Category Archives: Kerken en Kerkhoven

Zorgvlied -12 – Helmut Salden

helmut saldenUnknown Hij wordt op 20 februari 1910 in het Duitse Essen geboren, maar vlucht als dienstweigeraar naar ons land, waar hij in Den Haag een opleiding reclame-ontwerpen volgt. Althans hij staat bij de opleiding ingeschreven. Voor dat hij door toedoen van Hendrik Marsman in ons land terecht komt, verblijft hij eerst in Parijs, op Mallorca en in Zwitserland. Menno ter Braak brengt hem in contact met Nederlandse uitgevers, die zeer van zijn werk gecharmeerd zijn. Tijdens de oorlog  duikt hij onder, wordt hij gearresteerd, ter dood veroordeeld wegens dienstweigering en wordt hij opgesloten in diverse concentratiekampen. Na de oorlog specialiseert hij zich in het ontwerpen van boeken. Hij wordt de vormgever van de Russische Bibliotheek van Van Oorschot.  Maar hij werkt ook voor de Arbeiderspers, Stols en uitgeverij Contact. In totaal werkt hij zelfs voor 65 uitgevers. Van de boekomslagen is die voor Het Achterhuis van Anne Frank uit 1947 het bekendst. In 1994 ontvangt hij de Oeuvreprijs van het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst. Al eerder ontvangt hij een staatsprijs : voor de vormgeving van het Verzameld Werk van Ter Brakk (1949) en voor dat van J.H.Leopold (1952).  Ook in het buitenland vallen hem diverse prijzen ten deel. Na zijn overlijden schrijft z’n partner Katja Vranken de monografie Helmut Salden: letterontwerpen en boekverzorger (2003). Het Museum Meermanno wist in 1996 na zijn dood zijn complete archief te verwerven.

salden_bimages

Zorgvlied 11 – Wick Ederveen

wick ederveenVoluit heette hij Wick Ederveen Janssen. Hij was de broer van Arjan Ederveen. Hij werd geboren op 24 juni 1953 in Hilversum. Hij overlijdt aan de gevolgen van aids en wordt nog geen 41 jaar oud. Net als zijn broer zat hij in het theatervak. Van 1973 tot 1977 was hij leerling van de Amsterdamse toneelschool. Tijdens de opleiding heeft hij al een rol in de NCRV-televisieserie ‘Kamer 17′ en bij het Publiekstheater in ‘Hamlet’. Hij was mede-oprichter van de theatergroep Hare Majesteit en vanaf 1982 begon hij ook te regisseren. In 1989 maakte hij indruk met de solovoorstelling ‘Post uit Afrika’. Het stuk gaat over een hardwerkende directeur die in het weekend het keurige pak verruilt voor het leer en een spetterend gayleven leidt met z’n vriendjes. Hij weet intussen dat hij aan aids lijdt. Post van zijn broer uit Afrika beantwoordt hij door een cassettebandje met herinneringen aan vroeger in te spreken, aangevuld met ter plekke bedachte grappen. Hij lijkt alles onder controle te hebben, maar in feite heerst de angst voor de naderende dood.

Unknown

Zorgvlied 10- Daan van der Cingel

zorgvlied 1 020Prachtige marmeren mannentors op zwartstenen sokkel. Toen ik de foto nam, dacht ik ogenblikkelijk : vast een gay die in het graf ligt. De naam zei me niets. Maar zie mijn veronderstelling bleek juist. Van der Cingel bleek de partner van Frans Leidelmeijer, die heel ons land kent van Tussen Kunst en Kitsch van de AVRO. Ik tref een interview met de verfijnde in Bandoeng geboren art deco-kenner aan op internet. Daaruit het volgende stuk:

