder ziehe fort,
In Schwachheit und in Banden,
Und was mir stößt zuhanden,
So tröstet mich sein Wort.

Zowel in het recitatief als in de aria begeleiden strijkers de alt. In de tekst is sprake van neerliggen en weer opstaan en dat hoor je dan ook. De eerste viool is in gesprek met de alt, de andere strijkers dienen in een ondersteunende rol. De harmonie is rijk, de klankkleur donker. C klein is de toonsoort, maar als ‘so tröstet’ zich aandient horen we een triomfantelijk majeur.

7. ARIA / DUET (S, B)
Hat er es denn beschlossen,
So will ich unverdrossen
An mein Verhängnis gehn!
Kein Unfall unter allen
Soll mir zu harte fallen,
Ich will ihn überstehn.

Sopraan, bas en continuo vormen een trio van een springerig karakter. Centraal staat het woord ‘Verhängnis’, wat in die tijd als ‘levenslot in Gods hand’ geïnterpreteerd werd en niet nu als ‘noodlot’ wordt vertaald. Daarom wordt er ingezet met twee stijgende toonladders en wordt dat in Gods handen zijn muzikaal vertaald in een canon, waarbij eerst de sopraan voorop gaat en de bas volgt en in het tweede deel de sopraan de bas volgt. Tenslotte wordt he hele tekst verkort herhaald, met de bas voorop in het eerste en de sopraan in het tweede deel. 

8. ARIA (S)
Ihm hab ich mich ergeben
Zu sterben und zu leben,
Sobald er mir gebeut.
Es sei heut oder morgen,
Dafür laß ich ihn sorgen;
Er weiß die rechte Zeit.

De totale overgave aan God – wat er ook gebeurt – wordt verwoord door de sopraan , in een liefelijk kwartet met twee hobo’s en het continuo. Het is zorgeloos, muzikaal uitgedrukt in noten die te laat komen, zgn. voorhouden; versieringen, seufzer, lange triolen-guirlandes en terts- en sextparalellen.

9. KORAAL
So sein nun, Seele, deine
Und traue dem alleine,
Der dich erschaffen hat;
Es gehe, wie es gehe,
Dein Vater in der Höhe
Weiß allen Sachen Rat.

De gehele gemeente stemt in met de sopraan. De twee hobo’s ondersteunen de sopraanstem en de drie kansrijkers ondersteunen niet, maar mogen zich uitleven in drie zelfstandige bovenstemmen. Dit zevenstemming koraal brengt daarmee het openingskoor in herinnering.

BWV 96 – Herr Christ, der enige Gottessohn

Een cantate uit de cyclus koraalcantates tijdens Bachs tweede jaargang (1724-1725) , voor het eerst uitgevoerd op de 18e zondag na Trinitatis, 8 oktober 1724, waarna nog uitvoeringen volgde in 1734 en waarschijnlijk 1747, maar met een gewijzigde instrumentatie. De basis is het lied van Elisabeth Kreuziger (1504-1535) uit 1524, waarbij zij gebruikt gemaakt heeft van een hymne van Prudentius (348-405) – Corde natus ex parentis (geboren uit het hart van de vader) – , een hymne die de gehele heilsgeschiedenis bezingt. In de eerste strofe van de vijf zet zij ook in met het geboren worden uit het hart van de Vader, daarna is sprake van de Morgenster en is duidelijk dat het lied tot de Epifanietijd behoort. In Bachs liedboek staat die ook in die rubriek. De onbekende tekstdichter werkt het lied om naar de tijd dat de laatste zondag van het kerkelijk jaar dichterbij komt en verhalen een rol spelen die de  betekenis, van  Christus en de noodzaak en vreugde tot toewending aan hem nog meer beklemtonen.  De evangelielezing van de zondag is Mattheus 22: 34 -46, waarin in het tweede deel Jezus aan de Farizeeën kritisch bevraagd over wie de Messias is: hoe kan David zijn zoon ook Heer noemen? Vragen waarop de Farizeeën geen antwoord hebben. De onbekende tekstdichter  - die de 1e en 5e strofe integraal van Kreuziger overneemt  als openings- en slotkoraal - parafraseert de tussenliggende strofen in de tussenliggende gedeelten van de cantate. Waarbij hij ook afwijkt van Kreuzigers tekst om de evangelielezing recht te doen.       Eigenlijk is de cantate een antwoord op de vragen, die de Farizeeën juist een mond vol tanden geeft. Christus is geboren uit het Vaderhart, een wonder van liefde, waarbij Hij zijn schepping gedenkt en in Jezus’ geboorte intreedt in de tijd, op aarde. De hemelpoort gaat open in de lijfelijke geboortehuis de maagd Maria. In Davids zoon trekt God met liefdeskoorden ons naar zich toe om uiteindelijk ons naar Zijn Hemelpoort te trekken. Eigenlijk worden zo Epifanie en eindtijd met elkaar verbonden, geen ongelukkige greep mijns inziens.

1. Koor
Herr Christ, der einge Gottessohn,
Vaters in Ewigkeit,
Aus seinem Herzn entsprossen,
Gleichwie geschrieben steht.
Er ist der Morgensterne,
Sein’ Glanz streckt er so ferne
Für andern Sternen klar.

Al snel na het begin van de cantate horen we het hoge geluid van de flauto piccolo, een hoge blokfluit – die Bach ook nog gebruikt in Cantate 103. In latere uitvoeringen gebruikt hij hiervoor een violino piccolo. het is net of je de morgen hoort ontwaken en een merel of veldleeuwerik hoog aan het zwerk hoort kwinkeleren. Hier staat het voor de opgekomen morgenster. De nacht is ten einde, de dag in de wereldtijd breekt door met de komst van Christus, Davids Zoon. Vanwege de 9/8 maatsoort is deze opening verwant aan de Pastorale: toch een verwijzing naar kerst/epifanie; we wanen ons buiten op het veld. Bijzonder is dat de cantus firmus van het koraal bij de alt ligt,, versterkt door een hoorn en bij latere uitvoeringen door een trombone. Ook dat doet Bach nog een keer: in cantate BWV 2.  Het orkest speelt een eigenstandige melodie tussen de koraalregels door en polyfoon met de  andere zangstemmen die elkaar imiterend het contrapunt vormen van de alt en hun materiaal ontlenen aan het ritornel van strijkers en hobo’s.

2. Recitatief (A)
O Wunderkraft der Liebe,
Wenn Gott an sein Geschöpfe denket,
Wenn sich die Herrlichkeit
Im letzten Teil der Zeit
Zur Erde senket;
O unbegreifliche, geheime Macht!
Es trägt ein auserwählter Leib
Den großen Gottessohn,
Den David schon
Im Geist als seinen Herrn verehrte,
Da dies gebenedeite Weib
In unverletzter Keuschheit bliebe.
O reiche Segenskraft!
so sich auf uns ergossen,
Da er den Himmel auf,
die Hölle zugeschlossen.

3. Aria (T)
Ach, ziehe die Seele mit Seilen der Liebe,
O Jesu, ach zeige dich kräftig in ihr!
Erleuchte sie, daß sie dich gläubig erkenne,
Gib, daß sie mit heiligen Flammen entbrenne,
Ach wirke ein gläubiges Dürsten nach dir!