Frans: ,,Toen ik bij mijn moeder woonde, kwam uit dat ik homoseksueel was. Mijn vaders eerste reactie was dat ik naar een opvoedingsgesticht moest. Hij had het blijkbaar niet in  de gaten gehad, ook al maakte hij wel eens een opmerking als ik een bepaalde beweging maakte. ‘Je lijkt wel een meid’, zei hij dan. ‘Vroeger noemden we dat bantji.’ Dat kwam hard aan.
Mijn moeder wist het denk ik wel. ‘Word je dan niet door de politie opgepakt?’, vroeg ze nog. De schrik zat er bij haar kennelijk nog in: vóór de oorlog in Indië had zij de heksenjacht op homo’s meegemaakt door de gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer. Mijn vader is door zijn tweede vrouw gekalmeerd: ‘Sommige mensen zijn nu eenmaal homo, daar doe je niks aan.’
Vervolgens hebben mijn vader en ik er nooit meer over gesproken. Mijn moeder en ik begrepen elkaar, maar het leek alsof er tussen mijn vader en mij een muur stond. Dat komt toch door mijn geaardheid. Als ik er nu aan terugdenk, denk ik: ach, die arme vader. Hij is op z’n 58ste aan een hartaanval overleden. Dan is het ineens – bam – over. Je kunt niks meer zeggen tegen elkaar. Hij was nog zo jong. Ik zoek de oorzaak onder meer in de klappen die hij heeft moeten incasseren: de oorlog, de repatriëring, de scheiding, voor zijn kinderen zorgen, z’n ouders die overkomen, z’n moeder die vervolgens overlijdt. Hij kon het niet helemaal bolwerken op z’n werk, mede door alle zorgen natuurlijk. Veel Indische mannen kregen een hartinfarct in die tijd. Dat weet ik nog goed. Er waren er meer bij ons in de buurt. De repatriëring en alles wat daar bij kwam kijken, veroorzaakte een enorme druk. De mannen waren toch het hoofd van het gezin en moesten de verantwoordelijkheid maar dragen. Mijn vader stond op, kookte dan voor ons – voor diezelfde avond of voor twee dagen tegelijk – en ging vervolgens naar z’n werk. Vervolgens tussen de middag boodschappen doen en dan ook nog de zorg voor zijn oude vader.”

‘Beautiful people’
Tussen Frans en Den Haag heeft het nooit geklikt. In 1965 vertrekt hij dan ook naar Amsterdam.

Frans: ,,Eigenlijk wilde ik na de mulo naar de kunstacademie, maar dat durfde ik niet. Ik dacht van veel dingen dat ik het niet kon. Een soort minderwaardigheidscomplex, waarvan ik denk dat dat Indisch is. Met minder genoegen nemen. Ik was verlegen en nam onbeduidende baantjes aan, werd assistent handelscorrespondent. En toch wilde ik me bewijzen – ook om te laten zien dat Indo’s meer kunnen. Ik had wel de ambitie, maar niet de kracht.”

,,In Amsterdam voelde ik me op m’n plaats; ik had het gevoel deel te nemen aan de maatschappij. In 1969 kwam ik Daan (van der Cingel, MvA) tegen. Op straat. We keken elkaar aan, het was raak en dat is nooit meer overgegaan. Ik was in die tijd psychiatrisch verpleegkundige. We gingen veel naar Parijs en ik zag die prachtige metro-uitgangen van Hector Guimard. Ik raakte onder de indruk van de art nouveau. Daan zei: ‘Waarom begin je geen winkel, als je toch wilt ophouden met de verpleging?’ We openden een winkel in de Jordaan, die heette Santekraam. Daar hebben we één jaar gezeten. We verkochten poppen en poëzieplaatjes, maar ook vazen van Gallé en Lalique, die we in het weekend in Parijs inkochten. Ik kreeg allerlei interessante verzamelaars in mijn winkel, mede dankzij Restaurant Special – hét Indisch restaurant van die tijd – verderop in de straat. The beautiful people van Amsterdam  kwamen daar. Ik besefte dat de winkel moest verhuizen naar een buurt met meer doelgerichte klanten. Na een jaar konden we in het Spiegelkwartier terecht. Daan en ik hebben elkaar heel goed aangevuld. Ik bedacht de dingen en hij regelde alles. ,,Jij bent de ziel en ik ben de motor van de winkel”, zei hij altijd.

Frans: ,,Als handelaar  voelde in me een verlengstuk van de buitenlandse stijlen. Waarom koop ik geen Nederlandse kunstnijverheid?, dacht ik na verloop van tijd. Die kon je makkelijk inkopen, maar moeilijk verkopen, omdat er amper iets over bekend was. Dan moest ik, bedacht ik, eigenlijk een boek schrijven dat aantoont dat Nederlandse toegepaste kunst even veel kwaliteit heeft als de buitenlandse. Dat boek is in 1983 verschenen, na de dood van mijn moeder. Ook zij is op jonge leeftijd overleden, 64 jaar oud. Toen ze hoorde dat ze kanker had, zei ze tegen mij: ‘Dat is mijn straf. Voor dat ik jullie verlaten heb.’ Ik heb veel verdriet gehad van haar dood. Gelukkig heb ik haar nog wel kunnen vertellen dat ik het boek aan haar zou opdragen. Ik beschouw het nog steeds als een hoogtepunt in mijn loopbaan.”

,,Vervolgens zijn Daan en ik met de galerie naar de Spiegelgracht verhuisd. Want ik wilde nóg groter en nóg meer in de loop. Al die jaren heb ik boven de winkel gewoond. In het begin was de winkel heel leeg, maar allengs werd het steeds voller. Als ik bij veilingen inkocht, was er nauwelijks concurrentie. Soms was ik de enige die bood. Anderen – musea bijvoorbeeld – hadden er minder geld voor over. Als ik twijfelde, zei Daan: ‘Wil je ’t hebben? Geloof je erin? Dan kopen we het.’ Ik werd door hem gesterkt. Hij zei: ‘Je kunt alles bereiken, als je er maar in gelooft.”

,,Toen Daan overleed in 1989 dacht ik eerst: ik ga stoppen. Hij maakte zo’n onlosmakelijk deel uit van het bedrijf. Al twee jaar wisten we dat hij dood zou gaan. Hij heeft in die tijd die hem restte nog van alles geregeld. Hij zei: ‘Je gaat wel je rijbewijs halen!’, en pakte de telefoon: ‘Meneer Leidelmeijer komt twee keer per week bij u autorijles nemen.’ Hij heeft geregeld dat ik zijn taken leerde doen. Me helemaal klaargestoomd voor het moment dat hij er niet meer zou zijn.”

,,Hij kon in mijn kleren op het laatst. Hij heeft niet kunnen accepteren dat hij dood ging en was heel boos. Omdat ik het dichtst bij hem stond, werd alles op mij afgereageerd. Even later deed hij er weer alles aan om  het goed te maken. Ik heb hem tot het laatst verpleegd. Zijn moeder zei: ‘Hou je het nog wel vol’, en: ‘je krijgt een plaatsje in de hemel later.’ Misschien was dat m’n Indische ik, dat flegmatische. Je kunt je verplaatsen in iemand, maar ik wist waarom. Een ander had het niet genomen hoor, die was weg gegaan.’

‘You’re a living legend’
Ondanks de zware slag heeft Frans zich na de dood van Daan nog meer waargemaakt.

Frans: ,,Na de eerste schok dacht ik: ik moet toch verder. Ik moet bewijzen dat ik het ook zonder hem kan.”
Enkele hoogtepunten: in 1990 wordt hij gevraagd voor het tv-programma Tussen Kunst en Kitsch en hij krijgt een lintje in 1997 vanwege zijn rol als internationale pleitbezorger van de Nederlandse Nieuwe Kunst. 