Na een seccorecitatief volgt een tenoraria, waarbij een dwarsfluit virtuoos excelleert. Een lange  da capo aria met veel melismen en versieringen op het zware maatdeel. Je hoort het speels aanhalen van de liefdeskoorden, het ontbranden van de heilige vlammen. het is een lied van verlangen in “lieflijk-charmante muziek die vooruitwijst naar de latere zogenoemde ‘galante stijl’ waarin Bachs zonen componeerden”. (Barend Schuurman)

4. Recitatief (S)
Ach, führe mich, o Gott,
zum rechten Wege,
Mich, der ich unerleuchtet bin,
Der ich nach meines Fleisches Sinn
So oft zu irren pflege;
Jedoch gehst du nur mir zur Seiten,
Willst du mich nur mit deinen Augen leiten,
So gehet meine Bahn
Gewiß zum Himmel an.

5. Aria (B)
Bald zur Rechten, bald zur Linken
Lenkt sich mein verirrter Schritt.
Gehe doch, mein Heiland, mit,
Laß mich in Gefahr nicht sinken,
Laß mich ja dein weises Führen
Bis zur Himmelspforte spüren!

6. Koraal
Ertöt uns durch dein Güte,
Erweck uns durch dein Gnad;
Den alten Menschen kränke,
Daß der neu’ Leben hab,
Wohl hier auf dieser Erden,
Den Sinn und all Begierden
Und Gdanken habn zu dir.

Die liefdeskoorden moeten ons leiden op de rechte weg, weg van onze ‘vleselijkheid’. Het is een gebed tot God om ons op die weg te brengen en te begeleiden. Aldus de sopraan in een secco-recitatief. De bas gaat daar in een aria op door: zo makkelijk is dat niet op die weg te blijven; dan wil de wankele voet naar rechts, dan naar links. Hij bidt de Heiland mee te gaan om zo niet in gevaar terecht te komen maar op weg naar de ‘hemelpoort’. Het is een hoekig stuk in 3/4 maat: je hoort de stappen die slingeren en het dolen in snelle wisselingen in richting in melodie en harmonie. De onrust verdwijnt in de regel ‘Gehe doch, mein Heiland, mit’ De regel er op klinkt nog even ontwrichtend en wringend. Het werk sluit af met een eenvoudige zetting (noot-tegen-noot) van de vijfde strofe van Kreuzigers lied. De melodie is de gemeente bekend en ze kan het als gebed voluit meezingen. Het stond al in het eerste protestantse liedboek, in 1524 in Erfurt verschenen. De melodie gaat terug tot ca 1455 en is van oorsprong wereldlijk. “Het is bekend dat Bach een grote voorkeur had voor de vroegreformatorische melodieën die zich zo goed leenden voor meerstemmige bewerking” (Barend Schuurman)

 

 

 

Een robot wint de Tour

De gemeente Woensdrecht, waar ik woon ( in het dorp Ossendrecht), krijgt een fabriek voor robots op haar grondgebied. De gemeente profileert zich ook uitdrukkelijk als wielergemeente. In dat kader zou het zeer gepast zijn in de buurt van de robotfabriek of zelfs op het terrein ervan Chris Froome een huis/villa aan te bieden. Natuurlik zie ik zijn spillebenen malen, maar het is net of het de stangen zijn van een machine. Natuurlijk zie ik hem kijken, maar vooral naar beneden naar een tellertje. Natuurlijk hoor ik hem praten, maar het is mechanisch, vrijwel emotieloos. Zijn hele ploeg is een zorgvuldig geconstrueerde machine, waarin heel veel geld en know how is ingestoken. Voor de Tour begon wist eigenlijk iedereen die van wielrennen houdt het al: Froome wint de Tour. De Sky-ploeg is het Real Madrid onder het wielrennen. En er zijn geen Barcelona en Bayern München of andere concurrenten die het voetbal nog wel kent. Derhalve is de einduitslag van de Tour net zo voorspelbaar als het weer in Californië.  Wat voor mij de Tour nog de moeite van het kijken waard blijft is de verbeten strijd van Bauke Mollema om een podiumplek, de vrolijke en altijd verrassende Peter Sagan, die in zijn steenkolenengels me heel erg doet denken aan hoe Vaclav Havel Engels sprak, Tom Dumoulin, met twee magistraal gewonnen ritten, de ‘new kid on the block’ Pantano en de adembenemend mooie beelden van steeds wisselend landschap. Het gekeuvel van de commentatoren – ook bij de Belgen – neem ik op de koop toe, waarbij ik overigens Danny Nelissen een verademing vind naast Herbert Dijkstra ten opzichte van Ducrot, de vleesgeworden beeld- en kromspraak c.q. wielerjargon in de ‘overdrive’.  Natuurlijk kunnen machines ook wel haperen en dat is het enige dat nog hoop kan geven op een andere uitslag. En voor volgend jaar: nivellering van de budgetten, anders kun je ook nu al Froome weer opschrijven als winnaar.

BWV 95 – Christus, der ist mein Leben

Een cantate die opgewekt begint door de vrolijk en lief spelende hobo’s. De evangelielezing van de zondag , waarvoor deze is geschreven is,  16e zondag na trinitatis, is dan ook het verhaal van de opwekking van de jongeling van Naïn. De cantate klonk voor het eerst op 12 september 1723. de tekstdichter is onbekend. De teneur van de cantate is de verachting van de wereld en haar genoegens, omdat dankzij de Heiland de dood de toegang is tot groter heerlijkheid. Zoals de jongeling zal ook elke gelovige tot opstanding gewekt worden. Het bijzondere van deze cantate is dat er vier koraalstrofen in zijn verwerkt. In deel 1 de eerste strofe van ‘Christus, der ist mein Leben’ (Jena 1609) en ook nog de eerste strofe  van Luthers lied ‘Mit Fried und Freud ich fahr dahin’. Dat eerste  deel opent dus met die hobo’s (d’amore) en strijkers en continuo, die dat opgewekte  verlangen naar de dood innig en syncopisch en met talrijke terts en sext sprongen vertolken. daarin wordt het eerste koraal vierstemmig ingevlecht, waarin het koor versterkt wordt door een hoorn. Wat waarschijnlijk geen natuurhoorn was, maar een schuifhoorn, waarvan we weten dat de senior Stadtpfeifer, Gottfried Reiche, het enige exemplaar heeft bezeten.  De versregel ‘Sterben ist mein Gewinn’ wordt uitgerekt, naar een waarschijnlijk oude Leipziger traditie, al te vinden een eeuw eerder bij Johann Hermann Schein.  ’Sterben’ klinkt zeer dissonant en eindigt met een fermate, waarna de regel een vrolijk vervolg krijgt. De begeleiding blijft overigens – ook onder ‘Sterben’ -huppelen.  De tenor sluit aan, wisselend tussen arioso en secco-recitatief, met aan het begin een uitbundig melisma op ‘Freuden’, zo van met een vreugdevol sterven kan ik helemaal instemmen! De begeleidende instrumenten zwijgen verrast een maat.  In ‘allegro’ volgt dan het tweede koraal, waarbij de hoorn en de hobo bij elke regel aan het koor voorafgaat. Bij het koor voegt zich de eigen stem van de 1e viool, zodat het koraal vijfstemmig is.