Daan werkte aanvankelijk bij de Nederlandse Basalt Maatschappij, waar hij een reken- en computercentrum opzette. Met zijn partner publiceerde hij in 1983 een boek over de kunstperiodes en kunststijlen, waarmee als pioniers anderen de ogen er voor openden: Art Nouveau en Art Deco in Nederland: ‘Verzamelobjecten uit de Nederlandse toegepaste kunst 1880-1940′. Gerrit Komrij schreef een voorwoord.  Op 16 mei 2006 liet Leidelmeijer zijn collecte veilen bij Christie’s. Hij verkoopt alleen nog via internet.

Zorgvlied 9 – G.A.N.Allebé

allebeHet Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek leert me dat de initialen staan voor Gerard Arnold Nicolaas. Op 29 mei 1810 wordt de Allebé met de driedubbele naam geboren in Amsterdam. Hij studeert geneeskunde in de hoofdstad aan het Atheneum Illustre, de voorloper van de universiteit. Na z’n met goud bekroonde studie vestigt hij zich in Amsterdam als geneesheer. Hij maakt zich maatschappelijk verdienstelijk in deelname aan het bestuur  van diverse instellingen en lidmaatschap van allerlei commissies die zich beijveren voor het oprichten van inrichtingen van algemeen nut. Zo is hij , zo ontleen ik  nogmaals aan bovengenoemd Woordenboek, de medeoprichter van het Algemeen Ziekenfonds voor Amsterdam en van  Het Witte Kruis. Hij is lid van de gezondheidscommissie en van het genootschap tot bevordering van de koepokinrichting, hoofdbestuurder van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen en in die hoedanigheid oprichter van de ‘Inrichting voor orthopedische gymnastiek’. Men kan hem beschouwen als de grondlegger en baanbreker van de lichamelijke opvoeding in ons land. In 1868 wordt hij benoemd tot adjunct-inspecteur van het geneeskundig staatstoezicht in de provincie Noord-Holland. In 1874 legt hij zijn geneeskundige praktijk neer om zich nog meer te kunnen toeleggen op zaken van algemeen gezondheidkundig belang. Hij schrijft talrijke artikelen: over het nut van bad- washuizen, over nut en noodzaak van gymnastiek (ook voor meisjes), over de ontwikkeling van het kind, over de gezondheidssituatie van scholen, over de toestand van bewoonde kelders etc. Hij overlijdt op 18 juli 1892. Ter zijner nagedachtenis wordt in 1894 een grafmonument geplaatst en onthuld op Zorgvlied, voorbereid door een commissie van bekende voorstanders van lichaamsoefeningen. Met tientallen anderen werd Allebé in 1867 begiftigd met de door koning Willem III ingestelde Bronzen medaille voor goede zorg en hulp bij het heersen der cholera asiatica in 1866. In dat jaar vielen in ons land 21.000 slachtoffers van een choleraepidemie te betreuren, in Amsterdam alleen al 1151.     Als de in 1839 opgerichte Maatschappij Arti et Amicitiae 90 jaar bestaat wordt er in het gebouw aan het Amsterdamse Rokin een tentoonstelling van Nederlandse Portretkunst ingericht. Daaronder een portret van Allebé van de hand van August Allebé. Een artikel in Elsevier uit 1930 over de tentoonstelling noemt hem ‘ de leermeester van zoovele thans levende meesters van middelbare leeftijd’ En zegt over het portret dat we daarin niet de dokter maar de mens zien.

Ofschoon ik niet helemaal zeker ben, heb ik een donkerbruin vermoeden dat de schilder een zoon is van de arts. Hij wordt in 1838 in Amsterdam geboren en studeert er aan de Rijksacademie van Beeldende kunsten, hij wordt er hoogleraar en directeur van. Hij oefent grote invloed uit op de schilders van de zgn. Amsterdamse School. Tot zijn leerlingen behoren o.a. Jan Voerman, Jan Sluijters, Jan Toorop, Richard Roland Holst en Mondriaan. George Breitner nam les bij hem na zijn afstuderen. Ook tekenaars als Jetses en Bottema hadden les van hem. Hij overleed in 1927 en ligt eveneens op Zorgvlied begraven.

86px-August_Allebé_-_'Nadagen'120px-August_Allebé_-_De_vlinders Hier Nadagen uit 1863 en De vlinders uit 1871

Zorgvlied 8 – Samsom

c.j.samsom Het is het gedicht dat de aandacht trekt.  ‘Zoals een vogel in de blanke lucht, zich stelde op de gloed der ochtendstond, zo droomde ik dat voor het hemelrond een vrij mens voorvloog met een zachte vlucht’. Het doet aan een dichter als J.C.Bloem denken. Nijhoff? Het is van Bert Samsom. Dat zal dezelfde zijn  die boven aan de steen staat als Engelbertus Samsom. Geboren op 11 januari 1944, overleden op 8 augustus 1985. Eenenveertig jaar oud geworden. Zelfdoding? Valt dat uit dat gedicht op te maken? Bert Samsom blijkt de schrijver van een bundel essays, korte verhalen en gedichten, verzameld onder de titel Boormans ware aard. ( Boormans verwijst naar de gelijknamige directeur van Het Wereldtijdschrift uit Lijmen-Het Been van Willem Elsschot)  Samsom bleek een voorkeur te hebben voor sombere klassieken uit de Nederlandse literatuur, zoals werk van Van Oudshoorn  en een roman als De avonden. ‘ Zo tekende hij ongewild zijn eigen portret: dat van een pessimist die in de literatuur een mogelijkheid vond om de zinloosheid van het leven op een afstand te houden’, aldus ene T.A., in een bespreking van bovengenoemde bundel die ik op internet vond. De bundel is uitgekomen bij – hoe kan het anders – Uitgeverij Samsom-Alphen aan de Rijn, postuum in 1989.

Verder zoekend vond ik ook nog dat de jonggestorven Samsom brieven in Tirade heeft geschreven aan Geert van Oorschot en Karel van het Reve. En ook nog een nummer gewijd aan Gerard Reve: Veelzeggend uiterlijk. Wat ik via www.boekwinkeltjes.nl kon verkrijgen en dus dan ook besteld heb.

In het graf ligt ook de vader van Bert Samsom, Cornelis Johannes Samsom en boekhandelaar zoals vermeld staat. De boekhandel blijkt gevestigd te zijn geweest op de hoek van de Hobbemakade en de Roelof Hartstraat in Amsterdam.  C.J. was de  zoon van de oprichter van de Alphense uitgeverij en begon de boekhandel in 1936 begon. De boekhandel heeft ongeveer 60 jaar bestaan en had een mooi ouderwets karakter, met veel mahoniehout en hoge kasten. Het was een algemene boekhandel met extra aandacht voor reisboeken, boeken van theologische, filosofische en levensbeschouwelijke aard, boeken over kunst en de betere roman. Het kende een eigen kinderhoek. 907De foto hiernaast is uit 1976 toen ter gelegenheid van het veertig jarig bestaan  van de boekhandel in 1976 Simon Carmiggelt was uitgenodigd. We zien hem met Jeanne Roos en Hans van den Bergh. Huub Oosterhuis, Hannie Michaelis en Judith Herzberg waren die dag ook aanwezig.1496

 