1. KOOR & recitatief tenor
Christus, der ist mein Leben,
Sterben ist mein Gewinn;
Dem tu ich mich ergeben,
Mit Freud fahr ich dahin.
 

(T) Mit Freuden,
Ja mit Herzenslust
Will ich von hinnen scheiden.
Und hieß es heute noch: Du mußt!
So bin ich willig und bereit,
Den armen Leib, die abgezehrten Glieder,
Das Kleid der Sterblichkeit
Der Erde wieder
In ihren Schoß zu bringen.
Mein Sterbelied ist schon gemacht;
Ach, dürft ichs heute singen!
(koor)
Mit Fried und Freud ich fahr dahin,
Nach Gottes Willen,
Getrost ist mir mein Herz und Sinn,
Sanft und stille.
Wie Gott mir verheißen hat:
Der Tod ist mein Schlaf worden.

Het 2e deel is een secco-recitatie voor sopraan  en dan volgt het derde koraal: de 1e strofe van ‘Valet will ich dir geben’ (Valerius Herberger, 1613). (Valet = vaarwel) De onversierde melodie wordt door de sopraanpartij gezongen, bij de eerste regel alleen door het continuo begeleid, waarna unisono de hobo’s zich erbij voegen, wat het koraal een aria-karakter geeft. 

2. RECITATIEF (S)
Nun, falsche Welt!
Nun hab ich weiter nichts mit dir zu tun;
Mein Haus ist schon bestellt,
Ich kann weit sanfter ruhn,
Als da ich sonst bei dir,
An deines Babels Flüssen,
Das Wollustsalz verschlucken müssen,
Wenn ich an deinem Lustrevier
Nur Sodomsäpfel konnte brechen.
Nein, nein!
nun kann ich mit gelaßnerm Mute sprechen:

3. KORAAL/ ARIA (S)
Valet will ich dir geben,
Du arge, falsche Welt,
Dein sündlich böses Leben
Durchaus mir nicht gefällt.
Im Himmel ist gut wohnen,
Hinauf steht mein Begier.
Da wird Gott ewig lohnen
Dem, der ihm dient allhier.

Na een secco-recitatief zingt de tenor de enige aria van de cantate. Een stuk van een aangrijpende schoonheid. De instrumentale leiding ligt bij de hobo’s. De strijkers imiteren het luiden van de doodsklokken. De hobomelodie is rustig van aard, terwijl de zangpartij zeer levendig is, met echo-effecten en zo ontstaat een spannende en zeer aantrekkelijke harmonie.

4. RECITATIEF (T)
Ach könnte mir doch bald so wohl geschehn,
Daß ich den Tod,
Das Ende aller Not,
In meinen Gliedern könnte sehn;
Ich wollte ihn zu meinem Leibgedinge wählen
Und alle Stunden nach ihm zählen.

5.  ARIA (T) 
Ach, schlage doch bald, selge Stunde,
Den allerletzten Glockenschlag!
Komm, komm, ich reiche dir die Hände,
Komm, mache meiner Not ein Ende,
Du längst erseufzter Sterbenstag!

Na een secco-recitatief voor bas volgt het slotkoraal: de 4e strofe van ‘Wenn mein Stündlein vorhanden ist’ van Nikolaus Herman uit 1560.Ook hier is sprake van vijfstemmigheid door de toevoeging van een eigen partij voor de 1e viool. Hoog zweeft hij er boven uit: verklanking van het verlangen met en door Jezus uit de dood te mogen opstaan, zoals al gezegd de teneur van de hele cantate.

6. RECITATIEF (B)
Denn ich weiß dies
Und glaub es ganz gewiß,
Daß ich aus meinem Grabe
Ganz einen sichern Zugang
zu dem Vater habe.
Mein Tod ist nur ein Schlaf.
Dadurch der Leib,
der hier von Sorgen abgenommen,
Zur Ruhe kommen.
Sucht nun ein Hirte sein verlornes Schaf,
Wie sollte Jesus mich nicht wieder finden,
Da er mein Haupt und ich sein Gliedmaß bin!
So kann ich nun mit frohen Sinnen
Mein selig Auferstehn
auf meinen Heiland gründen.

7. KORAAL
Weil du vom Tod erstanden bist,
Werd ich im Grab nicht bleiben;
Dein letztes Wort mein Auffahrt ist,
Todsfurcht kannst du vertreiben.
Denn wo du bist, da komm ich hin,
Daß ich stets bei dir leb und bin;
Drum fahr ich hin mit Freuden.