Zorgvlied 7 – Lex van Delden

lex van deldenOp 10 september 1919 wordt in Amsterdam het enig kind van onderwijzer Wolf Zwaap en diens vrouw Sara Olivier geboren. Hij krijgt de naam Alexander. Hij krijgt al jong pianoles, o.a. van de bekende Cor de Groot. Als hij elf jaar oud is begint hij te componeren door gedichten van Guido Gezelle op muziek te zetten. Vanwege een langdurige ziekte in plaats van piano spelen. Als componist zal hij autodidact blijven, want in 1938 gaat hij medicijnen studeren. Die hij door het uitbreken van de oorlog en de komst van de bezetter als jood niet voortzetten kan en voortzetten mag. Een in een schuilplaats exploderende carbidlamp ontneemt hem het zicht in zijn linkeroog, waardoor hij na de oorlog de studie niet meer opvat, omdat zijn hoop neuro-chirurg te worden vervlogen is. Hij neemt deel aan het studentenverzet. Zijn verzetsnaam was Van Delden. Die naam blijft hij na de oorlog gebruiken en in 1953 wordt deze naam officieel erkend. Voortaan heet hij Lex van Delden. Zijn familie was vrijwel volledig door de nazi’s uitgeroeid. Vanaf 1947 is hij muziekredacteur van Het Parool en begint hij steeds meer naam te maken als componist. Hij zal in de jaren vijftig en zestig een van de meest uitgevoerde componisten van zijn generatie worden. Zijn vrouw Jetty van Dijk was actrice; zijn zoon Lex jr zou een bekend acteur worden.

http://www.youtube.com/watch?v=WwTASwBKte8

Zorgvlied 6 – Charlotte Petronella Balinge

zorgvlied 1 009Op de dag dat in de meeste landen van Europa het einde van W.O.I wordt herdacht het graf van een vrouw die draagster was van de Verzetsster Oost-Indië 1942-1945. Deze vrouw met een Zeeuws-aandoende achternaam werd geboren op 7 oktober 1896 in Paramaribo. Zij was een Surinaamse. Omdat de Zeeuwen leidend waren in de slavenhandel van West-Afrika naar Suriname en ook in Suriname zelf de eerste machthebbers kun je onder Surinamers achternamen treffen die Zeeuws aandoen, zoals bijvoorbeeld ook Bouterse. (Familienamen die eindigen op een ‘e’ zijn vrijwel altijd Zeeuws) Deze vrouw heeft dus een belangrijke onderscheiding gekregen. Maar als je op internet naar haar zoekt kom je niet meer te weten dat dan zij hoofdverpleegkundige was van de Militaire Geneeskundige Dienst. Zoekend onder Verzetsster Oost-Azië leert dat deze onderscheiding is ingesteld in 1948 door koningin Juliana – die tijdens de oorlog veel meer gedaan heeft dan keurig in Canada op de kinderen te passen, zoals biografe Jolande Withuis in De Volkskrant schreef afgelopen zaterdag –   om Nederlanders en Nederlandse onderdanen  in Nederlands-Indië die zich ‘ door geestkracht, karaktervastheid of gemeenschapszin op bijzondere wijze verdienstelijk hebben gemaakt voor door krijgsgevangenschap, internering of anderszins in de macht van de vijand geraakte Nederlanders of Nederlandse onderdanen, dan wel in het verzet tegen de vijand’ te eren. 100px-Verzetsster_Oost_Azie_met_batonLinks hoe de onderscheiding er uitziet. Opvallend is dat Wikipedia over deze erester alleen de namen van mannen noemt die deze hebben opgespeld gekregen. Onder wie de vader van Geert Mak, Catrinus Mak. Het is vrijwel altijd hetzelfde liedje: vrouwen tellen in feite minder mee. Hoeveel vrouwen zullen vandaag herdacht worden? Terwijl vrouwen op het thuisfront ook offers brachten. Op de steen van de Surinaamse staat ‘zij heef veel lief gehad’. Dat mogen we ook vertalen als: zij heeft veel lef gehad. Liefhebben is als het er op aankomt lef hebben. Lef is een jiddisch woord dat terug gaat op het Hebreeuwse ‘leb’ en dat betekent hart. Wie een hart heeft heeft , heeft lef, heeft lief.