In Memoriam Uri Coronel

Maandagavond krijg ik van een goede vriend een whats-app-bericht: ‘Uri Coronel overleden, ken je die?’  Een vuistslag, een stomp in de maag. Want zeker ken ik die. Heb hem heel goed gekend vanuit de ledenraad van Ajax.  Als mede-lid eerst en daarna als voorzitter van de club en toen nog tevens voorzitter van de Raad van Commissarissen. Onvoorstelbaar dat hij dood is: een man die er goed uitzag, gebrost, strak lijf, die niet rookte en matig dronk en drie keer per week naar de sportschool ging. En uitgerekend in die sportschool wordt hij getroffen door een hartaanval. Slechts twee jaar ouder als ik: 69. Uri was een heer en kon hard zijn, maar altijd integer, recht-door-zee en ook hartelijk en kwetsbaar.  Ik herinner mij een gesprek aan het begin van de voorbereiding van het seizoen met Van Basten als trainer, hij was net voorzitter. Er was een oefenwedstrijd in Apeldoorn en we kwamen elkaar tegen in de bestuurskamer van de amateurclub tegen wie Ajax ging spelen. Sulejmani was net gekocht, voor 16 miljoen. Hij sprak zijn twijfel uit of ze er goed aan hadden gedaan om zoveel geld uit te trekken. Maar ja, Van Basten wilde hem en je gaat niet gelijk een pas aangestelde trainer als pas aangestelde bestuurder dwarsbomen. Uri was een zeer ervaren bestuurder, die het verzekeringskantoor van zijn vader samen met zijn broer uitbouwde tot een zeer succesvolle onderneming. Maar een voetbalclub besturen, zeker Ajax, is andere koek. Daarom wilde hij geen voorzitter worden eigenlijk. Hij was voorzitter geweest van een commissie naar de gang van zaken bij Ajax, leidend tot het rapport-Coronel, wat Maarten Fontein de kop kostte. Dat ontslag was terecht. Uiteindelijk moest ook het bestuur opstappen onder leiding van de door mij ook zeer gewaardeerde John Jaakke. Door de media, m.n. de Telegraaf is altijd beweerd, dat Coronel met zijn rapport de weg vrijmaakte voor zich zelf. Maar dat is pertinent onjuist – de Telegraaf blijkt keer op keer een krant van onruststokers, leugenverspreiders, vertegenwoordiger van partijbelangen (zie ook Cruijff-revolutie) – , Leo van Wijk was beoogd voorzitter, maar die wilde niet. De druk op Coronel werd toen groot om het dan zelf te doen: een beter alternatief was er niet en natuurlijk gevoed door een zekere ijdelheid bezweek hij onder die druk. Van nabij maakte ik mee hoe goed hij het deed: wijs, open waar mogelijk, het belang van Ajax in het vizier. Van de Boog werd aangesteld als opvolger van Fontein en ook die beviel me zeer: man uit het zakenleven en ‘product’ van de eigen jeugdopleiding en kandidaat eerste-elftalspeler. Maar toen ging dus de stormwind van de revolutie opsteken en Coronel kreeg het zwaar, werd persoonlijk bedreigd, werd vanuit de zgn. huiskrant van Ajax, Cruijffblad De T. in de verdachtenbank gezet, gekrenkt. Een opstappen was onvermijdelijk. Weggetreiterd. Het knappe was dat Coronel zich niet liet leiden door rancune, zeker niet in het openbaar. Zijn liefde voor de club, als kind al gekregen, was sterker. Hij schreef een boek: over zijn joodse achtergrond, de dodelijke kaalslag in zijn familie tijdens de oorlog, de opbouw van bedrijf en gezinsleven, het zoeken naar zijn joodse wortels en het vinden van een nieuwe, eigen plek in de joodse gemeenschap. Een boek, geschreven zonder pathetiek, tierelantijnen en overdreven franjes, precies zoals hij zelf was. Het boek was hem ten voeten uit. Uri was ook een humoristische man. Hilarisch waren zijn optredens met (jiddische) moppen tijdens de jaarlijkse avond van de Bordjesclub. Lid van de Bordjesclub word je als je 25 jaar lid bent van de club en een bordje ontvangt. Als gast heb ik een avond mogen meemaken en we lagen dubbel van het lachen. Maatschappelijk was hij buiten z’n grote liefde Ajax ook heel actief en zijn grote hobby was de schilderkunst van de 17e eeuw. Op bescheiden schaal, zoals hij het zelf noemde, kocht hij werken uit die periode. Bij Ajax kwam hij immer, maar ik zag hem niet veel, omdat hij op ereplaatsen zat (terecht) en na afloop direct vertrok. Nakletsen, dat kon hij kennelijk toch niet meer. Dus heel soms kwam ik hem tegen, terwijl hij wegging en ik het ledenrestaurant opzocht. maar dan was er altijd een korte, maar mooie ontmoeting van belangstelling en warme aandacht. Verdrietig dat dit mooie mens zo plotseling zo jong als een boom omviel.

 

VOS- CURSUS

In het najaar van 2010 gaf ik in Turkije een cursus Geschiedenis van het vroege christendom. Er waren 10 deelnemers. We verbleven in het prachtige Emelpension in een dorp ten zuiden van Kusadasi. Onlangs ontving ik van één van de deelnemers, Jan Kramer uit Deventer, een filmpje over die cursus en het heerlijke verblijf al daar.

BWV 94 – Was frag ich nach der Welt

Een cantate voor de negende zondag na Trinitatis, 6 augustus 1724. Het is het seizoen van de koraalcantates. Deze cantate is gebaseerd op een koraal/kerklied van Balthasar Kindermann uit 1664, vanaf 1679 gezongen op de melodie van ‘O Gott, du frommer Gott’. De evangelielezing voor de zondag is Lucas 16: 1-9, bekend als de parabel van de onrechtvaardige rentmeester. Het is een op het oog zeer merkwaardige gelijkenis. Een rijkaard krijgt te horen dat zijn huismeester – in het Grieks staat ‘oikonomos’, letterlijk ‘die de wet stelt in het huis’ – geld voor zijn baas in zijn eigen zak heeft gestoken.  De huismeester wordt uit zijn functie gezet. Wat nu, denkt hij. In spitten heb ik geen zin, in bedelen al helemaal niet. Hij gaat op het pad van de fraude door schuldbriefjes aan de schuldenaren van de rijkaard te vervalsen. En nota bene de rijkaard prijst hem daarom. Jezus, die deze parabel aan zijn leerlingen vertelt, concludeert dat de kinderen van de wereld slimmer met elkaar om gaan dan die van het licht en zegt: ‘maak je maar vrienden met behulp van de Mammon der ongerechtigheid, dat ze je ontvangen in hun tenten, in de komende wereld – als het met de mammon gedaan is’ (vertaling Oosterhuis). Daarmee eindigt de lezing. Waarmee de hoorder de indruk krijgt dat Jezus deze slimmigheid goed keurt. Maar je zou door moeten lezen (tot en met vers 15) en dan blijkt dat dit een staaltje ironie is van de bovenste plank. Want uiteindelijk houdt hij de leerlingen voor, dat je niet God dienen kan en Mammon. Bach en zijn tekstdichter hebben dat begrepen, want de voorgeschreven lezing komt niet of nauwelijks voor, nee, de cantate gaat juist over het afwijzen van de ‘wereld’ en haar ‘schatten’ en de toewending tot Jezus. Die ironie komt ook muzikaal tot uitdrukking, doordat Bach de traverso een prominente rol geeft. Uitgerekend was juist dat instrument, dat bij de weelderige hofcultuur hoorde, met zijn Franse dansritmes. Een wuft instrument. Het is trouwens voor het eerst dat Bach de traverse als soloinstrument in al zijn virtuositeit gebruikt. In zijn eerste jaar gebruikte hij vooral blokfluiten en in het voorjaar van 1724 soms ‘cola praten’ met andere instrumenten samen, in heel eenvoudige partijen. Maar er heeft zich dan een zeer getalenteerde speler aangediend, die van Bach ook orgel- en compositieles ontving: de tweedejaars student Friedrich Gottlieb Wild (1700-1762).

Het lied van Kindermann kent 8 coupletten, de cantate 8 delen. Het eerste en laatste couplet vormen de hoekdelen van de cantate, waarbij in het slotkoraal ook het 7e couplet wordt betrokken. Couplet 2 wordt de aria voor bas in deel 2, couplet 3 wordt in deel 3 omgeven door een rijke recitatieve toevoeging, couplet 4 wordt de aria voor alt in deel 4; couplet 5 ondergaat dezelfde behandeling als couplet 3 en couplet 6 wordt verwerkt in twee aria’s : voor tenor (deel 6) en voor sopraan (deel 7).                                         Voor de behandeling van de cantate in detail neem ik graag de heldere uiteenzetting van Van Hengel over.

1. KOOR

Was frag ich nach der Welt
Und allen ihren Schätzen
Wenn ich mich nur an dir,
Mein Jesu, kann ergötzen!
Dich hab ich einzig mir
Zur Wollust fürgestellt,
Du, du bist meine Ruh:
Was frag ich nach der Welt!

In de koraalfantasie (1) zingt de sopraan zoals altijd in koraalcantates, de koraalmelodie maar deze keer – Bach blijft experimenteren – niet in lange maar in kwartnoten en de andere stemmen voegen daar nauwelijks meer aan toe dan in een slotkoraal. Deze rustige koraalregels zijn ingebouwd in een zelfstandige concertante orkestpartij die,thema 1 gezien de levendige traversopartij meer op een fluitconcert lijkt, waarin de hobo’s slechts de violen verdubbelen en de verhoudingsgewijs welhaast saaie koorpartij slechts ruimte krijgt in de adempauzes van de traversist. Zo verhouden koor en orkest zich als de serene rust van Christus in een drukdoende wereld. Thematisch trouwens is het instrumentale thema onmiskenbaar afgeleid van de koraalmelodie, zoals het muziekvoorbeeld toont.2.

ARIA  (B)

Die Welt ist wie ein Rauch und Schatten
Der bald verschwindet und vergeht,
Weil sie nur kurze Zeit besteht.
Wenn aber alles fällt und bricht,
Bleibt Jesus meine Zuversicht,
An dem sich meine Seele hält.
Darum: was frag ich nach der Welt!

In scherp contrast met het feestelijke openingskoor is de eerste aria (2) - in lijn met de strekking van de cantate – sober of zelfs ascetisch geschreven voor de vocale en de instrumentale bas: een continuo-aria. Het hoofdthema (zie muziekvoorbeeld 2) blaast eerst een speels wolkje (Rauch) in de lucht maar stort vervolgens steil neer (vergeht, fällt, bricht). thema 2Alles vergeht en verbrokkelt in voortdurende vluchtige zestienden; alleen de woorden hält en besteht krijgen langere noten.
3. KORAAL & RECITATIEF (T)

Die Welt sucht Ehr und Ruhm 
Bei hocherhabnen Leuten. 
Ein Stolzer baut die prächtigsten Paläste,
Er sucht das höchste Ehrenamt,
Er kleidet sich aufs beste In Purpur,
Gold, in Silber, Seid und Samt.
Sein Name soll für allen
In jedem Teil der Welt erschallen.
Sein Hochmuts-Turm
Soll durch die Luft bis an die Wolken dringen,
Er trachtet nur nach hohen Dingen
Und denkt nicht einmal dran, 
Wie bald doch diese gleiten. 
Oft bläset eine schale Luft
Den stolzen Leib auf einmal in die Gruft,
Und da verschwindet alle Pracht,
Wormit der arme Erdenwurm
Hier in der Welt so großen Staat gemacht.
Ach! solcher eitler Tand
Wird weit von mir aus meiner Brust verbannt.
Dies aber, was mein Herz 
Vor anderm rühmlich hält, 
Was Christen wahren Ruhm und wahre Ehre gibet,
Und was mein Geist,
Der sich der Eitelkeit entreißt,
Anstatt der Pracht und Hoffart liebet,
Ist Jesus nur allein, 
Und dieser solls auch ewig sein.
Gesetzt, dass mich die Welt
Darum vor töricht hält:
Was frag ich nach der Welt!

BWV 94 is één van de weinige cantates zonder volledig recitatief. De tenorsolo in (3) - evenals trouwens de bassolo in (5) - heeft een gemengd karakter: koraal + recitatief. De tenor zingt weliswaar vele, zéér vele regels recitativisch, metrisch vrij, maar deze zijn omkaderd en doorschoten met telkens twee regels koraaltekst (Arioso) die ritmisch worden in- en begeleid door twee hobo’s. De koraalregels worden gezongen op een versierde versie van de koraalmelodie; in de uitgebreide moraliserende toelichting die de tekstdichter invoegt, treden de hobo’s op als accompagnato. Het welvarende Leipzig kende sinds 1700 een grote bouwlust: de vooraanstaande families vestigden zich in grote luxueuze herenhuizen, met royaal gedecoreerde gevels en gestoffeerd met aanzienlijke kunstcollecties. Deze hocherhabnen Leute (r.2) met hun prächtigsten Paläste (r.3) zaten ongetwijfeld in hun persoonlijke loges in Bachs Thomaskirche.

4. ARIA (A)

Betörte Welt, betörte Welt!
Auch dein Reichtum, Gut und Geld
Ist Betrug und falscher Schein.
Du magst den eitlen Mammon zählen,
Ich will davor mir Jesum wählen;
Jesus, Jesus soll allein
Meiner Seelen Reichtum sein.
Betörte Welt, betörte Welt!

De begaafde fluitist speelt een obligate (solo-)rol in de altaria (4) waarin het continuo slechts een ondersteunende rol vervult. Wat in onze, aan Mahler en Strawinsky gewende oren fraai en harmonieus mag klinken, moeten Bachs kerkgangers – dat lijkt althans zijn bedoeling – als minder harmonieus hebben ervaren. Veel extra kruizen en herstellingstekens (chromatiek) in de partituur maken ons opmerkzaam op vreemde harmonische overgangen, en talloze verminderde en overmatige intervallen, waaronder de tritonus, de moeilijke sprong van drie hele tonen die als verboden en onwelluidend gold. De ongelijkzwevende stemming van de instrumenten zal het effekt van deze ‘verkeerde noten’ slechts verscherpt hebben. Bach zet ze in ter illustratie van de betörte Welt, de falsche Schein en Betrug. Dat blijkt temeer waar deze effekten plotseling ontbreken in het korte Allegro-middendeel waar de gelovige alt (Ich) zijn/haar keuze voor Jezus verkondigt.
5.  KORAAL & RECITATIEF (B)

Die Welt bekümmert sich. 
Was muß doch wohl der Kummer sein?
O Torheit! dieses macht ihr Pein:
Im Fall sie wird verachtet. 
Welt, schäme dich!
Gott hat dich ja so sehr geliebet,
Dass er sein eingebornes Kind
Vor deine Sünd zur größten Schmach
um deine Ehre gibet,
Und du willst nicht um Jesu willen leiden?
Die Traurigkeit der Welt ist niemals größer,
Als wenn man ihr mit List 
Nach ihren Ehren trachtet. 
Es ist ja besser,
Ich trage Christi Schmach, 
Solang es ihm gefällt. 
Es ist ja nur ein Leiden dieser Zeit,
Ich weiß gewiß, daß mich die Ewigkeit
Dafür mit Preis und Ehren krönet;
Ob mich die Welt
Verspottet und verhöhnet,
Ob sie mich gleich verächtlich hält,
Wenn mich mein Jesus ehrt: 
Was frag ich nach der Welt!