Zorgvlied 5 – Wijsheid in steen

zorgvlied 1 006jan kroeseBij deze graven gaat het me niet om de namen. Daarvan vind ik geen levensverhalen op internet. Het gaat me om de teksten. Op de linker steen staat: ‘De dood grenst aan onze geboorte en onze wieg staat in het graf’.  Het staat op een steen van iemand  die 72 jaar is geworden en getrouwd was. Een redelijk lang leven en een leven in relatie wil nog niet zeggen een gelukkig leven. Het kan een leven zijn van meer dood dan leven. Het kan ook de levensfilosofie van de overledene uitdrukken. Wat ik vermoedde blijkt bij zoeken juist: het is een citaat. En wel van de Engelse bisschop Joseph Hall (1574-1656). Het citaat slaat bij mij als een natte dweil in het gezicht. Het is natuurlijk waar dat we sterfelijk zijn, dat we mensen van een dag zijn, dat wie geboren is ook zal moeten doodgaan. Wat niet tot leven komt hoeft ook niet te sterven. En het is waar dat het goed kan zijn in het besef van sterfelijkheid ons zelf te relativeren en niet zo op te blazen alsof we boven tijd en dood verheven zijn. En toch heb ik dan ook graag het citaat van de rechter steen er bij. Waarin uitgedrukt wordt hoe je dan dat stukje tussen wieg en graf het best kan vullen. Met het bezwaar van een zeker moralisme. Dat neem ik op de koop toe. Op die steen staat: ‘ Zeggen wat moet; zwijgen waar nodig; wachten in wijsheid; doen wat niet mag worden uitgesteld; Alles in liefde’. Ik heb niet kunnen vinden of dit ook een citaat is. Spreken en zwijgen; doen en laten in een mooie balans zien te houden, met in alles liefde als motor en leidraad. Ik had ooit een radiorubriek ‘Als stenen spreken’, met de verhalen achter de namen op grafzerken/stenen. Hier spreekt de overledene in de steen en dwingt tot vruchtbaar nadenken. Zo kun je ook voortleven.

Zorgvlied 4 – Karel Sijmons

k.l.sijmons266px-Karel-sijmons-1301162148Hij heet volledig Karel Lodewijk Sijmons en is de vader van Babet, de echtgenote van Jan Cremer. In Helmond geboren op 28 december 1908 krijgt hij op twaalfjarige leeftijd een hersenvliesontsteking, waardoor hij compleet doof werd. Hij volgt de ambachtsschool en komt daarna in dienst van Publieke Werken in zijn geboortestad. In 1928 verhuist hij naar Amsterdam, waar hij technisch tekenaar is bij architectenbureau Otto & Logeman en een opleiding volgt aan de de Academie van Bouwkunst.  In 1932 gaat hij met twee collega’s aan de slag als architect. Het drietal haalt een grote opdracht binnen met het ontwerp van atelierwoningen voor beeldend kunstenaars in de hoofdstedelijke Zomerdijkstraat. In 1954 begint hij zijn eigen architectenbureau en krijgt vooral bekendheid als ontwerper van protestantse kerkgebouwen. Waaronder de mij zeer bekende Thomaskerk in Amsterdam, uit 1966. Drie thema’s staan centraal in dit ontwerp: de grote ruite is voor de Dienst van het Woord, waarin de Doop zeer zichtbaar is middels een doopvont, waarin een peuter in verdwijnen kan. Voor de Dienst van de  Tafel is een aparte intieme ruimte om de hoek gecreëerd. De vorm van de kerk verwijst naar de gemeenschap als volk onder weg. De zandstenen vloer verwijst naar de woestijn, waar het volk Israël doortrok en het golvend dak naar de Rode Zee, waar het volk doorheen moest. Achter de grote kerkruimte ligt een spa dieper een intieme stiltekapel, met een eigen ingang. Daarnaast voorziet het gebouw in een eigen theater, uniek voor een kerk in Nederland. Er was ook een aparte ruimte voor de jeugd, waar ooit Karel Eykman heilzaam werk verrichtte. Dat gedeelte is al heel lang verhuurd (of zelfs verkocht?) aan een kinderopvang. Sijmons liet zich inspireren door de kapel Notre Dame du Haut in Ronchamp van Le Corbusier. In een hoek van de grote ontvangsthal en het theater bevindt zich een prachtig glas in loodraam van de Spaanse kunstenaar Antonio Saura: kruisiging van Jezus.  In 1955 ontwierp Sijmons de Adventkerk in Den Haag/Loosduinen, in 1958 een kerk met dezelfde naam in Aerdenhout, in 1958 de Paaskerk in Zaandam. Voor zijn ontwerp van de Adventkerk in Loosduinen ontving hij in 1965 de H.P.Berlageprijs. Hij ontwierp verder o.a. ook Ziekenhuis Leyenburg in Den Haag. Hieronder  van de Haagse AdventkerkAanzicht_vanuit_het_zuidwesten_-_'s-Gravenhage_-_20419357_-_RCE en van de Thomaskerk.

266px-Overzicht_van_de_zuidgevel_-_Amsterdam_-_20419017_-_RCE

Zorgvlied 3 – Yvonne Keesman

zorgvlied 1 003Het is duidelijk: de naam van Yvonne Keesman staat verticaal op wat een vleugel van een vliegtuig voorstelt. Dat zet aan het denken. En googelen bevestigt het vermoeden: Yvonne is het slachtoffer van een vliegtuigongeluk. Die onmiddellijk een Aha-erlebnis oplevert. Op 25 september 1996 verongelukte boven de Waddenzee een Dakota, de naam die de RAF gaf aan de DC3. Het toestel werd in 1935 ontwikkeld. Er kwamen bijna 11.000 exemplaren op de markt. Het toestel was bedoeld om bij transcontinentale vluchten passagiers de gelegenheid te geven te slapen. De eerste exemplaren kenden dan ook slaapbanken, later vervangen door stoelen. Tijdens de Tweede Oorlog werd het toestel behalve als passagierstoestel ook ingezet als sleepvliegtuig, bijvoorbeeld van de Horsa-zweefvliegtuigen bij de Slag om Arnhem. De toestellen speelden een belangrijke rol bij de luchtbrug naar Berlijn in 1948 en 1949. Steeds meer militaire DC’3 werden aan burgerluchtmaatschappijen verkocht. Tijdens de Vietnamoorlog werden nog immer toestellen van dit type gebruikt. Voor de oorlog kocht de KLM 23 Dakota’s. Na mei 1940 werden er vijf door de Luftwaffe gevorderd, een aantal was al vernietigd bij het bombardement op Schiphol. Dakota’s werden vooral ingezet op de lijn naar Indië. Na de oorlog werden voor lange vluchten andere types ingezet, maar tot in de jaren zestig werden Dakota’s nog ingezet voor binnen-Europese vluchten.  De Dutch Dakota Association houdt houdt de Dakota in ere en voert er vluchten voor donateurs en anderen mee uit. Op 25 september 1996 ging het faliekant mis. Het toestel was met personeel van de dienst Wegen, Verkeer en Vervoer van de provincie Noord-Holland en enkele medewerkers van Ballast Nedam aan boord opgestegen van Vliegveld De Kooy bij Den Helder voor een vlucht naar Texel. Op de terugreis naar Schiphol valt boven de Waddenzee de linkermotor uit. Het lukt de bemanning niet om de propeller van de motor in de vaanstand te krijgen, de stand die nodig is om de luchtweerstand zo laag mogelijk te houden, noodzakelijk bij een calamiteit als bovengenoemd. Even voor vijf uur ‘s middags stort het toestel neer op de zandplaat Lutjeswaard ten noorden van Den Oever. 31 inzittenden komen direct om het leven, de 32e overlijdt op weg naar het ziekenhuis. Onder de verongelukten Yvonne Keesman, als purser mee op deze vlucht. Ze was 38 jaar.