Zoals de tenor in (3), zo verbindt de bas in het recitatief+koraal (5)koraaltekst met uitgebreide toelichtingen. Hij wordt evenwel niet door hobo’s ondersteund maar slechts door het continuo; zijn koraalteksten onderscheiden zich muzikaal eveneens door hun arioso-karakter: ze worden ritmisch door het continuo begeleid met opvallend in halve tonen (chromatisch) dalende en later stijgende figuren waardoor de variaties op de koraalmelodie die de bas zingt bijkans onherkenbaar worden, c.q. in een vreemd daglicht verschijnen. Het chromatisch dalende motief staat altijd voor pijn, lijden en treurnis en illustreert hier de Kummer der verachteten Welt; de lijn loopt omhoog, ‘bekeert zich’ bij het dragen van Christus’ smaad, de acceptatie van zijn kruisdood.
6. ARIA (T)

Die Welt kann ihre Lust und Freud,
Das Blendwerk schnöder Eitelkeit,
Nicht hoch genug erhöhen.
Sie wühlt, nur gelben Kot zu finden,
Gleich einem Maulwurf in den Gründen
Und läßt dafür den Himmel stehen.
Uit Kindermanns zesde couplet destilleerde Bachs tekstdichter de twee volgende aria’s.
Hoewel de tekst Lust en Freude wegzet als Blendwerk schnòder Eitelkeit(begoochelende ordinaire pronkzucht) kan Bach aria (6) slechts uitwerken tot een buitengewoon lustig en freudig, lieflijk en dansant stuk voor tenor en strijkers, in een wiegende 12/8 maat die aan een pastorale herinnert. In het middendeel blijken de wiegende triolen het gewoel van de mol (Maulwurf) te verbeelden, op zoek naar gelben Kot, letterlijk ‘gele drek’ maar hier natuurlijk metaforisch goud. (Er bestaan gekuiste uitgaven die hier eitles Gold schrijven.)
7. ARIA (S)

Es halt es mit der blinden Welt,
Wer nichts auf seine Seele hält,
Mir ekelt vor der Erden.
Ich will nur meinen Jesum lieben
Und mich in Buß und Glauben üben,
So kann ich reich und selig werden.
Terwijl de tenor een objectiverend perspectief kiest (Der Welt kann…, wühlt…, läßt…) keert de sopraan, bekend om haar niet aflatende Jezusliefde, in aria (7) terug naar het participerend, eerste-persoonsperspectief (Mir ekelt, ich kann…, ich will…) dat ook de alt innam en waarbij de gelovige gemeente zich straks in het slotkoraal kan aansluiten. De sopraan verkiest Jezus boven de wereld en het attribuut van haar Jezusliefde in deze triosonate is de hobo d’amore, die met zijn gedekt timbre zorgt voor de wat melancholieke, weemoedige sfeer waarin dit afscheid van verleidelijke wereldse geneugten plaats vindt. 
8. KORAAL

Was frag ich nach der Welt!
Im Hui muss sie verschwinden,
Ihr Ansehn kann durchaus
Den blassen Tod nicht binden.
Die Güter müssen fort,
Und alle Lust verfällt;
Bleibt Jesus nur bei mir:
Was frag ich nach der Welt!

Was frag ich nach der Welt!
Mein Jesus ist mein Leben,
Mein Schatz, mein Eigentum,
Dem ich mich ganz ergeben,
Mein ganzes Himmelreich,
Und was mir sonst gefällt.
Drum sag ich noch einmal:
Was frag ich nach der Welt!
Dat er voor het slotkoraal (8) - zoals gezegd – nog twee coupletten van Kindermanns lied resteren, sluit uit dat er hier sterke tekst/muziek c.q. woord/toon-relaties te vinden zullen zijn.

Het EK van de hartstocht

‘Wat een afgang’ zei ik tegen de jongen die naast me z’n bierblaas stond te legen. ‘Kan gebeuren’, antwoordde hij droogjes. Ik had de wedstrijd Wales- België gezien in mijn stamkroeg, de Leeuw van Vlaanderen, net over de grens. Het was er stampvol, binnen en buiten onder het overdekt terras en in een extra bijgeplaatste tent. Stampvol met voornamelijk als Rode Duivels geklede en beschilderde zuiderburen. Zoals ook de jongen naast mij in het urinoir. Maar toen het laatste voor de Belgen fatale fluitsignaal klonk, veranderden de Rode Duivels om me heen in makke lammetjes, sterker nog in vrolijk door gietende dorstlessers. Geen vervloekingen, geen woede en mijn voornemen om het café Claus’ meesterwerk Het verdriet van België te schenken liet ik prompt varen, want er was geen verdriet. Op de Vlaamse TV werd eindeloos het debacle geanalyseerd, maar geen hond die er aandacht aan besteedde. Het was de stemming van ‘Kan gebeuren’. Wel prettig overigens zo’n reactie. Maar in de topsport kom je natuurlijk met zo’n berustende houding nooit ver. En was dat ook niet een van de makke’s van de Rode Duivels als team? Ze waren wel rood, maar geen duivels. Dat terugzakken na de 0-1 was zo typerend. Dat deden ze ook tegen Hongarije en toen kwamen ze ook al in moeilijkheden, alleen miste Hongarije de echte kwaliteit om dat af te straffen. Ik vond de euforie over het spel tegen de Hongaren ook overdreven. Ze kregen zoveel ruimte dat jongens als Hazard konden excelleren. Maar zet druk, speel compact en Hazard en de Bruijne weten zich geen raad. En hun spel gaat berusting vertonen, de duivels worden lammetjes. Er is te weinig hartstocht, passie, gedrevenheid, teamgeest. Je zag het al bij de volksliederen: wat een verschil met die jongens van Wales. Zij zingen als duivels, zij zingen zich tot kerels. Het valt me op, dat de teams die het meest de hartstocht er in gooien bij de volksliederen, het verst komen. Naast Wales ook Italië en IJsland. Het is het EK van de hartstocht. Misschien wel typerend voor het huidig tijdsgewricht, waarin het nationalisme weer veld wint. Vanavond ga ik vooral weer letten op het zingen van de Italianen tegenover de Duitsers: een goede graadmeter voor de instelling van de wedstrijd. Het zal me niet verbazen dat de Azzuri die slag winnen en dat ook op het veld waarmaken. En wie weet IJsland tegenover de Fransen morgen eveneens. En mijn vurige bede: dat Wales nu ook de laffe, kleurloze Portugezen er uit knikkeren. Ofschoon gezegd moet worden dat met Pepe en die jonge gast van 18, Sanches, Ronaldo c.s. ook een boost van hartstocht geven.

Het dienen van de Mammon in de sport

 

Een paar weken terug publiceerde ik een essay in Trouw over bovenstaand onderwerp. Bij deze hier ook op mijn site

‘Kijk maar, je ziet niet wat je ziet.’  Deze variant op Nijhoffs beroemde aforisme kwam vrijwel spontaan in me op toen ik begin dit jaar naar flitsen van de Australian Open zat te kijken. Zag ik eerlijke partijen of zat ik te kijken naar ‘neppartijen’, waardoor het verslag van Marcella Mesker een hoge graad van ridiculiteit bevatte?

Ook het tennis, de voor mij altijd deftig gebleven sport, lijkt gecorrumpeerd. Voor een  jongetje uit een arbeidersgezin was die sport onbereikbaar. Te duur en het werd derhalve alleen gespeeld door de bewoners van de kapitale  villa’s aan de randen van mijn geboortedorp.

Afgelopen week is FC Twente van de eredivisie naar de eerste diviside teruggezet als straf voor financieel gesjoemel. Barcelona heeft na het opheffen van het verbod op transfers liefst 77 jonge spelertjes uit diverse buitenlanden  ‘opgehaald’.

Het Internationale Olympisch Comité heeft afgelopen maand tientallen deelnemers van de Spelen in Peking (2008) en Sotsji (2013) alsnog betrapt op doping. Het aandeel Russen daarin –15 medaillewinnars alleen al in Sotsji – degradeert de hele affaire-Lance Armstrong tot een kleinigheid. We weten het eigenlijk allemaal al heel lang: in de topsport draait het uiteindelijk alleen maar om geld, geld en nog eens geld. Het is één dans om het gouden kalf. De kerken lopen leeg, de secularisatie heeft z’n miljoenen verslagen, maar is daarmee de religie verdwenen?

De oude god Mammon is triomferend uit zijn as herrezen, als die ooit verdwenen is – de hardnekkigste god aller tijden. Jezus stelt zijn hoorders voor de ultieme keuze: God of de Mammon. ‘Mammon’ heeft taalkundig het woord betrouwbaarheid in zich, maar schijn bedriegt.  Alleen de God van Israël is te vertrouwen.

Is dat wellicht kenmerkend  voor de moderne tijd – en meer verborgen onder het vernis van kerkelijk geloof van alle tijden – dat we ja en amen zeggen tegen de Mammon? Een geloof dat  in alle openheid, vrijmoedigheid en zonder schaamte beleden wordt in het neoliberalisme, dat de wereldwijde religie is geworden. Is het niet veelzeggend dat ‘Atlas Shrugged’ van Ayn Rand, de bijbel van het neoliberalisme, nog steeds na de Bijbel het meest verkochte boek is in de VS? Dit denken werd grondslag en horizon van niet alleen de bankenwereld en de politiek, maar zeker ook van de topsport.

 

De topsport is één grote offercultus aan de Mammon, van wie iedereen hoopt dat hij  steeds meer geeft, maar die nog meer blijkt te nemen. Ze zaait verwoesting en ongelijkheid, zaait en oogst naast aanbidding en verwondering ook verwarring en wanhoop.

In de voetbalwereld zijn de prijzen bij voorbaat al verdeeld tussen de geldgrootmachten – met Leicester als uitzondering die de regel bevestigt. De anderen zijn overgeleverd aan de luimen van al dan niet Chinese, Russische, Arabische en Thaise suikerooms.

 

Het hele dopingprobleem is terug te voeren tot de hoogmis voor Mammon, die begon met de invoering van de ‘professionalisering’. Dat is vooral bij het wielrennen goed te zien. De eerste dopingdode viel al eind 19de eeuw. En het verkopen van wedstrijden is al decennia schering en inslag.

Ooit sprak ik als medewerker van Langs de Lijn uitgebreid met Wim van Est, op een mooie zomerdag in de tuin van zijn fraaie villa in St. Willibrord. Zonder gène sprak hij over het regelen van uitslagen, vooral in de criteriums, en het dwarszitten en dus broodroof van hen die aan het systeem van wheelen en dealen niet mee wilden doen. Om zijn pols zag ik een oude Pontiac. “ Is dat het horloge dat nog liep na uw spectaculaire val?”, vroeg ik. In zijn sappig West-Brabants antwoordde hij grijnslachend: “Natuurlijk niet, die was ook kapot; deze heb ik toen daarna gekregen voor de bekende reclamestunt”.

De oppergod van de topsport is dus bekend. Daaronder en daarbinnen kent elke vorm van sport weer zijn eigen goden, rites en erediensten. Met hun eigen koningen, profeten, priesters, volgelingen, zo u wilt kerkgangers. En daar weer binnen weer diverse ‘kerkgenootschappen’ met de trekken van sektarisme: waarheidsabsolutisme, fanatisme, eigen ‘theologie’ en missionaire gedrevenheid.

Neem nu het voetbal, waar ik het meest mee heb en van wie ik zelf  ook een ‘belijdend lid’ ben, specifiek van de Ajax-gemeente, het nog altijd grootste en succesvolste sportieve ‘geloofsgenootschap’ van ons land.

Van de ronde god van het voetbal zeggen de profeten dat je die vooral het werk moet laten doen. De kleedkamer is het heilige der heiligen, alleen toegankelijk voor de priester-spelers en de coach als hogepriester. Het heilige is de grasmat. Die mag een leek nauwelijks betreden.

Ik weet nog goed dat ik voor het eerst op de uitstekende grasmat van De Meer mocht komen, onder leiding van Ajax’ beste en trouwste assistent-trainer ooit, Bobby Haarms. Hij zei: “Nu mag jij heilige grond betreden, besef dat wel?” En in een documentaire die ik met Rimko Haanstra maakte over hem zei hij over hetzelfde stadion: “Als je hier binnenkomt is het net alsof de Heilige Geest over je komt.”

Ik heb zelf de gang naar De Meer vergeleken met de kerkgang in mijn geboortedorp Huizen: de Amsterdamse Middenweg als de Kerkstraat waarop allen samenkomen op weg naar het heiligdom. Nog immer geeft een gang naar het stadion, nu al weer jaren de Arena, een apart gevoel, een tinteling van verwachting en hoop, van geloof of twijfel over de afloop, al naar gelang de grootte van de tegenstander. En de tribunes stromen vol als de voorhof van de Jeruzalemse tempel, als de banken en galerijen in de Huizense Oude Kerk. En daar klinken de liederen en daar komen de spelers uit de catacomben als de kerkenraad uit de consistoriekamer. En daar zitten wij, de aanhangers. In geloof in het team, in de hoop op overwinning, in liefde voor jouw ‘priesters’ om het wonder van het kale niets van een 0-0 te transsubstantiëren tot een klinkende zege.

Al weer heel lang gaat het over de houdbaarheid en waarde van de ‘Hollandse School’ en bij Ajax draait het om het Plan Cruijff. Belijdenisgeschriften! Met de daarmee samenhangende interpretatie: de theologie van het voetbal. Een debat, gevoerd door binnen- en buitenstaanders. Tot geschillen en verscheurende schisma’s aan toe!

Zelf heb ik als lid van de ledenraad van zeer nabij meegemaakt, hoe de revolutie van Cruijff slachtoffers maakte. Bekwame mensen, ook met een Ajax-hart, werden achteloos en genadeloos weggewerkt, terwijl anderen juist in blinde aanbidding het voormalig wonderkind uit Betondorp staafden in de goddelijke status waarin hij zelf al eerder was gaan geloven. Ik heb getracht me te verzetten tegen de revolutie die meer terreur bevatte dan fluweel. Vroegere vrienden verklaarden mij hun vijandschap. In die periode is mijn jeugdheld in mij al gestorven en kon ik niet voluit en van harte meedoen met de in memoriams die het karakter kenden van een heiligenverering, sterker nog : alsof Nietzsche’s uitroep ‘God is dood’ nu pas werkelijkheid was geworden.

En wat voor het voetbal – misschien in extremis – opgaat, geldt voor alle andere sporten. Maar zijn het geen schijndiscussies, waar de oppergod om glimlachen moet? We dansen allemaal rond het gouden kalf van de Mammon die regeert, en wel met vaste hand. En iedereen draagt eraan bij. Ik ook, door te blijven komen en deel te nemen aan de eigenlijke eredienst. Of niet te kunnen komen, omdat het hele competitieprogramma bepaald is door wat eraan verdiend kan worden, door de clubs, door daarachter de grote jongens van de media en sponsors, door de Fifa, Uefa en hun bobo’s.

Die gevangenschap in een systeem, zoals ook in de bankwereld door Joris Luijendijk duidelijk aangetoond, zag ik terug in de discussie die ontstond door de apengeluiden vanaf de ADO-tribune richting Riechedly Bazoer. Iedereen verwees naar een ander of andere instantie om iets te ondernemen. Vooral journalisten wisten precies wat de club of de scheidsrechter of de KNVB of de overheid moest doen, maar niemand die op het idee kwam zelf een daad te stellen.

Wat als de media zouden besluiten geen aandacht aan wedstrijden van ADO te besteden? Zoals de ARD deed na de onthulling van dopingschandalen op grote schaal in het wielrennen en besloot geen verslag te doen van de Tour de France. Natuurlijk doen de media dat niet, want dat kost hun geld en maakt ze dief van eigen portemonnee.

Mart Smeets is hevig aangevallen op zijn ogenschijnlijke rol als vriend van Armstrong in plaats van die van hardnekkig doorgravende journalist. Misschien terecht, maar wie wijst naar een ander, wijst ook naar zich zelf. Echter die ene wijzende vinger wordt priemend gezien, maar die paar naar je zelf worden gemakshalve vergeten. Ik was geen verslaggevend journalist; ik makkte persoonlijke items, rommelde maar wat aan in de marge, in het randgebeuren. In gesproken columns voor Radio 2 heb ik vanuit Atlanta (Olympische Spelen) wel de duivelse kanten van de topsport gehekeld, maar het waren niet meer dan speldeprikjes. Het probleem is dat de meeste sportjournalisten ook liefhebber zijn en ook helden kennen en dat zo een coterie ontstaat van bewondering en vriendschap en kritisch doorvragen een innerlijke blokkade kent. Het zijn ook ‘kerkgangers’ en het is een heerlijke wereld om in te werken. Hulde dus voor mensen als David Walsh, die er gelukkig ook in ons land zijn.

De Uefa worstelt al heel lang met een Financial Fair Play, maar komt het van de grond? In Qatar – op zich al een corrupte keuze – vallen nog steeds slachtoffers bij de bouw van de stadions voor het WK van 2022. Zal het tot een boycot komen? De vraag stellen is hem beantwoorden.

Ik moet regelmatig denken aan diegenen die bij de beslissing om over te gaan op (semi)professioneel voetbal in ons land in 1954, die waarschuwden voor het bederf van de sport vanwege de rol die geld zou krijgen. Hun stem werd honend weggewuifd. Maar waren het geen profetische stemmen?

Toen de Champions League werd ingevoerd sprak Louis van Gaal van een door geld verworden sportief gedrocht. Hij heeft volkomen gelijk gekregen. Zelfs bij het conflict binnen Ajax rond Cruijff had ik sterk het vermoeden dat niet clubliefde, maar geldliefde in het geding is.

Vaak stel ik mezelf de vraag: moet ik nog  meedoen aan deze dans, aan het ‘kijk maar, je ziet niet wat je ziet’?

Mijn vader, die niet zo kerks was, vroeg het me wel eens: kun je de liefde voor Ajax wel rijmen met je keuze voor het predikantschap?

Een ongemakkelijke vraag, nog steeds. Maar wel een terechte. Ik ben gek van voetbal (en van meer sporten), hartstochtelijk fan van Ajax, een virus juist opgelopen door mijn vader van wie ik Essoplaten kreeg in 1958. Op de plaatjes vond ik het Ajaxshirt het mooiste – en we woonden in de buurt van de fascinerende stad Amsterdam, met dat geweldige Artis. Regelmatig zat ik bij pa op de vrachtwagen en reden we naar Amsterdam, waar hij me wees op De Meer: “Kijk ,jongen, het Ajaxstadion.”

Dat virus krijg ik er niet uit(-gebeden) en toch prangt ook steeds de vraag van Jezus: je kunt niet God dienen en de Mammon. Ga er maar aan staan, zeker met een geweldige sportzomer voor de deur. En ik zal kijken en veel kijken, maar ook zien, wat ik niet zie?

Politieke leegte en armoede

Terecht knikkerde IJsland het Engelse elftal uit het EK-toernooi. Hulpeloos gedraaf,als kippen zonder kop, een coach die geen idee had wat te doen, een Rooney die even ontredderd toonde: leegte en armoede. Een ware afspiegeling van de politiek van het eiland. Vol bravoure het volk opzwepen tot een Brexit of wanhopig manen tot een blijven. Dat volk stemt, blijkt intens verdeeld, met een 4 procent meerderheid voor Brexit en dan ogen en tonen de leidende politici zich als de inmiddels afgetreden Engelse bondscoach en als de zwalkende Rooney. Klaar ben je met zulke leiders. Maar weet de rest van Europa nu wel wat men wil? Lag er een plan B? Ik vrees van niet. Zal er nu wel eensgezindheid komen, die men beschamend ontbeert wat betreft de vluchtelingen? Referenda zijn in mijn ogen ondingen, zeker waar het zulke grote vraagstukken betreft als onderhavig, zeker als de consequenties er van ongewis zijn en ook niet goed doordacht en uitgelegd door de politiek verantwoordelijken. Want dan gaan mensen stemmen met andere motieven , om andere redenen. Het wordt – hoe helder de keuze lijkt – te vaag, te abstract. Uit zich zelf weet de meerderheid nauwelijks van de hoed en de rand en dus worden emoties leidend en dat is funest voor de politiek en haar besluitvorming. Dan zegeviert populisme en dat is meer de onderbuik van het volk dan een ware stem des volks. En dat is waar populistische partijen van leven: zij herkauwen wat zich in de onderbuik van het volk bevindt, nadat ze die eerst gevoed hebben met het voer van irrationaliteiten, emoties en driften met de schijn van redelijke argumenten, met brallende beloften. In ons land niet alleen Wilders, maar ook in zekere mate de SP en nu ook DENK. In de Dagboeken van Miskotte, het deel van tussen 1930 en 1934, lees ik onder vrijdag 3 juni 1932 over “de brallende beloften van Hitler c.s.”: “En hij zal winnen, noodzakelijk! Niet omdat hij duitse, laat staan europese oplossingen weet, maar omdat de massa vraagt om verlossing uit elke verantwoordelijkheid”. En Miskotte voegt daar een gedichtje van Leopold aan toe:

“O de verzuchting om mijn medemenschen                                                                                                  die altijd weer met stumperig aangeleerd                                                                                                    overwichtveinzen moeten geregeerd                                                                                                              en zulks ook zelf het liefste wenschen”      

Dit lijkt me typerend ook voor onze tijd: een verlost willen worden uit verantwoordelijkheid. De politici moeten het voor ons oplossen, dat wil zeggen alle lasten wegnemen en ons alleen de lusten. Populisten voelen dat haarfijn aan en brallen hun beloften en het volk gaat met graagte achter hen aan als achter de rattenvanger van Hameln. Dat is de leegte en armoede van onze tijd. Gevaarlijke leegte, want explosief en gevaarlijke armoede vanwege een belofte van gouden toekomst, van een volvette worst.